Tiparchief

In onderstaande tabel worden de oude tips van de week weergegeven. 
Door te klikken op de vetgedrukte tekst van de onderstaande tiptitels krijgt U de uitgewerkte teksten. 
De verwijzingen naar de zakboeken betreffen de edities 2010 (oudere edities ook nog te gebruiken).
Opening van de rest van dit scherm kan even op zich laten wachten in verband met de omvang van de tips (ruim 170 stuks).

  1. Openlijk geweld (art. 141 Sr): belangrijke tips voor het pv
    1. - een goede beschrijving in het pv waaruit de ‘deelneming’ van iedere verdachte bestond;
      - een goede beschrijving van het bestanddeel ‘openlijk’;
      - een goede beschrijving van de gedragen kleding: het verdient sterke aanbeveling om bij pv's ter zake openlijk geweld niet alleen te relateren wat voor kleren de verdachten droegen maar ook de kleur daarvan. Hetzelfde geldt voor de kleding van de getuigen. Het gebeurt namelijk juist bij openlijk geweldzaken nogal eens dat er door getuigen of slachtoffers (die de verdachten niet bij naam kenden) wordt verklaard in de trant van ‘die jongen met dat rode shirt sloeg er op los’. Dan is het wel zo prettig als uit het pv blijkt wie er allemaal een rood shirt droegen. Naast verdachten kunnen dat natuurlijk ook de aanwezige getuigen zijn;
      - ook een goede verwerking en een goed overzicht van eventueel door verdachten en getuigen gebruikte roepnamen, geboortenamen en/of bijnamen is van groot belang (zo kan Kees, Cornelis, Van der Bilt, die rooie en/of die dikke één en dezelfde persoon betreffen);
      - extra aandacht voor de rol van iedere verdachte, vooral bij het mogelijk van toepassing zijn van de strafverzwarende omstandigheden van het 2e lid; en zoals voor ieder pv geldt: de redenen van wetenschap van voorgaande punten (gezien, gehoord, gevoeld, enz.).
      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 16.9
    Binnentreden zonder vereiste machtiging
    1. Als er zonder vereiste (voorafgaande én geldige) machtiging is binnengetreden dan verdient het sterke aanbeveling in het pv te vermelden of de (juiste) machtiging desalniettemin tóch verstrekt zou zijn door de hulpOvJ (maar dat dit abusievelijk niet gebeurd is, mét vermelding van de reden van dit nalaten). De hulpOvJ dient daarvan zelf pv op te maken. Dit kan van belang zijn voor het oordeel van een rechter in de zaak v.w.b. de ernst van het verzuim en de mogelijke gevolgen van het betreffende onrechtmatig binnentreden (bijv. géén bewijsuitsluiting maar strafmatiging, zie hierover 3.10 ).

      Zakboek HulpOvJ 7.13 en 3.10
      Zakboek Opsporingsambtenaar 6.13 en 2.10
  2. In kennis stellen OvJ van bevel ivs door hulpOvJ
    1. De hulpOvJ dient ingevolge art. 57 lid 4 Sv van zijn bevel onverwijld kennis te geven aan de OvJ. Zo kan o.m. bijtijds een mogelijke voorgeleiding besproken én ingepland worden. Het eerste telefoontje na twee dagen ivs wordt niet echt gewaardeerd door de OvJ en is in strijd met dit art. 57 lid 4 Sv. Zie voor de verplichting van de hulpOvJ om bij een ivs onverwijld een raadsman in te lichten. Schriftelijke kennisgeving van ivs is dus niet noodzakelijk en er hoeft dus ook niets meer per post verzonden te worden. Wel moet het originele bevel ivs in het dossier gevoegd worden.

      Zakboek HulpOvJ 2.7
      Zakboek Opsporingsambtenaar 1.7 
  3. Natuurlijk overlijden (lijkvinding) en contacten met het OM
    1. Als de lijkschouwer een verklaring van natuurlijk overlijden heeft afgegeven is het NIET nodig de OvJ te bellen: er is immers geen vermoeden van een niet-natuurlijk overlijden. De hulpOvJ kan de zaak verder zelf afhandelen. Bij alsnog ontstane twijfel is het uiteraard verstandig om toch de OvJ te bellen (en zou er in uitzonderlijke gevallen alsnog besloten kunnen worden tot ibn en sectie). Als het OM niet ingeschakeld is behoeft er ook geen pv ingezonden te worden.
      Zakboek HulpOvJ 11.31
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.29
  4. Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 
    1. Verstrekking van een paspoortfoto is mogelijk op grond van art. 73 Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 (géén afzonderlijke vordering gegevens vereist): de verstrekking van gegevens uit de in art. 72 bedoelde reisdocumentenadministratie wordt uitsluitend toegestaan aan: 
      c. de opsporingsambtenaren bedoeld in art. 141 en 142 Sv, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de opsporing van strafbare feiten in het kader van het onderzoek waarbij zij zijn betrokken of voor zover die noodzakelijk zijn voor de identificatie van slachtoffers; 
      d. de ambtenaren van het OM, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de hun opgedragen werkzaamheden. 
      Zakboek HulpOvJ 3.34
  5. Stukken professioneel verschoningsgerechtigde onverwachts bij beslag
    1. Mocht er na ibn onverwachts blijken dat er zich stukken van professioneel verschoningsgerechtigden (raadsman, arts, geestelijke, enz.) bij het beslag bevinden dan dient uiteraard alsnog conform art. 98 Sv en de bijbehorende jurisprudentie gehandeld te worden. Niet verder kennisnemen van de inhoud dus, maar z.s.m. contact opnemen met OvJ over de verdere gang van zaken.

      Zakboek HulpOvJ 6.34 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 5.30
  6. Materieel strafrecht
    1. De vele ontwikkelingen die op het gebied van het materiële strafrecht hebben plaatsgevonden en nog steeds plaatsvinden dringen onvoldoende door tot de alledaagse praktijk! Het aantal gewijzigde en nieuwe strafbepalingen uit bijv. het Wetboek van Strafrecht loopt in de vele honderden!! Kennisneming van dat strafrecht leidt ongetwijfeld tot de conclusie dat er heel veel en ook zeer ruim omschreven strafbaarstellingen zijn. Er zal dus snel sprake kunnen zijn van een verdachte van een van die misdrijven. En tegen een verdachte kunnen dwangmiddelen worden toegepast. Op heel veel misdrijven staat bovendien vh zodat er zelfs sprake kan zijn van zware dwangmiddelen zoals doorzoeking, ibn en aanhouding buiten heterdaad en bijzondere opsporingsbevoegdheden. Klachten over een gebrek aan dwangmiddelen zijn dan ook vaak terug te voeren op een gebrek aan kennis van dat materiële strafrecht (wetgeving én jurisprudentie).

      En ook door de strafbaarstelling van (kort gezegd) voorbereiding, poging en de deelneming (medeplegen, doen plegen, uitlokking, medeplichtigheid, rechtspersonen) is het aantal potentiële strafbare feiten én verdachten aanzienlijk uitgebreid (art. 45 Sr e.v.). Zeker als daarbij de actuele jurisprudentie in ogenschouw wordt genomen. Dankzij deze bepalingen kunnen ook personen strafrechtelijk aangepakt worden die anders buiten schot zouden blijven, bijvoorbeeld omdat ze niet zelf alle bestanddelen van een delict hebben vervuld. Ook tegen die verdachten kunnen zodoende dwangmiddelen worden toegepast.

      Zie voor voornoemde onderwerpen het Zakboek Strafrecht. In dat zakboek wordt een praktijkgerichte bespreking gegeven van de meest voorkomende misdrijven en overtredingen uit Sr, de WVW 1994, de Opiumwet en de WWM. Waar nodig worden daarbij tevens tips voor het onderzoek en het pv gegeven.

      Zakboek Strafrecht voor de politie.
  7. Omschrijving kleding en/of namen bij openlijk geweld
    1. Het verdient sterke aanbeveling om bij pv's terzake openlijk geweld niet alleen te omschrijven wat voor kleren de verdachten droegen maar ook de kleur daarvan. Hetzelfde geldt voor de kleding van de getuigen. Het gebeurt namelijk juist bij openlijk geweld zaken nogal eens dat er door getuigen of slachtoffers (die de verdachten niet bij naam kenden) wordt verklaard in de trant van "die jongen met dat rode shirt sloeg erop los". Dan is het wel zo prettig als uit het pv blijkt wie er allemaal een rood shirt droegen. Naast verdachten kunnen dat natuurlijk ook de aanwezige getuigen zijn.

      En als een verdachte of een getuige onder verschillende namen bekent is (bijv. De Groot, Cornelis, Kees en/of de rooie), vermeldt dit dan ook in het loop-pv en verwerk zoveel mogelijk in afgelegde verklaringen wie bedoeld wordt met De Groot, Cornelis, Cees en/of de rooie.
      Met dank aan OvJ Nijkerk.
  8. Geheimhouders 
    1. Let op dat de geheimhoudersregeling niet alleen geldt voor tappen maar voor alle bijzondere opsporingsbevoegdheden (dus bijv. ook vorderen gegevens) en doorlaten. 

      Zakboek HulpOvJ 9.21 en 2.9.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 8.21 en 1.9.
  9. Onderzoeksgrond bij voorlopige hechtenis: collusiegevaar
    1. Grond voor voorlopige hechtenis kan zijn dat die voorlopige hechtenis "in redelijkheid noodzakelijk is voor het, anders dan door verklaringen van de verdachte, aan de dag brengen van de waarheid" (art. 67a lid 2 onder 4 Sv).  Voornoemde "noodzakelijkheid" kan aanwezig zijn als er een kans bestaat dat de verdachte het opsporingsonderzoek zal belemmeren, bijv. door getuigen te beïnvloeden en/of (na vrijlating) sporen weg te maken. Dit wordt ook wel "collusiegevaar" genoemd.  Als de onderzoeksgrond in het voorgeleidings- en/of raadkamer-pv wordt opgevoerd dan dient aangegeven te worden waaruit dat onderzoek bestaat. Te denken valt hierbij aan:  
      - geuridentificatieproeven;  
      - verhoor van getuige(n);  
      - confrontatie van in beslag genomen goed met getuige(n);  
      - confrontatie van getuige(n) met verdachte(n);  
      - aanhouding en verhoor medeverdachte(n) en heler(s);  
      - zoeken naar de buit. 
      Hierbij geldt dus als eis dat er een kans bestaat dat de verdachte, indien deze niet in voorlopige hechtenis wordt genomen of gehouden, het onderzoek zal belemmeren. Van dit "collusiegevaar" zal niet snel sprake zijn bij een nog te verrichten technisch onderzoek (door de TR en/of het NFI). Helaas wordt dit technisch onderzoek regelmatig als onderzoeksgrond opgevoerd waarbij niet voorstelbaar is dat verdachte dit onderzoek zou kunnen belemmeren. 

      En ook een nader verhoor van de verdachte kan geen grond voor vh opleveren (zie cursieve tekst hierboven: "anders dan door verklaringen van de verdachte").

      Zakboek HulpOvJ 4.36 en 3.18. 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.29 en 2.16. 
      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 10.4.
  10. Gronden voor voorlopige hechtenis 
    1. Eén van de gronden voor voorlopige hechtenis is dat er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld. Deze grond wordt ook wel samengevat als "gevaar voor herhaling van een zesjaarsmisdrijf". Twee tips over deze grond:
      1: de algemene omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot strafverlichting (zoals poging, voorbereiding en medeplichtigheid) zijn niet van belang voor de berekening van het aantal jaar gevangenisstraf dat voor een strafbaar feit maximaal is toegelaten in het kader van vh; 
      2: het gevaar voor "herhaling" kan een geheel ander misdrijf betreffen dan waarvoor verdachte voorlopig wordt gehecht. Regelmatig worden dan ook verdachten terzake bedreiging met een misdrijf tegen het leven of met zware mishandeling (art. 285 Sr) voorlopig gehecht op de grond dat ernstig moet worden gevreesd dat de verdachte in de toekomst de bedreiging waar zal maken. En ook voor het voorhanden hebben van een vuurwapen is de grond de angst dat er van dat vuurwapen gebruik gemaakt gaat worden (en er aldus bijv. zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of, erger nog, iemand van het leven wordt beroofd). 

      Zakboek HulpOvJ 4.6 en 4.36.  
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.6 en 3.29.
  11. Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (de Wet Mulder) en de cautie 

    1. Sinds een recente wetswijziging (1) luidt art. 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht (AWB): 
      1. Degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie, is niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen. 
      2. Voor het verhoor wordt aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.
      Ingevolge art. 2a van de Wet Mulder zijn de titels 4.4, 5.1 en 5.4 van de AWB (en dus ook dit art. 5.10a) niet van toepassing op het opleggen en de inning van een administratieve sanctie op grond van de wet Mulder (zie 11.34). Alhoewel dus niet van toepassing op de Wet Mulder vermeld ik uit de Kamerstukken nog: ‘De plicht om de cautie te geven geldt indien sprake is van een verhoor. Een verhoor is een mondelinge ondervraging met het oog op het opleggen van een bestraffende sanctie. De achtergrond van de cautieplicht is immers het ervaringsgegeven, dat van een mondelinge ondervraging een zekere psychische druk om te antwoorden kan uitgaan. De cautie wil voorkomen, dat de ondervraagde onder deze druk verklaringen aflegt, waarvan niet meer kan worden gezegd dat zij in vrijheid zijn afgelegd. Van schriftelijke vragen gaat, door het ontbreken van de directe confrontatie met de ondervrager, veel minder druk om te antwoorden uit. Bij schriftelijke vragen is als regel geen sprake van een verhoor en behoeft dus geen cautie te worden gegeven. Dit is slechts anders indien in bijzondere omstandigheden van een schriftelijke vraag een zodanige druk om te antwoorden zou uitgaan, dat materieel sprake is van een verhoor’ (Kamerstukken nr. 29702, nr. 3, MvT).

      (1). Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht (AWB), Stb. 2009, 264, inwerkingtreding d.d. 01-07-09, Stb. 209, 266

      Zakboek hulpofficier 11.34

  12. Ontlastend bewijsmateriaal

    1. Een eerlijk proces vereist dat aan de verdediging (uiteindelijk) alle onderzoeksresultaten ter beschikking worden gesteld, zowel ten gunste als ten nadele van de verdachte. Aldus dient in een op te maken pv ook het voor de verdachte ontlastende bewijsmateriaal opgenomen te worden en eventueel afzonderlijk opgemaakte pv's die ontlastend materiaal inhouden moeten ook bij de processtukken gevoegd worden. Voorbeeld uit Europese jurisprudentie van ontlastend materiaal zijn het aantreffen van vingerafdrukken op de plaats delict die niet van de verdachte afkomstig zijn en het niet herkennen door het slachtoffer of de getuige van de verdachte bij een confrontatie. Als voorbeelden kunnen voorts genoemd worden een ontlastende getuigenverklaring, ontlastend ‘tap’ materiaal, ontlastende CIE-info, onbekend DNA-materiaal (zeker als dit mogelijk van een (mede)dader afkomstig is), enz. Niet bij de processtukken gevoegd ontlastend bewijsmateriaal kan leiden tot niet ontvankelijkheid van de OvJ en dus het einde van een strafzaak (en schadevergoeding). Zie hierover ook 2.6 (niet opmaken pv) en 5.17 (verzwijgen ambtshandelingen/bevindingen).
      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 14.2

  13. Onderzoek plaats delict en doorzoeking
    1. Een onderzoek op de plaats van het delict (PD) kan meer omvatten dan zoekend rondkijken en is dan dus doorzoeking waarbij uiteraard de wettelijke regels voor doorzoeking in acht genomen moeten worden. En dat geldt ook voor een onderzoek door de TR (FO).
      Zakboek Hulpofficier 6.42.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 5.38.
  14. Weekendje zitten / weekendarrangement
    1. Kort na het hof 's-Hertogenbosch 03-11-09, LJN BK1796 (zie vorige nieuwsmail of zakboekenpolitie.com) heeft ook het hof Arnhem vastgesteld dat het ‘weekendarrangement’ onrechtmatig is voor zover de verdachte uitsluitend voor het uitreiken van een mededeling over de strafzaak (dagvaarding) anders dan gedurende kort tijd in verzekering wordt gehouden. Niet meer voor het uitsluitend uitreiken van een mededeling over de strafzaak (bijv. een dagvaarding) langer vasthouden dan een aantal uren dus (zie zonodig uitgebreid het zakboek 2010, 4.18 punt 11 en laatste alinea!!)!!
      Hof Arnhem 13-11-09, LJN BK3414.
      Zakboek Hulpofficier 4.18.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.18.
  15. Doorzoeking
    1. Van een doorzoeking ter inbeslagneming (ook bij Opiumwetzaken) is reeds sprake als het onderzoek verder gaat dan zoekend rondkijken (bijv. al bij het openen van een niet afgesloten kast) en dus niet pas als er 'stelselmatig en gericht' (criterium hele oude wetgeving) wordt gezocht.
      Zakboek Hulpofficier 6.41.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 5.37.
  16. Toegang en doorgang (en duur verblijf)
    1. Ondanks het feit dat in de kamerstukken vermeld staat dat het zoekend rondkijken in een woning alleen in niet-afgesloten vertrekken mag plaatsvinden wijst de HR er op dat volgens art. 9 Awbi degene die bevoegd is de woning zonder toestemming van de bewoner binnen te treden, zich de toegang tot en de doorgang in de woning mag verschaffen, voor zover het doel van het binnentreden dit redelijkerwijs vereist. Daaronder valt ook het forceren van de (tussen)deur van een vertrek (in het betreffende geval een loods of het verschuiven van dozen om de toegang tot een daarachter gelegen deur vrij te maken. Dat laat onverlet dat de opsp. ambt. niet gerechtigd is om daarna dat vertrek te doorzoeken. Ook geen doorzoeking dus als door het forceren van een ruit aan de achterzijde van de woning en meerdere deuren in de woning de toegang tot dat pand en tot de daarin aanwezige ruimten is verkregen en daar vervolgens hennepplanten in beslag zijn genomen die daar zijn aangetroffen door zoekend rondkijken. De duur van het verblijf in de woning (4 uren) vindt zijn verklaring in de ibn van het aanzienlijke aantal aangetroffen hennepplanten en van apparatuur. E.e.a. geldt uiteraard ook voor andere plaatsen dan de woning.
      Zakboek Hulpofficier 6.41.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 5.37.
  17. Analyses in pv
    1. In grotere onderzoeken (met name TGO’s) voegt de politie incidenteel analyses bij het procesdossier / in het pv. Bijv. hoe een ‘dadergroep’ is samengesteld en/of hoe het afgetapte communicatieverkeer is verlopen (al dan niet gecombineerd met OT en/of FO-bevindingen). Dit soort info mag alleen onder de volgende voorwaarden als bewijs gebruikt worden:
      1. v.w.b. een pv van een opsporingsambtenaar: als de betreffende analyse ook de redenen van wetenschap bevat (of daarnaar verwijst) (art. 153 Sv) en de analyse uiteraard ‘gedragen wordt’ door die redenen van wetenschap of
      2. v.w.b. verklaringen van een persoon niet zijnde opsporingsambtenaar: voor zover het betreft feiten of omstandigheden (geen conclusies dus) die de getuige zelf heeft waargenomen of ondervonden (art. 342 Sv) of
      3. v.w.b. verklaringen van een (getuige-)deskundige (kan ook een opsporingsambtenaar zijn): alleen hetgeen de wetenschap van de deskundige hem leert omtrent datgene wat aan zijn oordeel is onderworpen (art. 343). De verwachting is overigens dat de belangstelling voor ‘deskundigen’ vanuit de rechterlijke macht en advocatuur de komende jaren verder zal toenemen.

      Gelet op het voorgaande is het goed om te weten dat de betreffende persoon die de analyse heeft samengesteld wel eens (verplicht) gehoord kan worden op zitting en/of bij de rc. Voorafgaan overleg over het wel of niet voegen van analyses bij het pv verdient mede daarom aanbeveling.

      Zakboek Proces/verbaal en Bewijsrecht 2010-2011, 16.19.
  18. Aanhouding i.v.m. herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling
    1. Van belang voor de dagelijkse politiepraktijk is art. 15h Sr:
      1. Indien er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat een veroordeelde die voorwaardelijk in vrijheid is gesteld zich zodanig heeft gedragen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling zal worden herroepen, kan zijn aanhouding worden bevolen door het OM.
      2. Het OM dient indien het de aanhouding noodzakelijk blijft vinden, naast de vordering, bedoeld in art. 15i, tweede lid, onverwijld een vordering tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling in bij de RC.
      3. De RC beslist binnen driemaal vierentwintig uur na aanhouding. Hangende de beslissing van de RC wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld.
      4. (horen door RC, raadsman (art. 40 Sv van overeenkomstige toepassing: onverwijld inlichten raadsman door hulpOvJ na aanhouding, zie 2.7!!) en tolk).
      5. (toewijzing/afwijzing vordering door RC).
      6. (in kennis stellen veroordeelde).
      7. (beëindiging schorsing van rechtswege).
      8. (opheffing schorsing door rechtbank).

      Overgangsregeling (art. IV lid 1 wet zoals in Stb. 2007, 500 gepubliceerd).
      1. Deze wet heeft geen gevolgen voor veroordelingen tot vrijheidsstraf die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn uitgesproken. De artikelen 15 t/m 15d Sr, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van deze wet, blijven in deze van toepassing.
      2. Het eerste lid is niet van toepassing op veroordelingen tot vrijheidsstraf, uitgesproken voor de inwerkingtreding van deze wet, indien de tenuitvoerlegging vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet nog gaande is.
      3. (samenloopregeling diverse straffen).

      Zie zonodig ook de aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling (op om.nl).

      Zakboek HulpOvJ 4.44.
  19. Redenen van wetenschap
    1. Onder redenen van wetenschap zijn de bronnen van kennis te verstaan van de ‘waarnemer’ (bijv. zien, horen, voelen, ruiken, enz.). Door de opname van redenen van wetenschap kunnen waarnemingen en ondervindingen onderscheiden worden van conclusies die aan waarnemingen en/of bevindingen worden verbonden.

      Sinds ik OvJ ben begrijp ik pas goed waarom er in de tekst van art. 153 Sv vermeld staat dat de redenen van wetenschap uitdrukkelijk dienen te worden weergegeven.

      Ik kan mijn tijd op de primaire opleidingsschool nog herinneren waarbij mijn docent (Van Deelen) hamerde op het verwerken van die redenen van wetenschap. Ik nam dat voor kennisgeving aan en iedere herhaling van die boodschap vond ik op zijn minst genomen vervelend (want dat wisten we toch al…). Nu ik OvJ ben, moet ik helaas constateren dat veel pv's juist de redenen van wetenschap missen (van de verbalisant zelf en/of van gehoorde getuigen) en dat levert véél ellende op en verzoeken tot het opmaken van een aanvullend pv en/of het oproepen van de verbalisant en/of de getuige bij de RC en zelfs op de zitting (al dan niet na een door de raadsman gevoerd verweer). En natuurlijk weet de verbalisant en/of de getuige het na al die tijd ook niet goed meer, in ieder geval wijst de raadsman daar graag op.

      Zonde! Ik herhaal mijn docent dus met liefde: niet vergeten de redenen van wetenschap te verwerken in het pv. En dan niet alleen van de verbalisant zelf maar ook die van mogelijke getuigen en verdachten. Het ontbreken daarvan kan echt grote problemen opleveren (onbewijsbaarheid van een zaak).

      Zakboek Procesverbaal en Bewijsrecht 5.9.
  20. WVW: besturen/bestuurder
    1. Onderscheid dient gemaakt te worden tussen:
      1. degene die ervan verdacht wordt als bestuurder te hebben gehandeld in strijd met art. 8 WVW.
      2. degene van wie bewezen kan worden dat hij bestuurder is geweest (en dat vereist meer dan een verdenking, namelijk wettig en overtuigend be-wijs, zie hiervoor het zakboek Pv en Bewijsrecht).

      Sub 1 (alleen verdenking).
      Degene die verdacht wordt als bestuurder te hebben gehandeld kan ingevolge art. 163 WVW bevolen worden mee te werken aan een ademanalyse. Het gaat bij verdenking (ook op zitting) dus slechts om de vraag of er sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan in redelijkheid kan worden vermoed dat de verdachte het voertuig heeft bestuurd. Daarvan was bijv. sprake toen de verbalisanten de verdachte aantroffen op de bestuurdersplaats van zijn met draaiende motor op de openbare weg stilstaande motorvoertuig (MH: de bestuurder ontkende gereden te hebben en de motor draaide volgens de bestuurder voor de airco, politie had ook niets gezien of gehoord). Weigeren blazen is dan strafbaar. HR 27-09-05, LJN AT7588. En deze verdachte kan zo nodig een rijverbod opgelegd krijgen. Als de verdachte boven het wettelijke toegestane promillage blaast dan is voor een veroordeling ter zake art. 8 WVW een verdenking van het zijn van bestuurder weer niet voldoende: daarvoor moet op de zitting immers wettig en overtuigend bewijs aanwezig zijn (bijv. door een verklaring van de verdachte dat hij inderdaad gereden had, waarnemingen van de politie en/of getuigen).

      Sub 2 (besturen in de zin van de WVW).
      - ‘In de rechtspraak is gebruikelijk dat als bestuurder van een motorrijtuig (en daarmee tevens als verkeersdeelnemer) wordt aangemerkt elke persoon die bedieningsorganen van een motorrijtuig hanteert en door middel daarvan de voortbeweging en de rijrichting van het motorrijtuig beïnvloedt’. Niet dus bij het slechts aantreffen van verdachte op de bestuurdersplaats van een geparkeerde en stilstaande auto, waarvan de motor draaide en waarvoor de verdachte een aannemelijke verklaring gaf: kou.
      - Degene die achter het stuur van een auto heeft plaatsgenomen en slechts de motor daarvan heeft gestart kan niet zonder meer als bestuurder van die auto in de zin van art. 1 WVW worden aangemerkt , ook niet als de verdachte daarbij keer op keer gas gaf zonder dat er beweging in het voertuig kwam.
      - Het van de handrem halen van een auto, waardoor die auto achteruit gereden is tegen een op de parkeerplaats staande andere auto is besturen.
      - De verdachte die met een motorfiets aan de hand liep terwijl hij probeerde die te starten (en daarin uiteindelijk ook slaagde), werd ook als bestuurder aangemerkt evenals de fietser die zich, ‘zittend op het zadel, langzaam voortbewoog in een soort loop-fietsende toestand’.
      - De persoon die achter het stuur zat van een door een andere auto met behulp van een sleepkabel gesleepte auto.
      - Ook als de verdachte naast een auto lopende deze auto voortduwde, terwijl hij door het geopende raam van het linkervoorportier het stuurwiel van de auto bediende en de motor van het voertuig in werking was, kan er sprake zijn van ‘besturen’: ‘dusdoende was verdachte in staat dat voertuig (weliswaar niet snel) vooruit of achteruit te bewegen, dan wel stil te laten staan, terwijl hij tevens het voertuig van richting kon laten veranderen en (mede daardoor) kon bepalen op welke plaats op de weg dat voertuig zich bevond’ en is de verdachte dus als bestuurder opgetreden.
      - Ook is bestuurder degene die in een rijdende auto vanaf de bijrijdersplaats aan de handrem trekt. Zo doende heeft de bijrijder immers een bedieningsorgaan van die auto gehanteerd waardoor de voortbeweging en rijrichting van die auto werden beïnvloed.

      Zie voor de vindplaats van de hier besproken jurisprudentie het zakboek HulpOvJ.

      Zakboek HulpOvJ 11.10 e.v.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.10 e.v.
      Zakboek Strafrecht voor de Politie hoofdstuk 23
  21. Binnentreden en voortgezette toepassing
    1. Ingevolge het Geweerarrest mag een opsp. ambt. eenmaal binnengetreden met een machtiging voor een bepaald doel (bijv. ter aanhouding) ook andere hem toekomende bevoegdheden uitoefenen die nodig zijn voor een onverwacht aangetroffen situatie (bijv. ibn van vuurwapens/drugs). De ook vaak voorkomende variant is het binnentreden zonder toestemming van de bewoner in een woning ter hulpverlening (art. 8 lid 2 Politiewet, zie 7.10 of 6.10). Bijv. bij brand, ernstige wateroverlast, eerste hulpverlening, enz. enz. Ingevolge art. 2 lid 3 van de Awbi (zie 7.3 of 6.3) is voor dit binnentreden géén machtiging vereist als ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen terstond in de woning moet worden binnengetreden. Vervolgens wordt er een hennepkwekerij of een lijk aangetroffen.

      Heeft de opsp. ambt. na het eerste binnentreden echter de woning verlaten (bijv. voor overleg met een hulpOvJ of andere collega) en wil hij de betreffende woning wederom voor dat nieuwe doel (opsporing hennepkwekerij of kapitaal delict) betreden dan geldt m.i. de Awbi weer in zijn volle omvang (toestemming of machtiging, enz. enz.). Hetzelfde geldt m.i. voor andere opsporingsambtenaren die de woning willen betreden om hun collega’s te helpen. Bijv. bij het ontmantelen van een hennepkwekerij of het betreden door de FO (bevoegdheid is dan gebaseerd op bijv. art. 9 Opiumwet of art. 96 Sv: alleen zoekend rondkijken en mogelijk ibn!). Zie hierover ook 7.13 (geldigheidsduur machtiging).
      Zakboek HulpOvJ 7.9
      Zakboek Opsporingsambtenaar 6.9
  22. Oplichting (art. 326 Sr)
    1. LET OP: per 01-07-09 is na ‘enig goed,’ ingevoegd: ‘tot het verlenen van een dienst’ en is vervallen de zinsnede ‘met geldswaarde in het handelsverkeer’.
      1. Het verlenen van een dienst. ‘Het OM constateert dat het in de praktijk met regelmaat voor komt dat iemand naar de kapper gaat, een schoonheidsbehandeling ondergaat, zich in een taxi laat vervoeren, of zich anderszins een dienst laat bewijzen, zonder daarvoor te betalen. Indien het slachtoffer tot het verlenen van de dienst is bewogen, is van strafbare oplichting geen sprake. Uit de jurisprudentie vloeit immers voort dat onder de “afgifte van een goed” niet is begrepen het (uitsluitend) verlenen van een dienst (…). Het OM ziet zich thans genoodzaakt in deze zaken van vervolging af te zien, indien tijdens het verlenen van de dienst niet ook enig goed kan worden geacht te zijn afgegeven. Het is onwenselijk dat deze vormen van oplichting niet strafbaar zijn. Het d.m.v. een wettelijk omschreven oplichtingsmiddel iemand bewegen tot het verlenen van een dienst is even strafwaardig als het bewegen tot de afgifte van een goed. Door het toevoegen van de zinsnede “het verrichten van een dienst” aan art. 326 Sr vallen deze gedragingen wel onder de strafbaarstelling van oplichting'. MvT, Kamerstukken 31386.
      2. Het ter beschikking stellen van gegevens. Tot 01-07-09 moesten die gegevens ook geldswaarde in het handelsverkeer hebben. Door het schrappen van dit bestanddeel valt ook het verkrijgen van pincode onder ‘gegevens’. ‘Te denken valt in dit verband niet alleen aan de pincode, maar bijv. ook aan de situatie dat de verdachte, zich uitgevende voor een medewerker van een bank, de klanten van deze bank benadert met het verzoek de codes door te geven waarmee deze klanten internetbankieren. Ook kan worden gedacht aan de situatie waarin klanten van een bank via e-mail worden benaderd om in te loggen op een nagebouwde website, die bedrieglijk veel op de echte site van de desbetreffende bank lijkt. Op de website wordt men vervolgens verzocht om bepaalde gegevens in te voeren.’ MvT, Kamerstukken 31386.

