ZAKBOEK STRAFVORDERING VOOR DE HULPOFFICIER 2020

Concept herschreven paragraaf 11.5

APV’s: inbrekerswerktuigen / hulpmiddelen winkeldiefstal

Versie 19-08-20

 

11.5     APV’s: inbrekerswerktuigen / hulpmiddelen winkeldiefstal

Volgens de meeste APV’s is het verboden om op een openbare plaats inbrekerswerktuigen bij zich te hebben.[1] Hierbij moet niet alleen gedacht worden aan inbrekerswerktuigen bestemd voor woningen maar ook bestemd voor bedrijven en auto’s. Zie bijv. art. 2.44 uit de Model APV van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) (door veel gemeenten overgenomen).

 

Art. 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen

1.   Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

2.   Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

 

Ook het bezit of vervoer van hulpmiddelen voor (winkel)diefstal kan verboden zijn. Als voorbeeld wederom de voornoemde Model APV (art. 2:44a).

 

Art. 2:44a Hulpmiddelen voor (winkel)diefstal

1.   Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken.

2.   Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.

 

Hierna worden de volgende onderwerpen besproken.

1.   Toezicht houden op naleving APV, inclusief dus toezicht op naleving van voornoemde strafbepalingen (verdenking strafbaar feit niet vereist).

2.   Dwangmiddelen toepassen bij verdenking strafbaar feit uit APV en/of bij verdenking van strafbare poging tot of strafbare voorbereiding van een misdrijf uit Sr.

3.   Verwerking in het pv.

Zie voor het onderscheid tussen opsporing en toezicht 11.1.

 

SUB 1: Toezicht houden op naleving APV

 

Toezichthouder

Volgens art. 5:11 Awb wordt onder een toezichthouder verstaan een persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

 

Zie voor een verdere bespreking van 'toezichthouders' 11.2 en zie voor een aanwijzing van toezichthouders bijv. art. 6.2 van voornoemde Model APV:[2]

1.   Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast: (…).

2.   Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.

 

Ook de algemeen opsporingsambtenaar (art. 141 Sv) en de buitengewoon opsporingsambtenaar (art. 142 Sv) kunnen dus aangewezen zijn als toezichthouder en deze toezichthouder beschikt dan niet alleen over de toezichthoudende bevoegdheden uit de Awb maar (omdat hij ook opsporingsambtenaar is) ook over opsporingsbevoegdheden. Een aanwijzing als toezichthouder conform voornoemd art. 6:2 moet uiteraard goed in het pv verwerkt worden (indien bij Besluit: kopie besluit toevoegen). Zie over de samenloop van toezicht en opsporing 11.3).


Art. 3 Politiewet 2012

Art. 3 van de Politiewet 2012 kan niet worden gezien als een aanwijzing tot toezichthouder.[3]


Toezichthoudende bevoegdheden uit de Awb

Een toezichthouder beschikt dus over de toezichthoudende bevoegdheden uit de Awb (tenzij uitgesloten), zie uitgebreid 11.2.

 

Gebruik toezichthoudende bevoegdheden Awb niet uitsluitend voor opsporing/vervolging!

Op basis van art. 1:6 Awb zijn de hoofdstukken 2 t/m 8 en 10 Awb niet van toepassing op de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Art. 5:15 en 5:19 Awb (verwerkt in de Awb, hoofdstuk 5) bieden dus géén grondslag voor het betreden van plaatsen en het onderzoeken van voertuigen en hun lading, als die bevoegdheidsuitoefening in de concrete omstandigheden van het geval uitsluitend kan worden aangemerkt als opsporing in de zin van art. 132a Sv: onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de OvJ met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen[4] (inderdaad een heel ruime omschrijving!).

 

Bij controle op inbrekerswerktuigen lijkt de HR behoorlijk streng te zijn. Van belang zijn twee arresten van de HR,[5] waarbij de HR overwoog dat de gebruikte toezichthoudende bevoegdheden ex art. 5:15 en 5:19 Awb (stilhouden voertuig, betreden plaatsen en onderzoek voertuig/lading) ten onrechte waren toegepast omdat de toepassing, gelet op de concrete omstandigheden van het geval, uitsluitend kon worden aangemerkt als ‘opsporing’ in de zin van art. 132a Sv, en daarom in strijd was met art. 1.6 Awb (gebruik toezichthoudende bevoegdheden Awb niet uitsluitend voor opsporing/vervolging). Kort weergegeven betrof het de volgende zaken.

