ZAKBOEK STRAFVORDERING VOOR DE HULPOFFICIER 2020

Concept herschreven paragraaf 3.23

Geweldsaanwending door politie/KMar/Boa

Versie 03-07-20

 

3.23     Geweldsaanwending door politie/KMar/Boa

'Door de moeilijke en extreme omstandigheden waaronder de politie soms haar werk moet doen, dient de uitoefening van geweld door politiefunctiona-rissen met behoedzaamheid te worden beoordeeld. Daartegenover staat de omstandigheid dat de wetgever in het kader van de opsporing en de pre-ventie van strafbare feiten aan de politie het geweldsmonopolie heeft toe-bedeeld. Dat geweldsmonopolie brengt een grote verantwoordelijkheid voor politieambtenaren met zich mee en stelt terecht hoge eisen aan het aan-wenden van geweld en het ter hand nemen en daadwerkelijk gebruiken van wapens, zoals de wapenstok of in het uiterste geval het dienstvuurwapen. Anders gezegd: de keerzijde van het geweldsmonopolie waarover de politie moet kunnen beschikken om haar taken op een goede wijze te kunnen uit-oefenen, is dat burgers tegen ongerechtvaardigde en niet gelegitimeerde toepassing van geweld moeten worden beschermd. (...). De geweldstoepas-sing door een politieagent kan gerechtvaardigd zijn indien deze daarbij of daarmee handelt ter uitvoering van een wettelijk voorschrift, zoals de op Po-litiewet gebaseerde politiële handhaving of ter uitoefening van strafvorderlij-ke bevoegdheden'  en daarmee is er bijv. geen sprake van mishandeling (want rechtvaardigingsgrond) of huisvredebreuk, vrijheidsberoving of vernie-ling (want niet wederrechtelijk). Daarnaast kan de politieambtenaar mogelijk een beroep doen op een strafuitsluitingsgrond (zoals wettelijk voorschrift, ambtelijk bevel en (putatief) noodweer(exces), zie daarover het zakboek Sr. 

 

Achtereenvolgens worden in deze paragraaf besproken:

1.   Inleiding (onderzoek naar geweld, gang van zaken na toepassen geweld).

2.   EVRM, Grondwet en Politiewet.

3.   Gewijzigde Ambtsinstructie, met:

a.   schematisch overzicht meldingsplicht;

b.   Nota van toelichting wijziging Ambtsinstructie.

4.   Tabel toetsingskader voor geweldsaanwendingen (Politieacademie).

5.   Wetsvoorstel geweldsaanwending opsporingsambtenaar.

6.   Aanwijzing handelwijze geweldsaanwending (politie)ambtenaar.

7.   Jurisprudentie EHRM.

8.   Nederlandse jurisprudentie.

9.   Seponering aangifte / strafbeschikking / transactie: klacht belanghebbende (art. 12 Sv).

10.  Tot slot:

a.   geweld bij aanhouding / vermelding in pv (verwijzing);

b.   disproportioneel geweld / verzwijgen geweld / meineed;

c.   geen bevoegdheid, wel noodweer, putatief noodweer of noodweerexces;

d.   schadevergoeding politieoptreden (verwijzing);

e.   meer informatie over politiegeweld (verwijzing).

 

1.         Inleiding

 

Onderzoek naar geweld

'De overheid heeft het geweldsmonopolie en van de ambtenaren die bevoegd zijn geweld te gebruiken wordt onder omstandigheden ook verwacht dat zij geweld toepassen wanneer dit voor de uitoefening van hun taken noodzakelijk is. Juist vanwege deze speciale positie van de opsporingsambtenaar en de geweldsbevoegdheid die hem toekomt, is het van belang dat in het geval het tot een geweldsaanwending komt, naar de toedracht hiervan goed en gedegen onderzoek wordt gedaan. Onderzocht dient te worden of door de betrokken opsporingsambtenaar is gehandeld conform de vastgestelde regels inzake het gebruik van geweld.[1] Dit onderzoek is niet alleen noodzakelijk wanneer de geweldsaanwending lichamelijk letsel of de dood tot gevolg heeft, maar in alle gevallen waarin een geweldsregistratie is opgemaakt'.[2]

 

Gang van zaken na toepassen geweld[3]

1.   Geweld moet gemeld worden aan de hulpOvJ (art. 17 Ambtsinstructie).

2.   De hulpOvJ moet het geweld registreren als (art. 17 Ambtsinstructie):

a.   het aanwenden van geweld de dood dan wel lichamelijk letsel van meer dan geringe betekenis heeft veroorzaakt;

b.   gebruik is gemaakt van een vuurwapen, of

c.   het aanwenden van geweld naar het oordeel van de hulpOvJ daartoe aanleiding geeft.

3.   Afhankelijk van de ambtenaar die het geweld heeft toegepast moet van de geweldsregistratie terstond kennis gegeven worden aan de Minister, de korpschef, de commandant van de KMar of de direct toezichthouder Boa (art. 17 en art. 37 Ambtsinstructie).

4.   Het geweld dient terstond / zo spoedig mogelijk gemeld te worden aan de OvJ als (art. 18 Ambtsinstructie):

a.   het geweld de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt of er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat het aanwenden van geweld zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt;

b.   gebruik is gemaakt van een vuurwapen met enig lichamelijk letsel tot gevolg;

c.   het geweld daartoe aanleiding geeft.

5.   Onder leiding van de OvJ wordt naar het onder 4 genoemde geweld een strafrechtelijk onderzoek ingesteld (opsporingsambtenaar verdachte). Zie voor een toekomstig 'feitenonderzoek' het hierna besproken Wetsvoorstel geweldsaanwending opsporingsambtenaar.

6.   Na afronding van het onder 5 vermelde onderzoek beslist de OvJ of wordt overgegaan tot:

a.   dagvaarding (berechting);

b.   strafbeschikking of transactie;

c.   sepot.

7.   Ingeval van een sepot, strafbeschikking of transactie kan de belanghebben­de daarover een klacht indienen. Het Hof beslist vervolgens of er alsnog tot vervolging (dagvaarding) moet worden overgegaan (art. 12 Sv).

8.   Berechting.

 

2.         EVRM, Grondwet en Politiewet

 

Art. 2 EVRM (recht op leven)

1.   Het recht van een ieder op leven wordt beschermd door de wet. Niemand mag opzettelijk van het leven worden beroofd, behoudens door de tenuitvoerlegging van een gerechtelijk vonnis wegens een misdrijf waarvoor de wet in de doodstraf voorziet.

2.   De beroving van het leven wordt niet geacht in strijd met dit artikel te zijn geschied in geval zij het gevolg is van het gebruik van geweld, dat absoluut noodzakelijk (vet MH) is:

a.   ter verdediging van wie dan ook tegen onrechtmatig geweld;

b.   om een rechtmatige arrestatie te bewerkstelligen of het ontsnappen van iemand die op rechtmatige wijze is gedetineerd, te voorkomen;

c.   om in overeenstemming met de wet een oproer of opstand te onderdrukken.

 

Art. 11 Grondwet (recht op onaantastbaarheid lichaam)

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

 

Art. 7 lid 1 Politiewet 2012 (geweld en vrijheidsbeperkende middelen)

1.   De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld (MH: deze paragraaf) of vrijheidsbeperkende middelen (MH: zie 4.44) te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt (MH: proportionaliteitsbeginsel, zie 3.6) en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt (MH: subsidiariteitsbeginsel, zie 3.6). Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.