      Zakboek Strafrecht voor de Politie 17.1
  23. Aanwijzingen van het college van PG’s

    1. Aanwijzingen van het college van PG’s bevatten dwingende regels hoe wel of niet te handelen op een bepaald terrein van de opsporing of vervolging en zijn daarom dus van groot belang voor de dagelijkse opsporings- en vervolgingspraktijk. Overtreding van zo’n aanwijzing kan leiden tot bewijsuitsluiting en zelfs niet-ontvankelijkheid (einde zaak). Zie over niet-ontvankelijkheid verder 3.14. Zie voor vele voorbeelden de zakboeken in diverse paragrafen, bijv. 9.1 van het zakboek Strafrecht voor de Politie: handelen in strijd met de aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik zal al snel leiden tot niet-ontvankelijkheid.

      De aanwijzingen zijn terug te vinden op overheid.nl > wet en regelgeving > beleidsregels rijksdienst (MH: betrouwbaar en actueel). Vink onder punt 3 in het vak ‘In de titel’ aan ‘Woord(en) uit de titel’ en type vervolgens het woord ‘aan-wijzing’ én een woord wat vermoedelijk in de titel van de aanwijzing staat. Te denken valt aan huiselijk geweld, ivs, tolken, seksueel misbruik, lichten, ontneming, inbeslagneming bij verkeersdelicten, onderzoek rijden onder invloed, invordering van rijbewijzen, discriminatie, witwassen, mensenhandel, Opiumwet, verlaten plaats ongeval, verkeersongevallen, enz., enz. Als je alleen het woord ‘aanwijzing’ invult worden de titels van (bijna) alle aanwijzingen weergegeven en kun je met de combinatie van de toetsen Ctrl en F fulltext zoeken in het overzicht van de titels en vervolgens een aanwijzing ‘aanklikken’. Voor het vinden van richtlijnen (‘eisen’ van het OM) geldt hetzelfde als hiervoor opgemerkt.

      Nieuwe paragraaf  zakboek Hulpofficier 3.56

  24. Invordering rijbewijs op grond van ontbreken rijvaardigheid en/of lichamelijke/geestelijke geschiktheid  (art. 130 WVW)
    1. Bestudering van de tekst van 130 WVW, de Regeling Maatregelen Rijvaardigheid en Geschiktheid en de daarbij behorende (omvangrijke) bijlage zal tot de conclusie leiden dat invordering op basis van dit art. 130 WVW in zeer veel gevallen mogelijk (en vaak zelfs verplicht) is.
      Zakboek HulpOvJ 11.4.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.4
  25. Bijstand raadsman: consultatierecht
    1. In de dagelijkse praktijk merk ik helaas dat de recente jurisprudentie van het EHRM inzake het consultatierecht van een aangehouden verdachte nog niet voldoende 'ingedaald' is. Vandaar deze tip van de week met de dringende oproep toch vooral conform de regels uit deze jurisprudentie te handelen (zie hieronder) en uiteraard de gang van zaken tijdig, juist en volledig in het pv te vermelden, ook in het voorgeleidings-pv!!
      KLIK HIER VOOR VERVOLGTEKSTEN!!!
      1. EHRM
        1. Eind 2008 overwoog het EHRM in de zaken Salduz en Panovits (noot 1) kort gezegd:
          1. dat een aangehouden verdachte vóór diens verhoor gewezen dient te worden op het recht een advocaat (en bij een minderjarige ook diens ouders/voogd) te raadplegen. Als de verdachte die bijstand wenst dan mag het verhoor pas worden aangevangen nadat verdachte een advocaat (en/of ouders/voogd) heeft kunnen raadplegen.
          2. dat de raadsman géén recht op toegang heeft tot het daadwerkelijke verhoor van de verdachte (noot 2 en noot 3).
          Noot 1.
          EHRM, nr. 36391/02 (Salduz tegen Turkije) en nr. 4268/04 (Panovits tegen Cyprus), terug te vinden op de site van het EHRM: www.echr.coe.int (overweging 64 t/m 77). Ook in NJB 2009, 66 en 67. Zie voor een bespreking ook Borgers en Spronken in het NJB 2009, p. 88 e.v.
          Noot 2. Salduz, de overwegingen 50 t/m 55 in onderling verband bezien (conform eerdere jurisprudentie dus). En na Salduz ook weer het hof 's-Gravenhage 15-04-09, LJN BI1178 en de rechtbank Amsterdam, LJN BG7496.
          Noot 3. Zo ook (sub 1 én 2) de PG in diens conclusies van 17-02-09, LJN BH3081, BH3168, en BH3084 en de Minister in diens brief aan de Tweede Kamer (zie daarover zakboekenpolitie.com). In de brief wordt ook nieuwe wetgeving aangekondigd en in afwachting daarvan worden OM-beleidsregels voorbereid. De Minister merkt nog op dat in de gevallen, waarin geen ivs mogelijk is, het aan de verdachte wordt overgelaten zich desgewenst van rechtsbijstand te voorzien. Op 30 juni worden arresten van de HR verwacht over de zaken waarin de PG heeft geconcludeerd.
      2. Vervroegde ivs
        1. ‘Nu wil het "toeval" dat er in gevallen waarin de verdenking een misdrijf betreft waarvoor vh is toegelaten, een organisatorisch kader voorhanden is dat kan worden benut om de verdachte daadwerkelijk in staat te stellen om voorafgaande aan het verhoor met een raadsman te spreken. Dat organisatorische kader is de piketregeling voor de ivs. De suggestie die in het advies van het OM (Standpunt Wetenschappelijk bureau OM) wordt gedaan om de verdachte die eerst een advocaat wenst te spreken in verzekering te stellen, is een waardevolle. De ivs zal daarbij in de regel dadelijk bevolen moeten worden en dus niet eerst na afloop van de zesuurstermijn van art. 61 Sv. Voorkomen moet immers worden dat de duur van de vrijheidsbeneming nodeloos wordt verlengd. Met het verhoor van de inverzekeringgestelde verdachte dient te worden gewacht tot deze met de piketadvocaat heeft kunnen spreken. In gevallen waarin anders zou zijn volstaan met de ophouding voor onderzoek (en de verdachte dus niet in verzekering zou zijn gesteld) zou ernaar gestreefd moeten worden het onderzoek nadat het verhoor heeft plaats gevonden zo snel mogelijk af te ronden zodat de invrijheidstelling van de verdachte kan worden gelast’, aldus voornoemde conclusies van de PG (en de Minister in voornoemde brief).  
          MH: het verplicht horen van de verdachte voor diens ivs zou zich kunnen beperken tot het in de gelegenheid stellen van de verdachte om over die mogelijke ivs opmerkingen te maken, waarbij ook weer gewezen wordt op het consultatierecht. 
      3. Nederlandse jurisprudentie
        1. 'Het hof overweegt, dat de verdediging niet heeft aangevoerd dat veroordeelde zijn verklaring niet vrijwillig heeft afgelegd. Ook nadat veroordeelde zijn advocaat had geraadpleegd is niet aangevoerd dat het niet raadplegen van de advocaat bij veroordeelde heeft geleid tot misverstanden dan wel het afleggen van zijn verklaring heeft beïnvloed. Ook in hoger beroep is niet betoogd dat de veroordeelde, had hij wel zijn raadsman kunnen raadplegen, een andere verklaring zou hebben afgelegd. Voorts heeft veroordeelde zijn verklaringen in verschillende instanties van de procedure in grote lijnen bevestigd. Daarnaast worden de verklaringen van veroordeelde, afgelegd op 22 juni 2004, in voldoende mate ondersteund door ander bewijs. Uit het voorgaande volgt dat het feit, dat veroordeelde niet in de gelegenheid is gesteld om voorafgaand aan de politieverhoren op 22 juni 2004 te overleggen met een raadsman, niet tot bewijsuitsluiting van de op die datum afgelegde verklaringen leidt of tot enig ander rechtsgevolg.'
          Hof Leeuwarden 28-04-09, LJN BI2564.
        2. 18 december 2009 is in kort geding de vordering van twee verdachten die in het politiebureau waren opgesloten om hun advocaat toe te laten tot de politieverhoren, afgewezen. 'Daarbij is onder meer overwogen dat niet zonder meer kan worden gezegd dat uit door de door het hof gebruikte woorden ‘access to a lawyer’ en ‘assistance of a lawyer’ kan worden afgeleid dat een advocaat toegang moet krijgen tot een politieverhoor van verdachte. Ook is overwogen dat op dit moment de uitspraak van het Europese hof door de verschillende rechtbanken en hoven wordt bestudeerd en inmiddels publicaties van enkele hoogleraren zijn verschenen die tot een verschillende interpretatie van de zaak Salduz komen. Onder deze omstandigheden is nader onderzoek nodig om de betekenis van het arrest van het Europese hof vast te stellen' (startpagina rechtspraak.nl 19-12-08, onder nieuws).
          Rechtbank Amsterdam 18-12-08, LJN BG7496.
        3. Voor de liefhebbers / diepgravers kan ook nog verwezen worden naar Hof Arnhem 18-12-08, LJN BG7489: verdachte was niet van zijn vrijheid beroofd en 'geen enkele omstandigheid is gesteld of gebleken waardoor de toegankelijkheid van die of enige andere advocaat voor verdachte belemmerd werd, hetzij als gevolg van enig actief optreden van de autoriteiten, hetzij door financiële onmacht, hetzij anderszins. Hij had steeds het recht en de feitelijke mogelijkheid de telefoon te pakken en zijn advocaat te bellen'.
      4. Relateer gang van zaken ook in het pv!!
        1. Uiteraard dient de gang van zaken tijdig, juist en volledig in het pv vermeldt te worden, ook in het voorgeleidings-pv! Inmiddels wordt er in het land driftig door rechters getoetst aan 'Salduz' en 'Panovits': is de aangehouden verdachte gewezen op diens consultatierecht en als verdachte die consultatie wenste, heeft hij dan inderdaad de mogelijkheid gekregen om voor het verhoor met zijn advocaat te spreken? Handelen in strijd met de regels uit 'Salduz en Panovits' kan leiden tot bewijsuitsluiting van de aldus verkregen bekennende verklaring van de verdachte (ook als hij zijn bekentenis heeft herhaald nadat hem bijstand door een raadsman is verleend). Als die bekentenis onmisbaar is voor het bewijs dan zal het gevolg vrijspraak zijn. En handelen in strijd met voornoemde regels kan bij een voorgeleiding leiden tot een onmiddellijke invrijheidstelling!!! 
        1. Tot slotuiteraard zijn er door het OM (per parket) interne richtlijnen (ook richting politie) uitgevaardigd. En voor het laatste nieuws binnen de jurisprudentie kan altijd binnen rechtspraak.nl gezocht worden op de zoekterm 'Salduz'.

  26. Waarnemingen door middel van een camera of het bekijken van een video-opname 
    1. Als verbalisanten of getuigen hun waarnemingen niet rechtstreeks doen, maar door middel van bijv. een camera of een opgenomen video¬film dan dient daarvan melding te worden gemaakt in het pv (redenen van wetenschap dienen zo goed mogelijk door verbalisanten in hun pv te worden vermeld). Het betreft immers een omstandigheid die zowel voor de verdachte als voor de rechter van belang is bij de controle op en de waardering van het pv. 
      Zakboek Proces-verbaal en bewijsrecht 16.14
  27. Seksuele handelingen met psychisch gehandicapten (art. 243 en 247 Sr)
    1. Voor veroordeling terzake seksuele handelingen met psychisch gehandicapten moet vaststaan dat het slachtoffer juist door die handicap niet of onvolkomen in staat was zijn wil te bepalen of kenbaar te maken of weerstand te bieden (zie delictsomschrijving). Voor veroordeling moet dus vast komen te staan dat de dader: a: (voorwaardelijk) opzet had op het plegen van het feit en b: wist (incl. voorwaardelijk opzet, zie hierna) dat het slachtoffer psychisch gehandicapt was én c: wist (incl. voorwaardelijk opzet, zie hierna) dat het slachtoffer als gevolg van de handicap niet of onvolkomen in staat was zijn wil te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden omtrent hetgeen de dader van zins was. Volgens de kamerstukken bevat de wet immers niet een algemeen verbod op seksuele handelingen met psychische gehandicapten. Het verbod beperkt zich tot gehandicapten met een stoornis die aan een vrije seksuele wilsvorming of wilsuiting in de weg staan. Zakboek Strafrecht voor de politie, 9.7 en 9.11.
  28. Machtiging binnentreden aanhouding geeft geen bevoegdheid tot doorzoeking ter aanhouding
    1. Een machtiging binnentreden ter aanhouding ingevolge art. 2 Algemene wet binnentreden geeft geen bevoegdheid tot doorzoeking ter aanhouding. Voor die doorzoeking is ingevolge art. 55a immers een afzonderlijke machtiging van de OvJ vereist. Die eis tot machtiging doorzoeking kan weer vervallen indien er sprake is van dringende noodzakelijkheid. Wel is het zo dat indien er een machtiging tot doorzoeking (door de OvJ dus) is verstrekt er geen machtiging tot binnentreden meer vereist is (art. 55a,2). Met name in het geval van een mondelinge machtiging tot doorzoeking lijkt het mij verstandig om zich wel te voorzien van een schriftelijke machtiging tot binnentreden (kan gezeur aan de deur voorkomen).
      Geen
      machtiging tot doorzoeken is vereist voor het doorzoeken ter aanhouding terzake het niet nakomen van een rechterlijk bevel handhaving openbare orde (art. 547) en terzake de tenuitvoerlegging van bevelen tot vrijheidsbeneming en veroordelende vonnissen of arresten (art. 565).
      "De bevoegdheid tot doorzoeking mag zich niet verder uitstrekken dan voor de aanhouding van de betrokkene noodzakelijk is. De doorzoeking dient te eindigen als de aanhouding van de betrokkene is voltooid" (aldus de Memorie van Toelichting). Een uitzondering hierop lijkt mij te zijn de verdere doorzoeking na aanhouding van de gezochte verdachte om een pand ‘schoon’ op te leveren voor een doorzoeking ter ibn. Voor de veiligheid van zoekers kan het immers noodzakelijk zijn het pand (verder) te doorzoeken op de aanwezigheid van eventuele andere (gevaarlijke) personen. Uiteraard alleen in opdracht van de tot doorzoeking belaste rechter of ambtenaar.
      Zakboek Hulpofficier 4.8.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.8.
  29. Veiligheidsfouillering
    1. Ook de enkele insluiting (ook als dit alleen plaatsvindt in verband met de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk vonnis) in een cel op een politiebureau is reeds een situatie die een verhoogd risico voor de veiligheid van de ingeslotene, eventuele celgenoten en politiebeambten inhoudt (mede gelet op de emoties die dat kan oproepen). Die insluiting vormt dus een omstandigheid welke een gevaar oplevert als bedoeld in art. 8 Politiewet. Een onderzoek aan de kleding van de in te sluiten persoon kan dus noodzakelijk zijn om dit gevaar af te wenden. HR, NJB 1995, 67 en DD 1995, 258. Zie ook HR, NJ 1976, 491

      Het insluiten van een verdachte die drugs bij zich heeft, schept een situatie waarin gevaar voor het leven of de veiligheid van die verdachte of voor politieambtenaren aanwezig is. Immers eenmaal ingesloten zou die verdachte de drugs tot zich kunnen nemen met mogelijk gevaar voor zichzelf (overdosis) en/of voor de politieambtenaren die met hem in contact komen (agressief gedrag).’ Aldus rechtmatig onderzoek aan lichaam. Dat hulpOvJ zich vergiste in grondslag bevoegdheid (Opiumwet kent géén onderzoek aan lichaam meer en art. 56 Sv vereist ernstige bezwaren die niet aanwezig waren) doet daar niet aan af. Hof ’s-Hertogenbosch 23-02-09, LJN BH6480. Zakboek Hulpofficier 5.4.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 4.4.
  30. Gegevens op pc afkomstig van of bestemd voor professioneel verschoningsgerechtigde
    1. Uit recente landelijke jurisprudentie blijkt dat art. 98 Sv en 125l Sv kennelijk nog niet helemaal ingedaald zijn bij politie en OM (en dat kan leiden tot soortgelijke problemen als bij de tap). Daarover het volgende (zie met name de rode tekstpassages)

      Van belang voor ibn en doorzoeken bij professioneel verschoningsgerechtigden is zoals bekend art. 98 Sv:

      1. Bij personen met bevoegdheid tot verschoning, als bedoeld bij art. 218 Sv, worden, tenzij met hunne toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt (MH: onder geschriften vallen ook digitale bestanden op informatiedragers zoals bijv. een pc of harde schijf met daarop  tekstuele bestanden (impliciet HR 20-02-07, LJN AZ3564, zie ook T&C, art. 98, aant. 5).
      2. Een doorzoeking vindt bij zodanige personen, tenzij met hun toestemming, alleen plaats voor zover het zonder schending van het stands‑, beroeps‑ of ambtsgeheim kan geschieden, en strekt zich niet uit tot andere brieven of geschriften dan die welke het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.

      Zie hierover zonodig uitgebreid de bespreking in het zakboek hulpOvJ

      Zie voor een onderzoek in een geautomatiseerd werk (bijv. een pc met daarin opgeslagen brieven en/of mails) waarin gegevens zijn opgeslagen die zijn ingevoerd door of vanwege professioneel verschoningsgerechtigden ook art. 125l Sv (zonder toestemming slechts uitsluitend voor zover dit zonder schending van het stands-, beroeps-, of ambtsgeheim kan geschieden). Zie voor dit onderzoek weer art. 98 Sv (inclusief de daarbij behorende standaardjurisprudentie). De HR merkte hierover nog op dat computerbestanden zich naar hun aard niet eenvoudig lenen voor afzonderlijk onderzoek en dat uiteraard wel voldoende gewaarborgd moet worden dat de in beslag genomen computers ex art. 125l Sv zullen worden onderzocht op een wijze waarbij het professioneel verschoningsrecht niet in het gedrang komt.
      Zakboek Hulpofficier 6.34.
  31. Opiumwet en onderzoek aan/in lichaam
    1. De Opiumwet geeft sinds 01-03-02 géén bevoegdheid tot onderzoek aan of in het lichaam meer!! Daarvoor moet teruggevallen worden op Sv: opsporingsfouillering aan het lichaam vanaf hulpOvJ, zie hoofdstuk 5. Gaat helaas nog vaak mis, zie recent bijv. hof 's-Hertogenbosch 23-02-09, LJN BH6480.
      Zakboek Hulpofficier 11.23.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.23.
  32. Uitingen die verklaringsvrijheid kunnen belemmeren (art. 285a)
    1. Art. 285a Sr
      1. Hij die opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift of afbeelding zich jegens een persoon uit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
      2.
      Met rechter of ambtenaar wordt gelijkgesteld: een rechter bij onderscheidenlijk een persoon in de openbare dienst van een internationaal gerecht dat zijn rechtsmacht ontleent aan een verdrag waarbij het Koninkrijk partij is.

      Meer dan incidenteel zoekt een verdachte die ontslagen wordt uit diens ivs of vh contact met de getuige die tegen hem, verdachte, een belastende verklaring heeft afgelegd. Doet deze verdachte dit ‘kennelijk om de vrijheid van de getuige om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar (MH: dus ook een politieambtenaar) een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd’ dan levert dit een verdenking van overtreding van art. 285a Sr op. En dat geldt bijv. natuurlijk ook voor degene die dat namens de verdachte meent te moeten doen. Op dit feit staat vh zodat aanhouding buiten heterdaad, ivs en vh mogelijk is.

      Art. 285a is aldus van groot belang voor de dagelijkse opsporingspraktijk, immers:
      - strekking van de bepaling is te voorkomen dat getuigen door dreigementen of op andere manieren worden beïnvloed en daardoor niet meer in vrijheid een verklaring kunnen afleggen bij de rechter of bij een (politie)ambtenaar;
      - de bepaling beperkt zich niet alleen tot getuigen of deskundigen, maar ziet op een ieder die een verklaring die rechtsgevolgen kan hebben tegenover een rechter of ambtenaar wil afleggen. De strafbepaling geldt ook voor verhoor in politiële fase. Een voorbeeld van een verklaring is een aangifte of klacht ter zake een strafbaar feit gedaan bij de politie;
      - de bepaling is bedoeld voor situaties waarin (nog) geen sprake is van het uitlokken van meineed, ófwel omdat het causale verband tussen de bedreiging en de meineed ontbreekt, ófwel omdat het gebruikte uitlokkingsmiddel niet voldoet aan de in art. 47 Sr gestelde eisen ófwel omdat de bedreigde persoon door de politie wordt verhoord en dus nog niet onder ede staat;
      - doel van de bepaling is niet alleen de verklaringsvrijheid te waarborgen in strafrechtelijke procedures, maar ook in andere procedures;
      - onder dit artikel valt ook:
         - de beïnvloeding van een getuige om terug te komen op een eerder afgelegde verklaring of die verklaring te wijzigen (ook de poging van een advocaat tot uitlokking van de beïnvloeding van een getuige);
        - de beïnvloeding van een persoon waardoor deze zich genoodzaakt ziet de verklaring helemaal niet af te leggen (en weg te blijven); - niet vereist wordt dat de kennelijke bedoeling van beïnvloeding ook tot een daadwerkelijke beïnvloeding heeft geleid.
      Zakboek Strafrecht voor de politie 11.9
  33. Verhoor verdachte als getuige
    1. Vooropgesteld moet worden ‘dat geen rechtsregel er aan in de weg staat dat opsporingsambtenaren in de fase van het opsporingsonderzoek een persoon afwisselend in verschillende hoedanigheden verhoren. Het is dus mogelijk dat iemand eerst wordt verhoord als aangever en/of getuige, daarna als verdachte en vervolgens weer als aangever/getuige. Wel brengt de eis van een goede procesorde mee dat duidelijk wordt gemaakt in welke hoedanigheid de desbetreffende persoon wordt verhoord. Bij het verhoor als verdachte dienen de daarvoor geldende waarborgen in acht te worden genomen zoals het doen van de mededeling als bedoeld in art. 29, tweede lid, Sv.’

      HR, NJ 1999, 63. Eerder ook al in HR, NJ 1990, 77 en recent wederom Hof ’s-Gravenhage 05-12-08, LJN BG6133.
      Nieuwe paragraaf zakboek HulpOvJ en Proces-verbaal en Bewijsrecht in editie 2010.
  34. Afplakken beveiligingssensor
    1. Een verdachte die betrapt wordt op het afplakken van ‘alleen maar’ de (bewegings)sensoren van een beveiligingsinstallatie kan mijns inziens aangehouden (en vervolgd) worden op verdenking van (medeplichtigheid aan) poging tot diefstal. Of bij een daarna gevolgde inbraak op verdenking van medeplichtigheid of medeplegen van die inbraak. Van belang daarbij is wat de verdachte gedaan heeft, hoe de alarminstallatie eruit ziet en werkt, wat de verdachte verklaart, enz. en daar moet het pv duidelijkheid over verschaffen.

      Een soortgelijke casus is al eens door de HR beoordeeld met als conclusie dat het vernielen van (een kabel van) een alarminstallatie braak kan opleveren (1).

      De AG bij de HR merkte daarover het volgende op. Een alarminstallatie vormt voor degene die van plan is uit een pand goederen weg te nemen, immers evenals een afgesloten deur een belemmering dat pand binnen te gaan. Het onklaar maken van zo'n installatie is noodzakelijk om het pand te kunnen betreden en daar goederen te kunnen wegnemen. Dat zou in ieder geval aldus kunnen worden uitgelegd dat de ‘inbreker’ de goederen onder zijn bereik brengt door de alarminstallatie te vernielen. Hij verschaft zich immers aldus de mogelijkheid na het betreden van het pand ongestoord zijn gang te gaan. Maar evenzeer verdedigbaar is dat het feitelijk vanwege het risico van vrijwel onmiddellijke betrapping niet mogelijk is in een door alarm beschermd pand in te breken zonder de alarminstallatie onklaar te maken en dat men zich de mogelijkheid van toegang tot het pand pas verschaft heeft, als die installatie onklaar is. Het arrest van de HR ruim uitleggende kan er mijns inziens bij het afplakken van een alarminstallatie (wat nog geen braak/verbreking behoeft op te leveren) wel degelijk sprake zijn van poging 311 of 310 Sr. De uiterlijke verschijningsvorm (zie 2.2) van het afplakken is immers gericht op het ongestoord kunnen stelen. En natuurlijk weet ik dat ook vernieling in beeld kan komen (‘onbruikbaar maken’). Ook op vernieling staat inmiddels vh en mag bijv. dus buiten heterdaad aangehouden worden.

      (1) HR, NJ 1997, 575, zie ook de uitgebreide noot onder NJ 1997, 576. Zie ook HR 20-12-05, LJN AU6373 (doorzagen telefoonkabel).

      Zakboek Strafrecht 14.1
  35. Aanwijzingen van het college van PG’s
    1. Aanwijzingen van het college van PG’s bevatten dwingende regels hoe wel of niet te handelen op een bepaald terrein van de opsporing of vervolging en zijn daarom dus van groot belang voor de dagelijkse opsporings- en vervolgingspraktijk. Overtreding van zo’n aanwijzing kan leiden tot bewijsuitsluiting en zelfs niet-ontvankelijkheid. En als de rechter het OM in een strafzaak niet-ontvankelijk verklaart, dan heeft dit tot gevolg dat de rechter de betreffende zaak niet verder in behandeling neemt (einde zaak dus). Zie over niet-ontvankelijkheid verder het zakboek hulpOvJ 3.14. Zie voor vele voorbeelden de zakboeken in diverse paragrafen, bijv. 9.1 van het zakboek Strafrecht voor de politie: handelen in strijd met de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik zal al snel leiden tot niet-ontvankelijkheid. De aanwijzingen zijn terug te vinden op overheid.nl > wet en regelgeving > gepubliceerde beleidsregels en circulaires (betrouwbaar en actueel). Vink onder punt 3 in het vak ‘In de titel’ aan ‘Woord(en) uit de titel’ en type vervolgens het woord ‘aanwijzing’ én een woord wat vermoedelijk in de titel van de aanwijzing staat. Te denken valt aan huiselijk geweld, inverzekeringstelling, tolken, seksueel misbruik, lichten, ontneming, inbeslagneming bij verkeersdelicten, onderzoek rijden onder invloed, invordering van rijbewijzen, discriminatie, witwassen, mensenhandel, Opiumwet, verlaten plaats ongeval, verkeersongevallen, enz., enz. Als je alleen het woord ‘aanwijzing’ invult worden de titels van (bijna) alle aanwijzingen weergegeven en kun je met de combinatie van de toetsen Ctrl en F fulltext zoeken in het overzicht van de titels en vervolgens een aanwijzing ‘aanklikken’. Voor het vinden van richtlijnen (‘eisen’ van het OM) geldt hetzelfde als hiervoor opgemerkt.
      Nieuwe paragraaf zakboek hulpOvJ en opsp. ambt., op te nemen in editie 2010.
  36. Legitimatieplicht
    1. De (politie)ambtenaar dient zich bij diens optreden in uniform op verzoek daartoe te legitimeren. Treedt de (politie)ambtenaar in burger op dan dient hij zich ongevraagd te legitimeren, tenzij bijzondere omstandigheden dit onmogelijk maken (art. 2 Ambtsinstructie) (met dank aan Cees van Welij).
      Zakboek Hulpofficier 3.29.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.26.
  37. Herkenning verdachte vanaf print door opsporingsambtenaar
    1. Regelmatig worden misdrijven door bewakingscamera's geregistreerd en vastgelegd. Bij een onbekende verdachte plaatst de behandelend opsporingsambtenaar vaak een foto van die camerabeelden waarop de verdachte te zien is op het interne korpsnet met de vraag of collega's de verdachte herkennen. Meer dan incidenteel herkent vervolgens een collega-opsporingsambtenaar ergens uit de regio de verdachte. Die opsporingsambtenaar maakt dan een pv op, vermeldt daarin dat hij de verdachte ambtshalve herkent en vermeldt vervolgens de personalia. Helaas ontbreekt daarbij vaak waaraan die opsporingsambtenaar de verdachte herkend heeft. Bijv. dat die opsporingsambtenaar als buurtregisseur (wijkagent) de verdachte "tig" keer heeft bezocht vanwege problemen in het gezin of bijv. al vaker onderzoek heeft gedaan naar deze verdachte en hem ook al eerder een aantal keren heeft verhoord. In ieder geval wordt dan duidelijk dat die opsporingsambtenaar de betreffende verdachte (vaker) in persoon heeft gezien en hem daarvan dus herkent (en kan herkennen). Een dergelijke vermelding maakt de bewijskracht van de herkenning groter en is in zaken waarin de verdachte ontkent van groot belang!
      Met dank aan Hilbrand Pastoor
      Parketsecretaris (hopper) Amsterdam
      Zakboek HulpOvJ 3.27
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.22
  38. Beperk het bevel ivs niet tot één feit als er voor meerdere vh-feiten een onderzoeksbelang bestaat
    1. Een verdachte was aangehouden op verdenking van overtreding van onder meer valsheid in geschrift, verduistering en oplichting. Tijdens het ophouden voor onderzoek werd verdachte door de hulpOvJ in verzekering gesteld voor de valsheid in geschrift. De verdachte had de valsheid in geschrift reeds vóór de ivs bekend, de andere twee feiten (verduistering en oplichting) bleef verdachte ontkennen. Volgens het zogenoemde toetsingsverbaal op grond waarvan de verdachte conform art. 59a Sv werd voorgeleid bij de RC diende naar de verduistering en oplichting (waarvoor de verdachte dus niet in verzekering was gesteld) nog nader onderzoek plaats te vinden, onder meer door het horen van getuigen. De RC oordeelde echter dat de ivs onrechtmatig was nu er ten aanzien van de valsheid in geschift geen onderzoeksbelang meer aanwezig was als bedoeld in art. 57 Sv. Dat er wel onderzoeksbelang bestond voor de verduistering en oplichting was daarbij volgens de RC niet van belang omdat blijkens het bevel ivs de ivs niet voor die feiten was verleend. Van belang is dus om in het bevel ivs alle vh-feiten waarbij onderzoeksbelang aanwezig is op te nemen, zodat in het geval dat met betrekking tot het ene feit het onderzoeksbelang is komen te vervallen, de ivs op grond van onderzoeksbelang ten aanzien van een ander feit rechtmatig kan voortduren. 

