Tiparchief www.zakboekenpolitie.com

In onderstaande tabel worden de oude tips van de week weergegeven. 
Als u uitsluitend vetgedrukte tekst met tiptitels ziet: klik op vetgedrukte tekst voor de uitgewerkte teksten. 
De verwijzingen naar de zakboeken dient u zelf te 'vertalen' naar de nieuwste editie van de zakboeken

  1. Verhoor verdachte als getuige / gebruik verklaring verdachte op zitting
    1. Geen rechtsregel staat er aan in de weg 'dat opsporingsambtenaren in de fase van het opsporingsonderzoek een persoon afwisselend (MH: niet dus gelijktijdig) in verschillende hoedanigheden verhoren. Het is dus mogelijk dat iemand eerst wordt verhoord als aangever en/of getuige, daarna als verdachte en vervolgens weer als aangever/getuige. Wel brengt de eis van een goede procesorde mee dat (MH: aan de betreffende persoon en in het pv) duidelijk wordt gemaakt in welke hoedanigheid de desbetreffende persoon wordt verhoord. Bij het verhoor als verdachte dienen de daarvoor geldende waarborgen in acht te worden genomen zoals de cautie'. Uit het samenstel van de artikelen 29, 1e en 2e lid Sv (in vrijheid verklaren en cautie), art. 219 Sv (verschoningsrecht getuige) en art. 290, 4e lid Sv (beëdiging getuige op zitting) 'moet worden afgeleid dat (...) het tegelijkertijd (cursief MH) horen van iemand als verdachte in zijn eigen strafzaak én als getuige in de strafzaak tegen een medeverdachte, niet past in het Nederlandse stelsel van strafvordering, in het bijzonder niet omdat daardoor de aan art. 29 Sv ten grondslag liggende verklaringsvrijheid van de verdachte op ontoelaatbare wijze onder druk kan komen te staan'. Bij het verhoor als getuige dient aan het verschoningsrecht gedacht te worden (zie voor het wijzen op een mogelijk verschoningsrecht 3.20). En bij het verhoor van de verdachte uiteraard aan de cautie en het consultatierecht (zie 2.7). Het verhoren van een persoon als getuige terwijl die persoon ook verdachte is zonder daarbij de rechten die de betreffende persoon als verdachte heeft in acht te nemen, zal leiden tot bewijsuitsluiting van de aldus verkregen verklaring (en onder omstandigheden zelfs tot niet-ontvankelijkheid). Tot slot nog even voor de zekerheid: de verklaring van de verdachte (de verklaring die de verdachte dus als verdachte heeft afgelegd) mag ook tegen anderen (medeverdachten) worden gebruikt. Voor gebruik op de zitting geldt daarbij wel als voorwaarde dat de zaken dan niet gevoegd aangebracht dienen te worden, waarbij gelijktijdige behandeling van de niet-gevoegde zaken toegestaan is. Zie hierover verder het zakboek Pv en Bewijsrecht en voornoemde noot (Reijntjes).

      Zakboek HulpOvJ 2.17.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.17.
  2. Eenvoudige belediging (art. 266 Sr)
    1. Art. 266 Sr 1.
      Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de 2e categorie. 2. Niet als eenvoudige belediging strafbaar zijn gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare be-langen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit.

      Van belang voor het opsporingsonderzoek en een juiste verwerking in het pv is dat onderscheid gemaakt dient te worden tussen:
      1. belediging in het openbaar (mondeling of bij geschrift of afbeelding). Aanwezigheid van de beledigde is niet vereist;
      2. belediging van iemand, in zijn tegenwoordigheid (mondeling of door feitelijkheden) (openbaarheid dus niet vereist);
      3. belediging door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding (ook hier openbaarheid dus niet vereist).