2.   (Toegang tot elke plaats voor verlenen hulp, zie 7.10).

3.   (Veiligheidsfouillering, zie 5.4).

4.   (Vervoers- en insluitingsfouillering aan de kleding, zie 5.5).

5.   (Insluitingsfouillering aan het lichaam, zie 5.5).

6.   (Insluitingsfouillering in het lichaam, zie 5.5).

7.   De uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste t/m het zesde lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.[4]

8.   Het eerste t/m vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de militair van de KMar, indien hij optreedt in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, en op de militair van enig ander onderdeel van de krijgsmacht die op grond van deze wet bijstand verleent aan de politie.

9.   Onze Minister kan bepalen dat de in art. 142, eerste lid, Sv bedoelde buitengewone opsporingsambtenaren, voor zover door hem hetzij in persoon, hetzij per categorie of eenheid aangewezen, de bevoegdheden omschreven in het eerste, derde en vierde lid kunnen uitoefenen. Alsdan wordt met overeenkomstige toepassing van art. 9 een Ambtsinstructie voor hen vastgesteld.

 

3.         Gewijzigde Ambtsinstructie

 

-      De Ambtsinstructie is per 01-07-20 ingrijpend gewijzigd in verband met herziening van de geweldsmelding.[5] De hulpOvJ heeft een centrale rol gekregen bij het ontvangen van verplichte meldingen van gebruik geweld, veiligheidsfouillering, handboeien, hulpmiddelen bij uitzetting vreemdeling en onderzoek gevaarlijke voorwerpen. Zie voorgaand onder punt 1 voor de gang van zaken na toepassen geweld (geweldsmelding en registratie).

-      Geweld: elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken (art. 1 lid 4 onder b Ambtsinstructie).

-      Aanwenden van geweld: het gebruiken van geweld, waaronder mede wordt verstaan het gebruik van een geweldmiddel (MH: handboeien zijn geen geweldmiddel). In verband met de melding op grond van art. 17 Ambtsinstructie valt het ter hand nemen van het vuurwapen eveneens onder het aanwenden van geweld tenzij het vuurwapen standaard in de hand of over de schouder wordt gedragen (art. 1 lid 4 onder c Ambtsinstructie).

-      Voorwaarden voor gebruik geweldmiddel: zie hoofdstuk 2 Ambtsinstructie.

-      Meldingsplicht en onderzoek geweld: zie art. 17 e.v. Ambtsinstructie en de inleiding op deze paragraaf.

 

Schematisch overzicht meldingsplicht[6]

Handeling

Oude Ambtsinstructie

Gewijzigde Ambtsinstructie

Dreigen met geweld (schreeuwen, dreigende houding)

Meldingsplicht

Geen meldingsplicht

Ter hand nemen van een vuurwapen (= aanwenden van geweld)

Meldingsplicht

Meldingsplicht

Richten en gericht houden van een vuurwapen (= gebruik van een vuurwapen)

Meldingsplicht

Meldingsplicht

Waarschuwingsschot en gemist schot met vuurwapen (= gebruik van een vuurwapen)

Meldingsplicht

Meldingsplicht

Richten met een ander geweldmiddel dan een vuurwapen (=dreigen met een geweldmiddel, anders dan een vuurwapen)

Meldingsplicht

Geen meldingsplicht

Dreigen met een politiehond (= dreigen met geweld)

Meldingsplicht

Geen meldingsplicht

Fysiek geweld

Meldingsplicht

Meldingsplicht

Gebruik van een geweldmiddel

Meldingsplicht

Meldingsplicht

 

Nota van toelichting wijziging Ambtsinstructie (herziening geweldsmelding)[7]

-      Dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis: 'een fysieke kracht die wordt uitgeoefend om een persoon of zaak een bepaalde handeling te doen verrichten die de persoon of zaak niet wil verrichten, of om een persoon of zaak een bepaalde handeling juist niet te laten verrichten. Daarbij wordt nog gewezen op art. 2a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek dat bepaalt dat bepalingen met betrekking tot zaken op dieren van toepassing zijn (...)'.

-      Melding aanwending geweld (art. 17 Ambtsinstructie)

o  Op grond van art. 17, eerste lid, geldt als hoofdregel dat een ambtenaar die geweld heeft aangewend, dit meldt. De melding dient deels schriftelijk (de aard en de gevolgen van het aanwenden van geweld) en deels mondeling (de feiten en omstandigheden) te geschieden. Met schriftelijk vastleggen wordt overigens enkel bedoeld het opmaken van een formulier of het opnemen in een geautomatiseerd systeem. Met het schriftelijk vastleggen van de melding worden de basale gegevens van de geweldsaanwending vastgelegd. Op grond van de Ambtsinstructie bestaat voor de ambtenaar geen verplichting het door hem aangewende geweld op een andere wijze te melden dan bij art. 17, eerste en tweede lid, bepaald.

o  De ambtenaar dient de melding zo spoedig mogelijk te doen en geeft de ambtenaar dus de noodzakelijke ruimte als deze ten gevolge van operationele omstandigheden niet in de gelegenheid is de melding onverwijld te doen. Bij de afweging is de zwaarte van de geweldsaanwending van belang. Zo zal in het geval het aanwenden van geweld de dood dan wel lichamelijk letsel van meer dan geringe betekenis heeft veroorzaakt, alsmede bij een geweldsaanwending waarbij gebruik is gemaakt van een vuurwapen de melding onverwijld dienen te geschieden.

o  Als geweld is aangewend door het gebruik van een geweldmiddel, dan dient het gebruikte geweldmiddel ook schriftelijk te worden vastgelegd.

o  Het is bij een geweldsmelding van belang dat de hulpOvJ zoveel mogelijk duidelijkheid krijgt over de context, zoals persoonlijke ervaring en gevoelens van de politieambtenaar.

o  In afwijking van de hoofdregel dat de melding geschiedt door de ambtenaar die geweld heeft aangewend, geschiedt de melding door de meerdere, indien een ambtenaar onder leiding van een ter plaatse aanwezige meerdere heeft opgetreden en geweld heeft aangewend na diens uitdrukkelijke last. Te denken valt aan het optreden in ME-verband. De individuele ambtenaar geeft de omstandigheid dat hij geweld heeft aangewend door aan de meerdere. Deze meerdere doet vervolgens de melding, waarbij hij tevens melding maakt van de door hem gegeven last. Indien nodig kan de hulpOvJ inlichtingen vragen bij de ambtenaar die geweld heeft aangewend. Het traject na de melding door de meerdere verschilt niet van het traject na de melding door een ambtenaar die geweld heeft aangewend, met dien verstande dat in dat traject ook het handelen van de meerdere inzake het geven van de last tot het aanwenden van geweld wordt betrokken.

o  Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de meldingsplicht en de beoordeling die daarop mogelijk volgt en het eventuele (strafrechtelijk) onderzoek door of namens het OM naar het door de opsporingsambtenaar aangewende geweld. De meldingsplicht bestaat in alle gevallen van geweldgebruik en staat los van de vraag of sprake is van een strafbaar feit.

