ZAKBOEKENPOLITIE CONCEPTEN 2020

Nieuwe paragraaf 11.31 zakboek Sv HulpOvJ

- Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wet verplichte ggz)

- Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten

- Vervallen: Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen

 

11.31 Zorg en dwang / Wet Bopz vervallen

Per 01-01-20 is de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen komen te vervallen en zijn in plaats daarvan in werking getreden:[1]

1.   Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wet verplichte ggz), bevattende regels voor het kunnen verlenen van verplichte zorg aan een persoon met een psychische stoornis.

2.   Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (inclusief wijzigingswet).

 

Vooraf

-      Raadpleeg overheid.nl voor de complete (omvangrijke en complexe) regelgeving. In deze paragraaf zijn over deze materie alleen enkele voor de dagelijkse praktijk van belang zijnde bepalingen verwerkt. Raadpleeg waar mogelijk een specialist!

-      Zie voor veel informatie ook dwangindezorg.nl met onder meer een integrale artikelsgewijze toelichting op de Wet verplichte ggz.

 

1. Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg

 

Vooraf

-      De burgemeester kan in een crisissituatie een crisismaatregel opleggen waardoor er verplichte zorg aan betrokkene kan worden opgelegd (art. 7:1 Wet verplichte ggz).

-      Voorafgaand aan een crisismaatregel kan ook verplichte tijdelijke zorg worden opgelegd door de burgemeester maar bijv. ook door (art. 7:3 Wet verplichte ggz):

a.   degene die is belast met de uitvoering van de ambulancezorg, bedoeld in art. 1 van de Tijdelijke wet ambulancezorg;

b.   een ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitoefening van de politietaak.

-      Verplichte zorg kan onder meer vrijheidsbeneming inhouden (art. 3:2 Wet verplichte ggz).

-      De burgemeester kan bij de tenuitvoerlegging of uitvoering van

o  de crisismaatregel;

o  de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of

o  de zorgmachtiging

de hulp inroepen van ambtenaren van politie. De burgemeester kan deze bevoegdheid mandateren aan een of meer hulpOvJ's (art. 8:1 Wet verplichte ggz).

-      In de Wet zijn vergaande bevoegdheden voor onder meer de politie opgenomen (betreden van plaatsen/woning, onderzoek aan kleding/lichaam en ontnemen van voorwerpen) (art. 8:2 Wet verplichte ggz).

-      De OvJ kan (na machtiging door de RC) voor de vaststelling van de verblijfplaats van betrokkene een opsporingsambtenaar bevelen daartoe bepaalde dwangmiddelen toe te passen zoals observatie, opnemen vertrouwelijke communicatie, vorderen bepaalde gegevens. Daarvoor is wel een ernstig vermoeden vereist dat betrokkene zich aan de uitvoering van de verplichte zorg heeft onttrokken en in levensgevaar verkeert of een misdrijf als bedoeld in art. 67,1 Sv, zal plegen met een aanzienlijk risico op ernstig nadeel voor hemzelf of voor een ander (art. 13:3a Wet verplichte ggz).

Art. 1:1 Begripsbepalingen (MH: voor zover van belang voor dit zakboek)

1.   In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

e.  crisismaatregel: door de burgemeester opgelegde maatregel als bedoeld in art. 7:1 om verplichte zorg te verlenen;

s.  tenuitvoerlegging: er voor zorg dragen dat de zorgaanbieder kan beginnen met de uitvoering van de crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging;

t.   verplichte zorg: zorg als bedoeld in art. 3:1 en art. 3:2, tweede lid;

y. zorgmachtiging: rechterlijke machtiging om verplichte zorg te verlenen.

2.   Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder «ernstig nadeel» verstaan, het bestaan van of het aanzienlijk risico op:

a.   levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische, materiële, immateriële of financiële schade, ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang, ernstig verstoorde ontwikkeling voor of van betrokkene of een ander;

b.   bedreiging van de veiligheid van betrokkene al dan niet doordat hij onder invloed van een ander raakt;

c.   de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept;

d.   de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.

 

Art. 1:4 Definiëring instemming/verzet betrokkene

1.   Indien betrokkene nog niet de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, is er sprake van:

a.   instemming, indien de vertegenwoordiger instemt;

b.   verzet, indien de vertegenwoordiger zich verzet.

2.   Indien betrokkene de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaar heeft bereikt, is er sprake van:

a.   instemming, indien betrokkene en de vertegenwoordiger beide instemmen;

b.   verzet, indien betrokkene of de vertegenwoordiger zich verzet.

3.   Indien betrokkene de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt en geen vertegenwoordiger optreedt, is er sprake van:

a.   instemming, indien betrokkene instemt;

b.   verzet, indien betrokkene zich verzet.