      Zakboek Strafecht voor de Politie 10.5

  3. Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wet Mulder): cautie wél verplicht!
    1.  'Hoewel de wetgever in de WAHV niet heeft voorzien in de plicht voor de opsp. ambt. om, voorafgaand aan een mondelinge ondervraging met het oog op een aan een betrokkene op te leggen administratiefrechtelijke sanctie, hem mede te delen dat hij niet tot antwoorden verplicht is, acht het hof het onjuist een verklaring van een betrokkene, waaraan die cautie niet is voorafgegaan, te gebruiken voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Immers, om ten volle van de in het EVRM neergelegde rechten gebruik te kunnen maken is van belang dat betrokkenen op de hoogte zijn van die rechten. Gelet op de wijze waarop het Sr en de Algemene wet bestuursrecht daaraan vorm hebben gegeven, dient ook aan het horen van een betrokkene ter zake van een gedraging in het kader van de WAHV de cautie vooraf te gaan. Tenzij anders blijkt, mag bij het ontbreken van de cautie er niet van worden uitgegaan dat sprake is van een vrijwillig afgelegde verklaring. Hof Leeuwarden 10-01-13, LJN BY8163. Naar aanleiding van deze jurisprudentie heeft het College van PG's in de aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen inmiddels bepaald dat in WAHV-zaken, waarbij een staande houding plaatsvindt door een aangewezen ambtenaar, de cautie gegeven moet worden.

      Zakboek HulpOvJ 11.36
      Zakboek Opsporingsambtenaar 11.33
  4. WWM en speelgoedwapens
    1. Per 1 juli 2014 is de Regeling wapens en munitie gewijzigd. Speelgoedwapens die v.w.b. vorm/afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens/voor ontploffing bestemde voorwerpen vallen niet meer onder categorie I onder 7 WWM. Uiteraard kan onder omstandigheden wel worden teruggevallen op de restcategorie 4 onder 7 (dragen voorwerpen waarvan gelet op aard/omstandigheden aantreffen redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zijn bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen).

      Zakboek Strafrecht voor de politie 22.3
  5. Raadpleeg bij twijfel / afbreukgevoelige zaken www.overheid.nl!
    1. Raadpleeg vanwege de snelheid en hoeveelheid wetswijzigingen bij twijfel / afbreukgevoelige zaken altijd www.overheid.nl in plaats van uitsluitend papieren boeken.
  6. Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wet Mulder): bewijs
    1. De WAHV kent eigen procesregels die in beginsel los staan van Sv. In het kader van de WAHV wordt gesproken over gedragingen die afgedaan worden met administratieve sancties. De enige uitzondering vormt art. 34 WAHV waarin een drietal strafbare feiten is geregeld die met een strafrechtelijke boete kunnen worden afgedaan.

      Het leveren en waarderen van bewijs is vormvrij (regels van Sv gelden immers niet) (T&C art. 12, aant. 1.). 'In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken' (
      Hof Leeuwarden 10-01-13, LJN BY8163). E.e.a. geldt ook als de waarneming van de verbalisant in vrije tijd (buiten diensttijd) is gedaan (Hof Leeuwarden 10-04-09, LJN BJ4967).

      Zakboek HulpOvJ 11.36
      Zakboek Opsporingsambtenaar 11.33
  7. Beperkingen
    1. Gelet op het systeem van de wet kunnen beperkingen (maatregel in het belang van het onderzoek) niet tijdens het ophouden voor onderzoek worden toegepast. Als zo´n maatregel tijdens het ophouden voor onderzoek toch volstrekt noodzakelijk is, dan is de oplossing een vervroegde ivs (mits uiteraard aan de voorwaarden daarvoor voldaan is) en vervolgens toepassing van de maatregel. Met het opleggen van beperkingen moet in voorkomende gevallen niet gewacht worden tot de voorgeleiding bij de OvJ/RC (ibs). Immers tot die tijd is niet alleen de verdachte vrij in zijn contacten over de strafzaak maar ook de raadsman (bespreking processtukken met bijv. het thuisfront en/of getuigen, enz.). In zaken die zich daarvoor lenen (hoog afbreukrisico en volstrekte noodzakelijkheid) dienen de beperkingen daarom al tijdens de ivs opgelegd te worden. Neem daarover in voorkomende gevallen contact op met de OvJ. Bij het opleggen van beperkingen dient niet vergeten te worden de raadsman daarvan ook zo spoedig mogelijk in kennis te stellen (zodat ook deze weet daaraan gebonden te zijn ).