o  Het OM moet kunnen onderzoeken of de ambtenaar rechtmatig heeft gehandeld en (als dit niet het geval was) of strafrechtelijke vervolging op zijn plaats is. Wordt door het OM besloten tot een onderzoek naar de rechtmatigheid van het aangewende geweld, dan kan de ambtenaar (net als elke burger) zich beroepen op de rechten die Sv aan verdachten toekent. Met het wetsvoorstel geweldsaanwending opsporingsambtenaar (MH: zie hierna) komen deze rechten (waaronder het zwijgrecht) ook toe aan de ambtenaar die in de uitoefening van zijn functie geweld heeft gebruikt en ten aanzien van welk geweldgebruik een feitenonderzoek is ingesteld.

o  Vanwege de meldingsplicht verkregen informatie (schriftelijk, mondeling of vastgelegd in een geweldsregistratieformulier) kan niet als bewijs dienen in een eventuele strafzaak tegen de betrokken ambtenaar. Immers, de op grond van de meldingsplicht verkregen informatie van de ambtenaar over het aangewende geweld kan in de regel niet worden aangemerkt als een (volledig) in vrijheid afgelegde verklaring, met inachtneming van art. 29 Sv. Zie hierover ook hierna onder 'Wetsvoorstel geweldsaanwending opsporingsambtenaar'.

o  De ambtenaar die in strijd met de meldingsplicht de geweldsaanwending niet of slechts ten dele meldt, kan geconfronteerd worden met een functionerings- of disciplinair traject.

-      De in de Ambtsinstructie bedoelde hulpOvJ

o  De hulpOvJ die krachtens aanwijzing van het tot aanstelling, schorsing of ontslag bevoegd gezag is belast met het registreren van aangewend geweld. In de praktijk is de hulpOvJ namelijk de meest aangewezen functio­naris die 24 uur per dag en zeven dagen in de week beschikbaar is en die bovendien vaak ook vanwege zijn strafvorderlijke taken en bevoegdheden is betrokken bij het incident.

o  De hulpOvJ bepaalt niet of de geweldsaanwending plaatsvond met inachtneming van art. 7 van de Politiewet 2012 en de Ambtsinstructie (dat is immers aan de in art. 17, vierde lid, bedoelde functionaris), maar kijkt of aanleiding bestaat om een dergelijke beoordeling te laten maken. Is daarvan volgens hem geen sprake en is evenmin sprake van het eerste of tweede criterium, dan krijgt de melding van de geweldsaanwending in dit proces geen verder vervolg.

o  Aangezien de hulpOvJ in de praktijk een operationele rol vervult, zijn er situaties denkbaar waarbij de hulpOvJ na ontvangst van de melding ten gevolge van operationele omstandigheden niet in de gelegenheid is de melding terstond vast te leggen.

-      Lichamelijk letsel van meer dan geringe betekenis: daaronder wordt niet verstaan een (enkele) blauwe plek of schram maar lichamelijk letsel dat behandeld is of (medisch gezien) behandeld zou moeten worden door een arts of verpleegkundige.

-      Zwaar lichamelijk letsel: sluit aan bij hetzelfde begrip in art 82 Sr. Op het moment van het kennis geven aan het OM zal niet (altijd) duidelijk zijn of daadwerkelijk sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Om die reden is opgenomen dat ook wanneer er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat het aanwenden van geweld zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt, een kennisgeving wordt gedaan. Het is uiteindelijk aan de desbetreffende functionaris om aan dit begrip een (eenduidige en uniforme) uitleg te geven, in het licht van de jurisprudentie inzake zwaar lichamelijk letsel.

-      Ambtenaar van bijzondere opsporingsdienst en de Boa: de artikelen over de definitie van het aanwenden van geweld en het melden, het registreren, het beoordelen en het terugkoppelen daarvan zijn ook van toepassing op deze ambtenaren. Ook voor hen geldt dat zij geweld melden bij de dienstdoende hulpOvJ. De procedure na de melding van het geweld verloopt hetzelfde als voor de ambtenaar van politie, met dien verstande dat waar de korpschef een rol vervult ten aanzien van een ambtenaar van politie, dit voor een ambtenaar van een bijzondere opsporingsdienst wordt vervuld door het hoofd van de bijzondere opsporingsdienst en voor een buitengewoon opsporingsambtenaar wordt vervuld door de direct toezichthouder.

 

4.         Tabel toetsingskader geweldsaanwendingen[8]

 

CRITERIA PROFESSIONEEL GEWELDGEBRUIK

Toetsingskader voor geweldsaanwendingen

PROFESSIONALITEIT

WETTELIJK KADER

EISEN VAKMANSCHAP

Handelde de (politie)ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening?

Is er voldoende respectvol opgetreden?

 

Rechtvaardigt het doel het toegepaste geweld, mede gelet op de risico’s en gevaren?

Is er voldoende voorspelbaar en betrouwbaar opgetreden?

 

Is aan het geweld zo mogelijk een waarschuwing voorafgegaan?

Is er voldoende de-escalerend opgetreden?

Was het geweld subsidiair (was het toegepaste middel het minst ingrijpende middel)?

Is er voldoende zorgvuldig opgetreden?

Was het geweld proportioneel (stond het geweld in verhouding tot het beoogde doel)?

Was het optreden moedig maar niet overmoedig?

Is het geweldmiddel afgegeven, de (politie)ambtenaar getraind en het geweld toegepast volgens de regelgeving (Ambtsinstructie)?

 

 

5.         Wetsvoorstel geweldsaanwending opsporingsambtenaar[9]

 

Inleiding

-      'Het wetsvoorstel introduceert onder meer een nieuwe strafbaarstelling. Voorgesteld wordt om het schenden van de geweldsinstructie, wanneer dit aan de schuld van de opsporingsambtenaar te wijten is, strafbaar te stellen (art. 372 Sr). De nieuwe strafbaarstelling is bedoeld voor de gevallen waarin het schenden van de geweldsinstructie het gevolg is van een verwijtbare inschattingsfout of onvoorzichtigheid van de opsporingsambtenaar. In die gevallen is vervolging voor een algemeen geweldsdelict vaak minder aangewezen, vanwege de taak en bevoegdheid van de opsporingsambtenaar. De achtergrond van de algemene geweldsdelicten is immers dat het gebruiken van geweld normaliter niet is toegestaan, terwijl we opsporingsambtenaren vragen om dit - als noodzakelijk - wel te doen. De nieuwe strafbaarstelling biedt het OM, in het geval het vervolging van de betrokken opsporingsambtenaar aangewezen acht, een alternatief voor de bestaande geweldsdelicten als mishandeling en doodslag. (...).
De nieuwe strafbaarstelling doet niet af aan de bestaande geweldsdelicten en het opportuniteitsbeginsel van het OM. De OvJ kan indien hij daartoe aanleiding ziet nog steeds ervoor kiezen de betrokken opsporingsambtenaar te vervolgen voor een regulier geweldsdelict. Dit zal bijv. het geval zijn als de Ambtsinstructie moedwillig is overschreden. (...). Situaties als bij George Floyd in de Verenigde Staten, waarbij ruim 8 minuten met de knie op de nek van een verdachte wordt gezeten, worden in Nederland niet proportioneel en subsidiair geacht en daarom zijn opsporingsambtenaren daartoe niet bevoegd. Politieambtenaren worden hiervan bewust gemaakt tijdens hun opleiding en training. Zij weten dat verwurging kan leiden tot verstikking.

