WWW.ZAKBOEKENPOLITIE.COM
ACTUALITEITEN NA AFRONDING PAPIEREN EDITIES SV EN SR 2026
Versie 27 oktober
2026
- De actualiteiten worden (met enige vertraging) ook
verwerkt in de digitale edities van de zakboeken op www.inview.nl (voorheen Navigator): online
informatieportal van WoltersKluwer voor juridische, fiscale, financiële en
overheidsprofessionals, vrij bereikbaar voor o.m. politie en rechterlijke
macht.
- Zie voor verkrijgbaarheid van de zakboeken WoltersKluwerShop:
zakboeken politie.
ZAKBOEK
STRAFVORDERING VOOR DE HULPOVJ
Wet- en regelgeving
-
Vervallen:
Aanwijzing opsporingsbevoegdheden,
met uitzondering van de paragrafen 2.7 t/m 2.9 (stelselmatige
informatie-inwinning door een burger, (burger)pseudokoop en -dienstverlening en
politiële- en burgerinfiltratie (Stcrt. 2026, 15250)).
9.2 Aanwijzing
advisering door de Centrale toetsingscommissie (Stcrt. 2026, 15250).
9.18 Vorderen gegevens: Europees verstrekkings-
en bewaringsbevel. Zie per 18 augustus 2026 de Verordening (eu) 2023/1543 betreffende het
Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel voor elektronisch bewijsmateriaal
in strafzaken en de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen als gevolg van een
strafprocedure. Terug te vinden op internet.
Jurisprudentie
2.3 Feit
van algemene bekendheid. ‘Dat
het delen van gegevens in een online omgeving het risico met zich brengt dat
informatie gedurende lange tijd beschikbaar blijft of zelfs nooit wordt
verwijderd’. Hof ‘s-Hertogenbosch 06-06-25, ECLI:NL:GHSHE:2025:3792.
2.6 Kosteloze
rechtsbijstand aan niet-aangehouden verdachte. Uit het samenstel van bepalingen uit Sv, de Wet op de
rechtsbijstand en de Regeling adviestoevoeging zelfredzaamheid (Ratz) volgt dat
niet-aangehouden verdachten voorafgaand aan en tijdens het verhoor geen recht
op kosteloze bijstand van een raadsman hebben. Wel biedt de Ratz aan de Raad
voor Rechtsbijstand de mogelijkheid om op aanvraag een adviestoevoeging
zelfredzaamheid af te geven voor het verlenen van kosteloze consultatie- en
verhoorbijstand door een raadsman aan een niet-aangehouden verdachte. De
verplichtingen op grond van Sv om de niet-aangehouden verdachte mededeling te
doen van het recht op rechtsbijstand, omvat niet de verplichting om die
verdachte te informeren over de eventuele mogelijkheden van voornoemde
kosteloze rechtsbijstand. ‘Het voorgaande neemt niet weg dat (…) als de politie
bij het uitnodigen van een verdachte voor verhoor de verdachte attent maakt op
de mogelijkheid - als aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan - van
kosteloze consultatie- en verhoorbijstand op grond van de Ratz, bijv. door de
mogelijkheid om (tijdig) een hiertoe strekkende aanvraag in te dienen bij de
Raad voor Rechtsbijstand te benoemen in de uitnodigingsbrief en in de brochure
over de rechten van de verdachte’. HR 23-06-26, ECLI:NL:HR:2026:996.
2.15 Jeugdige
verdachten: termijn voorgeleiding bij rechter. Bij de beantwoording van de vraag of voldaan is aan
het in art. 5 EVRM en art. 37 IVRK opgenomen vereiste van onverwijlde
voorgeleiding voor een rechter, is de omstandigheid dat de aangehoudene of
gedetineerde ten tijde van de arrestatie minderjarig was van groot belang.
E.e.a. brengt in het algemeen niet mee dat voor minderjarigen een kortere
termijn voor voorgeleiding bij de RC geldt. Dat de zinsnede ‘uiterlijk binnen
drie dagen en achttien uur’ in art. 59a lid 1 Sv moet worden uitgelegd als
‘binnen 24 uur’ is dus in zijn algemeenheid onjuist. HR 17-04-26, ECLI:NL:HR:2026:679 (met noot
Jörg in NJ 2026/264).
3.23 Herhaalde
toepassing dwangmiddel.
‘Verdachte was ter zake bedreiging, vernielingen en diefstal telkens op
heterdaad aangehouden en kort na zijn aanhouding door de (hulp)OvJ
heengezonden. Verdachte mocht er in beginsel op vertrouwen dat hij voor deze
feiten niet in vh zou worden gesteld en zijn berechting in vrijheid mocht
afwachten. Herhaalde toepassing van dwangmiddelen voor eenzelfde feit is
slechts mogelijk wanneer sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die
deze herhaalde toepassing rechtvaardigen (…). Sinds zijn invrijheidsstelling is
ten aanzien van verdachte de verdenking gerezen dat hij zich, binnen een
tijdsbestek van minder dan een maand na het laatste feit waarvoor hij was
heengezonden, opnieuw aan een soortgelijk strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Daar zijn binnen een tijdsbestek van minder dan drie weken nog eens de
verdenking van vier andere (gelijksoortige) strafbare feiten bijgekomen. Onder
deze nieuwe feiten en omstandigheden is het mogelijk ook voor de feiten
waarvoor verdachte eerder was aangehouden en heengezonden, alsnog de ibs en
daaropvolgend de gevangenhouding te vorderen’. Hof ‘s-Hertogenbosch 09-03-26,
ECLI:NL:GHSHE:2025:3431.