4.   Indien betrokkene de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt en een vertegenwoordiger optreedt, is er sprake van:

a.   instemming, indien betrokkene en de vertegenwoordiger beide instemmen;

b.   verzet, indien betrokkene of de vertegenwoordiger zich verzet.

5.   Indien betrokkene de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, geen vertegen­woordiger optreedt en betrokkene geen blijk geeft van instemming of verzet, is art. 1:3, vierde lid, van overeenkomstige toepassing, en is er sprake van:

a.   instemming, indien de vertegenwoordiger instemt;

b.   verzet, indien de vertegenwoordiger zich verzet.

6.   Indien betrokkene op enig later moment blijk geeft van verzet, vervalt de instemming, bedoeld in het vijfde lid, en is er sprake van verzet.

 

Art. 3:1 Grondslag verplichte zorg

Verplichte zorg is zorg die ondanks verzet als bedoeld in art. 1:4 kan worden verleend op grond van een:

a.   zorgmachtiging;

b.   crisismaatregel;

c.   machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel;

d.   beslissing tot tijdelijke verplichte zorg voorafgaand aan een crisismaatregel als bedoeld in art. 7:3;

e.   beslissing tot tijdelijke verplichte zorg in een noodsituatie als bedoeld in de artikelen 8:11 en 8:12.

 

MvT[2]

'Art. 3:1 bevat een limitatieve opsomming van de grondslagen voor verplichte zorg. Van het uitgangspunt dat alleen die zorg kan worden verleend waar betrokkene zelf mee instemt, kan alleen worden afgeweken indien de rechter een zorgmachtiging heeft afgegeven voor het verlenen van verplichte zorg of indien er sprake is van een crisissituatie die noodzaakt tot verplichte zorg. Voor beide gevallen geldt dat aan de strenge criteria van de artikelen 3:3 en 3:4 moet worden voldaan en de overige procedurele eisen, voordat er tot verplichte zorg kan worden besloten'.

 

Art. 3:2 Inhoud verplichte zorg

1.   Zorg omvat de zorg van een zorgaanbieder jegens betrokkene die kan bestaan uit bejegening, verzorging, verpleging, behandeling, begeleiding, bescherming, beveiliging, en verplichte zorg als bedoeld in het tweede lid.

2.   Verplichte zorg bestaat uit het:

a.   toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;

b.   beperken van de bewegingsvrijheid;

c.   insluiten;

d.   uitoefenen van toezicht op betrokkene;

e.   onderzoek aan kleding of lichaam;

f.    onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;

g.   controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;

h.   aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;

i.     beperken van het recht op het ontvangen van bezoek;

j.     opnemen in een accommodatie;

k.   ontnemen van de vrijheid van betrokkene door hem over te brengen naar een plaats die geschikt is voor tijdelijk verblijf als bedoeld in art. 7:3, derde lid.

 

MvT[3]

Geen onderzoek in het lichaam. 'Indien er een ernstig vermoeden bestaat dat betrokkene gevaarlijke voorwerpen in zijn lichaamsholtes verbergt, zal hij door middel van overreding moeten worden bewogen om deze voorwerpen af te geven. Daarnaast kan er door intensief toezicht voorkomen worden dat betrokkene met deze gevaarlijke voorwerpen zichzelf of anderen ernstige schade toebrengt'.

 

Art. 3:3 Voorwaarden verplichte zorg

Indien het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis, niet zijnde een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap (MH: zie daarvoor de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten hierna), leidt tot ernstig nadeel (MH: zie daarvoor art. 1) kan als uiterste middel verplichte zorg als bedoeld in art. 3:1 worden verleend, indien:

a.   er geen mogelijkheden voor zorg op basis van vrijwilligheid zijn;

b.   er voor betrokkene geen minder bezwarende alternatieven met het beoogde effect zijn;

c.   het verlenen van verplichte zorg, gelet op het beoogde doel van verplichte zorg evenredig is; en

d.   redelijkerwijs te verwachten is dat het verlenen van verplichte zorg effectief is.

 

Art. 3:4 Doelstelling verplichte zorg

Verplichte zorg kan worden verleend om:

a.   een crisissituatie af te wenden,

b.   ernstig nadeel af te wenden,

c.   de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren,

d.   de geestelijke gezondheid van betrokkene dusdanig te herstellen dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint, of

e.   het stabiliseren of herstellen van de fysieke gezondheid van betrokkene in het geval diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel daarvoor.

 

Art. 7:1 Crisismaatregel door de burgemeester

1.   De burgemeester kan ten aanzien van een persoon die zich in zijn gemeen­te bevindt een crisismaatregel (MH: maatregel om verplichte zorg te verlenen, zie art. 1:1) nemen, indien:

a.   er onmiddellijk dreigend ernstig nadeel is;

b.   er een ernstig vermoeden bestaat dat het gedrag van een persoon als gevolg van een psychische stoornis dit dreigend ernstig nadeel veroorzaakt;

c.   met de crisismaatregel het ernstig nadeel kan worden weggenomen;

d.   de crisissituatie dermate ernstig is dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht; en

e.   er verzet is als bedoeld in art. 1:4 tegen zorg.