Een politieambtenaar die ondanks zijn training en opleiding van dergelijke technieken gebruik maakt op een wijze als we in de Verenigde Staten zagen, schendt mijns inziens dan ook bewust en opzettelijk de geweldsinstructie. Er is dan immers geen sprake meer van een inschattingsfout, omdat hem voldoende duidelijk is gemaakt dat het toepassen van handelswijze niet is toegestaan. In die gevallen verliest de redengeving voor een afwijkende strafrechtelijke rechtspositie van de opsporingsambtenaar ten opzichte van ieder ander haar legitimatie, gezien de ernst van het gedrag van de opsporingsambtenaar en het verwijt dat hem treft. Ik kan mij voorstellen dat in dat geval vervolging voor een algemeen geweldsdelict als doodslag meer in de rede ligt. Uiteraard is het aan het OM om te bepalen welk strafbaar feit ten laste wordt gelegd'.[10]

 

Overzicht wetsvoorstel

-      Strafuitsluitingsgrond voor opsporingsambtenaren die geweld hebben gebruikt in de rechtmatige uitoefening van hun taak: niet strafbaar is de ambtenaar die in de rechtmatige uitoefening van zijn taak en in overeenstemming met zijn geweldsinstructie geweld gebruikt (art. 42 Sr).

-      Strafbaarstelling schuldschending geweldsinstructie (art. 372 Sr, tevens aangewezen als vh-misdrijf: art. 67 Sv):

o  De ambtenaar aan wie bij of krachtens art. 7, eerste, achtste of negende lid, van de Politiewet 2012 of art. 6, eerste lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten de bevoegdheid geweld te gebruiken is toegekend en aan wiens schuld het te wijten is dat hij het in zijn geweldsinstructie bepaalde schendt, wordt gestraft:

-      met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie, indien het feit enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

-      met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie, indien het feit enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

-      met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het feit de dood ten gevolge heeft.

o  'Onder het bestanddeel schuld van de nieuwe delictsomschrijving vallen alle variaties van schuld, waaronder roekeloosheid. De rechter kan bij de strafoplegging rekening houden met de in het gegeven geval vastgestelde mate van schuld, zoals dat bij een groot aantal andere schuldmisdrijven in Sr het geval is. Een verdere wettelijke differentiatie in de zin van een zelfstandige strafverzwarende omstandigheid bij roekeloos handelen is achterwege gelaten, ook al omdat het bij een vermoeden dat de opsporingsambtenaar roekeloos heeft gehandeld, voorstelbaar is dat de OvJ vervolging - bij het bestaan van opzet - voor een algemeen geweldsdelict in plaats van het delict van art. 372 Sr passender vindt, gelet op de ernst van dat gedrag. In dat geval zal vervolging voor een opzetdelict als mishandeling of doodslag vaak meer aangewezen zijn dan vervolging voor een schulddelict. Daarvoor is van belang dat het handelen van de opsporingsambtenaar vrijwel steeds onder de delictsomschrijving van een doleus (MH: opzettelijk gepleegd) geweldsdelict valt. Dat komt door het volgende. Wanneer een opsporingsambtenaar geweld aanwendt, is vrijwel steeds sprake van - ten minste - voorwaardelijk opzet op de gevolgen hiervan (bijv. pijn en letsel ten gevolge van het gebruik van de wapenstok). Er mag immers van worden uitgegaan dat een opsporingsambtenaar, die als professional is getraind in het gebruik van geweld, zich steeds bewust is van de risico’s van het geweldgebruik. En deze risico’s mag hij, anders dan een persoon die niet bevoegd is geweld te gebruiken, ook nemen in situaties waarin van hem wordt verwacht dat hij geweld gebruikt en dit gezien zijn taak noodzakelijk is'.[11]

o  'Met de introductie van art. 372 Sr wordt geenszins beoogd meer ruimte te creëren voor strafrechtelijke aansprakelijkheidstelling van de opsporingsambtenaar, maar wordt beoogd om in die gevallen waarin de opsporingsambtenaar ook nu al strafbaar handelt, vervolging mogelijk te maken op basis van een delictsomschrijving die het meest recht doet aan de verweten gedraging. In zijn algemeenheid geldt dat in veruit de meeste gevallen de opsporingsambtenaar indien hij geweld heeft gebruikt en dit lichamelijk letsel of de dood tot gevolg heeft gehad, reeds de delictsomschrijving vervult van een doleus geweldsdelict (MH: zie voorgaande alinea). (...). Zo geldt in het voorbeeld van de opsporingsambtenaar die pepperspray gebruikt tegen een arrestant, ten gevolge waarvan deze oogletsel oploopt, dat de opsporingsambtenaar naar alle waarschijnlijkheid de delictsomschrijving van mishandeling (art. 300 Sr) vervult, maar bij handelen conform de geweldsinstructie straffeloos blijft (vanwege een geslaagd beroep op de strafuitsluitingsgrond van art. 42 Sr).

-      Feitenonderzoek / geen verdachte. Politieagenten, KMar en Boa's krijgen niet meer het stempel van verdachte opgeplakt bij onderzoek naar geweldgebruik. Daarvoor in de plaats komt een feitenonderzoek, dat uitgaat van rechtmatig optreden. In Sv wordt een nieuwe Titel IIIA ingevoegd (art. 511aa t/m 511ab Sv): onderzoek naar gebruik van geweld door ambtenaren.

 

Art. 511a Sv

1.   Indien een ambtenaar, aan wie bij of krachtens art. 7, eerste, achtste of negende lid, van de Politiewet 2012 of art. 6, eerste lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten de bevoegdheid geweld te gebruiken is toegekend, in de uitoefening van zijn functie geweld heeft gebruikt, kan de OvJ bevelen dat een feitenonderzoek wordt ingesteld. Van dit bevel wordt de betrokken ambtenaar op de hoogte gesteld.

2.   Een feitenonderzoek is gericht op de beoordeling of het geweld is gebruikt overeenkomstig de geweldsinstructie.

3.   De artikelen 51a tot en met 51d zijn gedurende het feitenonderzoek voor zover relevant van overeenkomstige toepassing.

4.   Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het feitenonderzoek.

 

Art. 511aa Sv

1.   In het feitenonderzoek kan de OvJ, of, indien de artikelen de hulpOvJ of de opsporingsambtenaar als bevoegd aanwijzen, deze ambtenaar, de in de artikelen 61a, eerste lid, onderdeel h, 96 tot en met 96c, 97, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel b, 99, 124, 125, 125i, 126nc, 126nd, 150 en 151 bedoelde bevoegdheden uitoefenen en kan de RC op vordering van de OvJ de bevoegdheden van de artikelen 104 tot en met 110 uitoefenen. Art. 94, eerste en derde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in het feitenonderzoek alleen vatbaar voor inbeslagneming zijn alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen.

2.   Een bevel als bedoeld in de artikelen 96a, eerste lid, 105, eerste lid, 126nc, eerste lid, en 126nd, eerste lid, wordt niet gericht aan de ambtenaar, bedoeld in art. 511a, eerste lid.

3.   De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden kunnen slechts worden uitgeoefend indien:

a.   het geweldgebruik, bedoeld in art. 511a, eerste lid, lichamelijk letsel of de dood tot gevolg heeft gehad;

b.   de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid in redelijke verhouding staat tot de aard van het geweldgebruik ter beoordeling waarvan het feitenonderzoek is ingesteld;

c.   het vergaren van gegevens voor het feitenonderzoek door uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid niet op een andere, minder ingrijpende wijze mogelijk is.