3.27 Confrontatie/herkenning. In het Besluit toepassing maatregelen in
het belang van het onderzoek zijn een aantal basisnormen neergelegd. Deze
basisnormen beogen de betrouwbaarheid van de bewijsgaring te waarborgen en
worden ook toegepast op fotobewijsconfrontaties voor zover het bij die
toepassing gaat om een toetsing van de betrouwbaarheid van het resultaat. ‘Op
dit punt valt namelijk niet goed in te zien waarom onderscheid zou moeten
worden gemaakt tussen een confrontatie waarvan de verdachte in persoon
onderdeel is en een fotobewijsconfrontatie. Ditzelfde geldt voor toepassing van
de Handleiding confrontatie (…) en de in de bijlagen van die Handleiding
opgenomen Richtlijnen meervoudige fotobewijsconfrontatie’. Besluit en
Handleiding kunnen als referentiekader dienen bij de beoordeling van de
betrouwbaarheid van herkenningen die door middel van een fotobewijsconfrontatie
tot stand zijn gekomen. Hof Amsterdam 12-02-26, ECLI:NL:GHAMS:2026:521.
3.35 Voorbeelden
politieoptreden op basis van art. 3 Politiewet 2012. Ook het oplossen van noodsituaties waarin dieren zich
bevinden. Binnentreden woning aldus niet onrechtmatig. Hof Amsterdam 25-02-26,
ECLI:NL:GHAMS:2026:434.
3.40 Televisieprogramma
deelt info met politie. Het is
‘bepaald niet ongebruikelijk en ook niet onrechtmatig dat een
televisieprogramma zoals [naam tv-programma] - een programma dat erom bekend
staat zich publiekelijk in te zetten voor de strijd tegen (online) oplichting -
informatie deelt met de politie. Het louter delen van zulke informatie met
politie maakt niet dat hierdoor voor wat betreft de inhoud van deze informatie
sprake is van een handelen waarop opsporingsambtenaren of ambtenaren van het OM
enige invloed hebben gehad. Voor zover sprake was van een door het programma
[naam tv-programma] in gang gezette pseudokoop door een burger of een poging
daartoe maakt dit dat oordeel niet anders’. Hof ‘s-Hertogenbosch 20-08-25,
ECLI:NL:GHSHE:2025:2274.
3.56 Beperking
betogingsrecht via APV. De
grondwetgever heeft er uitdrukkelijk voor gekozen dat het recht op betoging
alleen door lagere overheden kan worden beperkt via een specifieke
wetsbepaling. De APV mocht dus niet het betogingsrecht als bedoeld in art. 9
Grondwet beperken. HR 24-03-26, ECLI:NL:HR:2026:483 (ontslag van
rechtsvervolging).
4.18 Schadevergoeding
ivs vanwege onrechtmatige overheidsdaad.
‘Een gewezen verdachte kan bij de burgerlijke rechter op grond van
onrechtmatige overheidsdaad vergoeding vorderen van schade die hij heeft
geleden als gevolg van strafrechtelijk optreden van politie en justitie. Eén
van de (…) gronden om aan te nemen dat sprake is van onrechtmatig
strafrechtelijk optreden, is dat van de aanvang af een rechtvaardiging voor dat
optreden heeft ontbroken doordat dit optreden in strijd was met een publiekrechtelijke
rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht. In een
dergelijke procedure moet de burgerlijke rechter (…) met terughoudendheid de
afweging toetsen die de (hulp)OvJ heeft gemaakt bij het uitvaardigen van een
bevel tot ivs. De burgerlijke rechter kan slechts ingrijpen indien de keuzes
die de (hulp)OvJ heeft gemaakt, in redelijkheid niet navolgbaar zijn. De vraag
of voor het bevel tot ivs een toereikende publiekrechtelijke grondslag bestond,
moet de burgerlijke rechter beoordelen naar het tijdstip waarop dat bevel
gegeven wordt’. HR 17-04-26, ECLI:NL:HR:2026:679 (met noot Jörg in NJ 2026/264).
6.6 Verbeurdverklaring
(art. 33a Sr). ‘Voor
verbeurdverklaring op de grond dat het voorwerp geheel of grotendeels ‘door
middel van of uit de baten van’ het strafbare feit is verkregen, is (…) niet
vereist dat ook kan worden vastgesteld dat dit voorwerp een
vermogensvermeerdering als gevolg van het strafbare feit belichaamt. Het
volstaat dat kan worden vastgesteld dat de veroordeelde als gevolg van het
strafbare feit de beschikking heeft gekregen over het betreffende voorwerp’. HR
10-02-26, ECLI:NL:HR:2026:192.
6.7 Afzonderlijke
bestanden/gegevens op een gegevensdrager. ‘Als een inbeslaggenomen gegevensdrager één of meer bestanden bevat
waarop (bijv.) kinderporno of dierenporno is afgebeeld, kan dat leiden tot de
onttrekking aan het verkeer van die gegevensdrager op de grond dat het
ongecontroleerde bezit van de gegevensdrager als zodanig in strijd is met de
wet en het algemeen belang’. Afzonderlijke bestanden/gegevens op een gegevensdrager
zijn niet te beschouwen als afzonderlijke voorwerpen als bedoeld in art. 36b
Sr. HR 03-02-26, ECLI:NL:HR:2026:113.