-      Controle van de auto had plaatsgevonden tijdens de algemene surveillance en verkeerscontrole vanwege de vele woninginbraken in een bepaald gebied. Nadat de auto met een stopteken tot stilstand was gebracht, bleek uit persoonscontroles dat de inzittenden als betrokkenen bij diverse verdachte situaties (waaronder woninginbraken of als verdachten ter zake van art. 310 en 311 Sr) stonden geregistreerd. Vervolgens werd zonder toestemming begonnen met de controle van de auto op aanwezigheid van inbrekerswerktuigen. Daarbij had een van de opsporingsambtenaren een aan de bijrijdersstoel gehangen schoudertas opzij gelegd en zag een uit deze tas gestoken punt van een grote schroevendraaier. Verdachte werd vervolgens aangehouden op verdenking van overtreding van art. 2:44 APV (inbrekerswerktuigen) en de auto werd op basis van art. 96b Sv doorzocht. Daarbij werden onder meer goederen aangetroffen die diezelfde avond bij een inbraak waren gestolen. Uit voornoem­de omstandigheden kon volgens de HR de aan de doorzoeking op basis van art. 96b Sv voorafgegane controle van het voertuig uitsluitend wor­den aangemerkt als opsporing als bedoeld in art. 132a Sv. Daarom mochten de  toezichthoudende bevoegdheden uit de Awb niet gebruikt worden (art. 1:6 Awb).[6]

-      De opsporingsambtenaren waren bekend met recente woninginbraken en hadden tijdens een briefing gehoord dat een op naam van verdachte gestelde auto meerdere keren was weggereden voor de politie en dat het eerder niet gelukt was om de verdachte staande te houden. Tijdens surveillance werd de auto gezien, stilgehouden en de identiteit van de bestuurder gecontroleerd. Vervolgens zag een van de opsporingsambtenaren door de achterruit van de auto inbrekerswerktuigen in die auto liggen. Hierop werd de verdachte aangehouden op verdenking van het vervoeren van inbrekerswerktuigen en is de auto op basis van art. 96b Sv doorzocht. Ook hier was de HR van mening dat de aan de doorzoeking voorafgegane controle (het doen stilhouden van de auto en het inzage vorderen in bescheiden) had plaatsgevonden in verband met eerdere woninginbraken en uitsluitend kon worden aangemerkt als opsporing als bedoeld in art. 132a Sv. Daarom mochten de toezichthoudende bevoegdheden uit de Awb niet gebruikt worden (art. 1:6 Awb).[7]

Conclusie: stilhouden voertuig en controle op inbrekerswerktuigen uitsluitend naar aanleiding van gepleegde inbraken zal door de rechter al snel gezien worden als opsporing.

 

Gelet op voorgaande is het dus beter het stilhouden (al dan niet door middel van een stopteken) van een voertuig niet uitsluitend te baseren op de Awb maar daarnaast op:

-      Art. 3 Politiewet 2012 (strafrechtelijke handhaving rechtsorde): naar redelijk inzicht in een verdachte situatie (verdenking strafbaar feit en/of een verdachte niet vereist). Zie hierover uitgebreid 3.34 (optreden op basis van art. 3 Politiewet 2012).

-      Art. 8 Politiewet 2012:          een ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in art. 1 Wid van personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak. Zie hierover uitgebreid 3.30 (Wet op de identificatieplicht).

-      Art. 160 WVW 1994 (controle rijbewijs/kentekenbewijs en/of overige bij of krachtens de WVW 1994 vastgestelde voorschriften).