      Met dank aan OvJ Bongers. 
      Zakboek HulpOvJ 4.18 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.17
  39. Bewijskracht kopieën pv
    1. Een gewaarmerkt afschrift van een pv heeft in beginsel dezelfde bewijskracht als het origineel zelf. Het waarmerk moet afkomstig zijn van degene die het afschrift vervaardigde (en dat hoeft dus niet de verbalisant te zijn).  Het waarmerk mag niet alleen te bestaan uit de tekst "kopie conform het origineel" maar dient daarbij ook de naam en functie te vermelden van degene die het waarmerk heeft geplaatst.
      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 4.6
  40. Bloedafname bij overleden verdachte na vermoedelijke overtreding WVW
    1. Als een verdachte is komen te overlijden 'bestaat er binnen de WVW 1994 geen enkele basis om na het overlijden (bijvoorbeeld aan de gevolgen van een verkeersongeval) alsnog bloed af te nemen. Gelet op artikel 69 Sr. vervalt het recht tot strafvordering bij het overlijden van verdachte. Indien niet onmiddellijk duidelijkheid bestaat omtrent de doodsoorzaak dan heeft het OM de mogelijkheid om een opdracht tot sectie te geven (art.73, eerste lid, onder a, van de Wet op de Lijkbezorging). Vanzelfsprekend zal met die bevoegdheid uiterst terughoudend moeten worden omgegaan. Opmerking: In het convenant afspraken OM en de Onderzoeksraad van veiligheid zijn omtrent sectie en onderzoeken op basis van de Rijkswet Onderzoeksraad van veiligheid specifieke afspraken opgenomen', aldus het college van PG's in de aanwijzing inzake rijden onder invloed (zie voor de aanwijzing van het college www.om.nl).

      Zakboek HulpOvJ 11.17.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.17.
  41. Beperkingen
    1. Gelet op het systeem van de wet kunnen de maatregelen genoemd in art. 62 lid 2, onder a en b Sv (beperkingen en/of overbrenging naar ziekenhuis) niet tijdens het ophouden voor onderzoek worden toegepast. Als zo´n maatregel tijdens het ophouden voor onderzoek toch dringend vereist is (denk met name aan de beperkingen) dan is de oplossing een vervroegde ivs (mits uiteraard aan de voorwaarden daarvoor voldaan is) en vervolgens toepassing van de maatregel. En met het opleggen van beperkingen moet in voorkomende gevallen niet gewacht worden tot de voorgeleiding bij de OvJ/RC (ibs). Immers tot die tijd is niet alleen de verdachte vrij in zijn contacten over de strafzaak maar ook de verdediging (bespreking processtukken met bijv. het thuisfront en/of getuigen, enz.). In zaken die zich daarvoor lenen (hoog afbreukrisico) dienen de beperkingen al tijdens de ivs opgelegd te worden. Neem daarover in voorkomende gevallen contact op met de OvJ.
      Met dank aan OvJ Bijleveld.

      Zakboek Hulpofficier 4.31.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.25.
  42. Schriftelijke bevestiging mondelinge vordering observatie en telefoontap
    1. Bij dringende noodzaak kunnen (ondermeer) bevelen observatie en telefoontap door de OvJ mondeling worden gegeven. De OvJ moet in dat geval het bevel binnen drie dagen op schrift stellen. Daartoe dient uiteraard bijtijds een pv aangeleverd te worden en dat wil nog wel eens mis gaan. 

      Vragen die zich vervolgens in de praktijk voordoen is hoe dit nu rond het weekend en/of feestdagen moet.

      Daartoe moet allereerst art. 130 Sv in ogenschouw genomen worden. Dit artikel bepaalt dat waar een termijn in dagen is uitgedrukt, daaronder worden verstaan vrije dagen, voor zoover niet uit enige bepaling het tegendeel volgt. 

      Met "vrije dagen" wordt niet bedoeld de dagen waarop in het algemeen niet wordt gewerkt maar daarmee wordt te kennen gegeven dat de dag waarop de gebeurtenis aan welke de termijn zich aansluit is voorgevallen, bij de berekening van de termijn niet meetelt. Zo telt dus de dag waarop het mondeling bevel is gegeven niet mee. Is het mondelinge bevel bijv. gegeven op vrijdag, dan begint de termijn dus pas te tellen op zaterdag. 

      Nadat we dit hebben vastgesteld moeten we vervolgens kijken naar art. 2 van de Algemene Termijnenwet en volgens dat artikel wordt de termijn van drie dagen, zo nodig, zoveel verlengd, dat daarin ten minste twee dagen voorkomen die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag zijn. Is het mondeling bevel dus gegeven op de vrijdag (welke dag voor de berekening niet meetelt, zie hiervoor) dan moet de mondelinge vordering dus uiterlijk dinsdag schriftelijk vastgelegd worden (dinsdag is dan immers de tweede dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is).

      De erkende feestdagen zijn geregeld in art. 3 van de Algemene Termijnenwet (i.v.m. art. 136 Sv):

      1. Algemeen erkende feestdagen in de zin van deze wet zijn: de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd en de vijfde mei.  2. Voor de toepassing van deze wet wordt de Goede Vrijdag met de in het vorige lid genoemde dagen gelijkgesteld.  3. Wij kunnen bepaalde dagen voor de toepassing van deze wet met de in het eerste lid genoemde gelijkstellen. Ons besluit wordt in de Nederlandse Staatscourant openbaar gemaakt.

      Samenvattend voor bevelen bijzondere opsporingsbevoegdheden: vorenstaande geeft rond het weekend de nodige speelruimte. Een mondeling bevel gegeven op donderdag behoeft immers pas op maandag schriftelijk bevestigd te worden. En een bevel gegeven op vrijdag pas op dinsdag. Voor de zekerheid bericht ik ook nog maar even dat ingevolge art. 4 van de Algemene termijnenwet e.e.a. dus niet geldt voor termijnen van vrijheidsbeneming en ingevolge art. 6 lid 2 Awbi ook niet voor een machtiging binnentreden. Die termijnen eindigen dus gewoon als de tijd van de termijn verstreken is (dus ook in het weekend of op een feestdag).

      Zakboek Hulpofficier 3.46.

  43. Herhaalde toepassing van dwangmiddelen
    1. Geef in het onderliggende pv voor zover van toepassing altijd goed aan wat de reden is voor het herhaald toepassen van het dwangmiddel tegen dezelfde verdachte terzake hetzelfde feit (vanwege gewijzigde omstandigheden, bijv. in de vorm van een nieuw redelijk vermoeden van schuld of ernstige bezwaren). Dat kan problemen bij de RC en op zitting voorkomen. En als er sprake is van het herhaald toepassen van een dwangmiddel tegen dezelfde verdachte maar terzake een nieuw feit relateer dat dan ook duidelijk in het aanhoudings-pv en/of het bevel ivs (door dat nieuwe feit goed te omschrijven).

      Zakboek Hulpofficier 3.24.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.19.
  44. Letsel verdachte bij geplande arrestatie
    1. Als er bij een vooraf geplande arrestatie bij de aangehoudene ernstige verwondingen ontstaan dient de overheid (politie) te bewijzen dat dit letsel niet aan haar verweten kan worden door overtuigend en geloofwaardig aan te tonen dat het gebruik van geweld tijdens de arrestatie niet excessief was.
      EHRM, NJB 2001, 5 (Rehbock)
      Zakboek Hulpofficier 3.30.
  45. Schriftelijke vastlegging mondelinge machtiging doorzoeking
    1. Voor een spoeddoorzoeking gebaseerd op art. 97 Sv moet de (hulp)OvJ voorzien zijn van een voorafgaande machtiging van de RC. Die machtiging kan bij grote spoed mondeling verleend worden maar dient dan achteraf op enigerlei wijze te worden vastgelegd, bijv. in een beschikking van de RC of in een door de griffier van de RC gemaakt pv. Die beschikking of het pv dient bij de processtukken gevoegd te worden. Aldus de Kamerstukken 23251 nr. 3, Corstens, 5e druk, 14.19 en de rechtbanken Maastricht, NS 2003, 37 en Zwolle-Lelystad 24-06-08, LJN BD9163.
      Zakboek Hulpofficier 6.11.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 5.11.
  46. De politie dient zich onder bepaalde omstandigheden meer dan gebruikelijk in te spannen om ervoor zorg te dragen dat een inverzekeringgestelde verdachte tijdig van rechtsbijstand wordt voorzien
    1. Op grond van art. 40 Sv is de (hulp)OvJ verplicht onverwijld een raadsman (via de piketdienst) over een ivs in te lichten. In de praktijk lijkt die onverwijldheid te wensen over te laten. Ook als er na onverwijlde inlichting geen raadsman binnen aan aantal uur verschijnt is het verstandig zo spoedig mogelijk nogmaals te faxen en/of te bellen. Praktijkervaring leert bijv. dat er met de verzending en/of ontvangst van een fax wel eens iets misgegaan kan zijn. Niet inlichten of niet ten spoedigste inlichten van een raadsman kan leiden tot een onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte uit diens ivs door de RC en een afwijzing van een vordering ibs.

      Recent overwoog de rechtbank Amsterdam nog dat de politie zich onder bepaalde omstandigheden meer dan gebruikelijk dient in te spannen om ervoor zorg te dragen dat een inverzekeringgestelde verdachte tijdig van rechtbijstand wordt voorzien (‘toen (MH: na de melding bij de piketdienst) echter op zaterdag en zondag bleek dat geen advocaat zich voor verdachte had gemeld, had van de politie mogen worden verwacht dat zij zich actiever had opgesteld en nader onderzoek had ingesteld).

      Rechtbank Amsterdam 26-06-08, NS 2008, 320 (niet op rechtspraak.nl).
  47. Ophouden voor onderzoek en vrijwillige verschijning
    1. Bij vrijwillige verschijning van een verdachte (bijv. na ontbieding) is de termijn van ophouden voor onderzoek zes uur na aankomst op de plaats van het onderzoek verstreken. Indien de verdachte dan naar huis wil kan hij niet meer voor onderzoek worden opgehouden, de verdachte dient daarop gewezen te worden. Verschijnt een verdachte dus vrijwillig aan het bureau en na een uur besluit men hem na een uur alsnog aan te houden, dan heeft men zodoende nog maximaal vijf uur voor het ophouden voor onderzoek ter beschikking.

      Zakboek Hulpofficier 4.13.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.12.
  48. Mening minderjarige bij bepaalde zedenmisdrijven
    1. Sinds 1 oktober 2002 dient het nieuwe art. 167a Sv in acht genomen te worden: terzake van een misdrijf, omschreven in art. 245 (seksueel binnendringen van iemand beneden 16 jaar), 247 (ontucht met bewusteloze, onmachtige, gestoorde of kind) of 248a Sr (verleiding van minderjarige tot ontucht) en gepleegd ten aanzien van een minderjarige die twaalf jaren of ouder is, stelt het OM de minderjarige zo mogelijk in de gelegenheid zijn mening over het gepleegde feit kenbaar te maken. Iets wat in de praktijk nog wel eens over het hoofd wordt gezien.....
      Zakboek Strafrecht 9.9, 9.11 en 9.13.
  49. Feitelijke aanranding van de eerbaarheid: heimelijk filmen van seksuele handelingen
    1. Het heimelijk filmen van seksuele handelingen is een onaanvaardbare inbreuk op iemands privacy en is dan ook in strijd met sociaal-ethische normen. Het kan daarom worden gekwalificeerd als ontuchtige handeling in de zin van art. 246 Sr.
      Rechtbank 's-Hertogenbosch 07-08-08,  LJN BD9381.
      Zakboek Strafrecht 9.10.
  50. Voorgeleiding bij RC (rechtmatigheidstoetsing ivs)
    1. In art. 59a lid 1 Sv staat vermeld dat de verdachte uiterlijk binnen drie dagen en vijftien uur (te rekenen vanaf het tijdstip van de aanhouding!) voor de RC dient te worden geleid. De RC dient de rechtmatigheid van de ivs te beoordelen en daartoe te toetsen: 1. of degene die in verzekering is gesteld iemand is te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit; 2. of er sprake is van verdenking van een strafbaar feit waarvoor vh is toegelaten; 3. of de ivs in het belang van het onderzoek is; 4. of de met betrekking tot de ivs in de wet neergelegde vormvoorschriften in acht zijn genomen; 5. of de ivs niet op andere gronden, bijv. wegens strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde onrechtmatig is. Om de ivs te kunnen toetsen dienen bij de processtukken (meestal bestaande uit een voorgeleidings-pv met bijlagen) gevoegd te zijn: - stukken waaruit de verdenking blijkt (voor zover van toepassing valt hier bij te denken aan bijv. de aangifte, verklaring getuige(n), bevindingen TR/FE, enz.); - pv van aanhouding; - pv verhoor ivs; - bevel ivs; - verhoor verdachte; - korte weergave stand van zaken van het onderzoek én waaruit het onderzoeksbelang voor de ivs verder bestaat (zie daarover uitgebreid het zakboek)!
      Zakboek HulpOvJ 4.29.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.24.
  51. Machtiging binnentreden
    1. Alhoewel de HR in het verleden meermalen heeft beslist dat niet vereist is dat de machtiging zich bevindt bij de processtukken, ben ik van mening dat dit maar beter wel kan gebeuren. Op zitting worden nogal eens verweren gevoerd over het vermoedelijk niet juist ingevuld zijn van de machtiging en de praktijk leert dat de rechter dan toch vaak de machtiging wil zien om een en ander te controleren. En bij een strafzaak terzake verzet tegen het binnentreden moet de machtiging zich wel altijd bij de stukken bevinden omdat de rechtmatigheid van het optreden van de betreffende ambtenaar uit de bewijsmiddelen moet blijken.
      Zakboek HulpOvJ 7.13.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 6.13.
  52. Slachtofferschap bij heling
    1. Slachtoffers van heling worden meer dan incidenteel onvoldoende in de gelegenheid gesteld hun schade in het strafproces te verhalen op helers. ‘De opvatting dat de strafbaarstelling van heling niet (mede) strekt ter bescherming van het belang van de rechthebbende op het geheelde goed en dat een bestolene reeds daarom niet als benadeelde partij aanspraak kan maken op vergoeding van zijn schade door de heler is niet juist. De concrete omstandigheden van het geval zijn bepalend voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen de helingshandeling en de door de rechthebbende op het geheelde goed geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door die helingshandeling rechtstreeks schade heeft geleden’. [1]
      Om schadeverhaal voor het slachtoffer te vergroten is de inhoud van de verklaring van de heler en mogelijke getuigen / andere verdachten in het politieonderzoek van groot belang. Uit die verklaringen kan blijken of de heling en het gepleegde strafbare feit in nauwe relatie met elkaar staan. Of op welke wijze de heler het goed heeft ontvangen, in welke staat het op dat moment verkeerde en of daarna waardevermindering is ontstaan, waardoor in de helingsfase (verdere) schade is ontstaan. Het vinden van bijv. originele onderdelen en andere gerelateerde gesloopte goederen in de garage van de heler kan daartoe bijdragen. In die gevallen zal voeging in de strafprocedure mogelijk zijn en is er meer kans op succes in een civiele vordering.
      [1] HR, NJ 1998, 537 (schuld af laten betalen door gestolen geld) en HR 30-03-2004, LJN AO3291 (heler rijdt schade aan gestolen auto).
      Met dank aan Wim Verbeeke, coördinator slachtofferzorg Politie Utrecht.
  53. Pitbulls
    1. Tot voor kort gold onverkort de Regeling agressieve dieren (verder RAD te noemen), gebaseerd op art. 73 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Op basis daarvan was het verboden pitbulls te fokken, in Nederland te brengen, te koop aan te bieden of te verkopen maar ook voorhanden te hebben. De HR overwoog daarover dat de vraag of een dier kon worden aangemerkt als een hond van het pitbullterriërtype diende te worden beantwoord aan de hand van de maatstaf of het dier ‘in belangrijke mate’ voldeed aan de in de bij art. 2 van de RAD behorende bijlage genoemde (33) karakteristieken. Een hond behoefde dus niet aan al die karakteristieken te voldoen om te kunnen worden aangemerkt als een pitbull.

      Een commissie van wijzen heeft echter geconstateerd dat na vijftien jaar de RAD niet heeft geresulteerd in minder bijtincidenten waarbij pitbulls zijn betrokken en dat daarnaast de RAD zich te eenzijdig richt op pitbulls, terwijl ook andere type honden veelvuldig bij bijtincidenten zijn betrokken. In voorbereiding is dan ook een nieuwe regeling op basis van voornoemd art. 73 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Deze regeling moet het mogelijk maken om honden in beslag te nemen met een schofthoogte van ten minste 35 centimeter die abnormaal agressief gedrag vertonen. Honden die op basis van dit vermeende abnormale agressieve gedrag in beslag zijn genomen ondergaan een gevalideerde gedragstest die afgenomen wordt door gedragsdeskundigen. Deze test moet nog worden ontwikkeld.

      Hoewel de nieuwe regeling nog in de maak is, zullen honden die vanaf 30 mei 2008 in beslag zijn of worden genomen op basis van de RAD niet meer worden gedood. Pitbulls mogen ook niet meer uitsluitend op basis van uiterlijke kernmerken in beslag worden genomen. Ibn van honden die daadwerkelijk agressief gedrag vertonen blijft evenwel nog wel mogelijk op basis van de huidige RAD en op basis van art. 350 en 425 Sr. Op basis van de RAD zullen echter alleen honden worden in beslag genomen die voldoen aan de uiterlijke kenmerken van een pitbull én die agressief gedrag vertonen. In overleg met gedragsdeskundigen zal een aanpak worden geformuleerd voor deze honden totdat de gevalideerde test beschikbaar is. Blijkt de hond abnormaal agressief te zijn dan zal hij alsnog worden geëuthanaseerd.

      Bovenstaande is gebaseerd op de brief van het college van PG’s aan de hoofd-ovj’s en hoofd-ag’s d.d. 09-06-08. Zie ook de brief van de minister van LNV aan de Tweede kamer, kamerstukken 28286, nr. 218 (te vinden via www.overheid.nl.
  54. Eén raadsman voor meerdere verdachten 
    1. Op grond van art. 40 is de (hulp)OvJ verplicht onverwijld een raadsman over de ivs in te lichten. Er is een zogenaamde " piketdienst" bij de advocatuur, waardoor tijdens de ivs toevoeging van een raadsman mogelijk is. Indien het niet raadzaam geacht wordt dat één raadsman voor meerdere verdachten in hetzelfde onderzoek optreedt (tegenstrijdige belangen) kan de hulpOvJ dat aan die "piketdienst" meedelen en verzoeken om meerdere raadslieden. Indien op dat verzoek niet wordt ingegaan zou de hulpOvJ in extreme gevallen contact op kunnen nemen met de OvJ om te kijken of art. 50.2 toegepast dient te worden. Dit laatste geldt natuurlijk ook indien tijdens het ophouden voor onderzoek zich één raadsman voor meerdere verdachten meldt. 
      Zakboek HulpOvJ 2.6.  
      Zakboek Opsporingsambtenaar 1.5.
  55. Onderzoek telefoon uit fouillering
    1. Zonder bewuste en vrijwillige toestemming van de verdachte en zonder uitdrukkelijke bevoegdheid daartoe mag zijn telefoon (aanwezig in bijv. diens fouillering) niet onderzocht worden. Een uitdrukkelijke bevoegdheid daartoe is terug te vinden in bijv. art. 55b Sv (fouillering en onderzoek meegevoerde voorwerpen ter vaststelling identiteit) of art. 96 Sv (ibn terzake de verdenking van een strafbaar feit, en onderzoek dan alleen maar toegestaan voor de waarheidsvinding van het strafbare feit waarvoor ibn). 'De enkele omstandigheid dat in het werkgebied van de verbalisanten regelmatig telefoons worden ontvreemd en bij de verdachte twee telefoons werden aangetroffen maakt niet dat het de verbalisanten reeds daarom vrij stond om de telefoons te onderzoeken' (rechtbank Amsterdam 01-02-08, NS 08-161).
  56. Géén aanhouding voor ‘noh-vonnis’.
    1. Onder een noh-vonnis wordt verstaan een vonnis wat nog niet onherroepelijk vaststaat (vandaar de naam ‘noh’-vonnis). Tegen een noh-vonnis kan vaak nog een rechtsmiddel ingediend worden (verzet, hoger beroep of cassatie) en het vonnis kan daarom nog niet geëxecuteerd (ten uitvoer gelegd) worden. Noh-vonnissen moeten (voor er van executie sprake kan zijn) vaak nog ‘betekend’ (kennisgegeven) worden aan de veroordeelde. En voor die betekening/kennisgeving mag een veroordeelde niet worden aangehouden (verzet daartegen is dus ook niet strafbaar). De betreffende persoon kan slechts op vrijwillige basis mee naar het bureau gaan om die betekening/kennisgeving te doen.
      Formulieren voor die betekening/kennisgeving zijn terug te vinden in de computersystemen van bijv. de politie. Zie zonodig ook de Aanwijzing executie (vervangende) vrijheidsstraffen, taakstraffen meerderjarigen, geldboetes, schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen (op om.nl). Betekening/kennisgeving vindt ook en meestal plaats door justitie (via de post).
      Zakboek HulpOvJ 4.2
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.2
  57. Binnentreden en pv
    1. Als een verdachte is aangehouden in een woning dan dient het pv wel te vermelden of de betreffende woning met toestemming is betreden dan wel met een machtiging (of in uitzonderlijke gevallen: dat er sprake is van een geval uit art. 2 lid 3 Awbi: zonder toestemming en zonder machtiging want ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen waardoor terstond moest worden binnengetreden).
      Met dank aan OvJ Nijkerk.

      Zakboek HulpOvJ 3.31
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.24
  58. Happy Slapping: medeplegen openlijk geweld door filmen openlijk geweld 
    1. Verdachte heeft zelf geen geweld gepleegd. Wel is zij aanwezig geweest bij het door haar mededaders gepleegde geweld en heeft dat gefilmd met een daartoe meegebrachte videocamera. Omdat dit van tevoren in haar aanwezigheid was besproken wist verdachte wat haar mededaders van plan waren: het van de fiets af trappen van willekeurige fietsers. Verdachte heeft derhalve het risico dat er geweld zou worden gebruikt welbewust op de koop toe genomen. Verdachte heeft niets ondernomen om het geweld te voorkomen of te stoppen, maar is door blijven filmen. In de beleving van zowel de slachtoffers als de getuigen versterkte het filmen van de gedragingen van haar mededader onmiskenbaar de dreiging en het geweld dat van hen uitging. Bovendien heeft verdachte, door de gedragingen van haar mededaders te filmen, in sterke mate bijgedragen aan de sfeer van ontremming waarin zij verkeerden en waarin zij tot de ten laste gelegde handelingen overgingen. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte welbewust heeft deelgenomen aan het openlijk geweld, en daaraan bovendien een zodanig significante bijdrage heeft geleverd dat zij moet worden aangemerkt als medeplegen. Rechtbank Den Bosch 19-10-04, LJN AR4184. 

      Zakboek Strafrecht voor de Politie 4.17.
  59. Beslag door opsporingsambtenaar tijdens doorzoeking RC
    1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in art. 67,1, is de opsp. ambt. bevoegd de daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te nemen en daartoe elke plaats te betreden (art. 96 Sv). Deze bevoegdheid kan ook worden toegepast tijdens een doorzoeking door de RC waarbij onverwacht voorwerpen worden aangetroffen die geen betrekking hebben op de zaak waarvoor de RC aan het doorzoeken is. Bijv. kennelijk van diefstal afkomstige voorwerpen tijdens een zoeking naar drugs of wapens (voortgezette toepassing). En bij het aantreffen van een vuurwapen of drugs ten tijde van een RC-zoeking terzake diefstal en/of heling is de beslagbevoegdheid uiteraard terug te vinden in resp. de Wet wapens en munitie en de Opiumwet. 

      Hoewel die juridische bevoegdheid voor opsporingsambtenaren bestaat, zal daadwerkelijke inbeslagneming altijd moeten plaatsvinden in overleg met de ter plaatse aanwezige (hulp)OvJ. Deze is per slot van rekening leider van het onderzoek! De incidentele mening in de opsporingspraktijk dat de RC zelf tijdens een doorzoeking niets meer in beslag hoeft te nemen omdat opsp. ambt. dit op basis van zijn eigen bevoegdheid ook kan doen is niet juist. 

      Met dank aan Henk Meijer, docent Politieacademie.

      Zakboek HulpOvJ 6.10, 11.20 en 11.22. 
      Zakboek opsp. ambt. 5.10, 10.20 en 10.22.
  60. Verbeurdverklaring handelsgeld/opbrengst verdovende middelen
    1. Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn ondermeer (art. 33a lid 1 Sr):

      a. voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van het strafbare feit zijn verkregen;
      MH:
      - bijvoorbeeld geld dat grotendeels is verkregen door handel in verdovende middelen (ook als dit inmiddels is vermengd met ander geld (in art. 33a onder 1a staat immers ‘grotendeels’);
      - mogelijk ook voorwerpen verkregen door witwassen (art. 420bis Sv e.v.) (auto’s of onroerend goed) omdat ook hier gesteld kan worden dat deze voorwerpen zijn verkregen door het strafbare feit (witwassen, wat dan natuurlijk nog wel bewezen moet worden);
      - conservatoir beslag is in voorgaande gevallen niet nodig. En dat kan een hoop tijd en papier schelen (minder formaliteiten en administratief werk);
      - voorwerpen die uit de baten (opbrengst) van het strafbare feit zijn verkregen kunnen als zodanig niet verbeurdverklaard maar mogelijk wel ontnomen worden (teneinde overlapping met de ontnemingsmaatregel te verengen). Voorbeeld van een uit de baten van het strafbare feit verkregen voorwerp is een auto gekocht van door misdrijf verkregen geld. Als er een verdenking van witwassen is, behoort ook verbeurdverklaring (van het door witwassen verkregene) tot de mogelijkheden (zie hiervoor);

      b. voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan;

      MH: ook bijvoorbeeld bedrijfskapitaal voor handel in verdovende middelen (HR, NJ 1997, 92) en mogelijk voorwerpen door witwassen verkregen (zie ook onder a).

      Zakboek HulpOvJ 6.6 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 5.6
  61. Onderzoekstermijn bij gewonde, dronken of bewusteloze verdachte 

    1. Vaak wordt met een beroep op ministeriële circulaires uit 1928 en 1929 gesteld dat als de verdachte gewond, dronken of bewusteloos is de onderzoekstermijn van zes uur pas begint te lopen op het moment van een beëindigde behandeling in het ziekenhuis, ontnuchtering of bewustwording. In de bestaande wetgeving en jurisprudentie ontbreekt echter een grond om mensen wegens hun dronkenschap, een verwonding of bewusteloosheid langer dan de door de wetgever gestelde termijn op te houden voor onderzoek. Een ministeriële circulaire kan immers geen grond bieden voor vrijheidsberoving en ook art. 2 Politiewet biedt daarvoor onvoldoende grond (Corstens, het Nederlands strafprocesrecht, 5e druk, 14.8). Conclusie: ook onder dit soort omstandigheden houden aan de zes-uurstermijn (en bij tijdgebrek de verdachte mogelijk in verzekering stellen, mits daarvoor uiteraard aan de voorwaarden is voldaan)!