2.   De burgemeester kan een wethouder mandaat verlenen voor het nemen van een crisismaatregel.

3.   De burgemeester neemt niet eerder een crisismaatregel dan nadat hij:

a.   ervoor zorg heeft gedragen dat een psychiater, indien van toepassing volgens het vastgestelde model, in een medische verklaring zijn bevindingen vermeldt inzake de actuele gezondheidstoestand van betrokkene en of de situatie, bedoeld in het eerste lid, zich voordoet, en

b.   betrokkene, zo mogelijk, in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord.

4.   De OvJ verstrekt de burgemeester desgevraagd gegevens over een voor betrokkene eerder afgegeven machtiging tot voortzetting van de ibs of rechterlijke machtiging als afgegeven op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging.

5.   De OvJ verstrekt op aanvraag van de psychiater aan hem de politiegegevens als bedoeld in de Wet politiegegevens en de strafvorderlijke en justitiële gegevens als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het ernstig nadeel. Verstrekking door de OvJ kan achterwege blijven indien het belang van enig strafrechtelijk onderzoek zich daartegen verzet.

6.   Bij regeling van Onze Minister kan een model voor een medische verklaring als bedoeld in het derde lid worden vastgesteld.

 

Art. 7:2 Inhoud crisismaatregel / afschrift / advocaat / vertrouwenspersoon

1.   De burgemeester vermeldt in de crisismaatregel in elk geval:

a.   de zorg die noodzakelijk is om de crisissituatie af te wenden;

b.   de zorgaanbieder, de geneesheer-directeur en de zorgverantwoordelijke die worden belast met de uitvoering van de crisismaatregel en zo nodig de accommodatie;

c.   de mogelijkheid van advies en bijstand door een patiëntenvertrouwenspersoon;

d.   het recht op beroep, bedoeld in art. 7:6.

2.   De burgemeester zendt onverwijld een afschrift van zijn beslissing tot het nemen van een crisismaatregel en de afgegeven medische verklaring aan betrokkene, de advocaat, de geneesheer-directeur, de inspectie, de OvJ en voor zover aanwezig de vertegenwoordiger en de gezinsvoogdijwerker.

3.   Indien betrokkene geen advocaat heeft, draagt de burgemeester binnen 24 uur na het nemen van de crisismaatregel ervoor zorg dat betrokkene wordt bijgestaan door een advocaat, tenzij betrokkene daartegen bedenkingen heeft.

4.   Bij algemene maatregel van bestuur, vast te stellen op de voordracht van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie, kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het derde lid.

5.   De burgemeester verstrekt de persoonsgegevens van betrokkene aan de patiëntenvertrouwenspersoon, met als doel betrokkene te kunnen informeren over de mogelijkheid tot advies en bijstand door een patiëntenvertrouwenspersoon. De burgemeester verstrekt de persoonsgegevens alleen met uitdrukkelijke toestemming van betrokkene.

6.   De burgemeester draagt ervoor zorg dat de zorgaanbieder ten behoeve van de verplichting, bedoeld in art. 8:25, de afgegeven medische verklaring ontvangt.

 

Art. 7:3 Tijdelijke verplichte zorg voorafgaand aan een crisismaatregel

1.   Voorafgaand aan de beslissing over een crisismaatregel (MH: maatregel om verplichte zorg te verlenen, zie art. 1:1) kan, indien redelijkerwijs mag worden verondersteld dat een crisismaatregel zal worden genomen, gedurende korte tijd verplichte zorg aan een persoon worden verleend.

2.   De verplichte zorg, bedoeld in het eerste lid, wordt alleen als uiterste middel verleend indien dit noodzakelijk is in verband met de voorbereiding van de crisismaatregel en uitsluitend gedurende de periode die nodig is om de procedure voor de crisismaatregel af te ronden. Deze periode bedraagt als geheel ten hoogste achttien uur, en niet meer dan twaalf uur te rekenen vanaf het moment dat betrokkene door een psychiater wordt onderzocht ten behoeve van de medische verklaring.

3.   De verplichte zorg, bedoeld in het eerste lid, kan, teneinde te laten onderzoeken of een crisismaatregel moet worden genomen en in afwachting van het nemen van de crisismaatregel, tevens inhouden dat een persoon zijn vrijheid wordt ontnomen en hij onverwijld wordt overgebracht naar een plaats die geschikt is voor tijdelijk verblijf.

