ZAKBOEKENPOLITIE 2019

WETSWIJZIGING HERWAARDERING STRAFBAARSTELLING ACTUELE DELICTSVORMEN

Herziene versie 04-12-19 (uitsluitend datum inwerkingtreding art. 426ter Sr gewijzigd: 145-12-19!)

-     Complete wetswijziging in Stb. 2019, 311

-     Inwerkingtreding 01-01-20: Stb. 2019, 421

-     Inwerkingtreding strafbaarstelling hinderen hulpverlener (art. 426ter Sr) per 15-12-19: Stb. 2019, 421 en Stb. 2019, 445.

-     MvT

-     Nota n.a.v. verslag

 

Kort overzicht

-     Sr:

o  Verhoging strafdreiging art. 137d Sr (aanzetten tot haat, discriminatie of geweld).

o  Strafbaarstelling misbruik van seksueel beeldmateriaal (art. 139h Sr).

o  Extra strafverzwaring art. 140 Sr (deelneming aan criminele organisatie / verboden rechtspersoon).

o  Aanvulling strafverzwarende omstandigheden mishandeling (art. 304 Sr).

o  Wijziging strafverzwarende omstandigheden diefstal (art. 311 Sr):

-    In onderdeel 3° is «gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd,» geschrapt.

-    In onderdeel 5° is «een vals kostuum» vervangen door: het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels.

o  Strafbaarstelling hinderen hulpverlener (art. 426ter Sr).

o  Art. 55 WWM is als volgt gewijzigd:

-     In het derde lid, onderdeel a, is na «wapen van categorie II» ingevoegd:, met uitzondering van onderdeel 2° of onderdeel 7°,.

-     Er is een lid toegevoegd, luidende:
7. Met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaar of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft hij die handelt in strijd met de artikelen 9, eerste lid, 14, eerste lid, 26, eerste lid, of 31, eerste lid, en het feit begaat met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2° of onderdeel 7°.

o  Zie voor de wijzigingen in Sv het zakboek Sv HulpOvJ.

-     Sv:

o  Wijziging art. 67, eerste lid, onder b, Sv:

§  de zinsnede «137d, tweede lid» is vervangen door: 137d, eerste lid;

§  na «139d, eerste en tweede lid,» is toegevoegd: art. 139h, eerste en tweede lid.

§   

22.5    Hinderen hulpverlener (art. 426ter Sr)

Hij die wederrechtelijk een hulpverlener gedurende de uitoefening van zijn beroep in zijn vrijheid van beweging belemmert of met een of meer anderen zich aan hem tegen zijn uitdrukkelijk verklaarde wil blijft opdringen of hem op hinderlijke wijze blijft volgen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie.

Algemeen

-     Nieuwe strafbepaling, inwerkingtreding 15-12-19.[1]

-     Art. 426ter Sr is inderdaad slechts een overtreding, verzet tegen aanhouding ter zake dit artikel is uiteraard een misdrijf (art. 180 Sr) en bij enig letsel is vh mogelijk (art. 181 en 182 Sr).

-     'Het komt met regelmaat voor dat agenten, ambulancemedewerkers en brandweerlieden tijdens de hulpverlening aan burgers te maken krijgen met omstanders die zich agressief jegens hen gedragen. Hierbij gaat het om gedragingen zoals het niet uit de weg gaan als daarom wordt gevraagd, opdringerig blijven filmen, of een discussie willen aangaan over de plaats waar het ambulance- of brandweervoertuig is geparkeerd. Dergelijk gedrag is strafbaar op grond van de APV en op grond van art. 426bis Sr, waarin het op de openbare weg lastig vallen of hinderen van anderen strafbaar is gesteld. Het kabinet is van mening dat het hinderen van hulpverleners tijdens het belangrijke werk dat zij vaak onder moeilijke omstandigheden moeten verrichten onaanvaardbaar en uiterst laakbaar is. Op overtreding van art. 426bis Sr waarin hinderlijk volgen strafbaar is gesteld staat een maximumstraf van ten hoogste een maand hechtenis of een geldboete van de tweede categorie. Volgens het kabinet komt de ernst van het hinderen van hulpverleners op dit moment onvoldoende tot uitdrukking in dit wettelijk strafmaximum. Bovendien is de reikwijdte van de strafbaarstelling beperkt tot het hinderen op de openbare weg, terwijl het hinderen van hulpverleners helaas ook elders plaatsvindt. Daarom stelt het kabinet voor om het hinderen van hulpverleners als zelfstandig delict strafbaar te stellen in Sr. Hieraan wordt uitvoering gegeven in een nieuw art. 426ter Sr'.[2]