 

Art. 511ab Sv

1.   Op basis van het feitenonderzoek beslist de OvJ welke vervolgbeslissing wordt genomen.

2.   De OvJ doet van zijn beslissing onverwijld schriftelijk mededeling aan de ambtenaar, bedoeld in art. 511a, eerste lid.

-      Rechten verdachten komen ook toe aan de ambtenaar ten aanzien van wie voornoemd feitenonderzoek is ingesteld (art. 27 lid 3 Sv).

-      Rb Midden-Nederland. Is als enige Rb bevoegd tot berechting van in uit­oefe­ning functie gebruikt geweld (art. 2 Sv).

-      Beperkingen aan tenlastelegging. Indien een feit onder verwijzing naar het misdrijf, bedoeld in art. 372 Sr ten laste wordt gelegd, kan in de dagvaarding hetzelfde feit niet tevens onder verwijzing naar een ander misdrijf ten laste worden gelegd (voorgestelde art. 261a Sv). Zie voor een bespreking van deze complexe bepaling de MvA.[12]

 

Kamerstukken

-      Geweldsbevoegdheid. ‘De politie heeft ingevolge art. 3 Politiewet 2012 tot taak het handhaven van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. Om deze taak naar behoren te kunnen uitoefenen, is het gebruik van geweld soms noodzakelijk. Dit hoort bij het daadkrachtige optreden dat van de politie wordt verlangd. Zij mag ingevolge art. 7, eerste lid, Politiewet 2012 geweld gebruiken wanneer het daarmee beoogde doel dit rechtvaardigt en het doel niet op een andere manier kan worden bereikt. Dit betekent dat het optreden van de politie moet getuigen van terughoudendheid bij het gebruik van geweld. Geweld mag slechts worden aangewend wanneer in het gegeven geval andere, minder ingrijpende middelen niet toereikend zijn. Daarnaast dient de wijze waarop geweld wordt gebruikt ingevolge art. 7, vijfde lid, Politiewet 2012 altijd proportioneel te zijn: het geweld moet in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd zijn. Hierbij dient te worden bedacht dat het in eerste instantie veelal de opsporingsambtenaar zelf is die deze afweging in een concreet geval, vaak onder grote tijdsdruk, zal moeten maken. In de praktijk van alle dag hebben bijna alle opsporingsambtenaren regelmatig te maken met, soms ernstig, geweld. In deze situaties moet snel en effectief kunnen worden opgetreden. Daarbij moet voortdurend de afweging worden gemaakt op welke wijze het beste kan worden opgetreden en welke geweldmiddelen daarbij eventueel kunnen worden gebruikt. Dat kan bijv. de wapenstok of pepperspray zijn, maar ook het vuurwapen. De noodzaak om te kiezen voor een bepaald geweldmiddel moet steeds worden afgezet tegen de mogelijkheid van een geweldloos alternatief of een ander minder ingrijpend geweldmiddel. Naast politieamb­tenaren zijn er ambtenaren die weliswaar niet behoren tot de politieorganisatie, maar wier taken zozeer aansluiten bij die van de politie, dat zij ook een geweldsbevoegdheid ontlenen aan art. 7, eerste lid, Politiewet 2012. Dit betreft militairen van de KMar in de uitoefening van hun politietaken, militairen van de krijgsmacht die bijstand verlenen aan de politie, ambtenaren van de rijksrecherche en buitengewoon opsporingsambtenaren aan wie de gewelds­bevoegdheid is toegekend. Opsporingsambtenaren werkzaam voor de bijzondere opsporingsdiensten ontlenen aan art. 6, eerste lid, Wet op de BOD eenzelfde geweldsbevoegdheid. (…). De regels die gelden voor het inzetten van geweldmiddelen zijn neergelegd in de Ambtsinstructie. (…). Per geweldmiddel wordt (…) in de Ambtsinstructie geregeld onder welke voorwaarden ervan gebruik mag worden gemaakt’.[13]

-      Meldingsplicht en bewijs in strafzaak. 'Vanwege meldingsplicht verkregen informatie, schriftelijk, mondeling of vastgelegd in een geweldsregistratie­formulier, kan niet als bewijs dienen in een eventuele strafzaak tegen de betrokken ambtenaar. Die informatie over het aangewende geweld kan in de regel niet worden aangemerkt als een volledig in vrijheid afgelegde verklaring'.[14] MH: gebruik zou als regel ook in strijd zijn met het verbod op zelfincriminatie: verplicht afgelegde verklaringen (waaronder schrif­telijke inlichtingen) kunnen niet als bewijs gebruikt worden, zie daarover 2.18, het zakboek Pv en Bewijsrecht (Toezicht en opsporing) en voorgaande tekst onder 'Nota van toelichting wijziging Ambtsinstructie (herziening geweldsmelding)'.

-      Feitenonderzoek en bewijs in strafzaak. In een eventueel strafrechtelijk onderzoek mag gebruik worden gemaakt van de resultaten uit het feitenonderzoek omdat aan de ambtenaar wiens geweldsaanwending voorwerp van het feitenonderzoek was op grond van de voorgestelde wijziging in art. 27 lid 3 Sv tijdens dat feitenonderzoek dezelfde rechtsbescherming toekomt als aan een verdachte[15] (MH: en dus bijv. niet verplicht is vragen te beantwoorden).

-      Voorbeelden reikwijdte art. 372 Sr (schuldschending geweldsinstructie)[16]

o  'Een eerste voorbeeld heeft betrekking op de bepaling in de Ambtsinstructie die voorschrijft dat het vuurwapen mag worden gebruikt om iemand aan te houden van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken. Wanneer de betrokken opsporingsambtenaar uit verschillende feiten heeft gemeend te mogen afleiden dat hiervan sprake was - zijn collega-opsporingsambtenaar gaf aan te hebben gezien dat de persoon een vuurwapen onder zijn jas verstopte, bij hem zijn vaker wapens aangetroffen, bovendien steekt hij steeds angstvallig een hand onder zijn jas - en daarop gebruikt de opsporingsambtenaar zijn vuurwapen, dan kan gesteld worden dat hij ook wanneer achteraf blijkt dat de persoon geen vuurwapen bij zich had, toch niet dusdanig onvoorzichtig heeft gehandeld dat deze gedraging onder de delictsomschrijving van het voorgestelde art. 372 Sr valt. Wanneer de betrok­ken opsporingsambtenaar zich evenwel niet op deze feiten zou hebben gebaseerd, maar enkel op het feit dat hij meende een bobbel te zien ter hoogte van de binnenzak van de jas van de man, dan ligt het in de rede dat zijn handelen wel onder de delictsomschrijving valt. De betrokken opsporingsambtenaar heeft dan te snel zijn conclusies getrokken en heeft door een onzorgvuldige afweging van de feiten aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld'.

o  'Een ander voorbeeld kan worden gegeven aan de hand van de bepaling in de Ambtsinstructie op grond waarvan een opsporingsambtenaar het vuurwapen mag gebruiken om iemand aan te houden die wordt verdacht van een ernstig strafbaar feit. Wanneer in een dergelijke situatie de verdachte in een auto op de vlucht slaat, zal het schieten op deze auto al snel zijn aan te merken als niet proportioneel - zoals vereist door art. 7 Politiewet 2012 - vanwege het grote risico dat dit oplevert voor de inzittenden en mogelijke omstanders, terwijl het beoogde doel hiermee niet snel zal worden bereikt. De kans is immers - zo wijst ook de praktijk uit - zeer klein dat de auto zal stoppen door dit schieten. Indien onder die omstandigheden toch is geschoten, zou strafrechtelijke aansprakelijkheid op grond van art. 372 Sr kunnen worden aangenomen. Ook in het voorbeeld van een situatie waarin een opsporingsambtenaar schiet op een verdach­te van een ernstig strafbaar feit, terwijl deze wegrent en vlucht in een men­­senmassa, is het handelen vanwege de grote risico’s die het met zich brengt voor omstanders niet proportioneel en kan de gedraging vallen onder de reikwijdte van art. 372 Sr'.