4.   De bevoegdheid, bedoeld in het eerste en derde lid, komt uitsluitend toe aan:

a.   degene die is belast met de uitvoering van de ambulancezorg, bedoeld in art. 1 van de Tijdelijke wet ambulancezorg;

b.   de zorgaanbieder, de geneesheer-directeur en de zorgverantwoordelijke die zorg verlenen op basis van vrijwilligheid;

c.   personen behorende tot door Onze Minister aangewezen categorieën van deskundigen;

d.   een ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitoefening van de politietaak.

5.   De ambtenaar van politie, bedoeld in het vierde lid, onderdeel d, is niet bevoegd tot het verlenen van de verplichte zorg, bedoeld in art. 3:2, tweede lid, onderdeel a (MH: toedienen vocht, voeding, medicatie, enz.).

6.   Het onderbrengen van betrokkene bij de politie of de KMar vindt uitsluitend plaats indien betrokkene wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit.

7.   De personen, bedoeld in het vierde lid, informeren de zorgaanbieder en de burgemeester van een maatregel als bedoeld in het eerste lid.

 

MvT[4]

-      'De procedure voor de crisismaatregel is er op gericht om snel de noodzakelijke verplichte zorg te kunnen verlenen om een ernstige crisissituatie het hoofd te bieden. In de praktijk kan de voorbereiding van de beslissing door de burgemeester echter nog wel de nodige tijd in beslag nemen. Betrokkene zal met het oog op de medische verklaring moeten worden onderzocht door een arts. In afwachting van de komst van de arts, kan het noodzakelijk zijn om betrokkene in zijn bewegingsvrijheid te beperken of medicatie toe te dienen teneinde hem te laten kalmeren en de situatie weer beheersbaar te maken'. Door de regeling van art. 7:3 hoeft het optreden van de politie en zorgverleners voorafgaand aan de crisismaatregel niet langer te worden gerechtvaardigd met een beroep op het buitenwettelijk noodrecht. De problemen ten aanzien van vrijheidsbeneming, verplichte zorg en het vervoer voorafgaand aan de ibs, zullen hierdoor tot het verleden gaan behoren.

Nota van wijziging[5]

-      'Het uitgangspunt moet zijn dat personen die de openbare orde verstoren, die een gevaar voor zichzelf of voor anderen zijn en van wie het vermoeden bestaat dat zij een geestesstoornis hebben, alleen in een politiecel geplaatst mogen worden wanneer zij worden verdacht van het plegen van een strafbaar feit (waarmee wordt gedoeld op een ander strafbaar feit dan het verstoren van de openbare orde zelf). Is dat niet het geval, dan moeten zij in een andere daartoe geschikte plaats worden opgevangen'.

-      'In situaties waarin het ordeverstorend gedrag voortduurt en niet is uitgemaakt in hoeverre het gedrag voortkomt uit een geestesstoornis, wordt het ordeverstorend gedrag als strafbaar feit aangemerkt en kan tijdelijke opvang in een politiecel plaatsvinden. Een politiecel is geen geschikte plek voor een verward persoon en de duur van de insluiting in een politiecel dient dan ook tot een minimum te worden beperkt'.

 

Art. 7:4 Geldigheidsduur crisismaatregel

De burgemeester bepaalt de geldigheidsduur van de crisismaatregel, die ten hoogste drie dagen bedraagt.

 

Art. 7:5 Einde crisismaatregel

De crisismaatregel vervalt, indien:

a.   de geldigheidsduur is verstreken, tenzij de OvJ voordat de geldigheidsduur is verstreken een verzoekschrift voor een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel bij de rechter onder toepassing van art. 7:7 heeft ingediend, in welk geval de crisismaatregel vervalt als de rechter op het verzoekschrift heeft beslist of door het verstrijken van de termijn, bedoeld in art. 7:8, derde lid;

b.   de geneesheer-directeur een beslissing als bedoeld in art. 8:18, tweede lid, heeft genomen tot beëindiging van het verlenen van alle vormen van verplichte zorg op grond van een crisismaatregel, zonder dat daaraan voorwaarden of beperkingen zijn verbonden.

 

Verlenging crisismaatregel: zie art. 7:7

 

Art. 8:1   Tenuitvoerlegging en uitvoering van de crisismaatregel, machtiging tot voortzetting crisismaatregel en zorgmachtiging / mandateren aan hulpOvJ

1.   De OvJ gaat onverwijld, doch uiterlijk binnen twee weken na afgifte door de rechter, over tot tenuitvoerlegging van de zorgmachtiging.

2.   De burgemeester gaat binnen 24 uur na afgifte over tot tenuitvoerlegging van de crisismaatregel.

3.   De OvJ gaat onverwijld over tot tenuitvoerlegging van de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel.

4.   Zo nodig kan de burgemeester of de OvJ bij de tenuitvoerlegging of de uitvoering van de crisismaatregel, de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel onderscheidenlijk de zorgmachtiging, de hulp inroepen van zorgverleners met kennis van en ervaring met het verlenen van zorg en verplichte zorg.