Het eventueel openen van bijv. de achterklep of het dashboardkastje kan onder omstandigheden worden gebaseerd op de Awb, mits dit dus niet uitsluitend voor opsporing is. De gehele gang van zaken uiteraard tijdig, juist en volledig in het pv verwerken. Uit het pv zal in geval van de Awb moeten blijken dat het niet (in ieder geval niet uitsluitend) om opsporing van gepleegde strafbare feiten ging, maar ook om toezicht op de naleving van de APV (inbrekerswerktuigen). Het feit dat er inbraken zijn gepleegd kan één van de omstandigheden zijn waarom tot controle werd overgegaan maar mag niet de enige reden zijn want dan gaat het uitsluitend om opsporing. Zie voor andere omstandigheden dan gepleegde inbraken die reden kunnen zijn om over te gaan tot controle van een voertuig en lading het einde van deze paragraaf. Het wachten is verder op  jurisprudentie van de HR die mogelijk meer duidelijkheid op dit gebied gaat geven. Niet voldoen aan een verzoek tot stilhouden / een stopteken is uiteraard niet strafbaar als het verzoek of het stopteken slechts gebaseerd is op art. 3 Politiewet.

 

Algemene eis aan gebruik bevoegdheden Awb (art. 5:13 Awb)

Een toezichthouder maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. Dat geldt dus ook voor de hierna te bespreken artikelen 5:18 en 5:19 Awb.

 

Onderzoek zaken (art. 5:18 Awb)

Zie voor het onderzoek van zaken (ook bijv. een door een persoon gedragen / mee­gevoerde rugzak) de bespreking van art. 5:18 Awb in 11.2.

 

Onderzoek lading (art. 5:19 Awb)

Zie allereerst voorgaande bespreking onder ‘gebruik toezichthoudende bevoegdheden Awb niet voor opsporing/vervolging’. Zie voor het onderzoek van vervoermiddelen en/of de lading art. 5:19 in 11.2. Let op dat dit onderzoek géén bevoegdheid geeft tot doorzoeking en ook géén bevoegdheid om ieder voertuig naar willekeur te onderzoeken op lading (bijv. inbrekerswerk­tui­gen). Volgens art. 5:19 lid 2 Awb is de toezichthouder namelijk pas bevoegd een vervoermiddel op lading te onderzoeken als er naar zijn redelijk oordeel zaken met dat vervoermiddel worden vervoerd met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft. Zie voor omstandigheden die tot het aannemen van dat ‘redelijk oordeel’ kunnen leiden hierna onder sub 3: verwerking in het pv. Het doel van het onderzoek kan meebrengen dat bijv. een dashboardkastje, bagageruimte en/of een andere bergplaats in het vervoermiddel geopend wordt, mits uiteraard vermoed wordt dat zich daarin zaken bevinden die voor het onderzoek van belang zouden kunnen zijn, zie de bespreking van art. 5:19 Awb in 11.2.

 

Optreden en stopteken op basis art. 3 Politiewet 2012

Een verzoek tot stilhouden (al dan niet door middel van een stopteken) aan de bestuurder van een voertuig zonder dat daarbij sprake is van verdenking van een strafbaar feit en/of een verdachte, kan naar redelijk inzicht op art. 3 Politiewet 2012 gebaseerd worden. Let op: uiteraard wél de feiten/omstandig­heden waarom het voertuig werd stilgehouden tijdig, juist en volledig in het pv verwerken. Zie verder 3.34 onder 'voorbeelden politieoptreden op basis van art. 3 Politiewet 2012’ voor voorbeelden passend bij de hier omschreven problematiek.

 

SUB 2: Dwangmiddelen toepassen bij verdenking strafbaar feit uit APV en/of bij verdenking van strafbare poging tot of voorbereiding van een misdrijf uit Sr

 

Doorzoeking vervoermiddel op basis overtreding APV / misdrijf uit Sr

Bij ontdekking op heterdaad van één van voornoemde overtredingen uit de APV (inbrekerswerktuigen en/of hulpmiddelen voor winkeldiefstal) waarbij de verdachte gebruik maakt van een voertuig, is de opsporingsambtenaar ingevolge art. 96b Sv bevoegd ter ibn dat voertuig (met uitzondering van het woongedeelte zonder toestemming van de bewoner) op mogelijk meer inbrekerswerktuigen en/of hulpmiddelen voor winkeldiefstal te doorzoeken. Mocht de opsporingsambtenaar daarbij voorwerpen aantreffen die een redelijk vermoeden van een ander strafbaar feit opleveren (Opiumwet, WWM, Sr), dan mag hij ook andere hem toekomende bevoegdheden uitoefenen die nodig zijn voor de onverwacht aangetroffen situatie (bijv. verdere doorzoeking van het voertuig, ibn van drugs, vuurwapens, kennelijk gestolen voorwerpen, enz.) (voortgezette toepassing van bevoegdheden, zie 11.4).