      Zakboek HulpOvJ 4.31
      Zakboek Opsporingsambtenaar 4.31
  8. Openen (al dan niet afgesloten) kast waarvan bekend is dat daar een voor ibn vatbaar voorwerp ligt: doorzoeking!
    1. De politie had op zoek naar verdovende middelen de deur van een kast geopend en de in die kast aanwezige verdovende middelen in beslag genomen. Volgens de HR was er aldus sprake van doorzoeking. 'De omstandigheid dat (…) de politie voorafgaand aan het binnentreden van de woning ervan op de hoogte was dat zich in die kast verdovende middelen bevonden, maakt dat niet anders’. Ook in dit soort zaken dus de regels voor doorzoeking volgen (tenzij bewuste en vrijwillige toestemming, zie 3.3)!!

      Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ 6.41
      Zakboek Strafvordering voor de Opsporingsambtenaar 6.39
  9. Binnentreden ter hulpverlening
    1. De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak heeft toegang tot elke plaats, voor zover dat voor het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven, redelijkerwijs nodig is (art. 7 lid 2 Politiewet 2012). Ingevolge dit artikel heeft de politie dan ook een binnentredingsbevoegdheid ‘ter hulpverlening’ (ook in een woning). Uiteraard dient daarbij nog steeds voldaan te worden aan de eisen die de Awbi stelt (legitimatie, doelmededeling, machtiging).  

      Zie voor een uitzondering op de legitimatieplicht en de doelmededeling art. 1 lid 2 Awbi: indien de naleving naar redelijke verwachting ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of goederen, feitelijk onmogelijk is dan wel naar redelijke verwachting de strafvordering schaadt t.a.v. misdrijven waarvoor vh is toegelaten, gelden deze verplichtingen slechts voor zover de naleving daarvan in die omstandigheden kan worden gevergd.

      Zie voor een uitzondering op het vereiste van een schriftelijke machtiging binnentreden art. 2 lid 3 Awbi: o.a. indien ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen terstond in de woning binnengetreden moet worden.

      Om uitsluiting van mogelijk aangetroffen bewijs te voorkomen dient niet alleen tijdig, juist en volledig in het pv omschreven te worden waaruit de hulpverlening bestond maar ook (bij binnentreden zonder machtiging) het mogelijk ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen waar­voor terstond (zonder machtiging) binnengetreden moest worden.

      Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ 7.10
      Zakboek Strafvordering voor de Opsporingsambtenaar 7.10

  10. Kort na diefstal aantreffen van verdachte met gestolen goed
    1. Alleen het bij een verdachte aantreffen van gestolen goederen kort na de diefstal daarvan is zonder aanvullend bewijs (anders dan de aangifte) onvoldoende voor een veroordeling ter zake de diefstal van die goederen (maar mogelijk wel voor (schuld)heling/witwassen). Aanvullend bewijs voor de diefstal kan zijn dat verdachte een leugenachtige of geen (aannemelijke) verklaring wenst of kan geven over de aanwezigheid van die goederen bij hem (zie hierover ook het zakboek HulpOvJ, Opsp. ambt. of Pv en Bewijsrecht). Of dat verdachte bijv. nog geen twee uur, nadat de landbouwtrekker was gestolen, in het donker rijdend daarmee werd aangetroffen tussen de plaats van de diefstal en zijn woonplaats, terwijl hij met gedoofde lichten reed.

      Zakboek Strafrecht voor de politie 14.1
  11. Heling (art. 416 t/m 417bis)
    1. Denk bij het niet kunnen bewijzen dat een verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van een goed wist of redelijkerwijs kon weten dat dit goed door misdrijf is verkregen ook aan lid 1 onder b: daar wordt dit bestanddeel niet vereist! 