5.   Zo nodig kan de burgemeester ambtshalve of op verzoek van de OvJ bij de tenuitvoerlegging of uitvoering van de crisismaatregel, de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel onderscheidenlijk de zorgmachtiging de hulp inroepen van ambtenaren van politie. De burgemeester kan deze bevoegdheid mandateren aan een of meer hulpOvJ's.

 

Art. 8:2 Betreden plaatsen/woning / onderzoek kleding/lichaam

1.   De personen, bedoeld in art. 8:1, derde, vierde en vijfde lid, kunnen, uitsluitend voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de tenuitvoerlegging van de crisismaatregel, de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of de zorgmachtiging:

a.   elke plaats betreden waar de betrokkene zich bevindt;

b.   voorwerpen ontnemen die een gevaar voor de veiligheid van betrokkene of voor anderen kunnen opleveren en hem daartoe aan de kleding of het lichaam onderzoeken.

2.   De ambtenaren van politie, bedoeld in art. 8:1, vijfde lid, kunnen, uitsluitend voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de tenuitvoerlegging van de crisismaatregel, de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of de zorgmachtiging de woning van betrokkene zonder zijn toestemming binnentreden.

3.   De ontnomen voorwerpen worden voor betrokkene bewaard, voor zover dit niet in strijd is met enig wettelijk voorschrift.

 

MvT (belangrijk)[6]

-      De bevoegdheden van art. 8:2 kunnen uitsluitend worden uitgeoefend gedurende de tenuitvoerlegging van de zorgmachtiging of crisismaatregel. 'Het gaat nadrukkelijk niet om algemene bevoegdheden die ook na de fase van de tenuitvoerlegging kunnen worden ingezet'.

-      'Op grond van art. 8:2 kunnen politie en hulpverleners de plaats betreden waar betrokkene zich bevindt en hem zonodig aan lichaam of kleding onderzoeken om (gevaarlijke) voorwerpen van hem af te nemen. De Awbi is van toepassing bij het binnentreden van de woning van betrokkene. Dit betekent dat de in art. 8:1 genoemde zorgverleners en de politie de woning met toestemming van betrokkene mogen binnentreden, mits zij daarbij de bepalingen van de Awbi in acht nemen, zoals het tonen van een legitimatie'.

-      Van de bevoegdheid binnentreden woning kan 'alleen gebruik worden gemaakt, als dit ook daadwerkelijk noodzakelijk is en betrokkene weigert om vrijwillig medewerking te verlenen'.

-      'Er zal een vorm van bejegening moeten worden gekozen, die gericht is op vrijwillige medewerking door betrokkene en het voorkomen van escalatie. In de praktijk blijkt dat juist in de eerste uren dat dwang wordt toegepast, de gekozen bejegening van grote betekenis is om de ernst en duur van de verplichte zorg te kunnen reduceren. De inzet van politie bij de tenuitvoerlegging, zal daarom geen regel, maar de uitzon­dering moeten zijn. In eerste instantie zullen teams van gespecialiseerde zorgverleners moeten worden belast met de tenuitvoerlegging van de verplichte zorg en het vervoer van betrokkene. Alleen in het geval dat het gevaar zo groot dreigt te worden dat het niet langer verantwoord is om de zorgverleners te belasten met de tenuitvoerlegging en het vervoer, kan de hulp van de politie worden ingeschakeld. Ook dan geldt dat het optreden van de politie gericht dient te zijn op vrijwillige medewerking van betrokkene en het voorkomen van escalatie'.

-      'De personen die met de tenuitvoerlegging van de zorgmachtiging en de crisismaatregel en het vervoer worden belast, zullen over de nodige kennis en ervaring moeten beschikken om deze vaak moeilijke taken met inachtneming van de beginselen van hoofdstuk 2 adequaat te kunnen uitvoeren'.

-      'De gekozen formulering «aan kleding of het lichaam» biedt geen bevoegdheid om betrokkene te visiteren. Een onderzoek in het lichaam naar voorwerpen die betrokkene niet in zijn bezit mag hebben of een aanzienlijk risico op ernstige schade voor hemzelf of anderen kunnen veroorzaken, is een te vergaande aantasting van de lichamelijke integriteit en voldoet niet aan het beginsel van proportionaliteit. Visitatie is voor betrokkene een uiterst traumatiserende ervaring en kan in het bijzonder bij jeugdigen leiden tot blijvende schade. Indien er een ernstig vermoeden bestaat dat betrokkene gevaarlijke voorwerpen in zijn lichaamsholtes verbergt, zal hij door middel van overreding moeten worden bewogen om deze voorwerpen af te geven. Daarnaast kan er door intensief toezicht voorkomen worden dat betrokkene met deze gevaarlijke voorwerpen zichzelf of anderen ernstige schade toebrengt'.