      Zakboek HulpOvJ 4.13 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.13

  62. Schorsing én opheffing schorsing van de voorlopige hechtenis
    1. Onder neerlegging van bepaalde voorwaarden kan door de rechter de tenuitvoerlegging van de vh geschorst worden (art. 80 Sv). Dat kan ambtshalve door de rechter, op verzoek van de verdachte of op vordering van het OM geschieden. Als de verdachte een schorsingsvoorwaarde overtreedt of als uit bepaalde omstandigheden blijkt van het bestaan van gevaar voor vlucht kan tot aanhouding worden overgegaan, mits de OvJ daartoe een bevel geeft. En als de OvJ de gedane aanhouding noodzakelijk blijft achten, dan moet hij onverwijld zijn vordering (opheffing schorsing) bij de rechter indien. De rechter dient binnen 48 uur na indiening van de vordering te beslissen (art. 84 Sv). Zie voor de bevoegdheid tot binnentreden in deze gevallen art. 556 Sv en 565 Sv (inclusief de bevoegdheid om ter aanhouding te doorzoeken). Als de OvJ bij het bevel aanhouding ook een machtiging tot binnentreden heeft gegeven dan heeft ook deze machtiging de beperkte geldigheidsduur van art. 6 lid 2 Awbi (3 dagen na verstrekking). Zonodig zal er dus een nieuwe machtiging moeten worden uitgeschreven en dat kan ook door de hulpOvJ (zie art. 3 Awbi).
      Zakboek HulpOvJ 4.40. 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.34.
  63. Tappen teneinde verdachte en/of in beslag te nemen goederen te lokaliseren
    1. De grond van het aftappen en opnemen is door de wetgever niet vermeld. Niet uitgesloten is het dan ook dat wordt getapt om te achterhalen waar de verdachte zich bevindt of in beslag te nemen goederen zich bevinden. 
      Zakboek HulpOvJ 9.17. 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 8.17.
  64. Aangifte diefstal/verduistering geld, enz. na doorzoeking
    1. Incidenteel wordt na een doorzoeking van een woning aangifte gedaan van diefstal/verduistering van geld gepleegd door één of meer opsporingsambtenaren die betrokken zijn bij de doorzoeking. Om dergelijke aangiftes te voorkomen verdient het aanbeveling om voorafgaande aan de feitelijk uitvoering van de doorzoeking aan de in het pand aanwezige (hoofd)bewoner informatie te vragen over de aanwezigheid van geld, drugs, vuurwapens, kluis, enz. Als deze informatie aan een verdachte terzake strafbare feiten ten aanzien van voornoemd geld/voorwerpen gevraagd wordt dan dient hij daarbij uiteraard op zijn zwijgrecht gewezen te worden. Voorgaande gang van zaken dient in het pv  vastgelegd te worden.

      Zakboek HulpOvJ hoofdstuk 6
      Zakboek Opsp. ambt. hoofdstuk 5
  65. Anonieme info
    1. Bij het gebruik van anonieme informatie moet onderscheid worden gemaakt tussen
      1. het starten van een opsporingsonderzoek en
      2. de toepassing van dwangmiddelen.

      sub 1.
      Het starten van een opsporingsonderzoek (zonder daarbij ook dwangmiddelen toe te passen) op basis van uitsluitend anonieme info (zonder ‘plusje’: zie daarover hierna) is als regel niet onrechtmatig.

      sub 2.
      Het toepassen van een dwangmiddel op uitsluitend anonieme info (zonder ‘plusje’: zie daarover hierna) vereist dat die info voldoende concreet én van voldoende gewicht is:

      Concreet
      : nauwkeurig omschreven plaats en/of persoon.

      Gewicht:
      terroristische misdrijven, moord/doodslag, overvallen, berovingen, zware zedenmisdrijven, zware vormen van mensenhandel, vrijheidsberoving, gijzeling, harddrugs, vuurwapens, zwaardere explosieven, enz.

      Conclusie:
      géén dwangmiddelentoepassing op basis van uitsluitend anonieme info (zonder 'plusjes dus') bij hennep(teelt) (want van onvoldoende gewicht, tenzij mogelijk bij een megapartij en export).

      LET OP: ook al is er sprake van anonieme info die wél voldoende concreet én van voldoende gewicht is verdient het zeer sterke aanbeveling om de anonieme info (incl. dus CIE-info en info van een inlichtingen/veiligheidsdienst) voor zover mogelijk te verifiëren en waar maar enigszins mogelijk te onderbouwen met ‘plusjes’ alvorens tot toepassing van dwangmiddelen over te gaan. Onder een ‘plusje’ wordt verstaan extra informatie over de verdachte en/of het vermoedelijk gepleegde strafbare feit wat de verdenking verder kan onderbouwen, zoals bijvoorbeeld een strafblad terzake soortgelijke feiten, belastende info uit het herkennings- en/of bedrijfsprocessensysteem, extra waarnemingen door de politie zelf of door derden, informatie van de wijkagent, inforamtie uit een ander onderzoek. , anonieme info uit een andere bron, enz. enz. Alleen een check bij de gemeentelijke basisadministratie lijkt onvoldoende te zijn en mijn inschatting is dat dit ook geldt bij anonieme info die uitsluitend bestaat uit meerdere MMA-tips.

      Zakboek HulpOvJ 2.2.
      Zakboek Opsp. ambt. 1.2.

  66. Strafbare voorbereiding (art. 46 Sr
    1. In Sr zijn voorbereidingshandelingen tot zeer ernstige misdrijven zelfstandig strafbaar gesteld. Vereist voor zo'n strafbare voorbereiding is:
      1. voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving acht jaar of meer gevangenisstraf is gesteld (bijvoorbeeld de gekwalificeerde diefstal van art. 311 lid 2 Sr, diefstal door middel van geweld, afpersing, moord, doodslag, verkrachting, enz.).
      2. waarbij de dader opzettelijk (inclusief dus mogelijk voorwaardelijk opzet) voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft.

      Van belang voor de beoordeling of er wel of niet sprake is van strafbare voorbereiding zijn bijvoorbeeld:
      - de uiterlijke verschijningsvorm van de voorwerpen (MH: wapens, bivakmutsen, tie-rips, enz.);
      - het gemaakte gebruik van de voorwerpen;
      - het misdadige doel dat de verdachte en zijn mededader met het gebruik van die voorwerpen kennelijk voor ogen hadden (hetgeen kan blijken uit de omstandigheden waaronder de verdachte met de voorwerpen werd aangetroffen);
      Zo viel recent volgens de HR onder strafbare voorbereiding het in vereniging verwerven (want klaar leggen) van een mes in een caravan op een fabrieksterrein met het oog op het vermoorden van het slachtoffer (HR 11-12-07, LJN BB6220).

      Wettekst art. 46 Sr
      1. Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft.
      2. Het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij voorbereiding met de helft verminderd.
      3. Geldt het een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste vijftien jaren.
      4. De bijkomende straffen zijn voor voorbereiding dezelfde als voor het voltooide misdrijf.
      5. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.
      Zakboek Strafrecht voor de politie 2.3
  67. Ingangstijdstip ophouden voor onderzoek
    1. De termijn voor het ophouden voor onderzoek begint te lopen op het moment waarop de (hulp)OvJ beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek als bedoeld in art. 61, 1e lid, Sv (en dus niet vanaf de aankomst op de plaats verhoor/onderzoek ) en de tijd die verstrijkt gedurende de overbrenging van de verdachte naar de plaats van het onderzoek, wordt niet meegeteld bij de berekening van genoemde termijn van zes uren. Zie hierover ook het einde van 4.11. Het tijdstip van het bevel ophouden voor onderzoek is niet altijd gelijk aan het tijdstip van de voorgeleiding (zeker niet bij voorgeleidingen die langer duren en/of waarbij enige tijd is gebruikt voor nader overleg).

      Tot slot: ook dus als een aangehouden verdachte al op straat (bijv. bij een grote grens/verkeerscontrole) wordt voorgeleid aan een hulpOvJ en deze daarbij beveelt dat die verdachte voor onderzoek wordt opgehouden (en overgebracht dient te worden naar een politiebureau) dan begint vanaf dat bevel (de voorgeleiding) de onderzoekstijd te lopen.

      Met dank aan Henk Meijer
      docent politieacademie
      Zakboek HulpOvJ 4.13
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.13
  68. Tapgesprek met professioneel verschoningsgerechtigde (advocaat, pastoor, arts, incl. afgeleid verschoningsgerechtigde zoals secretaresse, verpleegster, enz.)
    1. De regels rond de afhandeling van een tapgesprek met een professioneel verschoningsgerechtigde behoeven blijvende aandacht. Vandaar nogmaals de onderstaande punten.

      1. De OvJ voegt pv´s en andere voorwerpen verkregen door bijzondere opsporingsbevoegdheden (zoals tappen) bij de processtukken
      2. echter: indien vallend onder verschoningsrecht van professioneel verschoningsgerechtigde: vernietigen na opdracht OvJ
      3. indien niet vallend onder verschoningsrecht: alleen voegen/gebruiken met machtiging RC
      4. de opsp. ambt. die kennisneemt van mededelingen gedaan door of aan een professioneel verschoningsgerechtigde, stelt hiervan de OvJ onverwijld in kennis (zie vervolgens weer punt 2 en 3).

      Aldus 126aa, het daarop gebaseerde besluit én de instructie van de PG's. Zie tevens het zakboek hulpOvJ 9.17 en 9.21 of opsp. ambt. 8.17 en 8.21.

      En aanvullend uit jurisprudentie:

      5. voornoemde regels gelden ook bij een afgeleid verschoningsrecht;
      6. niet van belang is of een verdachte of een derde de betreffende gesprekken met de verschoningsgerechtigde voerde;
      7. bij schending van het verschoningsrecht mag het verkregen bewijs tegen geen enkele verdachte gebruikt worden;
      8. een tap op de aansluiting van een (afgeleid) professioneel verschoningsgerechtigde is niet geoorloofd, tenzij deze zelf verdachte is;
      9. ook een gesprek met een professioneel verschoningsgerechtigde waarbij alleen een afspraak gemaakt wordt valt onder voornoemd verschoningsrecht (bijvoorbeeld een afspraak tussen een verdachte en de secretaresse van een advocaat). Aanhouding verdachte dankzij afspraak aldus onrechtmatig;
      10. schending van de met de bescherming van het verschoningsrecht samenhangende rechtsregels is even ernstig als een mogelijk directe schending van het verschoningsrecht zelf;
      11. gebruik van dit soort info als ‘sturingsinfo' of binnen het verhoor van een verdachte of getuige is ook niet toegestaan (tenzij er uiteraard een machtiging van de RC is).

      Handelen in strijd met deze regelgeving en jurisprudentie zal leiden tot bewijsuitsluiting en mogelijk zelfs niet-ontvankelijkheid van het OM (einde zaak) (en ook mogelijk een intern onderzoek naar deze 'misser')!!

      Slechts in zéér uitzonderlijke gevallen zou een uitzondering gemaakt kunnen worden op voornoemde regelgeving. Neem daarvoor altijd contact op met de OvJ.

      Zie uitgebreid (inclusief recente jurisprudentie) het zakboek HulpOvJ en vertel het door!!!

      Zakboek HulpOvJ 9.16 en 9.21
      Zakboek Opsporingsambtenaar 8.16 en 8.21
  69. In kennis stellen consulaat bij insluiting 'buitenlander'.
    1. Bij het insluiten van een ‘buitenlander’ (niet-ingezetene) geldt ingevolge art. 27 van de ambtsinstructie dat op verzoek van die ingeslotene de ambassade of het consulaat van het 'thuisland' op de hoogte gesteld moet worden van de insluiting (tenzij Sv zich daartegen verzet).

      En ingevolge art. 36 van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen dient daarbij de ingeslotene ook daadwerkelijk op diens recht gewezen te worden dat hij aan de insluitende autoriteiten kan verzoeken het consulaat van zijn thuisland in kennis te stellen van zijn insluiting. De insluitende autoriteit heeft dus een actieve informatieplicht. Die 'insluitende autoriteit' zal in de praktijk meestal de HulpOvJ zal zijn, die immers vaak besluit om de verdachte voor onderzoek op te houden en in te sluiten.

      Art. 27 Ambtsinstructie|
      1. Voor zover het bij of krachtens Sv bepaalde zich hiertegen niet verzet stelt de ambtenaar een familielid of een huisgenoot van een ingeslotene z.s.m. op de hoogte van de insluiting. In het geval de ingeslotene minderjarig is, doet hij dit uit eigen beweging, indien de ingeslotene meerderjarig is, doet hij dit slechts op verzoek van de ingeslotene.
      2. Indien de omstandigheden de uitvoering van het 1e lid niet toelaten bij een ingeslotene die geen ingezetene is, wordt de ambassade of het consulaat van het land waarin de ingeslotene ingezetene is, op de hoogte gesteld van de insluiting.

      Art 36 van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen
      1. Ten einde de uitoefening van de consulaire werkzaamheden met betrekking tot onderdanen van de zendstaat te vergemakkelijken:
      (a) (…)
      (b) moeten de bevoegde autoriteiten van de ontvangende Staat de consulaire post van de zendstaat onverwijld ervan in kennis stellen, dat binnen zijn ressort een onderdaan van die Staat is gearresteerd, gevangengenomen of in voorarrest is geplaatst of op enigerlei andere wijze in verzekerde bewaring wordt gesteld, indien de betrokkene zulks verzoekt. Elke mededeling aan de consulaire post gericht door de gearresteerde, zich in gevangenschap of in voorlopige hechtenis bevindende of anderszins vastgehouden persoon wordt door bovengenoemde autoriteiten eveneens onverwijld overgebracht. Bovengenoemde autoriteiten dienen de betrokken persoon onverwijld van zijn rechten krachtens deze alinea in kennis te stellen;


      Met dank aan Henk Vijverberg
      Procesmanagement Opsporing
      Politie Haaglanden
      Zakboek HulpOvJ 4.12 en 4.28
  70. Huis/lokaal/erf-vredebreuk en ontzeggingen
    1. Art. 138 lid 1 Sr (huis/lokaal/erf-vredebreuk) Hij die in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

      139 lid 1 Sr (voor openbare dienst bestemd lokaal) Hij die in een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringt, of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. De strafbepalingen van het 1e lid zijn in twee afzonderlijk strafbare delen te knippen: 1: het wederrechtelijk binnendringen en   2: het wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op vordering van of vanwege de rechthebbende verwijderen. 

      De politie wordt in toenemende mate geconfronteerd met ontzeggingen door de rechthebbende om in een bepaalde locatie (bijv. een winkel of voetbalstadion) te verblijven. De overtreder van zo'n bevel is strafbaar (mits uiteraard het binnendringen wederrechtelijk was) en voor die strafbaarheid behoeft dan ook niet meer gevorderd te worden. Er is immers sprake van binnendringen en dat is in art. 138 zelfstandig strafbaar gesteld (naast dus het wederrechtelijk vertoeven en zich niet op vordering verwijderen).

      In een eventueel op te maken pv ter zake het wederrechtelijk ‘binnendringen’ zal duidelijk moeten blijken waaruit de wil van de rechthebbende voor de verdachte is gebleken voordat de verdachte de betreffende plaats tegen die wil betrad. Bij ontzeggingen is er vaak aan de verdachte een schriftelijke ontzegging uitgereikt, waarvan eenzelfde exemplaar, ondertekend door de verdachte, nog bij de rechthebbende berust. Het origineel van die ontzegging of een kopie conform dat origineel moet zo mogelijk bij het pv gevoegd worden, zeker als de verdachte ontkent.

      Zakboek Stafrecht voor de Politie, 4.11 
  71. Bedreiging (art. 285 Sr): belangrijkste punten voor de politiepraktijk
    1. degene die bedreigd is hoeft zich niet bedreigd te voelen;
    2. ook een poging bedreiging is strafbaar;
    3. bedreiging wordt genoemd als misdrijf waarvoor vh is toegelaten en er kunnen dus zware dwangmiddelen worden toegepast (ook bij poging), zoals aanhouding buiten heterdaad, ivs, vh, enz.
    4. uitlatingen gericht tot X maar betrekking hebbende op Y kunnen ook een strafbare bedreiging van X opleveren!
    5. als er angst bestaat dat de bedreiger zijn bedreigingen uitvoert (bijvoorbeeld zware mishandeling, doodslag of zware mishandeling), dan kan dat een grond voor vh opleveren (zesjaars grond en/of gezondheid/veiligheid personen).
    6. bedreiging levert bij een eerdere veroordeling voor bepaalde genoemd misdrijf ook een zelfstandige grond voor vh op;
    7. bij herhalende en/of ernstige bedreigingen wordt ibs en aansluitend gevangenhouding gevorderd én vaak ook verleend: neem in dit soort zaken dus altijd contact op met de (hulp)OvJ.

      Zie over voornoemde punten uitgebreid het zakboek Strafecht voor de Politie 2008 onder de bespreking van bedreiging!
  72. Laten vergezellen bij binnentreden?
    1. Let op machtiging! Ingevolge art. 8 lid 2 van de Awbi kan degene die bevoegd is zonder toestemming van de bewoner binnen te treden, zich door anderen doen vergezellen. Te denken valt hierbij aan collega-opsporingsambtenaren, leden van de forensische opsporing, automatiseringsdeskundigen maar ook aan bijv. iemand van een energiebedrijf bij het oprollen van een hennepkwekerij. Voor dit 'vergezellen' vereist art. 8 lid 2 wel dat dit voor het doel van het binnentreden redelijkerwijs wordt vereist en, indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt. Aan dat laatste ontbreekt het nog wel eens en dat leidt vaak tot bewijsuitsluiting van gevonden bewijsmateriaal en vervolgens door gebrek aan ander bewijs tot vrijspraak.

      Zakboek HulpOvJ 7.3
      Zakboek Opsporingsambtenaar 6.3
  73. Ademanalyse en mogelijke sabotage door verdachte 
    1. "in de praktijk kunnen zich verschillende situaties voordoen waarin de verdachte weliswaar medewerking verleent aan de uitvoering van de ademproef doch zonder dat deze kan worden voltooid. Dit kan het gevolg zijn van al dan niet gesimuleerd onvermogen van de verdachte maar ook van technische gebreken of verkeerde bediening van de apparatuur. Omdat de precieze oorzaak van dit falen vaak niet kan worden achterhaald en de rechtszekerheid toch een duidelijke oplossing vraagt, is (..) ook voor dit geval de mogelijkheid van een bloedproef voorzien", aldus de (oude) MvT bij de alcoholwetgeving. Aldus bij twijfel overgaan tot het vragen van toestemming voor een bloedproef en bij het niet geven van die toestemming vorderen (zie art. 163,5). Uiteraard dient het eventueel op te maken pv de gang van zaken goed weer te geven.

      Zakboek HulpOvJ 11.10
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.10
  74. Tappen
    1. Voor tappen op basis van art. 126m is niet alleen een 67,1-misdrijf vereist maar ook dat dit misdrijf gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Iets wat nog wel eens over het hoofd gezien wordt. 

      Zakboek HulpOvJ 9.15 en 9.1
      Zakboek opsp. ambt. 8.15 en 8.1
  75. Praktische tips voor contacten met OvJ
    1. Voor het telefonisch bespreken van zaken door de hulpOvJ met de OvJ kunnen de volgende tips gegeven worden:
      - noem uw naam, functie (hulpOvJ), naam regiokorps en afdeling/district waarbij u werkzaam bent;
      - vertel direct waarvoor u belt (begin dus niet met de casus):
      * toepassing van een dwangmiddel (bijvoorbeeld aanhouding buiten heterdaad, voorgeleiding, tap, observatie, enz.)
      * ander onderwerp (bijvoorbeeld vrijgave stoffelijk overschot, beslagbeslissing, inzet AT, kraakzaak, enz.).
      - Zet de casus kort uiteen. Niet volstaan kan worden met een korte mededeling waarover gebeld wordt en vervolgens het voorstel om de opsp. ambt. die met het onderzoek is belast het verder te laten uitleggen. De OvJ verwacht dat de hulpOvJ zich in de zaak verdiept heeft, vragen kan beantwoorden én zichzelf ook een mening heeft gevormd over wat er moet gebeuren.

      Bij een voorgeleiding ter ibs is de volgende informatie vereist:
      - vermoedelijk gepleegde strafbare feiten met pleegplaatsen en pleegtijdstippen;
      - ernstige bezwaren (kort opgesomd) en grond(en) vh (zie respectievelijk 3.32 en 4.36);
      - persoonsgegevens verdachte;
      - minderjarige/veelpleger?
      - antecedenten (strafblad);
      - tijdstip aanhouding en ivs;
      - bij minderjarige: nagaan of Raad voor de Kinderbescherming al is geweest en mogelijk al ideeën heeft geuit over voortgang zaak;
      - naam raadsman van verdachte;
      - eventuele bijzonderheden.

      En bij een aanhouding buiten heterdaad de volgende informatie:
      - naam verdachte;
      - feit en datum feit;
      - feiten/omstandigheden die aanleiding geven tot redelijk vermoeden (zie 2.1);
      - antecedenten;
      - datum/tijdstip te verwachten aanhouding;
      - eventuele bijzonderheden.

      Zakboek Hulpofficier 1.6
  76. Uitstellen of achterwege blijven van vervroegde invrijheidstelling
    1. Zoals wellicht bekend kennen wij in Nederland de regeling van "vervroegde invrijheidstelling". En die houdt grofweg in dat een tot onvoorwaardelijke vrijheidsstraf veroordeelde vervroegd in vrijheid wordt gesteld als hij tweederde van die vrijheidsstraf heeft ondergaan. Zie hiervoor art. 15 Sr. 

      Vervroegde invrijheidstelling kan ingevolge art. 15a lid 1 Sr echter uitgesteld of achterwege blijven:
      a. als de veroordeelde onherroepelijk is veroordeeld terzake van een vh-misdrijf en dat is begaan na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf; 
      b. als is gebleken dat de veroordeelde zich anderszins na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zeer ernstig heeft misdragen; 
      c. de veroordeelde na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zich hieraan onttrekt of hiertoe een poging doet.

      En ingevolge art. 15 lid 5 kan de vervroegde invrijheidstelling tevens worden uitgesteld of achterwege als de punten a t/m c hiervoor vermeldt zich hebben voorgedaan tijdens ondermeer de ivs, vh of de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting voor klinische observatie. 

      Neem hierover dus in voorkomende gevallen contact op met de OvJ. Zie hierover zonodig verder art. 15a e.v. Sr en de aanwijzing PG's.
      Met dank aan de OvJ's Van Kooij en Maclean.
  77. Oplichting: voordoen als huurder

    1. De enkele omstandigheid dat men zich in strijd met de waarheid voordoet als een bonafide huurder die niet in staat en voornemens is het gehuurde goed na de huurperiode terug te geven levert geen valse hoedanigheid of een listige kunstgreep op (HR, NJ 2002-262). 
      Dit zou pas anders kunnen zijn als de verdachte zich als een min of meer professionele marktpartij heeft voorgedaan waarmee naar de huurder toe een bovengemiddeld vertrouwen werd gewekt. Daarvan is bijv. sprake indien iemand zich voordoet als ondernemer (of vertegenwoordiger van een onderneming) en daarbij levering van een zaak of een vorm van dienstverlening verlangt zoals dat tussen ondernemers doorgaans zonder meer geschiedt, en waarbij zekerheden zoals borgstelling niet worden verlangd (zie HR, NJ 2000-383).

      Zakboek Strafrecht voor de politie, 17.1.

  78. Vrijwillige terugtred bij poging en voorbereiding 10a Opiumwet

    1. Art. 46b Sr (vrijwillige niet-voltooiing) is niet van toepassing bij de voorbereidingsdelicten die in art. 10a Opiumwet zelfstandig strafbaar zijn gesteld. De reden is, dat terugtreding hier nooit kan wegnemen dat door toedoen van de dader het aanmerkelijk risico is geschapen dat voor de volksgezondheid hoogst schadelijke stoffen in het illegale circuit zouden terechtkomen (HR / Nota n.a.v. verslag).

      Zakboek Strafrecht voor de politie 2.6.

  79. Opsporingsfouillering vereist aanhouding

    1. Alleen een aangehouden verdachte (tegen wie ernstige bezwaren bestaan) mag door een opsporingsambtenaar aan de kleding worden onderzocht. Iets wat in de praktijk helaas regelmatig mis gaat.

      Art. 56 Sv
      Zakboek HulpOvJ 5.2
      Zakboek Opsp. ambt. 4.2

  80. Aangiften van slachtoffers en/of nabestaanden van geweld door de politie en aangiften van nabestaanden van burgers/verdachten die overlijden (na verblijf) in een politiebureau (cel) gevolgd door klacht art. 12 Sv  (2.17 en 3.25)
    1. Slachtoffers en/of nabestaanden van geweld door de politie en nabestaanden van burgers/verdachten die overlijden tijdens of na verblijf in een politiebureau (cel) lijken in toenemende mate aangifte van strafbare feiten te doen en dat zal de komende jaren naar mijn inschatting niet minder worden. Als het OM besluit zo’n aangifte te seponeren dan kan het slachtoffer of een nabestaande daarover klagen bij het Gerechtshof (geldt overigens voor iedere sepotbeslissing). Zie hiervoor art. 12 Sv e.v. Het Hof kan na onderzoek van de klacht bevelen dat de beklaagde alsnog vervolgd wordt. In een aantal recente zaken hebben gerechtshoven inderdaad alsnog vervolging van één of meer politieambtenaren gelast (door een bevel tot dagvaarding of een gvo voor nader onderzoek zoals een reconstructie en/of het horen van getuigen). Ook zijn het afgelopen jaar door rechters vele kritische kanttekeningen geplaatst bij overheidsgeweld en/of overlijden tijdens of na verblijf in een politiebureau (cel). In een enkele zaak werd door de rechter zelfs opgemerkt dat dit tevens als een signaal gezien moet worden aan het Openbaar Ministerie om, zeker wanneer het gaat om mogelijk dodelijk overheidsgeweld, het onderzoek voortaan van meet af aan voldoende nauwkeurig en zorgvuldig te laten zijn (Hof Amsterdam 05-06-07, LJN BA6609 (zie ook hierna); Hof Amsterdam 12-12-06, LJN AZ4607; Hof Amsterdam 16-02-07 AZ8826 en Hof Arnhem 29-01-07, LJN AZ7297). En dat geldt uiteraard ook voor de politie/hulpOvJ (waarbij natuurlijk in de eerste plaats geldt dat voorkomen beter is dan genezen). Ik kan het niet genoeg benadrukken: een blijvend punt van zorg en aandacht!! Bestudering van de hiervoor weergegeven jurisprudentie arresten kan hierbij zeker helpen!
  81. Beslag in het pv
    1. Grofweg kunnen voor ibn de volgende regels gegeven worden:
      1. voorkom overmatig beslag;
      2. omschrijf voor zover van toepassing de bevoegdheid op grond waarvan het in beslag te nemen voorwerp is aangetroffen;
      3. omschrijf de beslagbevoegdheid;
      4. omschrijf onder wie het voorwerp in beslag genomen is;
      5. werk het beslag zo snel en zoveel mogelijk af;
      6. maak een overzicht afwerking beslag per beslagene;
      7. maak een overzicht restant beslag per beslagene.
      En bij dit alles dient ook nog aan de beslagformaliteiten voldaan te worden. Het opvolgen van deze regels zal de verwerking van een strafzaak bespoedigen (minder vragen/aanvullende pv's).

      Zakboek Proces-verbaal en bewijsrecht 14.1.
  82. Valse hoedanigheid (oplichting): de eetpiraat
    1. Een valse hoedanigheid omvat niet alleen dat de oplichter valselijk doet voorkomen dat hij een bepaald beroep of een bepaalde functie uitoefent. Ook het valselijk optreden in een rechtsverhouding waaraan bepaalde rechten en bevoegdheden kunnen worden ontleend kan een valse hoedanigheid en dus oplichting opleveren. Een voorbeeld van zo'n valse hoedanigheid is de "eetpiraat": het bestellen van maaltijden en consumpties waarvan de gast weet dat hij die niet zal of kan betalen. Aldus wordt op bedrieglijke wijze gebruik gemaakt van het in het maatschappelijk verkeer geldende patroon op grond waarvan 
      1: de restauranthouder aan de bezoeker van zijn restaurant de door deze bestelde maaltijden en consumpties verschaft in de verwachting dat zijn gast bij zijn vertrek daarvoor zal betalen en 
      2: de restaurantbezoeker overeenkomstig die verwachting handelt 
      (HR, NJ 98-497, zie ook 90-801en Rechtbank Haarlem 08-02-07, LJN BA5103).

      Zakboek Strafrecht 17.1 (art. 326 Sr).
  83. Tappen en verkregen info voegen bij processtukken of anderszins gebruiken (bijv. ter aanhouding verdachte)
    1. Nog steeds is in de dagelijkse opsporingspraktijk onvoldoende bekend dat de opsporingsambtenaar die door de uitoefening van een bijzondere opsporingsbevoegdheid (bijv. het uitluisteren van een tap) kennisneemt van mededelingen waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze zijn gedaan door of aan een professioneel verschoningsgerechtigde (advocaat, notaris, arts, enz.), hiervan onverwijld de OvJ in kennis moet stellen. Of de verdachte aan dat gesprek deelnam is daarbij in het geheel niet van belang.

      Van belang zijn art. 126aa Sv en het daaruit voortvloeiende art. 4 besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken (zie uitgebreid Zakboek HulpOvJ 9.21):
      1. de OvJ voegt pv´s en andere voorwerpen bij de processtukken;
      2. echter: indien vallend onder verschoningsrecht van professioneel verschoningsgerechtigde (bijv. een advocaat, notaris of arts): vernietigen;
      3. indien niet vallend onder verschoningsrecht: alleen voegen/gebruiken met machtiging RC;
      4. opsp. ambt. die kennisneemt van mededelingen gedaan door of aan een professioneel verschoningsgerechtigde, stelt hiervan de OvJ onverwijld in kennis (zie vervolgens weer punt 2 en 3).

      Uit de jurisprudentie blijkt aanvullend:
      5. dat voornoemde regels ook gelden bij een afgeleid verschoningsrecht (zoals een secretaresse van een advocaat kan hebben);
      6. dat niet van belang is of een verdachte of een derde de betreffende gesprekken met de verschoningsgerechtigde voerde;
      7. dat bij schending van het verschoningsrecht het verkregen bewijs tegen geen enkele verdachte gebruikt mag worden;
      8. dat een tap op de aansluiting van een (afgeleid) professioneel verschoningsgerechtigde niet geoorloofd is, tenzij deze zelf verdachte is;
      9. dat schending van de met de bescherming van het verschoningsrecht samenhangende rechtsregels even ernstig is als een mogelijk directe schending van het verschoningsrecht zelf;
      10. dat ook een gesprek met een professioneel verschoningsgerechtigde waarbij alleen een afspraak gemaakt wordt ook onder voornoemd verschoningsrecht valt (bijv. een afspraak tussen een verdachte en de secretaresse van een advocaat). Aanhouding verdachte dankzij afspraak aldus onrechtmatig (Hof Den Haag 03-04-07, LJN BA2127).

      Handelen in strijd met deze regelgeving en jurisprudentie zal leiden tot bewijsuitsluiting en mogelijk zelfs tot niet ontvankelijkheid (einde zaak)!!

      Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen zou een uitzondering op voornoemde regelgeving gemaakt kunnen worden. Neem daarvoor altijd contact op met de OvJ.