 

6.         Aanwijzing handelwijze geweldsaanwending (politie)ambtenaar[17]

 

De Aanwijzing is van toepassing op de ambtenaren als bedoeld in art. 1 lid 1 Ambtsinstructie voor de politie, de KMar en andere opsporingsambtenaren en geldt in de volgende gevallen van geweldsaanwending.

1:   Vuurwapengebruik met de dood of enig lichamelijk letsel tot gevolg.

2:   Overige geweldsaanwendingen met de dood of zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.

Zie in voorkomende gevallen verder de Aanwijzing! De criteria voor en de procedure van de inzet van de Rijksrecherche zijn opgenomen in de Aanwijzing taken en inzet Rijksrecherche.[18] 

 

Achtergrond Aanwijzing handelwijze geweldsaanwending (politie)amb­tenaar

‘Politiemensen moeten hun werk vaak verrichten onder moeilijke omstandigheden. Dit geldt ook voor opsporingsambtenaren werkzaam bij de KMar, buiten­gewone opsporingsambtenaren en militairen van de krijgsmacht onderdeel uitmakend van de Dienst Speciale Interventies (DSI). Zij kunnen in situaties terecht komen waarin burgers of zijzelf aan levensgevaar worden blootgesteld. Waar burgers dat gevaar in het algemeen mogen vermijden, wordt van de politie juist verwacht dat zij gevaarlijke situaties tegemoet treedt. Door juiste bewapening en een goede training is de politie daarop voorbereid en mag van haar verwacht worden dat geweld slechts wordt toegepast binnen de grenzen van de proportionaliteit en de subsidiariteit en binnen de kaders van de geldende geweldsinstructie. De politie heeft daarnaast, net als iedere burger, het recht zich te verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Omdat bij toepassing van ernstig geweld door de overheid inbreuk wordt gemaakt op de grondrechten van burgers en in de meeste gevallen de delictsomschrijving van een misdrijf wordt voltooid (bijv. doodslag bij letaal (MH: dodelijk) vuurwapengeweld), moet het onderzoek naar het ernstig overheidsgeweld effectief, objectief en voortvarend zijn. Het onderzoek naar de toedracht van het overheidsgeweld zal in beginsel moeten worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van functionarissen die onafhankelijk zijn ten opzichte van degene(n) die het overheidsgeweld heeft of hebben uitgeoefend. Bij het onderzoek naar en het toetsen van het van overheidswege toegepaste geweld moet elke schijn van partijdigheid worden voorkomen’.

 

7.         Jurisprudentie EHRM


‘Gezien het grote belang van art. 2 moet het EHRM een levensberoving onderwerpen aan een nauwkeurig toezicht waarbij niet alleen gekeken wordt naar de gedragingen van de staatsfunctionarissen maar ook naar alle omringende feiten. In het bijzonder is het van belang vast te stellen of de arrestatie door de autoriteiten op een dergelijke wijze is gepland en uitgevoerd dat het gebruik van dodelijk geweld (tot de grootst mogelijke mate) is geminimaliseerd’.[19] Het EHRM overwoog verder dat het legitieme doel van een arrestatie niet rechtvaardigt dat het leven van een voortvluchtige die een niet‑gewelddadig delict heeft gepleegd en geen bedreiging voor anderen vormt in gevaar wordt gebracht. In geen enkele omstandigheid kan het ‘absoluut noodzakelijk’ zijn om vuurwapens te gebruiken bij de arrestatie van een niet‑gewelddadig persoon van wie bekend is dat hij geen bedreiging vormt voor het leven van anderen, zelfs als hij daardoor in de gelegenheid is te ontsnappen. Tevens formuleert het EHRM strenge onderzoeksverplichtingen voor de autoriteiten bij overlijden door (overheids)geweld. Zie hierover verder het arrest.

 

Een voorbeeld uit de jurisprudentie van het EHRM over een Nederlandse zaak betrof een verdachte die een vuurwapen richtte op een politieagent en door die politieagent werd doodgeschoten. Het EHRM was daarbij het volgende van mening.[20]

1.   Het schietincident was als zodanig geen schending van het EVRM.

2.   Het onderzoek naar het schietincident was ontoereikend. Het EHRM wijst daarbij op een reeks van onverklaarbare tekortkomingen, zoals

a.   het nalaten van onderzoek van de handen van de betreffende politieambtenaren op kruitresten;

b.   het niet maken van een reconstructie van de gebeurtenissen;

c.   de kennelijke afwezigheid van een onderzoek van wapens en munitie;

d.   het niet gescheiden houden van de betreffende politieambtenaren;

e.   het pas drie dagen later ondervragen van de betreffende politieambtenaren.

Het EHRM vond dit des te betreurenswaardiger omdat er geen getuigen waren die het fatale schot hadden gezien.

3.   Het onderzoek was onvoldoende onafhankelijk verricht (namelijk door korps waartoe betreffende politieambtenaren behoorden).

4.   Het betreffende politieonderzoek stond onder leiding van een OvJ die speciaal verantwoordelijk was voor het politiewerk aan het betreffende politiebureau. Dezelfde OvJ nam de beslissing niet tot vervolging over te gaan (door hoofdOvJ gedelegeerde beslissing). Het ware beter geweest dat een niet bij het bewuste korps betrokken OvJ het onderzoek had geleid en de vervolgingsbeslissing had genomen.

 

8.         Nederlandse jurisprudentie

 

Ook de Nederlandse rechter is van mening dat aangiften ter zake overheidsge­weld waarbij zwaar lichamelijk letsel is opgelopen of iemand is overleden op zorgvuldige, effectieve en onafhankelijke wijze dienen te worden onderzocht. Die eis geldt des te meer als er sprake is van een situatie waarin het slachtoffer zich gedwongen in de macht van de overheid en de betrokken overheidsdienaren bevindt. Bovendien vloeit uit de publieke functie van de betrokken overheidsdienaren de plicht voort om zich voor de in die publieke functie verrichte handelingen te verantwoorden. Een en ander brengt met zich mee dat een in verband daarmee ingesteld onderzoek uiterst zorgvuldig en nauwkeurig dient te geschieden. Voordat een aangifte geseponeerd mag worden, dient iedere aanwijzing van strafbaar handelen door de overheid zo volledig mogelijk te kunnen worden uitgesloten. Als dat niet het geval is, terwijl het dossier nog aankno­pings­­­punten biedt voor nader onderzoek, dient dat nadere onderzoek alsnog te worden verricht.[21] ‘De enkele omstandigheid, dat iemand binnen de fysieke macht van de overheid op niet-reguliere wijze overlijdt, dient aanleiding te zijn voor een adequaat, effectief en onafhankelijk onderzoek, dat bij voorkeur dient plaats te vinden onder verantwoordelijkheid van een RC (...) en onder leiding van een OvJ van het landelijk parket die tevens de regie voert over de onderzoekshandelingen van de Rijksrecherche’.[22] Hetzelfde Hof had in een eerdere zaak (overleden arrestant die zich geboeid en ‘ziek’ op een politiebureau bevond en van zijn vrijheid was beroofd) ook al uitdrukkelijk gewezen op de publieke functie van de betrokken overheidsdienaren en de daaruit voortvloeiende plicht om zich voor de in die publieke functie verrichte handelingen te verantwoorden. Daarbij sprak het Hof de hoop uit dat het door de RC laten doen van een onderzoek, een signaal inhield aan het OM om, 'zeker wanneer het gaat om overlijden van een burger, die zich in handen van overheidsdienaren bevond, het onderzoek voortaan van meet af aan voldoende nauwkeurig en zorgvuldig te laten zijn’.[23] Zie voor dit onderwerp ook nog 3.29 (schadevergoeding, onder tot slot).