 

Art. 13:3a Strafrechtelijke handhaving

1.   Indien het ernstige vermoeden bestaat dat betrokkene, die zich aan de uitvoering van de verplichte zorg heeft onttrokken, in levensgevaar verkeert of een misdrijf als bedoeld in art. 67, eerste lid, Sv, zal plegen met een aanzienlijk risico op ernstig nadeel voor hemzelf of voor een ander, kan de OvJ, na machtiging daartoe door de RC, met het oog op de vaststelling van de verblijfplaats van betrokkene een opsporingsambtenaar bevelen:

a.   een persoon stelselmatig te volgen of stelselmatig diens aanwezigheid of gedrag waar te nemen, zo nodig met behulp van een technisch hulpmiddel;

b.   vertrouwelijke communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van de diensten van een aanbieder van een communicatiedienst, op te nemen met een technisch hulpmiddel;

c.   gegevens te vorderen over een gebruiker van een communicatiedienst en het communicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker. De vordering kan slechts betrekking hebben op gegevens die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen en kan gegevens betreffen die ten tijde van de vordering zijn verwerkt, dan wel na het tijdstip van de vordering worden verwerkt;

d.   gegevens te vorderen ter zake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruiker van een communicatiedienst;

e.   met inachtneming van art. 3.22, derde en vierde lid, van de Telecommunicatiewet, met behulp van in dat art. bedoelde apparatuur het nummer te verkrijgen waarmee de gebruiker van een communicatiedienst kan worden geïdentificeerd;

f.    gegevens te vorderen van degene die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt ter zake van naam, adres, postcode, woonplaats, postadres, geboortedatum, geslacht en administratieve kenmerken;

g.   gegevens te vorderen van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde opgeslagen of vastgelegde gegevens.

2.   Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste een week. Het kan telkens voor een termijn van ten hoogste een week worden verlengd.

3.   (Eisen aan bevel).

4.   (Medewerking aanbieder openbare telecommunicatienetwerk of de openbare telecommunicatiedienst).

5.   Indien bij toepassing van het eerste lid, onderdeel b, het bevel betrekking heeft op andere communicatie dan bedoeld in het tweede lid, wordt - tenzij zulks niet mogelijk is - de aanbieder in de gelegenheid gesteld medewerking te verlenen bij de tenuitvoerlegging van het bevel.

6.   Het bevel wordt bij toepassing van het eerste lid, onderdeel f, gegeven aan een ambtenaar als bedoeld in art. 3.22, vierde lid, van de Telecommunicatiewet.

7.   Bij dringende noodzaak kan het bevel mondeling worden gegeven. De OvJ stelt in dat geval het bevel binnen drie dagen op schrift.

8.   Zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, bepaalt de OvJ dat de uitvoering van het bevel wordt beëindigd.

9.   Het bevel kan schriftelijk en met redenen omkleed worden gewijzigd, aangevuld, verlengd of beëindigd.

10.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld:

a.   over de wijze waarop het bevel wordt gegeven;

b.   over de wijze waarop de gegevens worden gevorderd;

c.   over de wijze waarop aan de vordering wordt voldaan;

d.   met betrekking tot de opsporingsambtenaar die de gegevens vordert.

11.De OvJ doet van de verstrekking van gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c, d, f en g pv opmaken, waarin worden vermeld:

a.   de naam van betrokkene;

b.   de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn vervuld;

c.   indien bekend, de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de persoon omtrent wie gegevens worden gevorderd;

d.   de verstrekte gegevens;

e.   de periode waarover de vordering zich uitstrekt.

12.De vordering van gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c, d, f en g, wordt beëindigd zodra niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid.

13.Van een wijziging, aanvulling, verlenging of beëindiging van de vordering doet de OvJ pv opmaken.

14.De vordering bedoeld in het eerste lid, onderdelen f en g, kan geen betrekking hebben op persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven of lidmaatschap van een vakvereniging.

15.De met de tenuitvoerlegging belaste ambtenaar kan ter aanhouding van betrokkene elke plaats betreden en doorzoeken.

 

Nota n.a.v. het verslag[7]

In art. 13:3a Wet verplichte ggz zijn bijzondere bevoegdheden opgenomen om personen die zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de zorgmachtiging of crisismaatregel op een snelle en effectieve wijze op te kunnen sporen. Daarbij kan inderdaad gedacht worden aan het bepalen waar iemand zich bevindt aan de hand van telefoongegevens. Deze bijzondere bevoegdheden raken aan de privacy van betrokkene en zijn omgeving en zijn daarom geclausuleerd en met zware waarborgen omgeven. Zo is de mogelijkheid beperkt tot die gevallen waarin het ernstige vermoeden bestaat dat betrokkene in levensgevaar verkeert of een ernstig delict zal plegen en zal per geval het risico moeten worden ingeschat en onderbouwd. Naast deze clausulering bevat dit artikel verschillende procedurele waarborgen die proportioneel gebruik van deze bijzondere bevoegdheden bewerkstelligen. Zo kan een opsporingsambtenaar niet zelfstandig beslissen tot het gebruik van deze bevoegdheden, maar mag dit alleen op bevel van de OvJ nadat hij (MH: de OvJ) daartoe gemachtigd is door de RC. De proportionaliteit wordt daarnaast gewaarborgd, doordat het bevel voor een beperkte duur, te weten zeven dagen met een eventuele verlenging, kan worden verleend.