Let op: bij ontdekking van een overtreding uit de APV moet een eventuele doorzoeking van het voertuig wel echt nodig zijn voor de geconstateerde overtreding: uitsluitend als er een redelijk vermoeden bestaat dat zich in het voertuig nog meer voorwerpen bevinden om ‘in te breken’ of om diefstal uit een winkel te plegen (of reeds gestolen voorwerpen), kan doorzoeking van dat voertuig plaatsvinden. In het pv zal vermeld moeten worden op basis van welke feiten of omstandigheden de opsporingsambtenaar tot dat vermoeden is gekomen (waarbij opleiding, ervaring en plaatselijke/ambtshalve bekendheid een rol kunnen spelen, zie 2.3). Denk bijv. bij ‘inbrekerswerktuigen’ aan de punten genoemd hierna onder sub 3: verwerking in het pv.    

Inbraak, poging tot inbraak of strafbare voorbereiding van een misdrijf (gekwalificeerde diefstal / diefstal door middel van geweld / afpersing)
Een combinatie van de hierna onder sub 3 genoemde feiten/omstandigheden kan uiteraard ook snel een redelijk vermoeden van inbraak of poging tot inbraak opleveren. En in uitzonderlijke gevallen zelfs een redelijk vermoeden van strafbare voorbereiding van bepaalde vormen van gekwalificeerde diefstal.

 

Art. 46 Sr (strafbare voorbereiding)

1.   Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving (MH: zie 4.7) een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft.

2.   t/m 5 (…).

 

Achtjaarsmisdrijf

-      Bijv. de gekwalificeerde diefstal van art. 311 lid 2 Sr, te weten: diefstal in een woning of op een besloten erf waarop een woning staat,[8] door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt mits:

a.   door twee of meer verenigde personen en/of

b.   waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking of inklimming, van valse sleutels, van een valse order, het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels.

-      Te denken valt uiteraard ook aan diefstal door middel van geweld (bijv. bij het aantreffen van een wapen, tie-rips, ducttape, enz. mits gekoppeld aan andere feiten/omstandigheden).


Art. 311 Sr (gekwalificeerde diefstal)

1.   Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft:

1°.   (…);

2°.   (…);

3°.   diefstal in een woning of op een besloten erf waarop een woning staat,  door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt;

4°.   diefstal door twee of meer verenigde personen;

5°.   diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking of inklimming, van valse sleutels, van een valse order of het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels;

6°.   (…).

2.   Indien de onder 3° omschreven diefstal vergezeld gaat van een der in onder 4° en 5° vermelde omstandigheden, wordt gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd.


Art. 312 lid 1 Sr (diefstal met geweld)

1.   Met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

 

Voorbeeld strafbare voorbereiding woninginbraak

‘Op de late avond van 29 mei 2016 omstreeks 23.26 uur komt er bij de politie een melding binnen inhoudende dat er twee manspersonen rondjes in de buurt van [naam straat] te Lelystad fietsen die veel aandacht lijken te hebben voor de huizen aldaar. Verbalisanten (…) gaan ter plaatse. Onderweg ontvangen de verbalisanten een signalement van voornoemde personen. Ter plaatse gearriveerd vernemen de verbalisanten van collega’s dat er aan het begin van de steeg aan de achterzijde van de woningen aan [naam straat] twee fietsen staan en het aan het einde van de steeg alleen mogelijk is om linksaf te slaan. Verbalisanten (…) zien vervolgens dat er twee personen uit de voortuin van het hoekpand behorend bij [adres] komen, die voldoen aan het eerder aan hen doorgegeven signalement. Niet veel later zien zij dat deze personen op hun hurken gaan zitten op de stoep van de voortuin van [adres], waarbij zij zich naast dan wel achter de coniferen ophouden alsof zij niet gezien willen worden. Verdachte is een van de twee mannen die wordt aangetroffen door de verbalisanten. In een fietstas van één van de fietsen die de mannen bij zich hadden wordt een breekijzer aangetroffen. Voorts wordt in de voortuin van het perceel behorend bij [adres] tussen de coniferen - alwaar verdachte en zijn medeverdachte zich gehurkt ophielden zoals hierboven weergegeven - een paar zwarte handschoenen, een aansteker en een paar in elkaar gevouwen handschoenen aangetroffen. Verdachte verklaart tegenover de politie dat hij samen met zijn collega (het Hof begrijpt: de medeverdachte) gewoon aan het wandelen was en hij alleen maar een sigaret wilde roken. De fiets die hij bij zich had, had hij gevonden en hetzelfde geldt voor de fiets van zijn medeverdachte. Omtrent het in de fietstas van een van de fietsen aangetroffen breekijzer verklaart verdachte dat hij deze bij zich had om zich zo nodig te kunnen verdedigen. Het Hof acht voornoemde door verdachte afgelegde verklaring in het licht van de bovenbeschreven bevindingen van de verbalisanten niet aannemelijk en hecht hieraan zodoende geen geloof’. Aldus medeplegen van voorbereidingshandelingen van diefstal (gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd[9]) in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning staat, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.[10]