      Zakboek HulpOvJ 3.19, 9.16 en 9.21.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.17, 8.16 en 8.21.
  84. Toezeggingen door opsporingsambtenaar
    1. De OvJ kan gebonden zijn aan een door een opsporingsambtenaar gedane toezegging over vervolging. Voorbeeld van zo'n toezegging kan zijn dat de verdachte na uitreiking van een dagvaarding zou worden heengezonden. En dat kan er weer toe leiden dat een verdachte door de RC niet in bewaring gesteld wordt vanwege de door een opsporingsambtenaar gedane maar aan de OvJ toe te rekenen toezegging.
      Kortom: alleen toezeggingen over de vervolging doen (met name over het voorgeleiden en/of het seponeren van zaken) als deze besproken zijn met de OvJ en over de inhoud geen misverstanden kunnen ontstaan!!
  85. Bloedproef: ook bij vermoeden van andere stof dan alcohol.
    1. Art. 163 WVW luidt als volgt.

      1. Bij verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met art. 8, kan de opsp. ambt. hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in art. 8, 2e lid, onderdeel a en art. 8, 3e lid, onderdeel a (MH: ademanalyse).

      2. De bestuurder aan wie het in het 1e lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de opsp. ambt. ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

      3. De in het 2e lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.

      4. In het geval bedoeld in het 3e lid, dan wel indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, kan de opsp. ambt. de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in art. 8, 2e lid, onderdeel b en art. 8, 3e lid, onderdeel b. Gelijke bevoegdheid heeft de opsp. ambt., indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed van een andere in art. 8 lid 1 bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeert.

      En dan de tip.

      De hiervoor cursief afgedrukte zin moet worden opgevat als een vermoeden dat de verdachte:
      1. of verkeert onder invloed van een of meer andere stoffen dan alcohol die, al dan niet in combinatie, de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden
      2. of verkeert onder invloed van minstens één van die andere stoffen én alcohol, terwijl de combinatie daarvan de rijvaardigheid kan beïnvloeden.
      En in beide gevallen mag dus worden overgegaan tot het vragen van toestemming tot het verrichten van bloedonderzoek en vervolgens bij niet verlenen van die toestemming tot het bevelen zich daaraan te onderwerpen.
      HR 27-02-07, LJN AZ4077 (zie ook conclusie van de PG)
  86. Vordering uitlevering voorwerpen (art. 96a)
    1. Op grond van art. 96a Sv mag alleen uitlevering van voorwerpen gevorderd worden en dus niet de uitlevering van opgeslagen gegevens (in een computer of op een andere gegevensdrager). "Gegevens" vormen immers geen "voorwerp".

      Voor “uitlevering van” gegevens zijn de artikelen 126n (telecom) en 126nc (overige gegevens) e.v. geschreven (zie 9.14 en 9.18).

      En ingevolge de kamerstukken en de aanwijzing opsporingsbevoegdheden van het college van PG's mag géén bevel uitlevering van voorwerpen gegeven worden als met een vordering uitlevering gegevens kan worden volstaan.

      Zakboek HulpOvJ 6.10 en 9.19.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 5.10 en 8.19.
  87. Doorzoeking door de RC onder aanwezigheid van de OvJ óf hulpOvJ
    1. Bij een doorzoeking door de RC waarbij de OvJ verhinderd is moet er (per locatie) een hulpOvJ aanwezig blijven. Ook indien de OvJ wél meegaat op zoeking dient er een hulpOvJ (per locatie) aanwezig te blijven indien de OvJ "meereist" met de RC naar een andere locatie of om een andere reden de betreffende locatie verlaat.

      Zakboek HulpOvJ 6.15
      Zakboek Opsporingsambtenaar 5.15
  88. Onderzoek aan het lichaam naar tatoeages en/of letsel
    1. Onderzoek aan lichaam behoeft niet gericht te zijn op inbeslagneming. Zo zou dit dwangmiddel ook toegepast kunnen worden om te kijken of zich op het lichaam van verdachte tatoeages bevinden maar ook om te onderzoeken of de verdachte zelf ook gewond is geraakt (blauwe plekken en/of ander letsel). Dat laatste kan van belang zijn in het kader van bijv. een mogelijk noodweer- of noodweerexcesverweer. 

      Zakboek HulpOvJ 5.2.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 4.2. 
  89. Klacht
    1. Helaas zie ik nog steeds regelmatig zaken op zitting, bij voorgeleidingen én in de jurisprudentie waarbij er sprake is van een (oud) klachtmisdrijf en er zich géén klacht in het dossier bevindt. Dat kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM: einde zaak...
      Daarom in het kort nogmaals de belangrijkste tips over de klacht op een rijtje.

      1. Check bij klachtmisdrijven of er ook klacht is gedaan

      2. Overzicht klachtmisdrijven

      2a. Absolute klachtmisdrijven:
      - art. 261 t/m 271: "beledigings"misdrijven, zie art. 269 Sr. Een klacht is weer niet vereist indien de belediging wordt aangedaan aan het openbaar gezag, een openbaar lichaam of een openbare instelling of een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
      - art. 272 en 273 (schending van geheimen);
      - art. 281 (schaking);
      - art. 284,1,2e (dwang door middel van smaad(schrift));
      - art. 285b (belaging/stalking);
      - art. 318 (afdreiging);
      - art. 420 (drukpersmisdrijven).

      2b. Relatieve klachtmisdrijven:
      - art. 310 t/m 315 (titel diefstal en stroperij) (art. 316);
      - art. 317 en 318 (titel afpersing en afdreiging) (art. 319);
      - art. 321 t/m 323a (titel verduistering) (art. 324);
      - art. 326 t/m 337 (titel bedrog) (art. 338);
      - art. 348 (benadeling schuldeisers of rechthebbenden) en
      - art. 350 t/m 352 (titel vernieling!!) (art. 353).
      Indien er sprake is van een relatief klachtdelict (door het bestaan van een in art. 316 lid 2 Sr genoemde relatie tussen de aangever en de verdachte) dan moet in de klacht worden opgenomen dat de klager de vervolging verlangt van die bepaalde verdachte. Niet volstaan kan worden met het noemen van het misdrijf. Het gaat er immers om dat vaststaat dat het slachtoffer (de klager) ondanks het bestaan van de in art. 316 Sr genoemde familierelatie met die bekende verdachte vervolging van die verdachte wenst. 
      En ingevolge 316 lid 3 Sr neemt de klachttermijn bij relatieve klachtdelicten pas een aanvang een dag nadat de identiteit van de verdachte aan de tot klacht gerechtigde bekend werd.

      3. Herstel verzuim klacht.
       
      Indien blijkt dat een klager overeenkomstig de desbetreffende wettelijke bepalingen klacht heeft willen doen (een aanvullend pv zou daar overduidelijkheid kunnen verschaffen) dan mag de omstandigheid, dat aan de klacht een formeel vereiste ontbreekt er niet toe leiden dat aan de klacht geen gevolg wordt gegeven, vooral indien het verzuim geheel kan worden toegeschreven aan de politie. De volgende arresten van de HR zijn voorbeelden van deze hoofdregel (zie voor vindplaats arresten het Zakboek HulpOvJ) 10.3 e.v.).
      - Indien een als klacht bedoeld stuk wel een aangifte maar geen verzoek tot vervolging inhoudt kan het bestaan van een klacht worden aangenomen indien komt vast te staan dat de klager ten tijde van het opmaken van bedoeld stuk de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld. Mogelijkerwijs dat ook een aanvullend pv of het verhoor van aangever/klager op de zitting in zo'n geval uitkomst kan brengen;
      - Een klacht ingediend bij een andere opsp. ambt. dan een (hulp)OvJ, mits maar vaststaat dat de klachtgerechtigde een klacht wilde indienen. Ook hier zou een aanvullend pv of een verklaring van de klager op de zitting helderheid kunnen verschaffen;
      - Een klacht moet niet noodzakelijkerwijs door de betreffende hulpOvJ zelf opgenomen worden. In het betreffende geval werd door een verbalisant in opdracht van een hulpOvJ een klacht en aangifte op schrift gesteld. Daarna werd de klacht (z.s.m.) overhandigd aan de voornoemde hulpOvJ waarna deze hulpOvJ de klacht voor "gezien" ondertekende.
      Als er alsnog een klacht opgenomen gaat worden let dan op dat de klachttermijn niet verlopen is (meestal drie maanden: zie hierover het zakboek)!!!

      4. Geen enkel ZEDENmisdrijf is sinds 01 oktober 2002 meer een klachtmisdrijf.
      De volgende zedenmisdrijven waren tot 1 oktober 2002 klachtmisdrijven:
      - art. 245:(gemeenschap met iemand tussen 12 en 16 jaar);
      - art. 247:(ontucht met iemand tussen 12 en 16 jaar) en
      - art. 248a:(verleiding van minderjarige tot ontucht).

      5. Overgangsrecht na afschaffen klacht bij zedenmisdrijven.
        
      Gelet op art. 1 Sr doet zich de vraag voor of er voor opsporing en vervolging van een voornoemd zedenmisdrijf gepleegd vóór inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving (1 oktober 2002) nog wel een klacht vereist is. Om een lang verhaal kort te maken: alhoewel de geleerden van mening verschillen of art. 1 Sr ook voor wijziging m.b.t. het klachtvereiste geldt en de HR daarover nog geen duidelijke uitspraak heeft gedaan lijkt het mij zekerheidshalve beter om uit te gaan van het oude recht: klacht opnemen dus (daarop lijkt ook HR, NJ 1997-426 te wijzen). Ook de MvT (opgenomen op deze site onder actualiteiten > wetgeving archief > zeden) bij de wetswijziging stelt (onder verwijzing naar art. 1 Sr) dat een klacht vereist is indien het feit (ook) gepleegd is vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe wet (MvT, onder artikelsgewijs, art. I, onderdelen D, E en F, onderdeel b, en art. I) en lagere rechtspraak wijst daar ook op. Wat nu als die klacht verzuimd is? Aangezien onder de oude wetgeving in afwijking van art. 64 t/m 66 Sr de  klachttermijn gelijkgesteld was aan de verjaringstermijn (art. 245,4,  247,3 en 248a,2 oud), zou er alsnog een klacht opgenomen kunnen worden. Deze bepaling is ook van toepassing op de klachttermijn van strafbare feiten die zijn gepleegd voor 1 september 1994 (inwerkingtreding verlengde  klachttermijn). Wel dient sinds 1 oktober 2002 art. 167a Sv in acht genomen te worden: terzake van een misdrijf, omschreven in art. 245, 247 of 248a Sr en gepleegd ten aanzien van een minderjarige die twaalf jaren of ouder is, stelt het OM de minderjarige zo mogelijk in de gelegenheid zijn mening over het gepleegde feit kenbaar te maken. 

      6. Tot slot
      - Zie over de aangifte en klacht uitgebreid het Zakboek HulpOvJ 10.4 e.v. of het Zakboek Opsporingsambtenaar 9.2 e.v.
      - Zie voor een valse aangifte of klacht art. 188 en 268 Sr en voor een bespreking daarvan het zakboek Strafrecht voor de politie.
  90. Bloedproef op andere locatie (ziekenhuis) in plaats van ademanalyse op het bureau.
    1. Na een aanrijding was de verdachte overgebracht naar het ziekenhuis alwaar hij medisch werd onderzocht. Aldaar werd van de verdachte met diens toestemming een bloedproef afgenomen.
      a. Ademonderzoek behoort plaats te vinden daar waar het voor dat onderzoek bestemde apparaat aanwezig is en waar kan worden voldaan aan de voorschriften met betrekking tot de analyseapparatuur.
      b. In het in art. 163,3 WVW bedoelde geval dat "het door de verdachte verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is" kan ingevolge art. 163,4 WVW door de daar bedoelde opsp. ambt. aan de verdachte worden verzocht of hij zijn toestemming geeft voor het ondergaan van een bloedproef.
      c. Die opsp. ambt. is gerechtigd tot het doen van dat verzoek indien hij ten tijde van dat verzoek het bestaan van die bijzondere geneeskundige redenen in redelijkheid kan aannemen.
      d. Van het bestaan van die bijzondere geneeskundige redenen is ook sprake indien de verdachte op medische gronden niet in staat is zijn medewerking te verlenen aan een op de daartoe aangewezen plaats (MH: het politiebureau) te houden ademonderzoek. MH: bijv. dus omdat de verdachte na een aanrijding was overgebracht naar het ziekenhuis alwaar hij medisch onderzocht werd.

      Uiteraard dient de gang van zaken goed in het pv verwoord te worden (zo mogelijk inclusief het letsel)!

      Zakboek Hulpofficier 11.18.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.18
  91. Machtiging binnentreden woning voegen bij pv
    1. De HR heeft in het verleden meermalen beslist dat het niet vereist is dat de machtiging binnentreden zonder toestemming in een woning zich bevindt bij de processtukken. Inmiddels ben ik van mening dat dit maar beter wel kan gebeuren. Ervaring leert dat op zitting nogal eens verweren gevoerd worden over het vermoedelijk niet juist ingevuld zijn van de machtiging en de praktijk leert dat de rechter dan toch vaak de machtiging wil zien om een en ander te controleren. De strafzaak wordt dan "aangehouden" om de machtiging alsnog bij de processtukken te laten voegen.
      En bij een strafzaak terzake verzet tegen het binnentreden moet de machtiging zich wél altijd bij de stukken bevinden omdat de rechtmatigheid van het optreden van de betreffende ambtenaar (in dit geval dus het binnentreden) uit de bewijsmiddelen moet blijken.

      Zakboek Hulpofficier 7.13.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 6.13.
  92. Letsel/betrouwbaarheid aangifte, letsel verdachte
    1. In alle zaken waarbij er volgens de aangever geweld is gebruikt, verdient het aanbeveling om in het pv te vermelden of de aangever letsel heeft opgelopen en zo ja, wat voor letsel. Waar mogelijk zou naast een eventuele medische verklaring ook een foto van dat letsel bij het pv gevoegd kunnen worden. Dit kan de betrouwbaarheid van de betreffende aangifte ten goede komen. En inderdaad, mocht de verdachte (ook) letsel hebben opgelopen (in wat voor zaak dan ook) dan dient dat uiteraard ook omschreven te worden in het pv (met waar mogelijk een foto en/of een medische verklaring).
      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 16.19
      Met dank aan OvJ Vuylsteke
  93. Doorzoeken ter aanhouding (art. 55a Sv)
    1. "Doorzoeken" betreft elke vorm van onderzoek die verder gaat dan het zoekend rondkijken. Heel snel wordt vergeten dat deze regel ook opgaat bij de vaak eenvoudige doorzoeking ter aanhouding en dat voor die doorzoeking in beginsel een machtiging van de OvJ vereist is. De enige uitzondering daarop vormt dringende noodzakelijkheid. In dat geval moet de OvJ onverwijld van de doorzoeking op de hoogte gesteld worden (art. 55a Sv, zakboek Hulpofficier 4.8, Zakboek Opsporingsambtenaar 3.8). Met dank aan Henk van Hoevelaken, Docent strafrecht/milieurecht Stichting Politie Vormingscentrum te Vaassen. Tenslotte nog van de auteur van de zakboeken: de bevoegdheid tot doorzoeking mag zich niet verder uitstrekken dan voor de aanhouding van de betrokkene noodzakelijk is. De doorzoeking dient te eindigen als de aanhouding van de betrokkene is voltooid.

      Art. 55a Sv.

      Zakboek Hulpofficier 4.8.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.8.

  94. art. 6 WVW (dood/letsel door schuld in het verkeer) en voorlopige hechtenis (voorgeleiden)
    1. Artikel 6 WVW
      Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat.

      Artikel 175 (strafbepaling art. 6 WVW) (check zo mogelijk altijd op www.overheid.nl):
      1. Overtreding van art. 6 wordt gestraft met:
      a. gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;
      b. gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
      2. Indien de schuld bestaat in roekeloosheid, wordt overtreding van art. 6 gestraft met:
      a. gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;
      b. gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
      3. Indien de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in art. 8, eerste, tweede of derde lid, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel, gegeven krachtens art. 163, tweede, zesde, achtste of negende lid, of indien het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, dan wel zeer dicht achter een ander voertuig is gaan rijden, geen voorrang heeft verleend of gevaarlijk heeft ingehaald kunnen de in het eerste en tweede lid bepaalde gevangenisstraffen met de helft worden verhoogd.

      Consequenties voor vh


      Vh toegelaten op meeste verschijningsvormen van art. 6 WVW

      Aldus staat er in de volgende gevallen vier jaar of meer bedreigd op overtreding van art. 6 WVW met de dood als gevolg en is er dus vh mogelijk (art. 175 WVW):
      1. bij roekeloosheid (6 jaar: art. 175 lid 2 onder a);
      2. als de verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in art. 8, eerste, tweede, derde of vierde lid WVW (4 jaar en 6 maanden: art. 175 lid 3 i.v.m. lid 1);
      3. als de verdachte niet voldoet aan een bevel ademanalyse, bloed- of urineonderzoek het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat de verdachte de maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, dan wel zeer dicht achter een ander voertuig is gaan rijden, geen voorrang heeft verleend of gevaarlijk heeft ingehaald(4 jaar en 6 maanden: art. 175 lid 3 i.v.m. lid 1).

      En ingevolge art. 67,1 Sv staat er óók vh op 6 WVW met alleen 6 WVW-letsel in de hiervoor genoemde drie gevallen!

      Grond voor vh
      zou kunnen zijn (zie voor gronden het Zakboek HulpOvJ 4.36 of opsp. ambt. 3.29)

      1. Waarheidsvinding
      : indien de vh in redelijkheid noodzakelijk is voor het, anders dan door verklaringen van de verdachte, aan de dag brengen van de waarheid (zogenaamd "collusiegevaar": de kans dat de verdachte na vrijlating het opsporingsonderzoek zal belemmeren, bijv. door getuigen te beïnvloeden en/of (na vrijlating) sporen weg te maken );

      2. Gevaar voor herhaling:
      dat er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld.  En ingevolge art. 175 lid 2 onder a staat er op art. 6 WVW ook zes jaar gevangenisstraf bedreigd indien de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

      Let echter op: het gevaar voor herhaling van een zes-jaars-misdrijf kan dus ook een heel ander misdrijf betreffen dan art. 6 WVW. Bijv. inbraken, bepaalde geweldsmisdrijven, doodslag, enz. enz. En dat gevaar voor herhaling komt natuurlijk nog sterker in beeld als de verdachte in een proeftijd loopt, waarbij ingevolge art. 14c Sr als algemene voorwaarde altijd geldt het niet schuldig maken aan enig strafbaar feit. Dat de verdachte dat wel doet, zeker na een recente veroordeling, doet de vrees op herhaling uiteraard alleen maar toenemen.

      En natuurlijk: met name als de verdachte antecedenten op verkeersgebied heeft zoals rijden onder invloed, weigeren ademanalyse of bloed- of urineonderzoek, te hard rijden, 5 of 6 WVW, enz. dan ligt het gevaar voor herhaling wel erg voor de hand en dient zeker vh overwogen te worden.

      Tot slot: ook uit de persoon van de verdachte en/of de omstandigheden waaronder het feit is begaan kan gevaar voor herhaling blijken.

      3. Gezondheid en veiligheid
      : dat er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht.

      4. Geschokte rechtsorde
      : vaak van toepassing bij dodelijke aanrijdingen. Maar een geschokte rechtsorde kan alleen een grond voor vh opleveren in combinatie met een misdrijf waarop een strafdreiging van 12 jaar of meer bedreigd staat. En op overtreding van art. 6 WVW staat maximaal 9 jaar. Daarom moet ook goed gekeken worden of er geen sprake is van (poging) doodslag (al dan niet via voorwaardelijk opzet: zie daarvoor het zakboek strafrecht 1.6!). Immers op doodslag staat naar wettelijke omschrijving 15 jaar (poging doet daar niets aan af) (zie Zakboek HulpOvJ 4.36 en 4.6).

      Zakboek Strafrecht voor de politie 23.4
      Zakboek HulpOvJ 4.6 en 4.36.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.6
      en 3.29.
  95. Plegen van geweld (art. 81 Sr)
    1. Met het plegen van geweld wordt ingevolge art. 81 Sr gelijkgesteld het brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht. En daaronder valt niet alleen het slachtoffer dwingen tot het slikken van slaappillen maar ook als men zulke middelen aan het slachtoffer toedient zonder dat het zich daarvan bewust is. E.e.a kan van belang zijn bij zedenmisdrijven. Zo zou onder voorwaarden ook verkrachting (art. 242 Sr) in beeld kunnen komen in plaats van alleen het met een mindere straf bedreigde seksueel binnendringen bij een bewusteloze/onmachtige (art. 243 Sr). Op verkrachting staat 12 jaar bedreigd en dat levert bij een geschokte rechtsorde een grond voor vh op. Art. 243 kent slechts een strafdreiging van acht jaar. Het toedienen van de pillen kan naast "geweld" uiteraard ook een "feitelijkheid" opleveren (zie ook art. 242 Sr).

      Zakboek Strafrecht 3.3, 9.6 en 9.11.
  96. Geen opsporingsbevoegdheid buitengewoon opsporingsambtenaar voor bepaald strafbaar feit: opgemaakt pv geen unieke bewijskracht voor dat bepaalde feit
    1. Onder schriftelijke bescheiden worden ingevolge art. 344 lid 1 onder 2 ondermeer verstaan pv's:
      a. in de wettelijke vorm opgemaakt
      b. door colleges en personen, die daartoe bevoegd zijn, en
      c. behelzende hun mededeling van feiten of omstandigheden, door hen zelf waargenomen of ondervonden.

      En ingevolge art. 344 lid 2 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, door de rechter worden aangenomen op uitsluitend het pv van een opsporingsambtenaar (in het vakjargon wordt dan ook opgemerkt dat dit pv "unieke bewijskracht" heeft).

      Daarvoor is dus ingevolge het hiervoor vermelde art. 344 lid 1 onder 2 ondermeer wél vereist dat het de opsporing betreft van een feit waarvoor de opsporingsambtenaar ook opsporingsbevoegdheid heeft. Daarvan was in deze zaak geen sprake zodat het betreffende pv slechts gold als "ander geschrift" (art. 344, lid 1 onder 5). Een dergelijk pv heeft dan slechts bewijskracht "in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen". Bijvoorbeeld naast een getuigenverklaring, een bekentenis van de verdachte maar ook naast een ander geschrift. En als dat ander bewijsmateriaal er niet is dan zal er onherroepelijk vrijspraak volgen.
      HR 31-10-06, LJN AY7790 (ook gepubliceerd in het NJ 2006-602)

      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 8.13 en 8.14.

  97. Maatregelen in het belang van het onderzoek
    1. Deze mogen tijdens een gerechtelijk vooronderzoek alleen door de RC bevolen worden.

      Zakboek HulpOvJ 4.31.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.24.
      Art. 62a Wetboek van Strafvordering.
  98. Insluitingsfouillering
    1. Onder een insluitingsfouillering valt niet het onderzoek van meegevoerde tassen, bagage, voorwerpen, enz (noot: zie hierover bijv. de Rechtbank Maastricht 15-03-06, LJN AV7083. Recent heeft de HR zich echter indirect niet negatief uitgelaten over een insluitingsfouillering bestaande uit het kijken in een tas die de verdachte had afgedaan: HR 22-08-06, LJN AX6277). Zo'n onderzoek kan mogelijk wél vallen onder art. 30 van de Ambtsinstructie: het nauwkeurig optekenen van alle voorwerpen die de ambtenaar van de ingeslotene in bewaring neemt. In het kader van dat art. 30 kan het mijns inziens immers noodzakelijk zijn meegevoerde tassen/bagage te onderzoeken op waardevolle voorwerpen.

      De nota van toelichting bij de ambtsinstructie zegt hierover dat art. 30 ziet "op de registratie van de zogenaamde huishoudelijke fouillering en de in bewaring genomen voorwerpen en kledingstukken. De afgifte aan de ingeslotene van een afschrift van de aantekening van de in bewaring genomen voorwerpen en kledingstukken dient ter voorkoming van eventuele latere misverstanden. Op deze wijze is een zekere waarborg ingebouwd tegen het zoekraken van goederen van ingeslotenen. Indien van een ingeslotene veel losse voorwerpen in bewaring worden genomen, kunnen deze voorwerpen in een afgesloten zak of enveloppe bewaard worden, waarvoor de ingeslotene tekent. Zo hoeft niet elk afzonderlijk voorwerp beschreven te worden".

      Worden bij dat onderzoek toevallig voor inbeslagneming vatbare voorwerpen aangetroffen dan kunnen die in beslag genomen worden (voortgezette toepassing van bevoegdheden).

      Tot slot wijs ik ook nog op de mogelijkheid van een veiligheidsfouillering (aan kleding en/of lichaam).

      Met dank aan Jan Bos, Docent-onderzoeker Politieacademie

      Zakboek hulpofficier 5.5.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 4.5.
  99. Medeplegen aanwezigheid drugs.
    1. Voor medeplegen is niet noodzakelijk dat de verdachte zelf een uitvoeringshandeling pleegt. Bewuste, nauwe en volledige samenwerking zonder het zelf plegen van een uitvoeringshandeling volstaat ook. Die samenwerking is aanwezig als de medeplegers willens en wetens (opzettelijk) samenwerken tot het plegen van het strafbare feit (door bijv. nauwe betrokkenheid bij de planning, voorbereiding en organisatie). Daarbij zijn uitdrukkelijke en vooraf gemaakte afspraken niet vereist, ook stilzwijgende samenwerking is voldoende. Lijfelijke aanwezigheid op de plaats van de uitvoering van het delict is niet vereist.

      Een voorbeeld hoe ver dat "medeplegen" kan gaan is te vinden in een recent vonnis van de rechtbank Rotterdam.

      In aanwezigheid van de verdachte was door meer personen cocaïne in zijn woning gebruikt. De verdachte was van dit gebruik op de hoogte en heeft hiermee ingestemd. Hoewel de verdachte daartoe de mogelijkheid had, heeft hij de gebruikers niet de toegang tot zijn woning ontzegd en evenmin de verdovende middelen die zij bij zich hadden uit zijn woning verwijderd of laten verwijderen. De verdachte heeft de verdovende middelen aldus in zijn machtssfeer gelaten en zich daarvan niet gedistantieerd. De verdachte kan derhalve worden aangemerkt als medepleger van het aanwezig hebben van de cocaïne die de anderen bij zich hadden. Rechtbank Rotterdam 26-01-06, LJN AV1434
      Rechtbank Rotterdam 26-01-06, LJN AV1434.

      Zakboek Strafrecht voor de Politie, 2.9.
  100. Verlaten plaats ongeval
    1. art. 7 lid 1 WVW luidt als volgt (cursief MH):

      1. Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien:
      a. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan een ander is toegebracht;
      b. daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.

      Helaas levert het bewijs van het verlaten van de plaats ongeval waarbij "slechts" schade is ontstaan onterecht nogal eens problemen op bij ontkennende verdachten. Met name als de verdachte verklaart niets van de aanrijding gemerkt te hebben en het proces-verbaal daarover geen duidelijkheid geeft. Bijvoorbeeld door te volstaan met de vermelding "schade linksvoor" aan de auto van de verdachte en/of de benadeelde.

      "Schade linksvoor" kan immers een krasje zijn, maar ook een hele forse deuk waaruit "het vermoeden" van de verdachte kan worden afgeleid.

      Ook een verklaring van een getuige van de aanrijding die niets verklaart over de "heftigheid" van de aanrijding zelf is onvoldoende om in dit soort zaken (ontkennende verdachte) tot bewijs te kunnen komen.

      Bij een ontkennende verdachte kan het bewijs van het "redelijkerwijs moeten vermoeden" gevonden worden in een proces-verbaal met daarin:

      1: een goede omschrijving van de schade (met daarvan als het even kan een foto)
      2: indien mogelijk een goede verklaring van een getuige over bijv. de hardheid van de klap, het tengevolge van de aanrijding bewegen van de auto van de verdachte, het uitstappen van de verdachte en kijken naar mogelijk ontstane schade, enz.).

      Helaas ontbreekt dat nogal eens en dat leidt bij een ontkennende verdachte vervolgens tot een aanhouding van de zaak op de zitting met een verzoek aan de politie om een aanvullend proces-verbaal en/of een getuigenverhoor op de zitting. En in heel veel gevallen valt er ook direct een vrijspraak.

      Zakboek Strafrecht voor de Politie, 23.5.

  101. Confrontaties
    1. Het zal u niet ontgaan zijn: de bewijswaarde van confrontaties staat de laatste jaren in toenemende mate ter discussie. Vandaar wederom de tip om toch vooral de wettelijke regels inzake de confrontatie op te volgen, inclusief de regels die gegeven worden in het Besluit maatregelen in het belang van het onderzoek! Kan veel discussie op de zitting over de betrouwbaarheid van de confrontatie (én bewijsuitsluiting) voorkomen.

      Voor de specialisten onder ons: zie voor een recent en terecht kritisch artikel over de confrontatie Van Koppen en Van der Horst in “De simpele logica van getuigenconfrontaties”, Nederlands juristenblad 2006, nummer 14.

      Klik hier voor het Besluit onderzoeksmaatregelen 
      Klik hier voor de toelichting bij het Besluit 

      Zakboek HulpOvJ 3.27 en 4.31.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.21 en 3.24.
  102. Aangifte door een opsporingsambtenaar terzake een strafbaar feit gepleegd tegen die opsporingsambtenaar 
    1. In geval van een strafbaar feit tegen een opsporingsambtenaar (bijv. terzake poging doodslag of zware mishandeling) wordt nogal eens volstaan met het opnemen van een aangifte van die opsporingsambtenaar door een andere opsporingsambtenaar. Zo'n aangifte heeft géén "unieke" bewijskracht en kan dus bewijsproblemen opleveren. 
      Veel beter is het om een proces-verbaal van bevindingen (uiteraard op ambtseed/belofte) door de betreffende opsporingsambtenaar te laten opmaken. Een afzonderlijk opgenomen aangifte is voor het bewijs niet vereist (maar mag natuurlijk wel).
      Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, kan immers op grond van art. 344 lid 2 door de rechter worden aangenomen op het proces-verbaal van een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Mits in dat proces-verbaal zijn opgenomen de feiten of omstandigheden, door de opsporingsambtenaar zelf waargenomen of ondervonden. En die staan wél in het proces-verbaal van bevindingen maar niet in de aangifte. Zie hierover art. 344 Sv.