6.18 Toepassingsbereik
art. 36e Sr, goed is voorwerp misdrijf: ontnemen? De enkele omstandigheid dat een goed, zoals een
geldbedrag, voorwerp is van het bewezenverklaarde misdrijf witwassen, brengt
niet met zich mee dat alleen al daarom dat goed wederrechtelijk verkregen
voordeel vormt dat op grond van art. 36e lid 2 Sr kan worden ontnomen. HR
10-02-26, ECLI:NL:HR:2026:192.
6.18 Toepassingsbereik
art. 36e Sr: hoofdelijke
aansprakelijkheid (art.
36e lid 7 Sr)
-
Zal
zich naar verwachting slechts in een beperkt aantal gevallen voordoen.
-
Als
twee of meer daders van een strafbaar feit daarvan hebben geprofiteerd, maar er
geen indicatie is voor de verdeling van de opbrengst, ligt pondspondsgewijze
toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de hand.
-
In de
gevallen dat niet kan worden vastgesteld met hoeveel mededaders het strafbare
feit is gepleegd, kan op basis van de omstandigheden van het geval het daardoor
verkregen voordeel ook voor een naar redelijkheid te bepalen gedeelte aan de
betrokkene worden toegerekend.
-
Indien
er duidelijke aanwijzingen zijn dat twee of meer (bekende of onbekende) daders
gezamenlijk de beschikking hebben of hebben gehad over de gehele opbrengst van
het strafbare feit en de betrokkene als een van die daders geen, dat vermoeden
ontzenuwende, gegevens daarover verschaft, kan de rechter het wederrechtelijk
verkregen voordeel als gemeenschappelijk voordeel voor het geheel aan de
betrokkene toerekenen.
HR 01-09-26, ECLI:NL:HR:2026:1405.
6.20 Toerekening wederrechtelijk voordeel. Daarvoor ‘geldt niet de eis
dat de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden aan wettige
bewijsmiddelen moeten zijn ontleend. Voldoende is dat die feiten en
omstandigheden, zoals een bepaalde rolverdeling, uit het onderzoek op de
terechtzitting zijn gebleken’. HR
31-03-26, ECLI:NL:HR:2026:491.
6.28 Rekening houden
met geldboete bij ontneming (art. 36e lid 10). Onder art. 36e lid 10 Sr wordt ook begrepen een
geldboete die (deels) is opgelegd omdat met voldoening van de geldboete (een
deel van) wederrechtelijk verkregen voordeel aan betrokkene komt te ontvallen.
HR 13-02-26, ECLI:NL:HR:2026:179.
6.28 Toerekenen van
wederrechtelijk verkregen voordeel verkregen door een rechtspersoon. Daarvoor 'volstaat niet dat de betrokkene “materieel
de zeggenschap” had over die rechtspersonen en hij daardoor over het vermogen
van die rechtspersonen kon beschikken, omdat daaruit niet zonder meer kan
worden afgeleid of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene daarover in die mate
vrijelijk en te eigen bate heeft beschikt of heeft kunnen beschikken dat dit
wederrechtelijk verkregen voordeel als daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen
voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend'. HR 19-05-26,
ECLI:NL:HR:2026:691.
6.40 Betreden/toegang/doorzoeken/onderzoeken/doorgang. Openen deur oven geen doorzoeking, want op moment van openen had verbalisant door
glazen ovenruit al met het oog waargenomen wat hij in beslag wilde nemen. HR
17-03-26, ECLI:NL:HR:2026:442.
6.42 Kopiëren
inhoud digitale-gegevensdragers en geautomatiseerde werken (waaronder smartphones) kan vooralsnog plaatsvinden zonder
voorafgaande rechterlijke toetsing. HR 06-10-26, ECLI:NL:HR:2026:1615.
9.9 Inzet
criminele burgerinfiltrant (art. 126w Sv). Toegestaan, zie voor voorwaarden HR 10-02-26, ECLI:NL:HR:2026:178
(zéér omvangrijke toetsing, vormverzuimen zonder rechtsgevolgen).
9.18 Informatie
vragen op grond van art. 162 lid 2 Sv (aangifteplicht
openbare colleges en ambtenaren: desgevraagd inlichtingen verstrekken). De
OvJ en de door deze aangewezen hulpOvJ zijn op grond van art. 162 lid 2 Sv
bevoegd tot het inwinnen van inlichtingen over vermoedelijke begane strafbare
feiten. Opvragen van deze informatie kan plaatsvinden met een gericht verzoek
en hoeft niet bij uitsluiting plaats te vinden door aanwending van bevoegdheid
van art. 126nd Sv. HR 13-02-26, ECLI:NL:HR:2026:233.
10.4 Klachttermijn
(art. 66 Sr en 316 lid 3 Sr). Bij het bepalen van het aanvangsmoment van de termijn
waarbinnen de klachtgerechtigde een klacht moet indienen, dient gekeken te
worden naar het moment dat de belaging tot een einde is gekomen, ook wanneer
een kortere periode bewezen is verklaard dan in de aangiftes is vermeld. Hof ‘s-Hertogenbosch 27-01-26,
ECLI:NL:GHSHE:2026:222.
11.2 Bestuurlijke
bevoegdheidsuitoefening in samenwerking met o.m. politie. In de concrete omstandigheden van het geval niet in
strijd met art. 1:6 Awb (toezichthoudende bevoegdheden uit de Awb mogen niet
gebruikt worden voor opsporing en vervolging van strafbare feiten). ‘Daaraan
doet niet af dat de controle heeft plaatsgevonden in het kader van een
“integrale controle”, waarbij door verschillende overheidsdiensten met (onder
meer) de politie is samengewerkt’. HR
07-07-26, ECLI:NL:HR:2026:1146.