 

Terughoudendheid bij de strafrechtelijke beoordeling van opsporings­hande­lingen van politieagenten in functie

‘Voorop wordt gesteld dat bij de strafrechtelijke beoordeling van opsporingshandelingen van politieagenten in functie terughoudendheid moet worden betracht. De rechter mag niet, achteraf oordelend, zijn eigen beoordeling in de plaats stellen van die van een politieagent in de hitte van de strijd. Beoordeeld dient te worden of het toegepaste geweld aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit voldoet, niet of de politieagent redelijkerwijs een andere keuze had kunnen of zelfs had moeten maken’.[24]

 

9.  Seponering aangifte / strafbeschikking / transactie: klacht belanghebbende (art. 12 Sv)

 

Een ieder kan aangifte doen van strafbare feiten, dus ook slachtoffers/na­be­staanden van vermeend geweld door de politie en nabestaanden van burgers/verdachten die zijn overleden tijdens of na verblijf in een politiebureau. Wordt een strafbaar feit niet vervolgd, de vervolging niet voortgezet, of vindt de vervolging plaats door het uitvaardigen van een strafbeschikking/transactie[25], dan kan de rechtstreeks belanghebbende (niet dus een ieder) daarover schriftelijk beklag doen bij het Hof. Zie hiervoor art. 12 Sv e.v. Het Hof kan na onderzoek van de klacht bevelen dat de beklaagde alsnog (verder) vervolgd wordt. In een aantal zaken hebben Hoven inderdaad alsnog vervolging van één of meer politieamb­te­naren gelast (door een bevel tot dagvaarding of onderzoek door de RC zoals een reconstructie en/of het horen van getuigen).

 

Voorbeeld uitspraak in art. 12 Sv-zaak

‘Het Hof realiseert zich dat het achteraf oordelen over een situatie als de onderhavige, met meer en andere kennis dan welke beschikbaar was op het actuele moment waarop beklaagde zich in die situatie begaf en moest beslissen binnen een fractie van het moment, niet eenvoudig is. Doorslaggevend voor de beoordeling van de vraag of beklaagde in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was om klager aan te houden en daarbij gerechtigd was zijn vuurwapen te gebruiken ter aanhouding van de verdachte, is of beklaagde in casu (MH: in het betreffende geval) in redelijkheid kon en mocht menen, dat hij zich in een situatie bevond als beschreven in art. 7.1.b Ambtsinstructie, meer in het bijzonder of hij kon menen dat sprake was van verdenking van een zodanig ernstig strafbaar feit als bedoeld in de Ambtsinstructie en dat sprake was van een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer, waardoor dat gebruik gerechtvaardigd was en dat dit ook noodzakelijk was en voldeed aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. (...). Het Hof meent (...) dat beklaagde in het korte moment waarop hij moest beslissen over het afvuren van een waarschuwingsschot, gevolgd door een aanhou­dingsschot, gelet op de hem ter beschikking staande informatie en de door hem aan­getroffen situatie ter plaatse, verontschuldigbaar heeft gedwaald omtrent de feitelijke situatie van het moment. Naar het oordeel van het Hof kon beklaagde in redelijkheid menen dat het vuurwapengebruik in de door hem veronderstelde situatie gerechtvaardigd was. (...). Naar het oordeel van het Hof is voor strafbaarheid geen plaats wanneer de gedraging wordt verontschuldigd door een bij de dader aanwezige onjuiste voorstelling van zaken ten gevolge van een dwaling ten aanzien van de feitelijke realiteit. Het Hof acht aannemelijk dat bij een voorlegging van deze zaak aan de strafrechter beklaagde zich om die reden met vrucht op een strafuitsluitingsgrond zou kunnen beroepen'.[26] Beklag over niet vervolging aldus afgewezen (want putatief noodweer, zie daarvoor verder het zakboek Sr). Zie voor veel voorbeelden van (meestal afgewezen) klachten gebaseerd op art. 12 Sv rechtspraak.nl (zoekterm ‘art. 12 Sv’).

 

10.       Tot slot

 

-      Geweld bij aanhouding / vermelding in pv. Zie 4.3.

-      Disproportioneel geweld / verzwijgen geweld / meineed. Kan in de strafzaak van de verdachte tegen wie dat geweld is gebruikt leiden tot strafver­min­dering[27] en in uitzonderlijke gevallen zelfs tot niet-ontvankelijk­heid (einde strafzaak).[28] Ook het niet vermelden dat er een waarschuwingsschot is afgevuurd kan leiden tot problemen.[29] Onder omstandigheden kan verzwijgen door een opsporingsambtenaar meineed opleveren.[30]

-      Geen bevoegdheid, wel noodweer, putatief noodweer of noodweerexces. Mocht een bevoegdheid tot het toepassen van geweld ontbreken dan kan de ambtenaar zich onder omstandigheden mogelijk beroepen op noodweer, putatief noodweer of noodweerexces. Zie voor een bespreking het zakboek Sr.

-      Schadevergoeding politieoptreden. Zie 3.29 (met name onder ‘tot slot’).

-      Zie voor meer informatie over politiegeweld www.politie.nl > thema's > politiegeweld.

 

 

---------------------------------



[1].     Kamerstukken 34641, nr. 3 (MvT, herdruk) en overgenomen in Nota van toelichting bij wijziging Ambtsinstructie, Stb. 2020, 144 (herziening geweldsmelding).

[2].     Nota van toelichting bij wijziging Ambtsinstructie, Stb. 2020, 144 (herziening geweldsmelding). Aldus ook Hof Den Haag 19-06-19, ECLI:NL:GHDHA:2019:1532.

[3].     Zie ook uitgebreid de toelichting op de gewijzigde Ambtsinstructie (herziening geweldsmelding), Stb. 2020, 144.

[4].     Zie bijv.

-      Hof ’s-Hertogenbosch 21-01-09, LJN BH2041 (weloverwogen en met inacht­neming van de nodige voorzichtigheid fiets van verdachte van inbraak met dienstvoertuig licht aangetikt, waardoor verdachte viel, licht letsel opliep en aange­houden kon worden: niet onrechtmatig).

-      Hof 's-Hertogenbosch 27-03-19, ECLI:NL:GHSHE:2019:1178 (motoragent duwt tijdens achtervolging tegen stuur van achtervolgde niet van helm voorziene en van woninginbraak verdachte scooterrijder en brengt hem zo ten val: niet in overeenstemming met beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit).