      Opzetheling (art. 416 Sr)  
      1. Als schuldig aan opzetheling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:   
      a. hij die een goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of een zakelijk recht t.a.v. een goed vestigt of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het recht wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;   
      b. hij die opzettelijk uit winstbejag (MH: wordt ruim gezien, zie zakboek) een door misdrijf verkregen goed voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht t.a.v. een door misdrijf verkregen goed overdraagt.   
      2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekt.  Schuldheling (art. 417bis)   1. Als schuldig aan schuldheling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie:   
      a. hij die een goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht t.a.v. een goed vestigt of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het recht redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;   
      b. hij die uit winstbejag een goed voorhanden heeft of overdraagt dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht t.a.v. een goed overdraagt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betreft.   
      2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die uit de opbrengst van enig goed voordeel trekt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betreft.

      Zakboek Strafrecht voor de politie, 19.2 en 19.4
  12. Géén aanhouding voor ‘noh-vonnis’
    1. Onder een noh-vonnis wordt verstaan een vonnis dat nog niet onherroepelijk vaststaat. Tegen een noh-vonnis kan vaak nog een rechtsmiddel ingediend worden (hoger beroep of cassatie) en het vonnis kan daarom nog niet geëxecuteerd (ten uitvoer gelegd) worden. Noh-vonnissen moeten (voor er van executie sprake kan zijn) vaak nog ‘betekend’ (kennisgegeven) worden aan de veroordeelde. Voor die betekening / kennisgeving mag een veroordeelde niet worden aangehouden (verzet tegen aanhouding is dus ook niet strafbaar). De betreffende persoon kan slechts op vrijwillige basis mee naar het bureau gaan om die betekening/kennisgeving te doen.

      Zie in voorkomende gevallen ook de aanwijzing executie (op overheid.nl). Formulieren voor de betekening/kennisgeving zijn terug te vinden in de computersystemen van bijv. de politie. Bovendien zijn in de praktijk ook vaak zgn. doordrukformulieren voor op straat beschikbaar.

      Zakboek HulpOvJ 4.3
      Zakboek opsp. ambt. 4.3
  13. Wederspannigheid bij preventief fouilleren
    1. Wederspannigheid is aan de orde als betrokkene zich actief, bijv. met rukken en trekken, verzet tegen een politieambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Op grond van art. 52, derde lid, WWM kan in een veiligheidsrisicogebied dat is aangewezen overeenkomstig art. 151b, eerste lid, van de Gemeentewet, op een daartoe strekkend bevel van de OvJ, door de opsp. ambt. «tegenover een ieder de bevoegdheid (...) worden uitgeoefend om hem aan zijn kleding te onderzoeken op de aanwezigheid van wapens of munitie». De politieambtenaar handelt rechtmatig in de zin van art. 180 Sr als hij (na betrokkene te hebben verzocht om aan de fouillering mee te werken) overgaat tot het feitelijk fouilleren van betrokkene. Als betrokkene zich daar dan fysiek tegen verzet, overtreedt hij art. 180 Sr. Als hij zich aan de fouillering onttrekt door bijv. weg te rennen, overtreedt hij art. 184 Sr (tweede gedeelte: «alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt»). In deze gevallen is het niet-meewerken eveneens strafbaar op grond van art. 184 Sr in samenhang met art. 3 Politiewet 2012'.
      Kamerstukken 33112, nr. E (Nadere MvA).

      Zakboek HulpOvJ 11.22 (editie 2015, verschijnt sept. 2014)
      Zakboek opsp. ambt. 11.22 (editie 2015, verschijnt sept. 2014)
  14. Volledige uitkleding verdachte voor onderzoek aan kleding
    1. In afwachting van duidelijke jurisprudentie lijkt het mij aangewezen om als het voor een onderzoek aan de kleding nodig is dat een verdachte zich geheel uitkleedt (en bij een vrouw ook bij de complete bovenkleding) dit gelet op de mate van inbreuk op de privacy (ook dus als het onderzoek niet op het lichaam is gericht) uitsluitend met toestemming van een (hulp)OvJ te doen en dit ook in het pv te relateren.