11.7 WVW
(en andere wetgeving). Niet
vereist is dat het woord vorderen letterlijk gebruikt wordt. ‘Waar het om gaat,
is of uit de bewoordingen en de context waarin deze zijn geuit de verdachte
heeft moeten begrijpen dat hij verplicht was zijn medewerking te verlenen (…).
Duidelijk moet zijn dat er geen vrijblijvend verzoek tot medewerking wordt
gedaan, maar dat een dwingende opdracht wordt gegeven die niet zonder
consequenties kan worden geweigerd’. Conclusie PG, ECLI:NL:PHR:2026:102 (in
stand gelaten door HR 07-04-26, ECLI:NL:HR:2026:560).
11.7 Beroep op bijzondere geneeskundige reden (art. 163, lid 3 WVW 1994). ‘Een beroep op een bijzondere geneeskundige reden kan
slechts met vrucht worden gedaan indien de verdachte die mening op duidelijke
en ondubbelzinnige wijze kenbaar maakt aan degene die hem beveelt zich aan een
ademonderzoek te onderwerpen. Indien de verdachte zich voor zijn weigering op
geneeskundige redenen beroept, zal de opsporingsambtenaar een arts moeten
inschakelen, tenzij het beroep hem aanstonds ongerechtvaardigd voorkomt’. Hof 's-Hertogenbosch 07-07-25, ECLI:NL:GHSHE:2025:1924.
11.20 KMar bevoegd
tot kledingonderzoek op Schiphol, ook op plek bestemd voor direct
ophalen/afzetten passagiers. HR
01-09-26, ECLI:NL:HR:2026:1376.
Herschreven
paragrafen:
6.17 t/m 6.28 (ontneming).
ZAKBOEK STRAFRECHT VOOR DE HULPOVJ
Wet- en regelgeving
15.3 e.v. Wetvoorstel modernisering
en
uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel. Wijziging van Sr (…) en andere wetten i.v.m. de
modernisering van de strafbaarstelling van mensenhandel en de introductie van
de zelfstandige strafbaarstelling van ernstige benadeling en van
voordeeltrekking. Stb. 2026, 312, datum
inwerkingtreding nog onbekend.
28.18 Vuurwerkverbod
(Wet veilige jaarwisseling)
Jurisprudentie
2.7 Voorwaardelijk opzet gericht op zware mishandeling: vuistslag op kaak n.a.v. verkeersruzie waarna aangever
hard op grond viel. Aangever
bewusteloos naar ziekenhuis vervoerd, langere tijd in coma gelegen en breuken
in zijn gezicht en ernstig hersenletsel opgelopen. ‘De vuistslag die verdachte -
die volgens eigen zeggen met 94 kg een stuk zwaarder was dan de aangever -
heeft gegeven is heel hard geweest. Dat volgt onder meer uit de verklaringen
van getuigen die de indruk hadden dat verdachte aan vechtsport deed. Ook dat
aangever direct na en kennelijk door de klap op de grond is gevallen, draagt
bij aan de conclusie dat de vuistslag tegen het hoofd hard is geweest. Dat
verdachte aangever met zijn vuist hard tegen het hoofd heeft geslagen, een zeer
kwetsbaar lichaamsdeel, maakt dat de gedragingen van verdachte gelet op de
uiterlijke verschijningsvorm niet anders kunnen worden aangemerkt dan als
aanvaarding van de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel’. Hof
Amsterdam 15-12-25, ECLI:NL:GHAMS:2025:3687 (citaat uit NJFS 2026/82).
2.7 Voorwaardelijk
opzet gericht op de dood. Vastgesteld
was dat verdachte wist dat het vuurwapen een echt wapen was dat functioneerde
en dat geladen was met scherpe patronen, dat het vuurwapen schietklaar was en
dat verdachte, nadat hij met gestrekte arm het wapen had gericht op het
slachtoffer, de trekker heeft overgehaald. De gedragingen van de verdachte waren
aldus naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het fatale gevolg
dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat
gevolg bewust heeft aanvaard, en dat de verdachte daarom handelde met het
(voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer, ook als dat overhalen
van de trekker gebeurde in het kader van een grap en de verdachte eerder had
gehoord (en er daarom ‘van uitging’) dat het wapen op een ‘veiligheidspal’
stond. Daarbij is van belang dat ‘verdachte wist dat het ging om een gevaarlijk
voorwerp in de vorm van een geladen vuurwapen en dat hij - door niet na te gaan
of het wapen op de veiligheidspal stond en ook geen andere “veiligheidschecks”
uit te voeren - ook wist dat niet was uitgesloten dat het wapen zou kunnen
afgaan en dat hij daarmee de aanmerkelijke kans dat hij, door richtend op het
slachtoffer de trekker over te halen, het slachtoffer dodelijk zou raken,
bewust heeft aanvaard’. HR 21-04-26, ECLI:NL:HR:2026:689.
3.5 Poging
uitlokking moord door gedetineerde (art. 46a Sr). ‘Vereist dat gedragingen zijn verricht die kunnen
worden beschouwd als een begin van uitvoering van het bewegen van een ander
door een of meer van de in art. 47 lid 1, aanhef en onder 2°, Sr genoemde “uitlokkingsmiddelen”.
Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn
gericht op de voltooiing van dat bewegen. De vraag of sprake is van zulke
gedragingen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op een
beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels
kunnen daarvoor niet worden gegeven. Een belangrijke beoordelingsfactor is daarbij
hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van dat bewegen lagen,
bijv. in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht’. HR 25-08-26,
ECLI:NL:HR:2026:1355.
3.11 Uitlokken
(art. 47 Sr). ‘Een zekere bereidheid
in algemene zin tot het plegen van - mogelijk soortgelijke - strafbare feiten
bij degene die zou zijn uitgelokt, staat aan uitlokking niet in de weg, omdat
het er bij uitlokking om gaat dat de uitgelokte door de uitlokker met gebruikmaking
van één of meer uitlokkingsmiddelen wordt aangezet tot het plegen van een
specifiek strafbaar feit’. HR 09-02-16, ECLI:NL:HR:2016:223.
5.9 Verspreiding
discriminatie (art. 137e Sr): gipsen afgietsels van adelaar met in zijn klauwen
een hakenkruis / militair curiosum. Niet
uitgesloten is ‘dat bij het oordeel of sprake is van een voorwerp waarin de in
art. 137e lid 1 Sr bedoelde “uitlating” is vervat, wordt betrokken dat het gaat
om een voorwerp dat kan worden gezien als “militair curiosum”. Daarmee wordt
bedoeld: een oorspronkelijk (cursief MH) voorwerp dat binnen de context
van een bepaalde verzameling van historische voorwerpen een specifieke
betekenis heeft’. Niet dus nieuw vervaardigde, gipsafdrukken. HR 25-08-26, ECLI:NL:HR:2026:1360.
5.26 Openlijk
geweld (art. 141 Sr). Filmen van
geweld en opruiende uitlatingen doen die kleinerend zijn jegens slachtoffer vormde
een wezenlijke bijdrage aan de openlijke geweldpleging. Hof Amsterdam 28-04-26,
ECLI:NL:GHAMS:2026:1179.
6.9 Schijnen
met laserpen op politiehelikopter (art. 165 Sr). Er was weliswaar sprake van een aanmerkelijke kans op
het ontstaan van gevaar, maar uit de processtukken kon niet worden afgeleid dat
de verdachte de kans daarop ook bewust had aanvaard. De enkele wetenschap van
de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden is niet voldoende. Hof
Amsterdam 23-04-26, ECLI:NL:GHAMS:2026:1371.
7.8 Handeling
opsporingsambtenaar verijdelen (art. 184 Sr). Verdachte was staande gehouden en verteld dat hij zich in een
veiligheidsrisicogebied bevond. De verbalisant deelde een flyer uit en legde
uit dat de verdachte de flyer na de fouillering kon lezen. Aan de verdachte was
vervolgens medegedeeld dat de verbalisant over zou gaan tot zijn fouillering. ‘Op
dat moment was het voor de verdachte dus duidelijk dat de verbalisant hem zou
gaan fouilleren. De verdachte heeft er toen voor gekozen om weg te rennen, en
heeft dus bewust niet meegewerkt aan de fouillering’. Aldus heeft verdachte een
rechtmatige ambtshandeling verijdeld, te weten het fouilleren op grond van art.
126zs Sv. Hof Arnhem-Leeuwarden 04-09-26, ECLI:NL:GHARL:2026:5647.
7.14 Hulp aan
daders van misdrijven: voorwerp (art. 189 lid 1 onder 3). Ruim begrip, ook berichtenverkeer op smartphone. Hof
Den Haag 11-06-26, ECLI:NL:GHDHA:2026:1923.
9.6 Vals
reisdocument/identiteitsbewijs; identiteitsfraude (art. 231 Sr). ‘Een vluchteling mag niet worden vervolgd wegens het
onmiskenbaar in het kader van zijn vlucht in bezit hebben of aangewend hebben
van vervalste documenten zolang op de door de vreemdeling gedane eerste
asielaanvraag nog niet onherroepelijk afwijzend is beslist (art. 31
Vluchtelingenverdrag)’. Hof Den Haag 29-05-26, ECLI:NL:GHDHA:2026:1986.
11.7 Opzetaanranding
(art. 241 Sr nieuw)
-
‘Heeft betrekking
op situaties waarin de dader seksuele handelingen verricht met een ander en
daarbij opzettelijk de ontbrekende wil bij die ander negeert of voor lief
neemt. Daaronder vallen handelingen die bestaan uit een op een seksuele
beleving gerichte aanraking(en) van lichaamsdelen. Wanneer die onverhoeds
worden verricht, kan dat getuigen van het opzettelijk negeren van de ontbrekende
wil. In dat geval is de dader zich bewust van de aantasting van de seksuele
integriteit en wil hij de ander geen ruimte geven om zich hiertegen uit te
spreken’. Hof Den Haag 26-01-26, ECLI:NL:GHDHA:2026:110.
-
Likken aan pols
en arm kon in de gegeven context worden aangemerkt als seksuele handeling. ‘De
seksuele strekking van de gedraging volgt uit de door verdachte geuite seksueel
getinte bewoordingen. Het opzet van verdachte was er ook op gericht dat de
desbetreffende seksuele handeling plaatsvond terwijl bij de ander de wil
daartoe ontbrak. Dat de wil ontbrak bij aangeefster blijkt uit de door haar
geuite bewoordingen ten tijde van het likken door verdachte en de context
waarin de seksuele handeling plaatsvond, te weten gedurende het transport van
verdachte en gericht aan een opsporingsambtenaar’. Hof Arnhem-Leeuwarden 16-06-26, ECLI:NL:GHARL:2026:4088.