      Art. 344 Sv:

      1. Onder schriftelijke bescheiden worden verstaan:

      1°. beslissingen in den wettelijken vorm opgemaakt door colleges of personen met rechtspraak belast;
      2°. processen-verbaal en andere geschriften, in den wettelijken vorm opgemaakt door colleges en personen, die daartoe bevoegd zijn, en behelzende hunne mededeeling van feiten of omstandigheden, door hen zelf waargenomen of ondervonden;
      3°. geschriften opgemaakt door openbare colleges of ambtenaren, betreffende onderwerpen behoorende tot den onder hun beheer gestelden dienst, en bestemd om tot bewijs van eenig feit of van eenige omstandigheid te dienen;
      4°. verslagen van deskundigen behelzende hun gevoelen betreffende hetgeen hunne wetenschap hen leert omtrent datgene wat aan hun oordeel onderworpen is;
      5°. alle andere geschriften; doch deze kunnen alleen gelden in verband met den inhoud van andere bewijsmiddelen.


      2. Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, kan door den rechter worden aangenomen op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.

      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 8.13 en 9.9.
  103. Huiselijk geweld/bedreiging en beslag
    1. Indien er in een huiselijk geweld zaak aangifte is gedaan van bedreiging met bijv. een mes en er (in de woning) ook een mes in beslag genomen is moet in het pv niet volstaan worden met de vermelding dat er een mes in beslag genomen is maar dient ook verwerkt te worden waar dat mes in beslag genomen is. De plaats van die in beslagneming kan immers van belang zijn voor het bewijs in de zaak van een ontkennende verdachte. Komt het mes uit een keukenla dan zal daar door de ovj en de rechter minder waarde aan gehecht worden dan als dit mes uit de broeksband of uit de handen van de verdachte in beslag genomen is of op het toilet waar de verdachte zich bij aankomst op de pd bevond. En natuurlijk dient het slachtoffer nog met het mes geconfronteerd te worden met de vraag of dit het mes was waarmee gedreigd is en ook dat dient in het pv verwerkt te worden.

      Ook kan het bij huiselijk geweld van belang zijn dat de politie het in pv omschrijft wat zij (bij ontdekking op heterdaad) in de woning aantreft. Niet alleen als de hele boel kort en klein geslagen is, maar ook als alles er netjes uitziet of als het kennelijk "haastig opgeruimd" lijkt. Een netjes opgeruimd huis kan ontlastend voor verdachte zijn als het slachtoffer verklaard dat hij/zij het hele huis door is gesleurd. Over eventuele bijzonderheden dient het pv als het maar even kan duidelijkheid te verschaffen. Indien de melding bijvoorbeeld is dat de verdachte een stofzuiger van de trap naar het slachtoffer heeft gegooid dan is het natuurlijk verstandig om in het pv eventuele bevindingen met betrekking tot die stofzuiger te relateren.

      Met dank aan OvJ Nijkerk
  104. Melden reden vertraging proces-verbaal 
    1. Indien het opsporingsonderzoek en daarmee het inzenden van het pv vertraging heeft opgelopen dan is het verstandig de reden daarvan in het pv te vermelden. Vertraging kan immers optreden doordat een voor het onderzoek kennelijk onmisbare medeverdachte die aangehouden moet worden op de vlucht is, een getuige onvindbaar is en/of het onderzoek zeer complex is (bijvoorbeeld door het moeten afwachten van vele gecompliceerde technische onderzoeken).

      Een onredelijke vertraging in de vervolging van een verdachte kan leiden tot strafmatiging en in uitzonderlijke gevallen ook tot niet ontvankelijkheid van de OvJ en het daarmee vrijuit gaan van de verdachte. Het begintijdstip van de redelijke termijn waarbinnen een verdachte vervolgd moet worden is het tijdstip waarop hij door een daad/mededeling van de politie of justitie in redelijkheid kon weten dat hij vervolgd zou worden. Natuurlijk wordt de ernst van het feit waarvan de verdachte verdacht wordt afgemeten tegen de lengte van het tijdsverzuim en de oorzaken daarvan.

      Overleg over een mogelijk latere inlevering van een pv altijd met de OvJ. 
      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht, 16.4.
  105. Feitelijke aanranding van de eerbaarheid: heimelijk en onverhoeds filmen van vrouwen die gebruik maken van het toilet
    1. Het heimelijk en onverhoeds filmen van vrouwen die gebruik maken van het toilet kan het dwingen tot het dulden van een ontuchtige handeling door feitelijkheden opleveren en dus feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art. 246 SR). Rechtbank Haarlem 16-06-06 LJN AX8978 
      Zakboek Strafrecht 9.10
  106. Invordering rijbewijs en OBM bij bepaalde misdrijven uit Sr 

    1. Ook bij een veroordeling terzake (poging tot) 
      - bedreiging (sinds 01-02-06)
      - moord 
      - doodslag 
      - mishandeling gepleegd met voorbedachte rade 
      - zware mishandeling, of 
      - zware mishandeling met voorbedachte rade 
      kan, indien het feit is gepleegd met een motorrijtuig, een ontzegging worden opgelegd (tot zelfs maximaal tien jaar). Indien door de overtreding de veiligheid op de weg ernstig in gevaar is gebracht kan het rijbewijs ingevorderd worden. En daarvan is bij verdenking van één van de voornoemde misdrijven natuurlijk al snel sprake (art. 164 WVW). 

      Art. 179a WVW: 

      1. Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 285, 287 of 289 Sr omschreven misdrijven kan de schuldige die het feit heeft gepleegd met een motorrijtuig
      (MH: niet alleen dus een auto of motor maar bijv. ook een scooter of tractor: zie art. 1 WVW) dat hij ten tijde van het feit bestuurde of deed besturen, de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste tien jaren worden ontzegd. 
      2. Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 301, 302 of 303 Sr omschreven misdrijven kan de schuldige die het feit heeft gepleegd met een motorrijtuig dat hij ten tijde van het feit bestuurde of deed besturen, de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste vijf jaren worden ontzegd.
       

      Zakboek HulpOvJ 11.13. 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.13.

  107. Heling (art. 416 en 417bis)  

    1. Denk bij het niet kunnen bewijzen dat een verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van een goed wist of redelijkerwijs kon weten dat dit goed door misdrijf is verkregen ook aan lid 1 onder b: daar wordt dit bestanddeel niet vereist! 

      Opzetheling (art. 416 Sr)  
      1. Als schuldig aan opzetheling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:   
      a. hij die een goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of een zakelijk recht t.a.v. een goed vestigt of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het recht wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;   
      b. hij die opzettelijk uit winstbejag een door misdrijf verkregen goed voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht t.a.v. een door misdrijf verkregen goed overdraagt.   
      2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekt. 

      Schuldheling (art. 417bis)  
      1. Als schuldig aan schuldheling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie:   
      a. hij die een goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht t.a.v. een goed vestigt of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het recht redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;   
      b. hij die uit winstbejag een goed voorhanden heeft of overdraagt dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht t.a.v. een goed overdraagt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betreft.   
      2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die uit de opbrengst van enig goed voordeel trekt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betreft. 

      Zakboek Strafrecht voor de politie, 19.2 en 19.4.

  108. Leugenachtige verklaring verdachte

    1. Als de verdachte kennelijk leugenachtig verklaart verdient het sterke aanbeveling om die kennelijk leugenachtige verklaring in het pv op te nemen (in plaats van bij gebrek aan een "bekennende" verklaring de leugenachtige verklaring ook maar niet op te nemen). Een kennelijk leugenachtige verklaring kan als bewijs gebruikt worden . Het bewijs dat de verdachte leugenachtig heeft verklaard moet wel uit ander bewijsmateriaal komen dan een verklaring van de betreffende verdachte zelf en mag ook niet bestaan uit door de verdachte aan derden gedane mededelingen (bijv. uit een verklaring van een getuige over wat verdachte aan hem heeft meegedeeld ) of uit een getapte mededeling van de verdachte aan een derde . Het als bewijs gebruiken van een kennelijk leugenachtige verklaring van een ander dan verdachte (bijv. van een medeverdachte of getuige) is niet toegestaan.
      Zakboek Hulpofficier 2.9
      Zakboek Opsporingsambtenaar 1.8
      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 10.3

  109. Intrekkingstermijn klacht en opsporing

    1. Het intrekken van de klacht is gedurende acht dagen na de dag van indiening mogelijk door degene die de klacht indiende (art. 67 Sr). De intrekking dient onverwijld aan de OvJ ter kennis gebracht te worden (art. 166,2). Met het opsporingsonderzoek behoeft niet gewacht te worden tot voornoemde acht dagen verstreken zijn. Dat wachten met opsporing kan onder omstandigheden wél verstandig zijn als dit de opsporing niet schaadt en de klacht kennelijk in een opwelling is gedaan waarop de klager mogelijk weer terug komt (met dank aan Cees van Welij) 

      Zakboek Hulpofficier 10.3.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 9.2.

  110. Medische verzorging verdachte

    1. Bij de geringste twijfel over de gezondheidstoestand van de verdachte (alcohol/suikerziekte, bewusteloosheid, overdosis harddrugs, enz.) dient een arts gewaarschuwd te worden. In te roepen medische bijstand heeft voorrang boven het belang van een eventueel politieonderzoek.

      De omvang van de zorgplicht van de politie ten aanzien van ingesloten arrestanten hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer van belang kan zijn wat bekend is of behoort te zijn over de conditie waarin de arrestant bij zijn insluiting verkeert. De ernst van de kwaal of de inschatting van de politieambtenaar over de noodzaak een arts te raadplegen zijn daarbij geen criteria. 

      Zakboek HulpOvJ 2.17. 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 1.15.

  111. Belaging in combinatie met andere misdrijven een klachtmisdrijf??

    1. In de praktijk heerst kennelijk het misverstand dat het klachtvereiste voor belaging alleen geldt als de belaging niet gepaard gaat met andere delicten. Echter: ook als belaging gepaard gaat met een niet-klachtmisdrijf dan moet er voor het opsporen en vervolgen van de betreffende belaging nog steeds klacht gedaan worden! En let op: ook vernieling is een klachtmisdrijf en wel een relatief klachtmisdrijf.

      Met dank aan Bart Spiegelaar.

      Zakboek Strafrecht 11.10
      Zakboek Hulpofficier 10.3 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 9.2

  112. Horen van betrokken minderjarigen bij bepaalde zedenmisdrijven.
    1. Terzake van een misdrijf, omschreven in 
      - art. 245 Sr (seksueel binnendringen van iemand beneden 16 jaar);
      - art. 247 Sr (ontucht met bewusteloze, onmachtige, gestoorde of persoon jonger dan 16 jaar of
      - art. 248a Sr (verleiding van minderjarige tot ontucht)
      en gepleegd ten aanzien van een minderjarige die twaalf jaren of ouder is, stelt het Openbaar Ministerie de minderjarige zo mogelijk in de gelegenheid zijn mening over het gepleegde feit kenbaar te maken.

      Deze regeling vormt een extra waarborg dat in zedenzaken met minderjarige slachtoffers strafrechtelijk wordt opgetreden waar dat geboden is, en strafrechtelijk optreden achterwege blijft, indien de belangen van het kind daartoe aanleiding geven. 

      Het horen van de betreffende minderjarige behoeft niet door de OvJ zelf plaats te vinden maar kan ook gedaan worden door een andere opsporingsambtenaar. Van dit horen dient uit de processtukken (een pv) te blijken. Een bepaling die helaas nogal eens over het hoofd gezien wordt! 

      Zakboek Strafrecht 9.1, 9.9, 9.11 en 9.13.
  113. Klant jeugdprostituee strafbaar (art. 248b Sr)
    1. In 2000 is als sluitstuk op de aanpak van jeugdprostitutie art. 248b Wetboek van Strafrecht ingevoerd (strafbaarstelling ontucht met prostituee 16 tot 18 jaar):

      Hij die ontucht pleegt met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

      Gelet op de strafdreiging van vier jaar is voorlopige hechtenis mogelijk (en dus aanhouding buiten heterdaad, inverzekeringstelling, enz. van mogelijk "klanten") (zie Zakboek HulpOvJ 4.5 e.v. of Opsporingsambtenaar 3.5 e.v.).

      Zie voor ontucht met en seksueel binnendringen bij iemand beneden de leeftijd van 16 jaar ook art. 244, 245 en 247 en voor verleiding van een minderjarige art. 248a.

      Zie voor strafbare exploitatie van prostitutie en mensenhandel het art. 273f.

      Zakboek Strafrecht 9.14 en 11.2
  114. Termijn bloedproef 
    1. Ingevolge art. 15 en 16 Besluit alcoholonderzoeken dient er een uur verstreken te zijn tussen de vordering voorlopige ademanalyse (of het eerste contact) en de bloedafname. Indien de vordering voorlopige ademanalyse (of het eerste contact) bijv. om 22.50 plaatsvond en de bloedproef zelf om 23.50 kan niet met zekerheid gezegd worden of er ook werkelijk een uur tussen beide tijdstippen gelegen is (de tijd wordt immers meestal niet in seconden vastgelegd) en gaat de verdachte vrij uit (HR, NJ 95-79).

      Zakboek Hulpofficier 11.18. 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.18.
  115. Mondelinge vordering doorzoeking of tap 
    1. Het komt nogal eens voor dat er door de RC met spoed gezocht dient te worden en dat er daarom geen tijd resteert voor het maken van een aanvraag-pv. Er wordt dan mondeling gevorderd. Bij een spoeddoorzoeking waarbij gezocht dient te worden door de RC zal er door de OvJ een mondelinge zoeking van die RC gevorderd worden (een gvo is niet meer vereist). Omdat de mondelinge vordering naderhand schriftelijk bevestigd moet worden door de OvJ dient van die mondelinge vordering naderhand door de politie ook een pv opgemaakt te worden. De schriftelijke bevestiging moet natuurlijk wél (exact) dezelfde feiten (incl. plaats en tijd) betreffen die mondeling gevorderd waren!!! Vandaar dat het verstandig is om ook bij een mondelinge vordering de relevante gegevens op te schrijven (doen de OvJ en de RC ook), zoals:  
      1. vermoedelijk gepleegde strafba(a)r(e) feit(en), inclusief plaats en tijd;  
      2. verdachte(n) zoveel mogelijk met naam genoemd of n.n.;  
      3. feiten en omstandigheden verdenking;
      4. redenen van wetenschap;  
      5. tijdstip mondelinge vordering. 
      De OvJ én de RC zullen bij een schriftelijke bevestiging van een mondelinge vordering altijd nauwkeurig controleren of de gegevens in het pv overeenstemmen met de eerder mondeling verstrekte gegevens. En helaas is dat niet altijd het geval. 

      Voorgaande geldt uiteraard ook voor een mondelinge vordering tap. 

      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 12.3
  116. Toestemming "onderzoek woning" geeft géén bevoegdheid tot doorzoeking woning
    1. Teneinde misverstanden te voorkomen dient bij een voorgenomen doorzoeking in een woning met toestemming van de bewoner(s) vooraf expliciet om toestemming tot doorzoeking gevraagd te worden met uitleg wat die doorzoeking gaat inhouden. Daarbij verdient het tevens aanbeveling de verkregen toestemming ook vast te leggen, bij voorkeur in de vorm van een schriftelijke en ondertekende verklaring van die bewoner(s). Toestemming dient immers bewust en vrijwillig gegeven te worden (zie 3.3). En over die bewustheid worden nogal eens verweren gevoerd waarbij dan gesteld wordt dat men zich niet bewust was dat bij het geven van toestemming tot een onderzoek in de woning die betreffende woning ook doorzocht zou worden. Vaak wordt daarbij dan op de zitting expliciet opgemerkt dat men voor zo'n doorzoeking geen toestemming had gegeven en ook niet had willen geven. En als de gewraakte "doorzoeking" verder ging dan een "onderzoekje in de woning" levert zo'n verweer altijd problemen op. Zeker als er juist door die doorzoeking onmisbaar bewijsmateriaal is aangetroffen.

      Zakboek Hulpofficier 3.3 en 6.12. 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.3 en 5.12.
  117. Strafbaarstelling valse bommelding/plaatsing (met vh-mogelijkheid) met ingang van 01 februari 2006
    1. Door de wetswijziging "herijking strafmaxima" is in Sr per 01 februari ook de valse bommelding strafbaar gesteld (ook als het een "grap" betreft). Strafdreiging 4 jaar, vh (ivs, enz.) behoort dus tot de mogelijkheden.
      Artikel 142a 
      1. Hij die een voorwerp verzendt of op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats achterlaat of plaatst, met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat daardoor een ontploffing kan worden teweeggebracht, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie. 
      2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die gegevens doorgeeft met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats een voorwerp aanwezig is waardoor een ontploffing kan worden teweeggebracht.
      Zakboek Strafrecht voor de politie 4.19
  118. Ademanalyse op ander apparaat op ander bureau
    1. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat in een geval waarin het ademanalyse-apparaat in het politiebureau waarheen de verdachte was overgebracht, niet naar behoren functioneert, gebruik mag worden gemaakt van een apparaat "in de nabije omgeving". Een verdachte is in een dergelijk geval verplicht medewerking te verlenen aan alle aanwijzingen ten dienste van het met dit apparaat "in de nabije omgeving" te verrichten onderzoek. Een bloedproef mag in zo'n geval pas plaatsvinden indien de medewerking van de verdachte aan het onderzoek met het ademanalyse-apparaat "in de nabije omgeving" niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek (in het betreffende geval ging het om de plaatsen Maastricht en Valkenburg) (HR, NJ 2001-554).

      Zakboek HulpOvJ 11.18.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.18.
  119. Op het internet plaatsen van menu's en prijzen van in een coffeeshop te verkrijgen softdrugs
    1. Op het internet plaatsen van menu's en prijzen van in een coffeeshop te verkrijgen softdrugs is een openbaarmaking ex art. 3b.1 Opiumwet, als die uiting kennelijk gericht is op de bevordering van de verkoop, aflevering of verstrekking van softdrugs. Internet vormt in deze tijd immers een voor een groot publiek toegankelijk middel voor kennisneming van dergelijke uitingen. 

      HR, LJN AO6423 onder verwijzing naar AB2204.
      Zakboek Strafrecht voor de politie, 21.5.
  120. Spiegelconfrontaties
    1. Bewijsconfrontaties in persoon (waaronder dus ook de roemruchte spiegelconfrontatie) mogen zonder toestemming van de verdachte alleen worden uitgevoerd op bevel van de (hulp)OvJ of (tijdens het gvo) de RC. De (hulp)OvJ of de RC mag het bevel alleen maar geven in het belang van het onderzoek ten opzichte van een aangehouden verdachte in zaken waarvoor inverzekeringstelling mogelijk is. Deze regel geldt dus niet voor:

      1: De opsporingsconfrontatie (bijv. het kort na het plegen van een strafbaar feit rond rijden met een aangever/getuige om te kijken of de onbekende verdachte nog aangetroffen wordt);

      2: E
      en confrontatie niet in persoon (foto- of videoconfrontatie); 
      3:
      de confrontatie in persoon met toestemming van de verdachte (toestemming moet blijken uit proces-verbaal).  

      Zo is het dus niet meer toegestaan om met een zelf in de buurt aangetroffen/aangehouden verdachte zonder diens toestemming even langs de aangever/getuige te rijden om die aangever/getuige te laten kijken of het inderdaad de bewuste verdachte is.  

      Tevens moeten confrontaties in persoon (inclusief dus de spiegelconfrontatie) worden geleid door een door de korpsbeheerder aangewezen deskundige politieambtenaar of militair van de Kmar (art. 6 besluit). Ook dit moet in het proces-verbaal worden vermeld. Deze regel is door de wetgever opgenomen omdat spiegelconfrontaties te pas en onpas werden uitgevoerd en deze confrontatievorm qua betrouwbaarheid doorgaans weinig bijdraagt aan de bewijsvoering. Door het over te laten aan confrontatiespecialisten wordt er meer garantie verkregen dat met het middel omzichtiger zal worden omgegaan.  

      Aldus art. 61a t/m 76 Sv, het Besluit Maatregelen in het belang van het onderzoek en de daarbij behorende nota van toelichting. Wettekst, besluit en nota zijn opgenomen deze website (pagina actualiteiten > archief). Zie voor toestemming/vrijwilligheid ook het Zakboek HulpOvJ 3.3 of opsporingsambtenaar 2.3.

      Met dank aan Adri van Amelsvoort (voormalig kennismakelaar bij het Politie Kennis Net (Politieacademie)).

      Zakboek HulpOvJ 3.27 en 4.31.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.21 en 3.24.
  121. Onrechtmatig verkregen bewijs: niet altijd bewijsuitsluiting 
    1. Onrechtmatig verkregen bewijs behoeft niet zonder meer tot bewijsuitsluiting te leiden en aldus het einde van een zaak te betekenen. Bij het vermoeden dat bewijs onrechtmatig is verkregen verdient het dan ook krachtige aanbeveling om contact op te nemen met de hulpOvJ of de hulpOvJ met de OvJ om de mogelijke gevolgen en de verdere aanpak van de zaak te bespreken.

      Zakboek HulpOvJ 3.10
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.10
  122. Uitstellen of achterwege blijven van vervroegde invrijheidstelling
    1. Zoals wellicht bekend kennen wij in Nederland de regeling van "vervroegde invrijheidstelling". En die houdt grofweg in dat een tot onvoorwaardelijke vrijheidsstraf veroordeelde vervroegd in vrijheid wordt gesteld als hij tweederde van die vrijheidsstraf heeft ondergaan. Zie hiervoor art. 15 Sr. 

      Vervroegde invrijheidstelling kan ingevolge art. 15a lid 1 Sr echter uitgesteld of achterwege blijven:
      a. als de veroordeelde onherroepelijk is veroordeeld terzake van een vh-misdrijf en dat is begaan na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf; 
      b. als is gebleken dat de veroordeelde zich anderszins na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zeer ernstig heeft misdragen; 
      c. de veroordeelde na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zich hieraan onttrekt of hiertoe een poging doet.

      En ingevolge art. 15 lid 5 kan de vervroegde invrijheidstelling tevens worden uitgesteld of achterwege als de punten a t/m c hiervoor vermeldt zich hebben voorgedaan tijdens ondermeer de ivs, vh of de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting voor klinische observatie. 

      Neem hierover dus in voorkomende gevallen contact op met de OvJ. Zie hierover zonodig verder art. 15a e.v. Sr en de aanwijzing PG's.

      Met dank aan de OvJ's Van Kooij en Maclean.
  123. Ophouden voor onderzoek en horen gedurende nachtelijke uren
    1. De tijd tussen middernacht en negen uur 's ochtends telt voor de berekening van de tijd van het ophouden voor onderzoek niet mee. Heeft men een gedeelte van deze tijd toch voor het onderzoek benut, dan dient die van de ter beschikking staande onderzoekstijd (6 uur) afgetrokken te worden. En als een verdachte terzake een relatief gering feit (bijv. zwartrijden) gedurende de nachtelijke uren afgehoord én aansluitend heengezonden kan worden dan is het in plaats daarvan gewoon uitzitten van de nachtelijke uren niet toegestaan.

      Zakboek Hulpofficier 4.13.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.12.
  124. Pv's in zaak tegen medeverdachte bij voorgeleidingen 
    1. Regelmatig wordt in zaken waarin een medeverdachte van een eerder ook in bewaring gestelde verdachte wordt voorgeleid alleen een vervolg-pv ingeleverd zonder dat de eerdere in dezelfde zaak opgemaakte pv's zijn bijgevoegd bij of verwerkt in het voorgeleidings-pv. Dat kan vraagtekens oproepen over bijvoorbeeld de rechtmatigheid van de aanhouding, ernstige bewaren, aangiftes, enz.

      Bij een voorgeleiding van een medeverdachte dient dan ook een compleet dossier ingeleverd te worden en niet alleen een vervolg-pv. Met compleet wordt bedoeld alle stukken die van belang zijn (belastend of ontlastend) voor de in de betreffende zaak van die medeverdachte te nemen beslissingen. En dat kan dus door (een deel van de) eerdere pv's tegen medeverdachten bij te voegen of de relevante info uit die eerdere pv's te verwerken in het pv van de verdachte.

      Vaak wordt in een zaak tegen een medeverdachte hetzelfde pv-nummer gebruikt als in de zaak tegen de hoofdverdachte, maar dan onder toevoeging van een letter. Zo bevat het dossier tegen de hoofdverdachte dan bijv. de pv's met het letter A, B, D, H en die van de medeverdachte C, E, F, G en H. De vraag die dan bijna altijd ontstaat is of er gelet op deze nummering in het dossier van de hoofdverdachte en/of de medeverdachte pv's ont- breken. Het verdient dus sterke aanbeveling om in het voorgeleidings-, raadkamer- en/of eind-pv uitleg te geven over de gebruikte nummering of de pv's(na overleg met de OvJ) maar over en weer in de dossiers te voegen.

      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 16.6
  125. Aanhouding buiten heterdaad
    1. Indien er sprake is van aanhouding buiten heterdaad dan gelden de volgende (minimale) eisen voor een op te maken pv: 
      1. als de aanhouding op bevel van de (hulp)OvJ wordt verricht dan dient de naam van die (hulp)OvJ in het pv te worden vermeld; 
      2. in het geval dat het optreden van de (hulp)OvJ niet meer kon worden afgewacht moeten de redenen op grond waarvan dat optreden niet meer kon worden afgewacht in het pv worden opgenomen. Gedacht kan daarbij worden aan gevallen waarin ernstige vrees bestaat dat uitstel van de aanhouding tot gevolg zou hebben dat: 
      a. de verdachte niet meer eenvoudig te vinden zal zijn of 
      b. daardoor sporen of in beslag te nemen goederen kunnen wegraken of 
      c. het in te stellen onderzoek tengevolge van uitstel van de aanhouding bemoeilijkt zal worden of 
      d. de vrijheidsbeneming van een reeds aangehouden verdachte om die reden langer duurt dan strikt noodzakelijk.

      Let op: voor aanhouding buiten heterdaad vereist Sv een bevel. In het pv staat echter vaak ten onrechte dat de aanhouding "met toestemming" plaats vond. Niet juist dus. 

      Zakboek hulpofficier 4.7.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.7.
  126. Handhaving orde ter gelegenheid van ambtsverrichtingen (art. 124 Sv) (ramptoeristen)
    1. De bepaling van art. 124 is van algemene strekking en geldt dus ook gedurende het opsporingsonderzoek. Voorbeeld van een "ambtenaar" is niet alleen de hulpofficier van justitie maar onder omstandigheden ook een andere opsporingsambtenaar. Voorbeelden van "ordeverstoorders" zijn ordeverstorende "ramptoeristen". 

      V.w.b. de strafbepaling m.b.t. art. 124: zie art. 185 Wetboek van Strafrecht (hierna weergegeven). Indien niet te bewijzen is dat er in een bepaalde zaak ook sprake is van "opschudding veroorzaken" zal wellicht art. 184,1 Sr met succes kunnen worden toegepast. Zie hiervoor het zakboek Strafrecht voor de Politie.

      Art. 124 Sv:
      1: Voor de handhaving der orde ter gelegenheid van ambtsverrichtingen draagt zorg de voorzitter van het college, of de rechter of ambtenaar, die met de leiding dier verrichtingen is belast.
      2: Deze neemt de nodige maatregelen opdat die ambtsverrichtingen zonder stoornis zullen kunnen plaats vinden.
      3: Indien daarbij iemand de orde verstoort of op enigerlei wijze hinderlijk is, kan de betrokken voorzitter, rechter of ambtenaar, na hem zo nodig te hebben gewaarschuwd, bevelen dat hij zal vertrekken en, ingeval van weigering, hem doen verwijderen en tot den afloop der ambtsverrichtingen in verzekering doen houden.
      4: Van een en ander wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat bij de processtukken wordt gevoegd.
      5: Met de dienst der gerechten zijn belast ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, dan wel andere ambtenaren of functionarissen, voor zover die ambtenaren of functionarissen door Onze Minister van Justitie zijn aangewezen. Deze ambtenaren of functionarissen nemen de aanwijzingen in acht van de voorzitter van het college, de rechter of de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid.

      Art. 185 Wetboek van Strafrecht:
      Hij die bij een terechtzitting of ter plaatse waar een ambtenaar in het openbaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening werkzaam is, opschudding veroorzaakt en na het door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel zich niet verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van de tweede categorie.

      Zakboek hulpofficier 3.23.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.20.
  127. Belaging: klacht en recidive
    1. Belaging is een absoluut klachtmisdrijf, iets wat helaas in de praktijk nog wel eens over het hoofd wordt gezien!!

      Belaging is ook een zogenaamd voortdurend delict. En bij voortdurende delicten loopt de termijn waarbinnen de klacht moet zijn gedaan niet zolang het delict voortduurt.

      LET OP: als er twee afzonderlijke perioden kunnen worden onderscheiden waarbinnen kennelijk sprake is geweest van belaging (en er dus géén sprake is van een voortdurend delict) dan dient voor iedere periode een klacht ingediend te worden én uiteraard rekening gehouden te worden met de voor iedere periode afzonderlijk geldende klachttermijn. Zo zal bij een verdachte die na schorsing van diens vh of het uitzitten van zijn straf wéér belaagd voor die nieuw gepleegde belaging wederom een klacht moeten worden opgenomen (binnen de klachttermijn).

      Zakboek Hulpofficier 10.3 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 9.2
  128. Dacty bij Hennepkwekerij
    1. Bij het oprollen van een min of meer omvangrijke/professionele hennepkwekerij kan het verstandig zijn om dacty af te nemen van de belichtingsapparatuur. Dat kan van pas komen bij verdachten (huurder/verhuurder van de ruimte) die hun betrokkenheid bij de kwekerij in alle toonaarden ontkennen en er een zwakke bewijspositie is. Uiteraard wél in het pv vermelden óf er dacty aangetroffen zijn en wat het onderzoeksresultaat is (positief óf negatief).