      Zakboek HulpOvJ 5.2
      Zakboek Opsp. ambt. 5.2

  15. Herkenning verdachte vanaf foto door opsp. ambt.
    1. Regelmatig worden misdrijven door bewakingscamera's geregistreerd en vastgelegd. Bij een onbekende verdachte plaatst de behandelend opsp. ambt. vaak een aandachtsvestiging met (een foto van) die camerabeelden waarop de verdachte te zien is op het intranet met de vraag of collega's de verdachte herkennen. Meer dan incidenteel herkent vervolgens een opsp. ambt. ergens uit het land de verdachte. Die opsp. ambt. maakt dan een pv op, vermeldt daarin dat hij de verdachte ambtshalve herkent en vermeldt vervolgens de personalia. Helaas ontbreekt daarbij vaak waarvan die opsp. ambt. de verdachte kent en waaraan deze de verdachte herkend heeft. Bijv. dat die opsp. ambt. als buurtregisseur (wijkagent) de verdachte ‘tig’ keer heeft bezocht vanwege problemen in het gezin of bijv. al vaker onderzoek heeft gedaan naar deze verdachte en hem ook al eerder een aantal keren heeft verhoord. In ieder geval wordt dan duidelijk dat die opsp. ambt. de betreffende verdachte (vaker) in persoon heeft gezien en hem daarvan dus herkent (en kan herkennen). Daarbij dient dan ook nog vermeld te worden of de verdachte specifieke of opvallende signalementkenmerken had (bijv. een pukkel, tatoeage, litteken, hele grote neus, wijze waarop deze beweegt, enz.). Een dergelijke vermelding maakt de bewijskracht van de herkenning groter en is in zaken waarin de verdachte ontkent van groot belang! Een herkenning in zaken waarin de herkennend opsp. ambt. vóór het bekijken van het beeldmateriaal al wist met wie hij via dat beeldmateriaal geconfronteerd zou worden, kan leiden tot bewijsuitsluiting van de herkenning (vanwege het 'verwachtingseffect') en datzelfde geldt als meerdere opsporingsambtenaren gelijktijdig aan de herkenningsprocedure deelnemen (waardoor onduidelijk is wat iedere opsp. ambt. nu individueel van de beelden vond en welke invloed zij op elkaar hebben uitgeoefend). Overigens varen rechters in toenemende mate op hun eigen waarnemingen v.w.b. de herkenning van een verdachte en als de rechter de verdachte niet herkent van de bij het pv gevoegde afbeelding(en) dan zal de rechter de herkenning door de opsp. ambt. meestentijds niet gebruiken. Zorg dus voor goed beeldmateriaal bij de stukken en niet bijv. een zwartwit kopie van een kopie van een kleurenafbeelding.

      Met dank mede aan Hilbrand Pastoor, ten tijde van de tip parketsecretaris (hopper) Amsterdam.

      Zakboek HulpOvJ 3.26
      Zakboek opsp. ambt. 3.23
  16. Betreden woning en pv
    1. Als een woning is betreden dan dient ook in het pv vermeld te worden of dat plaats vond met toestemming, schriftelijke machtiging binnentreden of (in uitzonderlijke gevallen) art. 2 lid 3 Awbi: zonder toestemming en zonder machtiging want ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen waardoor terstond moest worden binnengetreden. Verzuim hiervan kan leiden tot vrijspraak of aanhouding van de strafzaak voor een aanvullend pv.
      Met dank aan OvJ Nijkerk.


      Zakboek HulpOvJ 7.1
      Zakboek opsp. ambt. 7.1
  17. Opruiing (art. 131 Sr)
    1. Belangrijkste onderdeel bij opruiing voor de dagelijkse politiepraktijk lijkt te zijn dat het misdrijf in tweeën geknipt kan worden, namelijk het in het openbaar (mondeling of bij geschrift of afbeelding) opruien tot  1: enig strafbaar feit (bijv. "schiet hem kapot", "maak hem af", enz. enz.) of  2: tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (wat meestal ook wel weer neer zal komen op opruien tot een strafbaar feit).