-
‘In de nieuwe
strafbaarstelling van art. 241 lid 1 Sr is (…) het gebruik van dwang, geweld of
bedreiging niet langer een voorwaarde voor strafbaarheid wegens
(opzet)aanranding. Op grond van art. 241 lid 2 Sr kan het feit worden
gekwalificeerd als “gekwalificeerde opzetaanranding” onder meer als sprake is
geweest van “dwang”. Daarmee is (…) voorzien in een rechtsopvolger van art. 246
(oud) Sr. Of sprake is van “dwang” in de zin van art. 241 lid 2 Sr, hangt af
van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. In de MvT komt naar
voren dat voor de strafverzwarende omstandigheid “dwang” ten opzichte van de
strafbaarstelling van art. 246 (oud) Sr “een wat lager bewijsvereiste” geldt,
waarbij het volstaat “dat zodanige pressie op een ander is uitgeoefend dat die
ander daardoor niet of in verminderde mate de mogelijkheid heeft gehad een
vrije keuze te maken”, waarbij pressie “een veelheid aan gedaanten” kan
aannemen en “kan worden uitgeoefend met gebruik van verschillende middelen”.
Daarbij wordt onder “dwang” onder meer begrepen het “overrompelen” van een
ander. In het licht van de (…) wetsgeschiedenis kan van “dwang” in de zin van art.
241 lid 2 Sr onder meer sprake zijn als de ontuchtige handelingen een
onverhoeds karakter hebben, waardoor het slachtoffer gedwongen is geweest die
handelingen te dulden. Dat (…) de rechter in een voorkomend geval bij zijn
oordeel of sprake is geweest van opzet in de zin van art. 241 lid 1 Sr het
onverhoedse karakter van de handeling in aanmerking kan nemen, doet er niet aan
af dat dit onverhoedse karakter eveneens met zich kan brengen dat sprake is van
“dwang” in de zin van art. 241 lid 2 Sr. Het maakt hierbij ook geen verschil
dat in art. 246 (oud) Sr “dwingen” een delictsbestanddeel vormt, terwijl in art.
241 Sr “dwang” betrekking heeft op de in het tweede lid opgenomen
strafverzwarende omstandigheid’. HR
14-07-26, ECLI:NL:HR:2026:1235.
11.9 Opzetverkrachting
(art. 243 Sr nieuw). ‘Verdachte
meende toestemming te hebben voor het verrichten van seksuele handelingen omdat
hij dat meerdere keren had gevraagd. Aangeefster verkeerde echter in een staat
van lichamelijke onmacht en kón daardoor geen toestemming geven. Door in deze
omstandigheden toch toestemming te vragen heeft verdachte op zijn minst bewust
de aanmerkelijke kans aanvaard dat de seksuele handelingen plaatsvonden terwijl
de wil daartoe bij aangeefster ontbrak’. Rb Noord-Nederland 30-12-25,
ECLI:NL:RBNNE:2025:5604.
11.19 Sexchatting /
seksueel corrumperen / grooming (art. 251 Sr nieuw). Het bestanddeel indringend vereist een zekere mate
van intensiteit. Verdachte heeft (terwijl hij op een bankje zat en bier dronk)
uitingen met een seksuele strekking naar aangeefster geroepen (‘kom bij mij
zitten, ik wil je kut likken, lieverd kom bij mij zitten’). Aangeefster fietste
op dat moment met haar vriendin langs het bankje. Verdachte was destijds 58
jaar, terwijl aangeefster 12 jaar oud was. Het gaat hier om een niet
leeftijdsconforme benadering. Uit de tekst van de bewoordingen wordt afgeleid
dat verdachte in eerste instantie een opdracht dan wel bevel geeft aan
aangeefster (‘kom bij mij zitten’). Deze opdracht wordt kort daarna nogmaals
herhaald. Tussen die opdrachten door uit verdachte een volstrekt ongepaste wens
van een volwassene naar de twaalfjarige aangeefster dat hij haar kut wil
likken. Het betreft een uiting van een volwassen man met een evident
leeftijdsverschil door met stemverheffing in het openbaar te roepen en die
aangeefster tevens tweemaal de opdracht geeft om naast hem te komen zitten. De
uitingen van verdachte aan aangeefster hebben aldus zonder meer het karakter
van een indringende seksuele benadering. Hof Arnhem-Leeuwarden 28-07-26, ECLI:NL:GHARL:2026:4884.
14.1 Schending van
ambts/beroepsgeheim (art. 272 Sr). ‘Informatie
die enig geheim bevat, betreft informatie die is bestemd om niet bekend te
worden, behalve voor zover deze door daartoe bevoegde personen bekend wordt
gemaakt (…). Bij de beoordeling of sprake is van geheime gegevens kan onder
meer betekenis toekomen aan de aard van de informatie, het moment waarop en de
hoedanigheid waarin de geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg en het
moment waarop de geheimhoudingsplichtige deze informatie aan een derde
verstrekte. Dat de betreffende informatie ook bij een andere instantie of op
andere manier dan wel op een later moment verkrijgbaar zou zijn geweest, staat
op zichzelf niet eraan in de weg dat sprake kan zijn van een “geheim” als
bedoeld in art. 272 Sr (…)’. HR 13-01-26, ECLI:NL:HR:2026:32.