      Met dank aan OvJ Bellaart
  129. Opsporingsconfrontatie: verdachte bij selectie?  
    1. Meer dan incidenteel komt het voor dat in het pv niet vermeld wordt of bij een opsporingsconfrontatie in een eerder stadium van het onderzoek een foto van de verdachte in de getoonde fotoselectie was opgenomen. Als er inderdaad geen foto van de verdachte in de selectie was opgenomen, zou aldus ten onrechte de indruk kunnen ontstaan dat de zaak minder sterk is. Dat de verdachte niet in de fotoselectie was opgenomen kan bijvoorbeeld veroorzaakt zijn doordat het ingevoerde signalement afweek van het signalement zoals van de betreffende persoon is opgenomen in het HKS. Kortom: goed opletten dat het pv of een vervolg-pv hierover voldoende duidelijkheid verschaft (ook waarom een verdachte mogelijk eerder niet in de selectie opgenomen was)!!

      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 13.8

      Met dank aan Anne-Marie Fellinger, parketsecretaris parket Utrecht en 
      Adri van Amelsvoort, kennismakelaar bij het Politie Kennis Net (Politieacademie).
  130. Winkeldiefstal 
    1. Bij winkeldiefstallen verklaren verdachten nog wel eens dat ze van plan waren te betalen voor het weggenomen goed of dat ze al betaald hadden maar het bonnetje kwijt zijn. In dit soort gevallen is het handig als de verbalisanten iets in het pv vermelden over de aanwezigheid van bijvoorbeeld een portemonnee met inhoud (geld of pinpas) bij verdachte. Heeft verdachte dat niet bij zich, dan is het minder aannemelijk dat hij/zij van plan was te gaan betalen of al betaald had en dat maakt het voor de rechter weer makkelijker om tot de overtuiging te komen dat verdachte de tenlastegelegde winkeldiefstal heeft begaan.
      Met dank aan OvJ Nijkerk
  131. Aanhouding buiten heterdaad terzake opgeven "valse identiteitsgegevens" (ook Wet Mulder) vervallen. 
    1. Door invoering van de Wet op de uitgebreide identificatieplicht per 01-01-05 is in art. 54,1 Sv (aanhouding buiten heterdaad) de mogelijkheid vervallen om buiten heterdaad aan te houden terzake: 
      1. het strafbare feit omschreven in art. 435 onder 4° Sr (opgeven valse identiteitsgegevens) 
      2. het strafbare feit omschreven in art. 34, eerste lid, onder b, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (opgeven onjuiste gegevens na vordering). 

      Volgens de wetgever was de ratio van deze bepaling dat moest worden voorkomen dat personen zich door het opgeven van valse personalia aan de executie zouden kunnen onttrekken, zonder dat de opsporingsambtenaar de gelegenheid heeft de juiste identiteit van de betrokkene na te gaan. Met de invoering van een uitgebreide identificatieplicht per 01-01-05 zijn de extra bevoegdheden ten aanzien van de hiervoor genoemde artikelen uit Sr en de WAHV overbodig geworden. Indien iemand geen of twijfelachtige papieren toont, is hij verdachte van overtreding van art. 447e Sr en daarom kan hij worden meegenomen voor toepassing van de maatregel ter identificatie op grond van art. 61, tweede lid, Sv.

      Het opgeven van een "valse naam" blijft strafbaar. Bij ontdekking van dit feit op heterdaad behoort aanhouding tot de mogelijkheden. Buiten heterdaad is alleen staande houden toegestaan (art. 52 Sv), waarbij dan naar een identiteitsbewijs gevraagd zou kunnen worden en pv kan worden aangezegd. Indien geen identiteitsbewijs getoond kan worden en/of er een redelijke vermoeden bestaat dat er weer een valse naam opgegeven wordt, kan uiteraard worden aangehouden (immers ontdekking feit op heterdaad strafbaar feit: niet tonen identiteitsbewijs (art. 447e Sr) en/of het opgeven van valse identiteitsgegevens (art. 435 onder 4 Sr).

      Zakboek HulpOvJ 3.31
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.24
  132. Heling: voorhanden hebben
    1. De wetgever is van een ruim begrip "voorhanden hebben" uitgegaan. Omvat bijv. ook het (als passagier) samen met een ander als vervoermiddel gebruiken van een van misdrijf afkomstige bromfiets (HR, NJ 2000-736). Natuurlijk moet de passagier tenminste wel redelijkerwijs hebben kunnen vermoeden dat de bromfiets door misdrijf verkregen was. 

      Zakboek Strafrecht voor de politie 19.2
  133. Klachtvereiste ook bij poging, voorbereiding, enz.
    1. Indien voor de vervolging van een misdrijf een klacht vereist is, dan geldt deze eis ook voor poging, medeplichtigheid, uitlokking, doen plegen, voorbereiding en de poging om een ander te bewegen een misdrijf te begaan (HR, NJ 1997-426). 

      Zakboek Strafrecht voor de politie 9.1 
      Zakboek Hulpofficier 10.3 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 9.2.
  134. Rechtskracht rijverbod WVW 
    1. Het rijverbod ex art. 162.2 WVW 1994 heeft eerst rechtskracht na de vastlegging in een beschikking en de bekendmaking daarvan aan de betrokkene (art. 3:41.1 Awb) en niet dus al na mondelinge mededeling. HR 12-04-05, LJN AS6017.

      Zakboek HulpOvJ 11.12
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.12
  135. Onttrekking van minderjarige aan wettig gezag/bevoegd opzicht (art. 279 Sr)
    1. Ook degene die (mede) het gezag over een minderjarig kind uitoefent kan dit kind aan het gezag of het opzicht van een ander onttrekken, bijv. door zich niet te houden aan een bij rechterlijke beslissing vastgestelde (voorlopige) omgangsregeling. 
      HR 15-02-05, LJN AR8250 en HR 08-02-05, LJN AR8024 (zie ook HR, NJ 1991-824).

      Art. 279
      1. Hij die opzettelijk een minderjarige onttrekt aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie. 
      2. Gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd indien list, geweld of bedreiging met geweld is gebezigd, of indien de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is.

      Zakboek Strafrecht voor de politie, 11.2
  136. Ivs en onverwijld inlichten raadsman
    1. Op grond van art. 40 is de (hulp)OvJ verplicht onverwijld een raadsman (via de piketdienst) over een ivs in te lichten. In de praktijk lijkt die onverwijldheid  te wensen over te laten. Ook indien er geen raadsman verschijnt na een kennelijk succesvol verzonden faxbericht of telefoontje is het verstandig nogmaals te faxen en/of te bellen. Niet inlichten of niet ten spoedigste inlichten van een raadsman kan leiden tot een onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte uit diens ivs door de RC en een afwijzing van een vordering ibs.
      Met dank aan Paul Bellaart, OvJ te Utrecht.

      Zakboek HulpOvJ 2.6 en 4.29. 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 1.5 en 3.23.
  137. Strafbaarheid hakenkruis en Hitlergroet
    1. Hakenkruis
      Het dragen van een hakenkruis met de bedoeling "het gedachtegoed van het nationaal-socialisme" uit te dragen, is een uitlating bij afbeelding die beledigend is voor joden "wegens hun ras", en is strafbaar gesteld in art. 137c. HR 1995-452, zie ook HR 1988-300.

      Hitlergroet
      Kan vallen onder belediging (door feitelijkheid), strafbaar gesteld in art. 266 Sr. Remmelink, art. 137c, aant. 8 en art. 266, aant. 3 en de beantwoording van een vaktechnische vraag door A.M. de Vries in het APB 26-02-00, p20. Zie indirect ook HR, NJ 87-462 en DD 96-296.

      Voorlopige hechtenis
      (en dus bijv. aanhouding buiten heterdaad)
      Alleen bij een verdenking van 137c én het feit kennelijk wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door twee of meer verenigde personen (art. 137c lid 2). Daarnaast natuurlijk ook als er geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland van de verdachte kan worden vastgesteld (art. 67,2 Sv).

      Belediging van een groep mensen (art. 137c)
      1. Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. 
      2. Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door twee of meer verenig- de personen wordt gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie opgelegd.

      Eenvoudige belediging (art. 266)
      1. Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. 
      2. Niet als eenvoudige belediging strafbaar zijn gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit.

      Zakboek Strafrecht voor de politie 4.6, 4.8 en 10.5
      Zakboek Hulpofficier 4.6
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.6
  138. Voegen processtukken professionele geheimhouders 
    1. Voeg nóóit processtukken (inbeslaggenomen voorwerpen, uitgewerkte tapgesprekken) afkomstig van of bevattende mededelingen van mogelijk professionele geheimhouders bij het procesdossier zonder overleg met de OvJ. Voorbeelden van professionele geheimhouders zijn advocaten, artsen, notarissen, enz.  

      Zakboek HulpOvJ 3.19 en 9.21 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.15 en 8.21
  139. Zwaar lichamelijk letsel
    1. Het kan niet genoeg gezegd worden: zwaar lichamelijk letsel dient goed in het proces-verbaal omschreven te worden en zo mogelijk dient er bij het proces-verbaal tevens een medische verklaring gevoegd te worden (bij voorkeur van de behandelend arts). Alleen het vermelden van het letsel kan twijfel oproepen óf er wel sprake is van zwaar letsel. Verwerk in dat soort gevallen in het proces-verbaal zoveel mogelijk de eventuele noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Ook dat kan via een (aanvullende) medische verklaring. Klik hier voor een notitie over zwaar lichamelijk letsel.

      Zakboek Strafrecht, 3.4.
  140. Rijden onder invloed: aanvang en einde 20-minutentermijn (art. 6 Besluit alcoholonderzoeken)
    1. Als beginpunt van de genoemde termijn geldt het moment waarop verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan de voorlopige ademanalyse en eerst subsidiair (voor het geval zodanige vordering niet gedaan is) het 1e directe contact. Als eindpunt van de genoemde termijn geldt het 1e tijdstip vermeld op het analyserapport. Opgelet dient te worden dat er tussen beide tijdstippen wel 20 minuten verlopen zijn. Indien de vordering voor- lopige ademanalyse om 11.30 uur is geweest en de ademanalyse om 11.50 uur is afgenomen is dat niet met zekerheid vast te stellen (omdat het tijdsverloop meestentijds niet in seconden is vastgelegd) en kan dat leiden tot vrijspraak! Beter ware het in dit geval dus om op zijn vroegst om 11.51 uur met de ademanalyse aan te vangen!

      Zakboek Hulpofficier 11.18.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.18.
  141. De Opiumwet en doorzoeking
    1. De Opiumwet geeft géén bevoegdheid tot doorzoeking (een veel voorkomend misverstand in de dagelijkse opsporingspraktijk!!) en ook voor de vraag of er sprake is geweest van een doorzoeking in het kader van de Opiumwet (gebaseerd dus op het Wetboek van strafvordering) geldt als criterium of er meer is gedaan dan "zoekend rondkijken".

      Zakboek HulpOvJ 11.23.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.23.
  142. Top tien vrijspraken/sepots art. 8 Wegenverkeerswet (rijden onder invloed)
    1. de ademanalyse heeft te vroeg plaatsgevonden;het ademanalyseformulier is niet bij het proces-verbaal gevoegd;

    2. voor de ademanalyse is een niet-goedgekeurd apparaat gebruikt;

    3. de ademanalyse heeft 3x plaatsgevonden (i.p.v. maximaal 2x);

    4. verdachte is een tegenonderzoek onthouden;

    5. de verdachte is geen toestemming gevraagd voor bloedafname;

    6. de bloedafname heeft te vroeg plaatsgevonden;

    7. het bloedmonster is in een onjuiste verpakking of niet verzegeld aan het Gerechtelijk Laboratorium verzonden;

    8. de politie heeft de verdachte niet of niet tijdig de uitslag van het onderzoek meegedeeld;

    9. uit het proces-verbaal blijkt niet dat de weigering mee te werken aan de ademanalyse in een andere gemeente/plaats heeft plaatsgevonden dan de gemeente/plaats van het besturen.

    10. uit het pv blijkt niet dat de weigering mee te werken aan de ademanalyse op een andere locatie heeft plaatsgevonden dan de plaats van het besturen.

      1 t/m 9: Van Hekken, Algemeen Politieblad 1999, p10 en 11.

      Zakboek HulpOvJ 11.18.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.18.

  143. Kennisneming processtukken door benadeelde partij
    1. Ook aan de benadeelde partij (het slachtoffer) kan op diens verzoek toestemming verleend worden om kennis te nemen van de processtukken waarbij zij belang heeft. Dit kan echter alleen via de OvJ of de rechter. Zie art. 51d.
      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 16.11
  144. Situatietekening/foto's bij poging doodslag/zware mishandeling d.m.v. voertuig
    1. In zaken betreffende poging doodslag of poging zware mishandeling waarbij de verdachte gepoogd heeft met een auto in te rijden op het slachtoffer (soms een opsporingsambtenaar) verdient het sterke aanbeveling om niet te volstaan met een beschrijving van de plaats delict. In dit soort gevallen dienen als het maar even mogelijk is ook een situatietekening en/of foto's bij het proces-verbaal gevoegd te worden. Dit kan meer helderheid geven over de positie van verdachte, slachtoffer en mogelijke getuigen, of er een goede mogelijkheid voor het slachtoffer bestond om weg te komen, enz. Dit kan een (uitgebreid) getuigenverhoor bij de RC of op zitting voorkomen. In sommige zaken kan ook een reconstructie verstandig zijn, overleg daarover in voorkomende gevallen met de OvJ.

      Met dank aan Paul Bellaart (OvJ Utrecht) voor de tip.

      Zakboek Strafrecht 12.1.
  145. Onderzoek kleding ingevolge het Wetboek van Strafvordering (art. 56: de opsporingsfouillering)
    1. Tot het onderzoek aan de kleding van een verdachte behoort niet het onderzoek van door die verdachte meegevoerde bagage. Indien de verdachte geen bewuste en vrijwillige toestemming geeft tot het onderzoek daarvan, zal de bagage in beslaggenomen moeten worden. Na inbeslagneming kan de bagage vervolgens onderzocht worden (denk wel aan vatbaarheid en bevoegdheid). Voor waarheidsvinding mag immers onderzoek aan/in in beslaggenomen voorwerpen worden gedaan.

      Art. 56 Sv.

      Zakboek Hulpofficier 5.2 en 6.42.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 5.2 en 5.38. 
  146. Strafverzwaring openlijk geweld
    1. De in art. 141 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht vermelde zwaardere strafbedreigingen hebben uitsluitend betrekking op de dader van het openlijke geweld van wie komt vast te staan:
      a: dat hij zelf goederen heeft vernield en/of
      b: dat het door hemzelf gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel of de dood tengevolge heeft gehad.
      Een goede omschrijving in het proces-verbaal van de rol van iedere verdachte is voor de mogelijke toepasbaarheid van art. 141 lid 2 dan ook onmisbaar

      Zakboek Strafrecht, 4.15.
  147. Toezeggingen aan getuigen / domicilie kiezende getuige 
    1. Tijdens verhoren bij de rechter-commissaris wordt met enige regelmaat door getuigen verzucht/geklaagd dat hen door de politie was toegezegd dat zij alleen bij de politie hoefden te verklaren. Dat ze toch door de rechter-commissaris worden gehoord vinden ze heel vervelend en ze hebben daarbij het gevoel dat zij door de politie op het verkeerde been zijn gezet. Mogelijk een punt van aandacht voor de politiepraktijk. Aan een getuige kunnen immers geen garanties worden afgegeven dat hij niet door een rechter gehoord zal worden en in een aantal zaken vindt er vaak alsnog een getuigenverhoor plaats bij de rechter-commissaris en soms ook op de terechtzitting (in het openbaar).

      Een getuige zou bij angst voor mogelijke represailles van de verdachte als correspondentieadres ("domicilie") kunnen kiezen voor het adres van het politiebureau (zonder opgave dus van diens werkelijk correspondentieadres). Uiteraard moet de politie op de hoogte moet zijn van de werkelijke verblijfplaats van de getuige en een mogelijke getuigenoproep door de OvJ/rechter bezorgen bij de getuige op diens werkelijke verblijfplaats (HR, NJ 2002-416). Vermeld bij een domicilie kiezende getuige wél duidelijk in het pv dat het een gekozen adres is, want de getuige zou schriftelijk kunnen worden opgeroepen voor een zitting en dan is het wel handig om te weten dat het adres in het proces-verbaal niet het eigenlijke adres is.

      Bij dit alles moet wel opgepast worden dat de werkelijke verblijfplaats niet alsnog in het proces-verbaal te vinden is. Vaak is dat het geval als er eerst een standaard aangifte wordt opgenomen (of een korte verklaring "op straat") met daarbij het werkelijke adres van die getuige en er pas bij de aanvullende uitgebreide aangifte gekozen wordt voor domicilie aan het politiebureau. Dat laatste heeft dan in zo'n geval niet veel zin meer (tenzij het proces-verbaal uiteraard nog wordt aangepast).

      Zie voor de anonieme, bedreigde en afgeschermde getuige en de mogelijke bewijskracht van een verklaring van zo'n getuige het Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 8.16.

      Aanbevolen wordt om het gespreksmodel getuigenverhoor te volgen dat in de CAR wordt gedoceerd en in PKN is opgenomen. Bij toepassing daarvan kunnen dergelijke problemen zich niet meer voordoen.

      Tenslotte: het is verstandig om bij het vermoeden van een bedreigde getuige eerst contact op te nemen met de OvJ.

      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 8.18 en 8.21.
  148. De bewijsconfrontatie als maatregel in het belang van het onderzoek
    1. Een bewijsconfrontatie in persoon is sinds 01 maart 2002 als maatregel in het belang van het onderzoek alleen nog mogelijk ingeval van verdenking van een strafbaar feit waarvoor inverzekeringstelling mogelijk is. 

      Wel is het mogelijk voor de (hulp)OvJ om ingeval van verdenking van een feit waarvoor géén inverzekeringstelling is toegelaten waarbij de identiteit van de verdachte niet is vastgesteld, de volgende maatregelen te bevelen voor zover die zijn gericht op het vaststellen van de identiteit van de verdachte (art. 61a Sv): 
      - maken van fotografische opnamen of  
      - video-opnamen en/of 
      - het nemen van lichaamsmaten en/of het nemen van vingerafdrukken.

      In de praktijk betekent dit dat: 
      - een verdachte met een bekende identiteit, 
      - die weigert vrijwillig mee te werken aan een confrontatie in persoon,  
      - terzake strafbare feiten waarvoor géén inverzekeringstelling mogelijk is  niet verplicht onderworpen kan worden aan een persoonsconfrontatie of een andere maatregel in het belang van het onderzoek! 

      Opmerking verdient dat er sinds 01 oktober 2004 ook voorlopige hechtenis (en dus ook ivs) mogelijk is voor eenvoudige mishandeling (art. 300 Sr) en vernieling (art. 350 Sr) (zie onder de knop actualiteiten, wetsvoorstellen, stelselmatige daders). 

      Zakboek HulpOvJ 4.31. 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.24.

      Met dank aan Jan Boven, politie Amsterdam-Amstelland, Adri van Amelsvoort (Politieacademie) en H. van der Meijden, Politie Haaglanden.
  149. Dwangmiddelen en toestemming 
    1. Aan de wettelijke vereisten voor dwangmiddelen (bijv. maatregelen in het belang, inbeslagneming, onderzoek aan de kleding) behoeft niet te zijn voldaan in geval van toestemming van degene tegen wie het dwangmiddel moet worden toegepast.

      Vrijheidsbenemende dwangmiddelen mogen niet met toestemming van de verdachte worden toegepast. De politie handelt alleen rechtmatig indien het de betreffende persoon vrijstaat om wanneer hij maar wil dat politiebureau te verlaten (zolang op hem nog geen wettelijk dwangmiddel is toegepast). De vroeger in de praktijk wel voorkomende situatie dat een verdachte mocht kiezen tussen een "vrijwillig" verblijf of aanhouding (en mogelijke ivs) lijkt mij niet rechtmatig.

      Voor afname van celmateriaal voor een dna-onderzoek geldt een aparte wettelijke regeling (zie art. 151b).

      Toestemming moet bewust en vrijwillig gegeven worden: de verdachte/burger moet goed weten waarvoor hij toestemming geeft (bijv. voor een "onderzoekje" in de woning of voor doorzoeking) en moet die toestemming vrijwillig geven (en niet onder dreiging van bijv. een inverzekeringstelling).

      Van belang is ook dat de gegeven toestemming in het pv verwerkt wordt. Neem in afbreukgevoelige zaken altijd contact op met de (hulp)OvJ.

      Zakboek HulpOvJ 3.3 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.3
  150. Stopteken ter staande houding
    1. Juist omdat in Sv geen expliciete bevoegdheid is opgenomen om een stopteken ter aanhouding of staande houding van een verdachte te geven wordt er door opsporingsambtenaren nog wel eens ten onrechte voor gekozen om dan maar een stopteken op basis van de WVW te geven. En dat leidt vaak tot een verweer op de terechtzitting dat er sprake is van détournement de pouvoir (misbruik maken van een bevoegdheid): de opsporingsambtenaren hebben de verdachte een stopteken gegeven op grond van de WVW, terwijl het doel van het stopteken niet was de controle van de bepalingen uit die WVW, maar staande en/of aanhouding van de verdachte. Vaste rechtspraak is echter dat het geven van een stopteken ter staande houding of aanhouding niet onrechtmatig is. In het pv dient in dat geval dan ook vermeld te worden dat er een stopteken ter staande en/of aanhouding van de verdachte gegeven werd en niet dus op basis van de WVW. 

      Overigens mogen ook tegen een verdachte controlebevoegdheden worden toegepast. Mits bij aanwending van die bevoegdheden de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen (met name de cautie).

      Zakboek HulpOvJ 4.1 en 11.2.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.1 en 10.2.
  151. Binnentreden met toestemming
    1. Indien er met toestemming een woning betreden wordt dan dient die toestemming uiteraard wel in het pv verwoord te woorden, óók als er wel een machtiging tot binnentreden was afgegeven.

      Met dank aan OvJ Nijkerk.
  152. Veelpleger en het belang van het onderzoek bij ivs
    1. De vraag zou kunnen zijn of een bekennende veelpleger in wiens zaak geen verder onderzoek verricht meer behoeft te worden wel in verzekering gesteld kan worden. Die inverzekeringstelling zou dan niet in het belang van het onderzoek zijn (de zaak is immers rond) en dus niet toegestaan. Daarbij wordt echter over het hoofd gezien dat het belang van het onderzoek bij een inverzekeringstelling ook kan bestaan uit:
      1. het onderzoek (door de politie, de OvJ en/of de rechter) naar de mogelijkheid en wenselijkheid van voorlopige hechtenis. Zo is bijv. het justitieel documentatiecentrum ("strafblad") in het weekend (nog) niet te bevragen op antecedenten van de verdachte; 
      2: voorgeleiding van de verdachte ter inbewaringstelling aan de RC (e.e.a. gelet op het feit dat voorlopige hechtenis direct aansluitend op de inverzekeringstelling moet kunnen plaatsvinden). Het onderzoeksbelang bestaat hier dus inderdaad louter en alleen uit het voorgeleiden bij de RC. Daarbij moet er uiteraard wel een redelijke verwachting zijn dat de verdachte ook daadwerkelijk in bewaring gesteld wordt. En die verwachting is bij veelplegers (ook terzake een enkele geringe diefstal uit een winkel) fors toegenomen!

      Zakboek HulpOvJ 4.18 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.17
  153. Zoekend rondkijken en onderzoek van voor de hand liggende voorwerpen.  
    1. Vooropgesteld moet worden dat voor de waarheidsvinding onderzoek mag worden gedaan aan in beslag genomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. Als er bij zoekend rondkijken in een ruimte voor de hand liggende voorwerpen worden aangetroffen welke vatbaar zijn voor ibn en de opsp. ambt. ook bevoegd is tot die ibn (bijvoorbeeld op basis van art. 96 Sv, de Opiumwet, de WWM, de Wet op de economische delicten, enz.) dan mogen die voorwerpen niet alleen in beslag genomen worden maar ook ter plaatse onderzocht worden. In het betreffende geval vond een onderzoek plaats in een bedrijfsruimte die naar henneplucht riekte en in die ruimte werden diverse goederen aangetroffen die voor een hennepplantage konden worden gebruikt. Daaruit kon volgens de HR worden afgeleid dat redelijkerwijs vermoed kon worden dat in een voor de hand liggende plastic zak en boodschappentas met een hennepplantage verband houdende goederen, zoals hennep, verpakt waren. Daarbij (maar niet doorslaggevend dus) kwam nog dat de boodschappentas volgens het relaas van de verbalisanten ‘heel erg naar weedlucht riekte’. Van belang is dus een goede verwoording van de gang van zaken in het pv (aantreffen voor de hand liggend voorwerp, vatbaarheid van dat voorwerp voor beslag, de ibn zelf, het onderzoek van het in beslag genomen voorwerp en tot slot het resultaat van dat onderzoek) (HR, 22-06-04, LJN AO5848).

      Zakboek HulpOvJ 6.41
      Zakboek Opsporingsambtenaar 5.37
  154. De verdachte en het recht op bijstand van een raadsman
    1. En een terugkerend punt van aandacht is nog steeds dat indien de verdachte of diens raadsman daarom verzoekt de raadsman zoveel mogelijk toegang moet kunnen hebben tot de verdachte (art. 28 Sv) en dat een mogelijk verhoor door de politie in alle redelijkheid onderbroken dan wel uitgesteld dient te worden (zowel tijdens het ophouden voor onderzoek, de inverzekeringstelling én de voorlopige hechtenis) (HR, 06071999, gepubliceerd in Opportuun 1999, nr. 1, p15). 
      Het niet toelaten van een raadsman bij de verdachte gedurende de eerste 24 uur van de detentie van die verdachte kan een schending van het Europese recht opleveren (EHRM, NJB 2000-33). 

      Zakboek HulpOvJ (2.6). 
      Zakboek Opsporingsambtenaar (1.5).
  155. XTC
    1. Het gebruik van een pv van de politie waarin gerelateerd dat met de narcotest 23 een sterk positieve reactie werd geconstateerd en dat uit deze reactie "kan worden afgeleid dat de onderzochte substantie XTC is, als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I" is onvoldoende bewijs. Daarbij moet volgens de HR in aanmerking genomen worden dat XTC als zodanig niet is vermeld op die lijst 1, terwijl, naar van algemene bekendheid is, de in het spraakgebruik als XTC aangeduide drug haar effect, behalve aan MDMA, ook aan andere op genoemde lijst vermelde stoffen kan ontlenen (HR, Nieuwsbrief Strafrecht 2003-202, ook in NJB 2003-458. Zo ook de HR in LJN, AM2764: dat van algemene bekendheid is dat de in het spraakgebruik als XTC aangeduide drug haar effect, behalve aan MDMA, MDA of MDEA, ook aan andere, al dan niet op de bij de Opiumwet behorende lijst I vermelde stoffen, kan ontlenen).

      Zakboek Strafrecht 21.16
  156. Art. 311 (diefstal onder verzwarende omstandigheden) en 312 Sr (diefstal door middel van geweld): de voor de nachtrust bestemde tijd.

    1. Diefstal door middel van geweld in een woning of op een besloten erf waarop een woning staat in de voor de nachtrust bestemde tijd is één van de strafverzwarende omstandigheden uit art. 312 Sr. Voor diefstal zonder geweld wordt er voor strafverzwaring in dat geval tevens vereist dat de dief zich in die woning of op dat besloten erf bevond buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende.

      Zakboek Strafrecht 14.2 en 14.3.

  157. Afname celmateriaal bij derden (bijv. een slachtoffer of getuigen) voor dna-onderzoek

    1. Celmateriaal van een derde (getuige/slachtoffer) kan ten behoeve van een DNA-onderzoek slechts worden afgenomen met schriftelijke toestemming van de betrokkene (art. 151a lid 1 Sv).

      Alleen van een verdachte van een 67,1 misdrijf tegen wie ernstige bezwaren bestaan kunnen zowel de OvJ als de RC in het belang van het onderzoek celafname bevelen (art. 151b en 195d).

      Degene die gevraagd wordt schriftelijk toe te stemmen in het afnemen van celmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek, kan zich bij het nemen van zijn beslissing door een raadsman doen bijstaan. En op het formulier voor de schriftelijke toestemming, bedoeld in het eerste lid, moet melding worden gemaakt van de gevolgen van de medewerking aan een DNA-onderzoek (art. 2 Besluit DNA). Voor de schriftelijke toestemming worden modelformulieren gebruikt.

      Zakboek HulpOvJ 5.6.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 4.6.

  158. Confrontatie: overleg met OvJ 

    1. Overleg met de OvJ over de noodzaak en/of de soort confrontatie (persoons-, geur- en/of stemconfrontatie; meervoudig of enkelvoudig) verdient aanbeveling, ook in zaken waarin de verdachte toestemming geeft. Vooral in zware zaken waarbij de verdachte ontkent, of een algemene niet gedetailleerde bekentenis aflegt, waarover twijfel zou kunnen ontstaan (al dan niet na intrekking van die bekentenis door de verdachte of na het intrekken van een belastende verklaring van een getuige (medeverdachte)). De OvJ wordt op de zitting helaas regelmatig geconfronteerd met verdachten/getuigen die hun verklaringen intrekken of "bijdraaien". 

      Zakboek HulpOvJ 3.27. 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.24.

  159. Graffiti 

    1. Het bespuiten/besmeuren van een gebouw met graffiti kan beschadiging van dat gebouw opleveren en dus overtreding van art. 352 Sr. Zie hierover ook de vaktechnische vraag in het APB van 24/01/04. Beschadigen is immers het toebrengen van schade (Zie Remmelink, art. 352, aant. 2). Art. 352 Sr is een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten (kent immers een strafdreiging van 4 jaar). Aanhouding buiten heterdaad maar ook bijv. ivs behoren dus tot de mogelijkheden. Het besmeuren/bespuiten (graffiti) met verf van een muur, container, bedrijfspand (MH: of een trein) kan ook openlijk geweld opleveren (HR, NJ 99-311 en 97-88). En ook op openlijk geweld staat voorlopige hechtenis zodat ook hier buiten heterdaad aangehouden kan worden.

      Art. 352 Sr
      Hij die opzettelijk en wederrechtelijk enig gebouw, vaartuig of zijn lading, installatie ter zee of luchtvaartuig dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of onklaar maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie. 