 

Voorbeeld onvoldoende bewijs voorbereiding inbraak

Verdachte had een slotentrekker, een boormachine, torx-schroeven, sleutels, een priem, een schaar en ducttape voorhanden gedurende de nachtelijke uren. Dat is op zich onvoldoende om reeds daaruit het opzet van de verdachte op het plegen van voorbereidingshandelingen voor het begaan van het misdrijf diefstal door middel van braak en/of verbreking af te leiden. Uit het dossier kwam onvoldoende concrete informatie naar voren over de reden waarom de verdachte voornoemde voorwerpen voorhanden had. Zonder enige informatie over de plannen van en/of de intentie van de verdachte (en eventuele mededaders) is het enkel voorhanden hebben van genoemde voorwerpen en een onaannemelijke verklaring hiervoor van de verdachte onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.[11]

 

Aanhouding, doorzoeking, ivs, vh, enz. enz.

Bij een overtreding (bijv. van de APV) of (poging tot) misdrijf, maar ook bij een verdenking van strafbare voorbereiding (zie voorgaande bespreking) kunnen dwangmiddelen uit Sv worden toegepast. Waaronder dus doorzoeking van een voertuig (art. 96b Sv) maar ook bijv. ibn en onderzoek van een rugzak en aanhouding en onderzoek aan kleding. Te denken valt voorts ook aan een voorgeleiding ter ibs en snelrecht, want in tegenstelling tot een overtreding uit de APV (bijv. voorhanden hebben van inbrekerswerktuigen) staat er op strafbare poging of voorbereiding wel vh (zie voorgaande bespreking en 4.7). Een vh-grond zal ook snel aanwezig zijn (zie 4.35). Bij een bewezenverklaring worden er ook stevige straffen uitgedeeld.

 

Let nog wel op dat er voor bewezenverklaring van een strafbare voorbereiding sprake moet zijn van

-      de voorbereiding van een bepaald misdrijf (bijv. woninginbraak of diefstal door middel van geweld) maar ook

-      dat de in art. 46 Sr genoemde voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd moeten zijn tot het begaan van dat bepaalde (beoogde) misdrijf.

Niet makkelijk en van groot belang dus voor het opsporingsonderzoek! Zie voor een omvangrijke bespreking het zakboek Sr 3.3!

SUB 3: verwerking in het pv

 

En dan misschien nog het belangrijkste: uiteraard de gang van zaken tijdig, juist en volledig verwerken in het pv (onder vermelding van redenen van wetenschap), anders gaat het zeker niet lukken!

 

Als het gaat om de toepassing van toezichthoudende bevoegdheden op basis van de Awb moeten de volgende punten in het pv verwerkt worden.

1.   De aanwijzing als toezichthouder (vindplaats aanwijzing en indien van toepassing een kopie van het besluit tot aanwijzing).

2.   Waarom het optreden van de toezichthouder 'redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig' was (art. 5:13 Awb: vereist voor ieder optreden van de toezichthouder).

3.   Waarom de toezichthouder ‘redelijk van oordeel’ was dat met het vervoermiddel zaken werden vervoerd met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak had (en dus het voertuig op zijn lading mocht onderzoeken) (art. 5:19 lid 2 Awb: onderzoek vervoermiddel op lading, bijv. inbrekerswerktuigen).