-      Rb Midden-Nederland 31-01-20, ECLI:NL:RBMNE:2020:313 (aanrijden van scoo­ter waarmee verdachte na ramkraak op de vlucht was geslagen en lossen waarschuwingsschoten: niet onrechtmatig).

-      Hof ’s-Hertogenbosch 30-03-10, BL9917 (tweemaal met vuist slaan op gezicht om verzet te breken van aangehouden ver­dachte: niet onrechtmatig).

-      Rb Den Haag 23-12-13, ECLI:NL:RBDHA:2013:18257 (aan te hou­den vuur­wa­pengevaarlijke verdachte overleden ten gevolge van schot: niet onrecht­matig).

-      Rb Den Haag 29-07-08, LJN BD8853, BD8944 (gebruik lange wapenstok niet disproportioneel) en BD8808 (gebruik lange wapenstok wel disproportioneel, maar in hoger beroep toch weer niet: Hof Den Haag 29-07-09, BJ4550).

-      Rb Zwolle 10-12-09, LJN BK8148 en Hof Am­ster­dam 14-06-16, ECLI:NL:GHAMS:2016:2336 (inzet dienst­hond disproportio­neel).

-      Rb Rotterdam 14-10-10, LJN BP2870 (gebruik wapenstok niet dispropor­tio­neel).

-      Rb Oost-Brabant 07-09-15, ECLI:NL:RBOBR:2015:5263 (rijden met dienstauto tegen motorscooter van vluchtende plofkrakers: niet disproportioneel ‘nu er acuut risico bestond dat verdachten zouden ontvluchten en er geen redelijke alternatie­ven voorhanden waren om de ontvluchting te beletten’).  

[5].     Stb. 2020, 144, met omvangrijke toelichting.

[6].     Nota van toelichting wijziging Ambtsinstructie, Stb. 2020, 144 (herziening gewelds­melding).

[7].     Stb. 2020, 144.

[8].     Toetsingskader dat de politie sinds 15-01-19 gebruikt bij het intern beoordelings­proces ex art. 17 Ambtsinstructie en daarom ook gebruikt door de Politieacademie en in het onderwijs aan hulpOvJ’s.

[9].     Kamerstukken 34641, nr. A (geweldsaanwending opsporingsambtenaar, gewijzigd voorstel van wet) en 3 (MvT, herdruk). Als voorstel verwerkt in zakboek Wetteksten.

[10].    Kamerstukken 34641, nr. D, brief Minister van Justitie en Veiligheid.

[11].    Kamerstukken 34641, nr. C (MvA).

[12].    Kamerstukken 34641, nr. C.

[13].    Kamerstukken 34641, nr. 3 (MvT, herdruk), tenzij anders vermeld.

[14].    Kamerstukken 34641, nr. 22 (Verslag van een wetgevingsoverleg).

[15].    Kamerstukken 34641, nr. A (geweldsaanwending opsporingsambtenaar, gewijzigd voorstel van wet) en 3 (MvT, herdruk).

[16].    Kamerstukken 34641, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag).

[17].    Overheid.nl.

[18].    Overheid.nl.

[19].    EHRM, NJB 2004, p. 949 én NJB 2005/598 (Nachova e.a.). Zie ook EHRM, NJB 2006/884 (Tzekov).

[20].    EHRM, NJ 2007/618 (Ramsahai tegen NL), met noot Schalken.

[21].    Hof Amsterdam 19-06-07, LJN BA7763. Zie ook:

-      Hof Amsterdam 29-10-08, LJN BG3792 (zelfdoding tijdens vreemdelingenbe­wa­­ring).

-      Hof Amsterdam 10-11-08, LJN BG3914 (worsteling in de observatiecel).

-      Hof Amsterdam 10-11-14, ECLI:NL:GHAMS:2014:4642 (overlijden in politiecel na aanhouding met geweld (inclusief nekklem)).

-      Hof Den Haag 26-08-16, ECLI:NL:GHDHA:2016:2808 (ernstig geweldsincident tussen de met opsporing belaste autoriteiten (politie Landelijke Eenheid) en een burger (de verdachte): in een zaak waar de politie zelf als slachtoffer betrok­­­ken is, mogen hoge eisen aan de objectiviteit van het onderzoek worden gesteld. OM niet ontvankelijk vanwege onvoldoende onderzoek).

-      Hof Amsterdam 17-07-19, ECLI:NL:GHAMS:2019:2457: Hof beveelt nader straf­rechtelijk onderzoek naar de gang van zaken bij de aanhouding verdachte en zijn overbrenging naar een cellencomplex daarna, inclusief onderzoek naar rol leidinggevenden/op­dracht­gevers.

[22].    Hof Amsterdam 29-10-08, LJN BG3792. Betrof zelfdoding tijdens vreemdelingen­bewaring.

[23].    Hof Amsterdam 16-02-07, LJN AZ8826. Zie voor het vervolg 20-06-08, LJN BD4915: bevel vervolging 2 politieambtenaren ter zake 255, 257 lid 2 en 307 Sr en vervolgens Rb Amsterdam 21-01-09, LJN BH0490 en BH0493 (vrijspraak). Zie voor die nauwkeurigheid en zorgvuldigheid ook hierna onder 'seponering aangifte/klacht belanghebbende'.

[24].    Hof Den Haag 17-11-16, ECLI:NL:GHDHA:2016:3418. Zie ook Rb Limburg 26-06-18, ECLI:NL:RBLIM:2018:5998 (gebruik dienstwapen, poging doodslag) en Rb Rotterdam 13-08-19, ECLI:NL:RBROT:2019:6624 (vuistslag in gezicht).

[25].    Zie v.w.b. de transactie T&C Sv, aant. 4c.

[26].    Hof Den Haag 04-08-15, ECLI:NL:GHDHA:2015:2177.

[27].    HR 21‑12‑04, LJN AR5092 en HR 11-12-12, LJN BY4828 (inzet politiehond en vuistslagen in gezicht) (met noot Schalken in NJ 2013/130). Zie voor inzet van een aanhoudingseenheid Rb Maastricht 13-04-07, LJN BA5553, Rb Den Haag 11-12-09, LJN BK6189 en Rb Haarlem 24-12-10, LJN BO9284.

[28].    Hof Amsterdam 19-03-09, NS 2009, 174 (buitensporig machtsvertoon en teveel geweld), Hof Arnhem 09-12-09, LJN BK5935 (zonder aanzien des persoons zijn alle aanwezigen aangehouden (zonder eerst gevorderd te zijn zich te verwijderen), geboeid afgevoerd en - soms langdurig - opgehouden voor verhoor), Hof Leeuwar­den 05-09-11, LJN BS8936 (disproportioneel geweld bij aanhouding) en Hof Am­ster­dam 19-04-12, LJN BY5970 (onder meer aanhouding met veel geweld van minderjarige van onbesproken gedrag op school ten overstaan van medeleer­lingen en leerkrachten). Zie zo nodig ook HR 18-01-11, LJN BO3374 (met noot Schalken in NJ 2011/141) (geen niet-ontvankelijkheid na klacht over onder­zoek door BVI in plaats van Rijksrecherche ter zake mishandeling op politiebureau).

[29].    HR, NJ 1999/135 met noot Naeyé. Zie ook Rb Breda 04-12-09, LJN BK5751: door ‘onduidelijk’ politiegeweld ivs onrechtmatig: onmiddellijke invrijheidstelling.

[30].    HR 07-02-06, LJN AU5756, zie bespreking meineed in het zakboek Sr.