14.1 Schending
beroepsgeheim door advocaat (art. 272 Sr). Verdachte had zich in zijn hoedanigheid van advocaat schuldig gemaakt
aan opzettelijk schenden van zijn beroepsgeheim door een onbevoegde derde mee
te laten luisteren met het verdachtenverhoor van zijn cliënt voor wie op dat
moment beperkingen van toepassing waren. Hof ’s-Hertogenbosch 15-04-26,
ECLI:NL:GHSHE:2026:995.
15.16 Bedreiging: schriftelijk en onder bepaalde
voorwaarde (art. 285 lid 2). De voorwaarde moet ertoe kunnen leiden ‘dat de
bedreigde (nader) wordt beperkt in zijn keuze- en handelingsvrijheid. Dit
betekent dat aan de bedreiging een zodanige voorwaarde wordt verbonden dat het
in voldoende mate binnen de invloedssfeer van de geadresseerde ligt of die
voorwaarde al dan niet wordt vervuld. Dit kan in het bijzonder aan de orde zijn
als de strekking van de voorwaarde is, dat de geadresseerde een bepaalde
gedraging moet verrichten of juist moet nalaten. Daarbij hoeft de voorwaarde
niet rechtstreeks betrekking te hebben op het gedrag van de geadresseerde’. Van
een voorwaarde ‘kan ook sprake zijn als de intreding van het door de bedreiger
beoogde resultaat niet alleen een gedraging van de geadresseerde vergt, maar
mede afhankelijk is van het gedrag van anderen. Als daarentegen aan de
bedreiging een voorwaarde wordt verbonden die geheel buiten de invloedsfeer van
de geadresseerde ligt, dan is’ de strafverzwaringsgrond niet van toepassing. HR
10-03-26, ECLI:NL:HR:2026:376 (met noot Bijlsma in NJ 2026/152).
15.18 Belaging (art. 285b Sr). Ook van toepassing bij rechtspersoon. Hof Arnhem-Leeuwarden
24-02-26, ECLI:NL:GHARL:2026:1096.
15.19 Gebruik persoonsgegevens voor intimidatie (doxing) (art. 285d Sr)
-
‘De verdachte
heeft zich ten aanzien van het slachtoffer, een ambtenaar van politie, schuldig
gemaakt aan “doxing”, door tweemaal op Facebook een voor het slachtoffer
kwetsende, beledigende en bedreigende tekst te plaatsen met daarbij een foto
van het slachtoffer gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn politietaak,
te weten: een verkeerscontrole aan de personenauto van de verdachte op de
openbare weg. In de tekst roept de verdachte lezers van de berichten onder meer
op om de naam en het adres van het slachtoffer aan hem bekend te maken, looft
hij voor informatie over het slachtoffer een beloning uit, geeft hij aan dat
hij inmiddels weet in welke wijk het slachtoffer woont en wekt hij daarmee de
suggestie dat hij het slachtoffer thuis wil gaan opzoeken’. Hof
‘s-Hertogenbosch 06-06-25, ECLI:NL:GHSHE:2025:3792.
-
‘Voor een
bewezenverklaring van doxing ex art. 285d Sr is niet vereist dat de gedeelde
persoonsgegevens geheim of vertrouwelijk waren; de wet beschermt juist ook
tegen het verzamelen en verspreiden van reeds openbaar toegankelijke gegevens
wanneer de gebundelde verspreiding daarvan in een specifieke context een
ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer oplevert. Dat de gegevens van
de wethouder al via openbare bronnen te achterhalen waren, staat een
bewezenverklaring dan ook niet in de weg’. Rb Gelderland 09-10-26, ECLI:NL:RBGEL:2026:7724.
17.1 Mishandeling: opzettelijke benadeling van de gezondheid (art. 300
lid 4 Sr)
-
Drogeren aangeefster door toevoegen van temazepam aan haar
drankje. Hof Arnhem-Leeuwarden 10-04-26,
ECLI:NL:GHARL:2026:2171.
- Niet de enkele benadeling
van de geestelijke gezondheid. HR
30-06-26, ECLI:NL:HR:2026:1005.
17.1 Psychische mishandeling (art. 300 Sr). Gedragingen die zonder
inwerking op het lichaam van het slachtoffer uitsluitend psychisch leed tot
gevolg hebben, vallen niet onder mishandeling, ook niet als dat vervolgens
heeft geleid tot nadelige lichamelijke gevolgen, zoals buikpijn of
braakverschijnselen door stress. HR
30-06-26, ECLI:NL:HR:2026:1005.
21.1 Oplichting (voorbeelden
valse hoedanigheid) (art. 326
Sr). Verdachte doet zich voor als dakdekker/klusjesman en de
slachtoffers zijn allemaal van (hoog)bejaarde leeftijd. De slachtoffers gaven
geldbedragen of hun pinpas met pincode af voor de aanschaf van bouwmateriaal
(ook listige kunstgrepen en samenweefstel van verdichtsels). Hof
Arnhem-Leeuwarden 18-06-26, ECLI:NL:GHARL:2026:4037.
21.2 Flessentrekkerij: goederen
(art. 326a Sr). Niet dus verlening van een dienst (bijv. huren). HR 16-06-26, ECLI:NL:HR:2026:875.
25.1 Witwaszaak
tegen erfgenaam (art. 420bis Sr).