      Art. 141 
      1. Zij die openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden of geldboete van de vierde categorie. 
      2. De schuldige wordt gestraft: 
      1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie, indien hij opzettelijk goederen vernielt of indien het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft; 
      2°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft; 
      3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien dat geweld de dood ten gevolge heeft. 3. Art. 81 blijft buiten toepassing. 

      Zakboek Strafrecht voor de politie, 18.5 en 4.18.

  160. Uitgeven van vals geld

    1. Onder het uitgeven van vals geld wordt begrepen iedere handeling waardoor vals geld feitelijk in het verkeer worden gebracht. Daaronder valt dus ook de uitgifte van vals geld aan een tussenpersoon ter verdere distributie, ongeacht de vraag of die tussenpersoon van de valsheid van de biljetten op de hoogte was (HR, NJ 86-662, 96-128 en HR, NJ 2003-443).

      Zakboek Strafrecht voor de politie, 7.2.

  161. Opsporingsconfrontatie ook als bewijs te gebruiken

    1. Meer dan incidenteel verneem ik van opsporingsambtenaren de mening dat een opsporingsconfrontatie (in tegenstelling tot een bewijsconfrontatie) niet als bewijs gebruikt zou mogen worden. Deze mening is niet juist.

      Het verschil tussen een opsporingsconfrontatie en een bewijsconfrontatie is er dat bij een opsporingsconfrontatie nog geen verdachte bekend is. Om een verdachte te kunnen opsporen worden bij een opsporingsconfrontatie dan ook foto’s getoond van potentiële kandidaten. En als de verdachte uit die selectie gehaald wordt, dan kan deze herkenning gewoon als bewijs gebruikt worden, ondanks dat er hier dus sprake was van een opsporingsconfrontatie!!

      Een bewijsconfrontatie verschilt van de opsporingsconfrontatie doordat er wél een verdachte bekend is en deze zich ook in de fotoselectie bevindt. En natuurlijk verdient het aanbeveling om ook voor een opsporingsconfrontatie zoveel mogelijk de regels van het "Besluit Maatregelen in het belang van het onderzoek" te volgen. 

      Maar nogmaals: zowel bij de opsporings- als de bewijsconfrontatie kan een herkenning als bewijs gebruikt worden. Voor de geleerden onder ons: het is in beginsel voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om tot het bewijs te bezigen, wat hem uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt.

      Zakboek HulpOvJ 3.27  
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.24

  162. Tegenonderzoek ademanalyse 

    1. De politie heeft in beginsel geen verplichting de verdachte te wijzen op de mogelijkheid van een tegenonderzoek (contra-expertise) bij een afgenomen ademanalyse. Het initiatief tot het doen plaatsvinden van een tegenonderzoek ligt bij de verdachte (zie art. 10a van het Besluit alcoholonderzoeken). Dit betekent echter niet dat hij daartoe een formeel verzoek moet doen. Reeds de betwisting door de verdachte van de deugdelijkheid van het ademonderzoek en/of het resultaat van de ademanalyse zal voor de opsp. ambt. aanleiding dienen te zijn de verdachte te informeren over de mogelijkheid van een tegenonderzoek. Om discussies in de rechtszaal te vermijden lijkt het mij overigens beter de verdachte maar wel altijd te wijzen op de mogelijkheid van een tegenonderzoek en dit dan ook in het pv te vermelden. 

      Zakboek HulpOvJ 11.18  
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.18

  163. Schennis van de eerbaarheid onder omstandigheden ook belaging 

    1. Herhaalde schennis (art. 239 Sr) tegenover hetzelfde slachtoffer kan onder omstandigheden ook belaging (art. 285b Sr) opleveren en dus vh. In dat geval behoort aanhouding buiten heterdaad, ivs, enz. tot de mogelijkheden.  
      Zakboek Strafrecht voor de politie, 9.2 en 11.8.

  164. Vasthouden telefoon tijdens rijden 

    1. art. 61a Rvv verbiedt het vasthouden van een telefoon tijdens het rijden met een motorvoertuig, bromfiets of invalidenvoertuig. Ook uit de memorie van toelichting blijkt duidelijk dat het gaat om rijden. Als de bestuurder dus stil staat (bijv. langs de kant of voor een verkeerslicht), mag er best een telefoon worden vastgehouden. Let er dus op dat in het pv duidelijk wordt vermeldt dat betrokkene ook echt reed, want de officier van justitie moet, mocht het tot een zitting bij de kantonrechter komen, kunnen bewijzen dat er sprake was van vasthouden van een telefoon "tijdens het rijden". 

      Art. 61a Rvv: Het is degene die een motorvoertuig, bromfiets of invalidenvoertuig bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiele telefoon vast te houden. 

      MH: Dit feit is per 01-01-04 "gemulderd" .

      Met dank aan OvJ Nijkerk.

  165. Onderzoek aan de kleding ingevolge de Wet wapens en munitie vereist sinds 15-09-02 géén ernstige bezwaren meer

    1. Sinds de inwerkingtreding van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet Wapens en Munitie per 15 september 2002 zijn er voor een onderzoek aan de kleding géén ernstige bezwaren meer vereist

      Art. 52 WWM per 15-09-02:

      1. De bij of krachtens art. 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen. 
      2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd personen aan hun kleding te onderzoeken indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van: 

      a. een gepleegd strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt; 
      b. een gepleegde overtreding van de artikelen 13, 26 of 27 (MH: zie hieronder); 
      c. aanwijzingen dat een strafbaar feit als bedoeld onder a of b zal worden gepleegd. 

      2. (..)

      - art. 13 omvat het verbod (behoudens uitzonderingen) een wapen van categorie I te vervaardigen, te transformeren, voor derden te herstellen, over te dragen, voorhanden te hebben, te dragen, te vervoeren, te doen binnenkomen of te doen uitgaan; 
      - art. 26 omvat het verbod (behoudens uitzonderingen) een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben en voor personen die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt verboden een wapen van categorie IV voorhanden te hebben; 
      - art. 27 omvat het verbod (behoudens uitzonderingen) een wapen van de categorieën II, III en IV te dragen. 

      Zie voor deze artikelen het zakboek Strafrecht.

      Zakboek HulpOvJ 11.20 (einde v/d paragraaf). 
      Zakboek opsp. ambt. 10.20 (einde v/d paragraaf).

  166. Vuurwapenbezit en voorgeleiden bij de OvJ/RC

    1. Dit keer een zeer omvangrijke tip van de week vanwege:
      1: het kennelijk toenemend aantal vuurwapenzaken;
      2: het in ieder geval toenemend aantal voorgeleidingen en (dus) inbewaringstellingen;
      3: de vergissingen die daarbij gemaakt worden (ook bij aanhouding buiten heterdaad en ivs).

      Praktijksituaties

      Een aantal onafhankelijk van elkaar bestaande situaties doet zich in de dagelijkse praktijk met enige regelmaat voor:

      1. De opsporingsambtenaar houdt een verdachte aan die in zijn broeksband of een holster een vuurwapen draagt. De gedachten blijven hangen bij het woord "dragen" en de onervaren ambtenaar gaat ijverig in de wapenwetgeving zoeken naar het betreffende artikel. Al gauw komt hij (nadat hij de juiste categorie (III) gevonden heeft) bij art. 27 WWM, waarin staat dat het verboden is een wapen van de categorieën II, III en IV te dragen. Tot zijn verbazing ziet hij dan dat het een overtreding is (art. 54 t/m 56). Tussen de oren blijft het begrip "dragen" zitten en hij komt er niet meer uit; 

      2. De OvJ beslist voor te geleiden voor het "dragen" van een vuurwapen (bijv. omdat er onvoldoende bewijs is voor medeplichtigheid). Voor dit feit is echter geen vh toegelaten en aanhouding buiten heterdaad, ivs, ibs, enz. is dan ook niet toegelaten.

      3. Er wordt voorgeleid voor het voorhanden hebben van een alarmpistool of alarmrevolver, waarvoor ook geen vh is toegelaten (betreft immers geen vuurwapen).

      Al deze vergissingen worden ingegeven door onvoldoende kennis van de Wet wapens en munitie en mogelijk tijdgebrek om daar even goed naar te kijken. Het betreft hier overigens ook zeer gecompliceerde wetgeving voor de "generalist". Advies vragen aan een collega specialist is in voorkomende gevallen dan ook dringend aan te raden.

      Dragen versus voorhanden hebben
      Allereerst moet men bij het spraakgebruik "dragen" alert zijn op het wettelijk begrip voorhanden hebben. Immers, het "draagverbod" (art. 27 WWM) heeft alleen aanvullende betekenis in de gevallen waarin iemand wél de bevoegdheid heeft om een wapen voorhanden te hebben (bijv. op basis van een verlof), maar géén bevoegdheid heeft om dat wapen ook te dragen. In gevallen van onbevoegd dragen én gelijktijdig onbevoegd voorhanden hebben dient er op basis van voorhanden hebben opgetreden te worden. 
      Dragen is immers slechts een overtreding (zie art. 56 i.v.m. art. 54 WWM) terwijl het onbevoegd voorhanden hebben een misdrijf is waarvoor onder omstandigheden ook vh is toegelaten én vaak voorgeleid wordt teneinde ibs te vorderen (zie art. 56 en art. 55).

      Wettelijk kader
      Het volgende wettelijk kader is van belang.

      1. Een alarmpistool is ingevolge art. 1 sub 3 WWM géén vuurwapen (belangrijke conclusie):

      Art. 1: 

      In deze wet wordt verstaan onder: 
      3°. vuurwapen: een voorwerp bestemd of geschikt om projectielen of stoffen door een loop af te schieten, waarvan de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie;

      2. Een alarmpistool/alarmrevolver valt onder categorie III onder 4:

      Art. 2 WWM, categorie III 
      1°. vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers en pistolen voor zover zij niet vallen onder categorie II sub 2°, 3° of 6°; 
      2°. toestellen voor beroepsdoeleinden die geschikt zijn om projectielen af te schieten; 
      3°. werpmessen; 
      4°. alarm- en startpistolen en -revolvers, met uitzondering van alarm- en startpistolen die: 
      a. geen loop of een kennelijk verkorte, geheel gevulde loop hebben; 
      b. zodanig zijn ingericht dat zij uitsluitend knalpatronen van een kaliber niet groter dan 6 mm kunnen bevatten; en 
      c. waarvan de ligplaats van de patronen en de gasuitlaat loodrecht staan op de loop of op de lengterichting van het wapen.

      3. Verbodsbepalingen m.b.t. het voorhanden hebben, dragen en/of overdragen van een wapen of vuurwapen.

      Artikel 26, 1. 
      Het is verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben.

      Artikel 27, 1. 
      Het is verboden een wapen van de categorieën II, III en IV te dragen.

      Artikel 31, 1. 
      Het is verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III over te dragen.

      4. De strafbaarstelling van het voorhanden hebben, dragen en/of overdragen van een wapen (waaronder dus een alarmpistool/alarmrevolver) of vuurwapen (waaronder dus niet een alarmpistool/alarmrevolver).

      Artikel 55 

      3. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar (MH: dus een vh-feit) of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft: 

      a. hij die handelt in strijd met de artikelen 

      9, eerste lid (MH: zonder erkenning een wapen of munitie vervaardigen, transformeren of in de uitoefening van een bedrijf uit te wisselen, te verhuren of anderszins ter beschikking te stellen, te herstellen, te beproeven of te verhandelen);

      14, eerste lid (MH: zonder consent een wapen of munitie van de categorieën II en III doen binnenkomen of doen uitgaan, alsmede om de bij binnenkomst aangegeven bestemming van zulke wapens of munitie zonder consent te wijzigen);

      26, eerste lid (MH: een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden hebben);

      of 31, eerste lid (MH: een wapen of munitie van de categorieën II en III over te dragen;

      en het feit begaat met betrekking tot een wapen van categorie II, of een vuurwapen (MH: dus niet een alarmpistool/alarmrevolver) van categorie III; 

      5. De verbodsbepaling m.b.t. het dragen

      Artikel 27 
      1. Het is verboden een wapen van de categorieën II, III en IV te dragen. 
      2. Het eerste lid is niet van toepassing op personen die: 
      a. houder zijn van een verlof als bedoeld in art. 29, voor zover dit verlof reikt; of
      b. op grond van art. 26, tweede lid, voor de jacht bestemde wapens voorhanden mogen hebben, voor wat betreft het terrein waar zij tot de jacht gerechtigd zijn. 
      3. Onze Minister kan bij regeling vrijstelling van het verbod van het eerste lid voor wapens van de categorieën III en IV verlenen met betrekking tot: a. optochten; en b. studenten-weerbaarheidsverenigingen. 
      4. Onze Minister kan bij regeling vrijstelling van het verbod van het eerste lid voor wapens van categorie IV verlenen met betrekking tot: 
      a. ceremoniële wapens; 
      b. kermissen; en 
      c. sportbeoefening.

      6. De strafbaarstelling van dragen (als overtreding en dus geen vh, zie daarover art. 56!!):

      Artikel 54 
      Met geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die handelt in strijd met een krachtens de artikelen 6, 8, tweede of derde lid, 33 of 42 vastgesteld voorschrift, dan wel in strijd met de artikelen 8, eerste lid, 14, vijfde lid, 26, vijfde lid, 27, eerste lid, of 31, derde of vierde lid.

      Tenslotte (ik hoor het U denken) is er nog art. 67 Sv waarin art. 55 lid 2 met name genoemd wordt als feit waarvoor ook vh mogelijk is:

      Artikel 55 
      2. Met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die handelt in strijd met art. 14, eerste lid.

      Het hier bedoelde art. 14 geeft het volgende verbod:

      1. Het is verboden zonder consent een wapen of munitie van de categorieën II en III te doen binnenkomen of te doen uitgaan, alsmede om de bij binnenkomst aangegeven bestemming van zulke wapens of munitie zonder consent te wijzigen.

      Niet van belang dus voor de onderhavige problematiek.

      Mocht een van de lezers van deze tip er anders over denken of nog tips hebben, dan hou ik me graag aanbevolen.

      Voor de diepgravers (en twijfelaars) nog even de volledige categorie-indeling (art. 2 WWM) en de strafbepaling (art. 26 WWM):

      Artikel 2 WWM

      1. Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.

      Categorie I 

      1°. stiletto's, valmessen en vlindermessen, een en ander indien het lemmet: 
      a. meer dan een snijkant heeft; 
      b. 7 cm of langer en 14 mm of smaller is; 
      c. 9 cm of langer is; of 
      d. van een stootplaat is voorzien; 

      2°. andere opvouwbare messen, indien: a. het lemmet meer dan een snijkant heeft; of b. de lengte in opengevouwen toestand langer dan 28 cm is; 

      3°. boksbeugels, ploertendoders, wurgstokken, werpsterren, vilmessen, ballistische messen en geluiddempers voor vuurwapens; 

      4°. blanke wapens die uiterlijk gelijken op een ander voorwerp dan een wapen; 

      5°. pijlen en pijlpunten bestemd om door middel van een boog te worden afgeschoten, die zijn voorzien van snijdende delen met de kennelijke bedoeling daarmee ernstig letsel te kunnen veroorzaken; 

      6°. katapulten; 

      7°. andere door Onze Minister aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn.

      Categorie II 

      1°. vuurwapens die niet onder een van de andere categorieën vallen; 

      2°. vuurwapens, geschikt om automatisch te vuren; 

      3°. vuurwapens die zodanig zijn vervaardigd of gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is dan wel dat de aanvalskracht wordt verhoogd; 

      4°. vuurwapens die uiterlijk gelijken op een ander voorwerp dan een wapen; 

      5°. voorwerpen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, met uitzondering van medische hulpmiddelen; 

      6°. voorwerpen, bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen, met uitzondering van medische hulpmiddelen en van vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers en pistolen, bestemd voor het afschieten van munitie met weerloosmakende of traanverwekkende stof; 

      7°. voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, met uitzondering van explosieven voor civiel gebruik indien met betrekking tot deze explosieven erkenning is verleend overeenkomstig de Wet explosieven voor civiel gebruik.

      Categorie III 

      1°. vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers en pistolen voor zover zij niet vallen onder categorie II sub 2°, 3° of 6°; 

      2°. toestellen voor beroepsdoeleinden die geschikt zijn om projectielen af te schieten; 

      3°. werpmessen; 

      4°. alarm- en startpistolen en -revolvers, met uitzondering van alarm- en startpistolen die: 
      a. geen loop of een kennelijk verkorte, geheel gevulde loop hebben; 
      b. zodanig zijn ingericht dat zij uitsluitend knalpatronen van een kaliber niet groter dan 6 mm kunnen bevatten; en 
      c. waarvan de ligplaats van de patronen en de gasuitlaat loodrecht staan op de loop of op de lengterichting van het wapen.

      Categorie IV 

      1°. blanke wapens waarvan het lemmet meer dan een snijkant heeft, voor zover zij niet vallen onder categorie I; 

      2°. degens, zwaarden, sabels en bajonetten; 

      3°. wapenstokken; 

      4°. lucht-, gas- en veerdrukwapens, behoudens zulke door Onze Minister overeenkomstig categorie I, sub 7°, aangewezen die zodanig gelijken op een vuurwapen dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn; 

      5°. kruisbogen en harpoenen; 

      6°. bij regeling van Onze Minister aangewezen voorwerpen die geschikt zijn om daarmee personen ernstig lichamelijk letsel toe te brengen; 

      7°. Voorwerpen waarvan, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder zij worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij voor geen ander doel zijn bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen en die niet onder een van de andere categorieën vallen.

      Artikel 26 WWM

      1. Het is verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben. 

      2. Het eerste lid is niet van toepassing op personen die houder zijn van: 
      a. een verlof als bedoeld in art. 28, eerste lid, van de wet, voor zover dit verlof reikt; of 
      b. een jachtakte als bedoeld in de Flora- en faunawet, voor wat betreft voor de jacht en beheer en schadebestrijding bestemde wapens en munitie van categorie III, die in de jachtakte zijn omschreven. 

      3. Onze Minister kan bij regeling vrijstelling van het verbod van het eerste lid voor wapens of munitie van categorie III verlenen met betrekking tot jagers en sportschutters, die hun vaste woon- of verblijfplaats buiten Nederland hebben. 

      4. Onze Minister kan ten aanzien van de personen bedoeld in het tweede lid regels vaststellen met betrekking tot: a. de medische geschiktheid en vaardigheid in het omgaan met wapens; 
      b. de vereiste kennis op het terrein van wapens; en 
      c. het aantal wapens dat zij ten hoogste voorhanden mogen hebben. 

      5. Het is personen die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt verboden een wapen van categorie IV voorhanden te hebben. 

      6. Onze Minister kan bij regeling vrijstelling van het verbod van het vijfde lid verlenen in het kader van in verenigingsverband beoefende sporten.

      Zakboek Strafrecht voor de Politie, hoofdstuk 22
      Zakboek HulpOvJ 4.6
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.6

  167. Opruiing

    1. Belangrijkste onderdeel bij opruiing voor de dagelijkse politiepraktijk lijkt te zijn dat het misdrijf in tweeën geknipt kan worden, namelijk het in het openbaar (mondeling of bij geschrift of afbeelding) opruien  tot 
      1: enig strafbaar feit (MH: bijv. "schiet hem kapot", "maak hem af", enz. enz.) of 
      2: tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (MH: wat meestal ook wel weer neer zal komen op opruien tot een strafbaar feit).

      En aangezien er op het misdrijf vijf jaren gevangenisstraf bedreigd staat kunnen er dus voor het opruien tot enig strafbaar feit (mits uiteraard in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding) zware dwangmiddelen worden toegepast, zoals aanhouding buiten heterdaad, inverzekeringstelling, voorlopige hechtenis, enz. 

      Wettekst opruiing (art. 131 Wetboek van Strafrecht)

      Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.

      Zakboek Strafrecht 4.2

  168. Klachtmisdrijven en geregistreerd partnerschap

    1. Bij klachtmisdrijven dient art. 90 octies van het Wetboek van Strafrecht niet vergeten te worden: gelijkstelling van het huwelijk met geregistreerd partnerschap en echtgenoot met geregistreerde partner.

      Art. 90 octies Sr:
      Waar van huwelijk of echtgenoot wordt gesproken wordt, met uitzondering van art. 449, daaronder mede begrepen geregistreerd partnerschap dan wel geregistreerde partner.

      Zakboek HulpOvJ 10.3.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 9.2.

  169. Conservatoir beslag na aanvang terechtzitting

    1. Ook nadat de behandeling van de zaak ter openbare terechtzitting is aangevangen is inbeslagneming conform art. 103 Sv nog mogelijk (mits het voorwerp uiteraard ook vatbaar is): conservatoir voordeelsbeslag én geldboetebeslag kunnen worden gelegd tot de executoriale fase (ook al was er geen sfo of is het sfo gesloten). Overleg in dit soort gevallen echter altijd met de OvJ.

      Artikel 103 Sv
      1. Beslag kan op grond van art. 94a slechts worden gelegd of gehandhaafd krachtens schriftelijke machtiging op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris.
      2. De machtiging wordt door de officier van justitie zo spoedig mogelijk aan de verdachte of veroordeelde, en zo het beslag onder een derde is gelegd, ook aan deze betekend.

      Met dank aan Carina van Rooijen, civiel juridisch adviseur BOOM (Bureau ontnemingen OM)

      Zakboek HulpOvJ 6.27.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 9.2.

  170. Verzoek rechtshulp en bevel uitlevering ter inbeslagneming (art. 96a Sv)

    1. In de praktijk is gebleken dat het bevel tot uitlevering van art. 96a Sv door de politie wordt gebruikt ten behoeve van de uitvoering van een buitenlands rechtshulpverzoek. Op grond van het bepaalde in art. 552i lid 2 Sv dient de politie echter rechtshulpverzoeken in handen van de officier van justitie te stellen, tenzij alleen om inlichtingen wordt gevraagd en voor het verkrijgen van de inlichtingen geen dwangmiddelen vereist zijn. 

      De bevoegdheid van art. 96a Sv kan als een dwangmiddel worden aangemerkt en mag derhalve niet ter uitvoering van een buitenlands rechtshulpverzoek worden gebruikt

      Indien voor de uitvoering van een rechtshulpverzoek inbeslagneming is vereist dient het verzoek altijd in handen van de officier van justitie te worden gesteld.

      Met dank aan Maxine van Veelen
      LEXPO (landelijk expertise centrum opsporing en vervolging)


      Harm Kol (FIOD-ECD, kantoor Arnhem) mailde mij n.a.v. deze tip nog dat de tip niet volledig is: immers, gelet op 552n, lid 1, letter c en 552o, moet de OvJ het rechtshulpverzoek in zo'n geval doorsturen naar de RC, en is hij, en ook alleen hij, in dat geval bevoegd tot inbeslagneming (middels een bevel ex art. 105 Sv of een doorzoeking ex. art. 110 Sv). 

      Rechtshulp: art. 552h Sv e.v.
      Art. 96a Sv. 

      Zakboek HulpOvJ 6.10.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 5.10.

  171. Zou U de dader kunnen herkennen?

    1. Vaak wordt aan een getuige gevraagd of hij of zij de dader bij weerzien nog zou kunnen herkennen. Het stellen van deze vraag is niet handig. Het antwoord van de getuige zegt niets tot weinig over het feit of men hem of haar moet laten meewerken aan een confrontatie. Bepalend voor de vraag of men een getuige moet laten meewerken aan een confrontatie zijn de omstandigheden waaronder die getuige de dader heeft gezien (externe factoren zoals afstand, verlichting, tijdsduur, enzovoort en interne factoren zoals stress, emotie, oogziekte, enzovoort). Hoe beter die omstandigheden waren hoe meer kans er is op succes. Deze omstandigheden dienen in het proces-verbaal te worden omschreven, zodat ook de rechter de betrouwbaarheid van een eventuele herkenning kan inschatten.
      Een tweede belangrijke reden om de betreffende vraag niet aan een getuige te stellen is het feit, dat als de getuige bevestigend antwoordt, hij of zij bij een confrontatie meer druk zal ervaren om iemand aan te wijzen. De getuige zal eerder (on)bewust een meegaand besliscriterium hanteren, ofwel als iemand enigszins op de dader lijkt zal hij snel geneigd zijn die persoon aan te wijzen. In ons rechtsstelsel is dat niet wenselijk. Het is de bedoeling dat alleen personen worden aangewezen die echt de dader zijn. Overigens wordt het meegaand besliscriterium nog meer versterkt als de getuige graag wil dat de dader gepakt wordt, als de getuige weet dat een herkenning voor de politie erg belangrijk is en kennis draagt van het feit dat anderen al iemand hebben herkend. Om betrouwbaar bewijsmateriaal te verkrijgen is het noodzakelijk dat de getuige bij de confrontatie een conservatief besliscriterium hanteert. Dat wil zeggen dat hij alleen iemand aanwijst als er sprake is van een zeer grote gelijkenis tussen het beeld dat in zijn geheugen is opgeslagen en het beeld van de persoon waarmee hij wordt geconfronteerd.

      Met dank aan Adri van Amelsvoort, kennismakelaar bij het Politie Kennis Net (Politieacademie) tevens auteur van "Handleiding Confrontatie",  Elsevier Bedrijfsinformatie.

  172. Strafbaarstelling witwassen

    1. Per 14-12-01 is strafbaar gesteld:

      Opzettelijk witwassen:

      Artikel 420bis
      1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:
      a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf; 
      b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf.
      2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.

      Gewoonte witwassen: 

      Artikel 420ter
      Hij die van het plegen van witwassen een gewoonte maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

      Schuld witwassen: 

      Artikel 420quater
      1. Als schuldig aan schuldwitwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie:
      a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf;
      b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf. 
      2. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.

      Bij vergelijking van deze strafbepalingen met heling zal blijken dat de witwasbepalingen de helingsbepalingen niet alleen overlappen én veel ruimer zijn (zie zakboek Strafrecht)!!!!

    2. Tevens per 14-12-01 uitbreiding gevallen waarop vh is toegelaten en uitbreiding recidivegrond vh met schuldwitwassen (art. 420quater) 

      Zakboek HulpOvJ 4.6 en 4.36.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.6 en 3.28.
      Zakboek Strafrecht, 19.5 e.v.

  173. Dna website

    1. www.dnasporen.nl: website met daarop de juridische en technisch-wetenschappelijke ontwikkelingen op het gebied van het DNA-onderzoek in Nederland en daarbuiten. Inclusief recente regelgeving!!

  174. Wijziging ambtsinstructie

    1. Per 31-08-2001 is de Ambtsinstructie gewijzigd. Zo wordt onder het aanwenden van geweld ingevolge het nieuwe art. 1 lid 3c nu verstaan: het gebruiken van geweld en het dreigen met geweld, waaronder wordt begrepen het ter hand nemen van een vuurwapen. Het onderscheid tussen "het uit voorzorg ter hand nemen van een vuurwapen" en "het trekken van een vuurwapen" is vervallen. Iedere aanwending van geweld (inclusief dus het ter hand nemen van een vuurwapen) moet door de betreffende ambtenaar onverwijld aan zijn meerdere worden gemeld.

      Zakboek Hulpofficier 3.26.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.23.

  175. Horen minderjarige bij klacht door wettelijke vertegenwoordiger

    1. Bij klachtmisdrijven is de klachtgerechtigde degene tegen wie het misdrijf is begaan (art. 64 Sr). Zie echter voor het verplicht indienen van een klacht door een vertegenwoordiger in plaats van door degene tegen wie het misdrijf is begaan art. 65 Sr. Denk hierbij met name aan de klacht gedaan door de ouders van een minderjarige die de leeftijd van 16 jaar nog niet bereikt heeft. 

      En dan nu de tip. 

      Als er terzake een klachtmisdrijf een klacht door de wettige vertegenwoordiger van een minderjarige van 12 tot 16 jaar conform voornoemd art. 65 Sr is gedaan, dan dient die minderjarige  (als deze in Nederland verblijft) in de gelegenheid gesteld te worden diens mening te geven over de wenselijkheid van strafvervolging. Daarover dient het pv helderheid te verschaffen.  Deze verplichting geldt niet indien dit in verband met de lichamelijke of geestelijke toestand van de minderjarige niet mogelijk of niet wenselijk is (art. 165a Sv, waarin overigens hetzelfde is bepaald voor een onder curatele gestelde). Het niet naleven van art. 165a kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM (en dus einde zaak)!

      De bedoeling van art. 165a Sv is dat het OM het belang van het daarin genoemde slachtoffer en dat van de samenleving afweegt tegenover het belang van de verdachte. Art. 165a Sv dient om de OvJ in staat te stellen bij de vervolgingsbeslissing de mening van het slachtoffer te betrekken. Dat kan ook wanneer een opsporingsambtenaar het op dit punt verplichte verhoor van die minderjarige doet. Mocht art. 165a over het hoofd gezien zijn, dan kan dat nog hersteld worden door een verklaring van die minderjarige in een aanvullend pv. Ook als de zitting al begonnen is kan dit verzuim nog hersteld worden (ook in hoger beroep). Ook dat kan ook door een aanvullend pv of door het horen van het slachtoffer op zitting (als het daar toch al aanwezig is).

      Zakboek Hulpofficier 10.3.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 9.2

  176. Bevriezen niet van toepassing bij doorzoeken ter aanhouding

    1. Conform art. 55a Sv behoeft de opsp. ambt. voor doorzoeking ter aanhouding een (schriftelijke of mondelinge) machtiging van de OvJ, behoudens het geval van dringende noodzakelijkheid. In afwachting van een mogelijke doorzoeking ter aanhouding kan er echter niet "bevroren" worden. Sv kent immers alleen de "bevriezing" voor een doorzoeking ter inbeslagneming van art. 96,2, 96c lid 4 en 97 lid 5 Sv (met dank aan Cees van Welij).
      Juist omdat er niet "bevroren" kan worden lijkt het mij dat er aldus eerder sprake kan zijn van dringende noodzakelijkheid en kan er dus zonder machtiging ter aanhouding doorzocht worden

      Met dank aan Henk Meijer van het Politieacademie.

      Zakboek Hulpofficier 4.8 en 6.10.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.8 en 5.10.