-     'De zelfstandige strafbaarstelling van hinderen van hulpverleners in art. 426ter Sr maakt het mogelijk om het lastigvallen en hinderen van agenten, ambulancemedewerkers brandweerlieden, ongeacht de plaats waar dit plaatsvindt strafrechtelijk aan te pakken en hiervoor een hogere straf te eisen. Tegen agressie en geweld jegens hulpverleners wordt eenduidig, effectief en snel opgetreden. Deze zaken worden met prioriteit behandeld en er wordt zo veel mogelijk een lik op stuk beleid gehanteerd, met passende bestraffing van en schadeverhaal op daders. Op grond van het strafvorderingsbeleid van het OM wordt in geval van agressie en geweld tegen personen met een publieke taak de strafeis verhoogd met maximaal 200 procent'.[3]

 

Plaats delict

'De reikwijdte is anders dan art. 426bis Sr, waarin het wederrechtelijk op de openbare weg lastigvallen en hinderen van een ander strafbaar is gesteld, niet beperkt tot enige plaats. Dat betekent dat het hinderen van hulpverleners ook strafbaar is op voor het publiek toegankelijke plaatsen, zoals winkels, of niet voor het publiek toegankelijke plaatsen als woningen. Ook op deze plaatsen kan het hinderen van hulpverleners tijdens de uitvoering van hun werkzaamheden leiden tot verstoring van de openbare orde, in de zin dat hulpverleners hun - vaak levensreddende - werk niet kunnen doen'.[4]


Hulpverleners

-     Zowel ambtelijke als niet ambtelijke hulpverleners die werkzaam zijn bij de hulpdiensten, zoals politieagenten, ambulancemedewerkers en brandweerlieden.[5]

-     'Burgers die hulp verlenen aan andere burgers in een noodsituatie oefenen geen beroepsmatige activiteit uit en vallen niet onder het bereik van het voorgestelde art. 426ter Sr'.[6]

-     'Onder hulpverlener in de zin van art. 426ter Sr wordt niet hetzelfde verstaan als werknemer met een publieke taak. Het begrip werknemer met een publieke taak heeft een ruimere reikwijdte dan het begrip hulpverlener en omvat naast hulpverleners die werkzaam zijn bij de hulpdiensten bijv. ook onderwijzers, medewerkers van gemeentelijke diensten en OV-personeel'.[7]

 

Gedurende de uitoefening van zijn beroep

-     Voor strafbaarheid is vereist dat het lastigvallen of hinderen plaatsvindt op het moment dat de hulpverlener zijn hulpverlenende taak uitoefent.[8]

-     'Het begrip beroep veronderstelt een bezoldigde betrekking. Onder uitoefening van het beroep wordt verstaan uitoefening van het beroep in overeenstemming met de hiervoor geldende voorschriften'. Strafbaarstelling van het lastigvallen of hinderen heeft betrekking op ambtelijke en niet ambtelijke hulpverleners gedurende de uitoefening van hun hulpverlenende taak.[9]

 

Filmende omstanders

'De strafbaarstelling in art. 426ter Sr stelt het vervaardigen van beeldmateriaal van ongevallen als zodanig niet strafbaar. Het strafrechtelijke verwijt is het lastigvallen of hinderen van hulpverleners tijdens de uitvoering van hun werkzaamheden. Als filmende omstanders de hulpverlening hinderen, bijv. door in de weg te staan, kan er sprake zijn van strafbaar handelen in de zin van dit artikel. Het publiceren van beeldmateriaal van ongevallen valt niet onder de reikwijdte van de voorgestelde strafbaarstelling van het hinderen van hulpverleners. Wanneer er beelden van slachtoffers of anderszins hulpbehoevende personen worden verspreid kan het slachtoffer een beroep doen op het beschermen van zijn of haar persoonsgegevens. Daarnaast kan er een beroep worden gedaan op het portretrecht wanneer er een redelijk belang tegen publicatie van een dergelijk filmpje is'.[10]

 

 



[1].     Stb. 2019, 421 en Stb. 2019, 445.

[2].     Kamerstukken 35080, nr. 3 (MvT).

[3].     Kamerstukken 35080, nr. 3 (MvT).

[4].     Kamerstukken 35080, nr. 3 (MvT).

[5].     Kamerstukken 35080, nr. 7 (Nota n.a.v. het verslag).

[6].     Kamerstukken 35080, nr. 7 (Nota n.a.v. het verslag).

[7].     Kamerstukken 35080, nr. 7 (Nota n.a.v. het verslag).

[8].     Kamerstukken 35080, nr. 3 (MvT).

[9].     Kamerstukken 35080, nr. 7 (Nota n.a.v. het verslag).

[10].    Kamerstukken 35080, nr. 7 (Nota n.a.v. het verslag).