 

Als het gaat om de toepassing van een dwangmiddel op basis van Sv moeten uiteraard de feiten/omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het toepassen van dat dwangmiddel in het pv verwerkt worden.

 

Zowel v.w.b. toezichthoudende bevoegdheden als dwangmiddelen valt daarbij te denken aan de volgende feiten/omstandigheden.

-      Is de wijk waar betrokkene(n) wordt/worden aangetroffen een wijk waar veel wordt ingebroken op of rond het tijdstip waarop betrokkene(n) werd(en) aangetroffen (woningen/bedrijfspan­den/(vracht)­auto’s)?

-      Wat is er bekend over auto betrokkene(n)?

-      Is de tenaamgestelde van het voertuig eerder verdacht geweest van of veroordeeld voor woninginbraken?

-      Staat de tenaamgestelde van het voertuig niet in de buurt van aantreffen ingeschreven (maar bijv. ver verwijderd)?

-      Overige ambtshalve informatie over tenaamgestelde?

-      Wie zitten er allemaal in de auto?

-      Waar is/zijn betrokkene(n) aangetroffen (eventueel foto’s bijvoegen)?

-      Tijdstip aantreffen betrokkene(n)?

-      Gedrag van betrokkene(n) (rondrijden/lopen, belangstelling voor woning, over schutting kijken, in tuin lopen, door poortjes lopen, schrikken bij zien politie, enz. enz.)?

-      Ambtshalve bekende betrokkene(n), zo ja waarvan, waarvoor en hoe actueel?

-      Wat had(den) betrokkene(n) (direct zichtbaar?) aan inbrekersgereedschap bij zich (schroevendraaiers, breekijzers, bivakmutsen, handschoenen, beitels, flippers, boortjes, boorapparatuur, tassen, lakens, valse sleutels, draai-, lift- en trekmechanismen, enz.)?

-      Verklaring betrokkene(n) over voorgaande punten?

-      Enz.

 

En tot slot nogmaals: geen toezichthoudende bevoegdheden uit de Awb gebruiken als dat plaats vindt uitsluitend voor opsporing van strafbare feiten (zie voorgaande bespreking onder ‘gebruik toezichthoudende bevoegdheden Awb niet voor opsporing/vervolging’). Vraag je dus af of de aanleiding om te controleren alleen de gepleegde woninginbraken waren (het is dan al snel uitsluitend opsporing) of dat het ook ging om te controleren of iemand inbrekerswerktuigen bij zich had. Als dat laatste het geval is: vermeld dat expliciet in het pv.

 

---------------------------------



[1].     Voor de diepgravers: zie voor de toelaatbaarheid hiervan HR, NJ 1978/483 en HR, NJ 1989/687.

[2].     Ook in een apart Besluit kunnen toezichthouders aangewezen worden.

[3].     T&C Awb, art. 5:11 Awb, aant. 3 (onder verwijzing naar Kamerstukken).

[4].     HR 03-04-18, ECLI:NL:HR:2018:487 (met noot Kooijmans in NJ 2018/296).

[5].     Resp. HR 03-04-18, ECLI:NL:HR:2018:487 (met noot Kooijmans in NJ 2018/296) en HR 30-06-20, ECLI:NL:HR:2020:1155.

[6].     HR 03-04-18, ECLI:NL:HR:2018:487 (met noot Kooijmans in NJ 2018/296).

[7].     HR 30-06-20, ECLI:NL:HR:2020:1155.

[8].     Door wetswijziging is het bestanddeel 'voor nachtrust bestemde tijd' per 01-01-20 vervallen, zie het zakboek Sr.  

[9].     Dit bestanddeel wordt sinds 01-01-20 niet meer vereist.

[10].    Hof Arnhem-Leeuwarden 04-05-17, ECLI:NL:GHARL:2017:3837.

[11].    Hof Amsterdam 28-12-17, ECLI:NL:GHAMS:2017:5654. Zie voor andere voorbeelden Hof Amsterdam 20-03-15, ECLI:NL:GHAMS:2015:1140 (‘poging’ diefstal met inklimming: geen begin van uitvoering wel voorbereidingshandelingen) en Hof Den Haag 26-08-14, ECLI:NL:GHDHA:2014:2835 (voorbereiding van een door hem en zijn medeverdachte tijdens de nachtelijke uren te plegen woninginbraak).