 

Art. 15:1 Overgangsbepalingen Wet Bopz

(Overgangsbepalingen Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen).

 

Art. 16:2 Intrekking Wet Bopz

De Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen wordt ingetrokken.

 

2.  Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten

 

Vooraf

-      Deze wet beoogt een uniforme regeling te geven voor het verlenen van zorg aan mensen met een psychogeriatrische aandoening (beperking geestelijke vermogens op hogere leeftijd, vaak dementie) of een verstandelijke beperking, ook als zij daar in een voorkomend geval niet mee instemmen en onge­acht de plaats waar zij verblijven. Deze wet staat naast de hiervoor weergegeven Wet verplichte ggz.[8]

-      In een crisissituatie kan de burgemeester een machtiging ibs afgeven (art. 29 Wet zorg en dwang).

-      Het ten uitvoer leggen van de machtiging draagt de burgemeester op aan een of meer ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die zich voorzien van de bijstand van een of meer personen met kennis van de zorg voor mensen met een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap (art. 33 Wet zorg en dwang).

-      Voornoemde politieambtenaren hebben een bevoegdheid tot het betreden van plaatsen/woning en onderzoek aan kleding/lichaam (art. 33 Wet zorg en dwang).

 

Art. 1 lid 2 en 3 Begripsbepalingen

2.   Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder «ernstig nadeel» verstaan, het bestaan van of het aanzienlijk risico op:

a.   levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische, materiële, immateriële of financiële schade, ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang, ernstig verstoorde ontwikkeling voor of van de cliënt of een ander;

b.   bedreiging van de veiligheid van de cliënt al dan niet doordat hij onder invloed van een ander raakt;

c.   de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept;

d.   de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.

3.     Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder «zorg» verstaan: de zorg van een zorgaanbieder jegens een cliënt die kan bestaan uit bejegening, verzorging, verpleging, behandeling, begeleiding, bescherming, beveiliging, en onvrijwillige zorg als bedoeld in art. 2.

 

Art. 2 lid 1 Onvrijwillige zorg

1.   Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder «onvrijwillige zorg» verstaan zorg waartegen de cliënt of zijn vertegenwoordiger zich verzet en die bestaat uit:

a.   toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede doorvoeren van medische controles of andere medische handelingen en overige therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychogeriatrische aandoening, verstandelijke handicap, een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie hiervan, dan wel vanwege die aandoening, handicap of stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;

b.   beperken van de bewegingsvrijheid;

c.   insluiten;

d.   uitoefenen van toezicht op betrokkene;

e.   onderzoek aan kleding of lichaam;

f.    onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;

g.   controleren op de aanwezigheid van gedrag beïnvloedende middelen;

h.   aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder begrepen het gebruik van communicatiemiddelen;

i.     beperken van het recht op het ontvangen van bezoek.

 

Art. 29 Opname en verblijf in crisissituaties

1.   In afwijking van art. 24, eerste lid, is onvrijwillige opname in een geregistreerde accommodatie van een persoon zonder rechterlijke machtiging mogelijk met een beschikking tot ibs van de burgemeester van de gemeente waarin de betreffende persoon zich bevindt.

2.   De beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden genomen indien naar het oordeel van de burgemeester:

a.   er sprake is van ernstig nadeel;

b.   het ernstig nadeel zodanig onmiddellijk dreigend is dat een rechterlijke machtiging als bedoeld in art. 24, eerste lid, niet kan worden afgewacht;

c.   het ernstige vermoeden bestaat dat dit ernstige nadeel wordt veroorzaakt door het gedrag van de persoon als gevolg van zijn psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, dan wel als gevolg van een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie hiervan;

d.   de ibs noodzakelijk is om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden;

e.   de ibs geschikt is om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden, en

f.    er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden.

3.   De beschikking gaat in op de onvrijwilligheid, als bedoeld in art. 24, tweede lid, de omstandigheden waaruit deze onvrijwilligheid bestaat en alle onderdelen genoemd in het tweede lid.

4.   De beschikking heeft een geldigheidsduur van ten hoogste 3 dagen, tenzij het CIZ voor het verstrijken van de geldigheidsduur een verzoek tot het verlenen van een machtiging, als bedoeld in art. 37 heeft gedaan of er een aanvraag voor een besluit tot opname en verblijf, als bedoeld in art. 21, eerste lid, is gedaan. In dat geval vervalt de beschikking op het moment waarop de rechter heeft beslist op het verzoek, respectievelijk het CIZ heeft beslist op de aanvraag.