Volgens het Hof zou de onschuldpresumptie zich ertegen verzetten dat in een
witwaszaak tegen een erfgenaam wordt vastgesteld dat de erfenis (een Mercedes)
afkomstig was uit enig misdrijf als de overledene niet was vervolgd, laat staan
veroordeeld voor witwassen of onderliggende gronddelicten. Daar was de HR het
niet mee eens: het Hof had slechts te beoordelen of de Mercedes als zodanig uit
enig misdrijf afkomstig was en niet of de erflater persoonlijk in verband
daarmee een strafrechtelijk verwijt kon worden gemaakt. HR 23-06-26, ECLI:NL:HR:2026:955.
26.3 Gevaarlijk
dier (art. 425 Sr). Onvoldoende zorg
dragen voor een onder haar hoede staande gevaarlijke hond (Rottweiler) (incl.
gebruik van een risicoanalyse bijtincident(en) van het Riskassessmentteam
Universiteit Utrecht. Hof ’s-Hertogenbosch 17-08-26, ECLI:NL:GHSHE:2026:2308.
26.24 Nalaten hulpverlening bij levensgevaar (art. 450 Sr). ‘Verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer door
een medeverdachte werd geslagen en dat hij een soort doodskreet van het
slachtoffer hoorde. Hij heeft gezien dat het slachtoffer richting het riet werd
gesleept en hij vermoedde dat het slachtoffer in een tent werd gewikkeld. Het
slachtoffer is zwaargewond aangetroffen in de rietkraag, gewikkeld in een tent,
en is diezelfde avond overleden. Verdachte moet zich bewust zijn geweest van
het levensgevaar waarin het slachtoffer verkeerde. Al aangenomen dat verdachte
op het moment van de mishandeling geen hulp kon bieden of inschakelen, zonder
gevaar voor zichzelf, dan nog had hij alsnog in actie kunnen komen op enig
moment na afloop van het geweld. Dit heeft hij niet gedaan. Het lijkt erop dat
verdachte vooral oog had voor zijn eigen belang om niet te worden betrokken bij
een eventuele strafrechtelijke procedure en dat hij dit belang heeft laten
prevaleren boven het beschermen van het leven van het slachtoffer’.
Veroordeling ter zake het nalaten van hulpverlening. Hof Amsterdam 15-01-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:68, citaat afkomstig uit
NJFS 2026/54.
27.16 Voorbereiding/vergemakkelijking
hennepteelt: in uitoefening beroep of bedrijf / grote hoeveelheid (art. 11a
Opiumwet). ‘Verdachte had
verschillende goederen (MH: meer dan 50) in zijn voertuig die ge-bruikt
kunnen worden voor hennepteelt. Het enkele aantreffen van die goederen is op
zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat verdachte die goederen voorhanden had
met het doel die ook daadwerkelijk te gebruiken of te laten gebruiken voor de
bedrijfsmatige of grootschalige hennepteelt. Die bestemming kan in dit geval
niet zonder meer worden afgeleid uit de aard, de hoeveelheid en de
gezamenlijkheid van de aangetroffen goederen. Verdachte wilde maximaal 25
hennepplanten kweken in zijn woning, daarmee is geen sprake van een “grote
hoeveelheid”. Hoewel sprake is van een hoeveelheid die een omvang van vijf
planten te boven gaat, levert die enkele omstandigheid nog niet de vereiste
bestemming tot het grootschalige of het beroeps- of bedrijfsmatige karakter van
de beoogde hennepteelt op. Evenmin zijn voldoende andere indicatoren aanwezig
en is niet gebleken van enig oogmerk van geldelijk gewin’. Vrijspraak. Hof 's-Hertogenbosch
06-05-26, ECLI:NL:GHSHE:2026:1245 (citaat uit NJFS 2026/198).
27.22 Opiumwet: invoeren / aanwezig hebben hennep. Zie voor de grenzen die het Unierecht stelt aan strafbaarheid
op grond van nationale wetgeving van het invoeren en aanwezig hebben van hennep
die is gekweekt met gecertificeerd zaad en/of waarvan het THC-gehalte lager is
dan de drempelwaarde van 0,2/0,3% HR 10-02-26, ECLI:NL:HR:2026:205 en raadpleeg
een specialist.
29.5 Dood
door schuld in verkeer (art. 6 WVW 1994). Verdachte en zijn medeverdachten hebben de weg na het
verrichten van oogstwerkzaamheden onvoldoende schoongemaakt en daarmee een
gevaarlijke situatie op die weg gecreëerd. Het slachtoffer is met zijn
bromfiets uitgegleden over de gladde modder op de weg, waarna hij is gevallen
en tegen een tegemoetkomende auto is aangebotst en is overleden. Hof Amsterdam
03-02-26, ECLI:NL:GHAMS:2026:250.
29.8 Besturen
motorrijtuig terwijl geldigheid rijbewijs is geschorst (art. 9 lid 5 WVW 1994).
Vereisten voor bewezenverklaring en
aanbevelingen voor processtukken. HR 29-09-26, ECLI:NL:HR:2026:1539.
29.9 Wedstrijdverbod
(art. 10 WVW 1994): wedstrijd. ‘Elk
rijden met voertuigen ter vaststelling of vergelijking van prestaties hetzij
van de deelnemers, hetzij van de voertuigen, hetzij van onderdelen daarvan,
hetzij van bedrijfsstoffen’. Hof ‘s-Hertogenbosch 06-10-26, ECLI:NL:GHSHE:2026:2698.
----------------------------------------------