5.   Een afschrift van de beschikking wordt uitgereikt aan de betrokkene en zijn vertegenwoordiger.

6.   De burgemeester kan de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend mandateren aan een wethouder.

7.   Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, vast te stellen op de voordracht van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken, kunnen nadere voorschriften worden gegeven met betrekking tot de beschikking tot ibs.

8.   Indien de beschikking tot ibs, betrekking heeft op een minderjarige die onder toezicht is gesteld, geldt de beschikking tot ibs als machtiging, als bedoeld in art. 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

 

Art. 30 Verklaring ter zake deskundig arts

1.   De burgemeester gelast een ibs pas nadat een ter zake deskundig arts een verklaring heeft verstrekt, waaruit blijkt waaruit de onvrijwilligheid bestaat en waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de in art. 29, tweede lid, gestelde voorwaarden.

2.   Indien het een cliënt betreft die al in een accommodatie verblijft, kan de in het eerste lid bedoelde verklaring niet worden verstrekt door de arts die verbonden is aan desbetreffende zorgaanbieder.

3.   De arts die de verklaring afgeeft pleegt van tevoren overleg met de zorgaanbieder die de betrokkene zorg verleent of, indien deze ontbreekt, met de huisarts van de cliënt.

4.   De arts onderzoekt zo mogelijk de betrokkene voorafgaand aan de afgifte van de verklaring.

 

Art. 31 Advocaat

1.   De burgemeester zorgt ervoor dat de betrokkene binnen 24 uur na het tijdstip waarop de beschikking, bedoeld in art. 29, eerste lid, wordt gegeven, wordt bijgestaan door een advocaat, tenzij de betrokkene of zijn vertegenwoordiger daartegen bedenkingen heeft.

2.   Bij algemene maatregel van bestuur, vast te stellen op de voordracht van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, kunnen regels worden gegeven ten aanzien van de toepassing van het eerste lid.

 

Art. 33      Tenuitvoerlegging beschikking; betreden plaatsen/woning; onderzoek aan kleding/lichaam

1.   De burgemeester gaat binnen 24 uur na afgifte van de beschikking, bedoeld in art. 29, over tot tenuitvoerlegging via een opdracht aan een of meer ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die zich voorzien van de bijstand van een of meer personen met kennis van de zorg voor mensen met een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap.

2.   De in het eerste lid bedoelde ambtenaren kunnen voor de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taak elke plaats betreden waar de op te nemen persoon zich bevindt, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zij zijn daarbij tevens bevoegd een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner (MH: uiteraard met in achtneming van de Awbi).

3.   De in het eerste lid bedoelde ambtenaren kunnen aan de betrokkene voorwerpen ontnemen die een gevaar voor de veiligheid van de betrokkene of van anderen kunnen opleveren. Zij zijn bevoegd hem daartoe aan de kleding of aan het lichaam te onderzoeken.

4.   Zo mogelijk worden de overeenkomstig het derde lid ontnomen voorwerpen met de betrokkene overgebracht naar de accommodatie waarin hij wordt opgenomen. In de accommodatie wordt aan betrokkene of zijn vertegenwoordiger een bewijs van ontvangst afgegeven waarin die voorwerpen zijn omschreven. De voorwerpen worden voor de betrokkene bewaard, voor zover dit niet in strijd is met enig wettelijk voorschrift.

5.   Bij de opneming van de betrokkene in de accommodatie geven de in het eerste lid bedoelde ambtenaren een afschrift van de beschikking van de burgemeester aan de zorgaanbieder die de zorg levert in de accommodatie.

 

Art. 34 Bevel tot opneming aan betrokken accomodatie

Indien binnen 24 uur na het tijdstip waarop de beschikking tot ibs is gegeven, door de zorgaanbieders van de daarvoor in aanmerking komende accommodaties nog niet tot opneming is overgegaan, kan de burgemeester na overleg met de inspectie, een van de bovenbedoelde zorgaanbieders bevelen de betrokkene op te nemen. De betrokken zorgaanbieder is verplicht de betrokkene op te nemen.

 

 

-----------------------------------

 

 



[1].     Stb. 2019, 437.

[2].     Kamerstukken 32399, nr. 3 (MvT).

[3].     Kamerstukken 32399, nr. 3 (MvT).

[4].     Kamerstukken 32399, nr. 3 (MvT).

[5].     Kamerstukken 32399, nr. 10 (Nota van wijziging).

[6].     Kamerstukken 32399, nr. 3 (MvT).

[7].     Kamerstukken 35087, nr. 7 (Nota n.a.v. het verslag).

[8].     Kamerstukken 31996, nr. 3 (MvT)