      En aangezien er op het misdrijf vijf jaren gevangenisstraf bedreigd staat kunnen er dus voor het opruien tot enig strafbaar feit (mits uiteraard in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding) zware dwangmiddelen worden toegepast, zoals aanhouding buiten heterdaad, inverzekeringstelling, voorlopige hechtenis, enz. 

      Wettekst opruiing (art. 131 Wetboek van Strafrecht)

      1. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.
      2. Indien het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.

      Zakboek Strafrecht voor de Politie 4.2.

  18. Tappen
    1. Voor tappen op basis van art. 126m is niet alleen een 67,1-misdrijf vereist maar ook dat dit misdrijf gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Iets wat nog wel eens over het hoofd gezien wordt. 

      Zakboek HulpOvJ 9.14
      Zakboek opsp. ambt. 9.14
  19. Oplichting: voordoen als huurder

    1. Géén valse hoedanigheid levert op de enkele omstandigheid dat men zich in strijd met de waarheid voordoet als een bonafide huurder die niet in staat en voornemens is het gehuurde goed na de huurperiode terug te geven. Dit zou pas anders kunnen zijn als de verdachte zich als een min of meer professionele marktpartij heeft voorgedaan waarmee naar de huurder toe een bovengemiddeld vertrouwen werd gewekt.

      Zakboek Strafrecht voor de politie, 17.1.

  20. Vrijwillige terugtred bij voorbereiding 10a Opiumwet
    1. Art. 46b Sr (vrijwillige niet-voltooiing) is niet van toepassing bij de voorbereidingsdelicten die in art. 10a Opiumwet zelfstandig strafbaar zijn gesteld. De reden is, dat terugtreding hier nooit kan wegnemen dat door toedoen van de dader het aanmerkelijk risico is geschapen dat voor de volksgezondheid hoogst schadelijke stoffen in het illegale circuit zouden terechtkomen (HR / Kamerstukken).
      Zakboek Strafrecht voor de politie 21.11.
  21. Bloedproef: ook bij vermoeden van andere stof dan alcohol.
    1. Art. 163 WVW luidt als volgt.

      1. Bij verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8, kan de opsporingsambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, en artikel 8, derde lid, onderdeel a.
      2. De bestuurder aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.
      3. De in het tweede lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.
      4. In het geval, bedoeld in het derde lid, dan wel indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, kan de opsporingsambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, en artikel 8, derde lid, onderdeel b.
      Gelijke bevoegdheid heeft de opsporingsambtenaar, indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed van een andere in artikel 8, eerste lid, bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeert.

      En dan de tip.

      De hiervoor cursief afgedrukte zin moet worden opgevat als een vermoeden dat de verdachte:
      1. of verkeert onder invloed van een of meer andere stoffen dan alcohol die, al dan niet in combinatie, de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden
      2. of verkeert onder invloed van minstens één van die andere stoffen én alcohol, terwijl de combinatie daarvan de rijvaardigheid kan beïnvloeden.
      En in beide gevallen mag dus worden overgegaan tot het vragen van toestemming tot het verrichten van bloedonderzoek en vervolgens bij niet verlenen van die toestemming tot het bevelen zich daaraan te onderwerpen.
      HR 27-02-07, LJN AZ4077 (zie ook conclusie van de PG).

      Zakboek Hulpofficier 11.11.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 11.11.
  22. Rijden onder invloed: aanvang en einde 20-minutentermijn bij de ademanalyse (art. 6 Besluit alcoholonderzoeken)
    1. Als beginpunt van de genoemde termijn geldt het moment waarop verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan de voorlopige ademanalyse en eerst subsidiair (voor het geval zodanige vordering niet gedaan is) het 1e directe contact. Als eindpunt van de genoemde termijn geldt het 1e tijdstip vermeld op het analyserapport. Opgelet dient te worden dat er tussen beide tijdstippen wel 20 minuten verlopen zijn. Indien de vordering voorlopige ademanalyse om 11.30 uur is geweest en de ademanalyse om 11.50 uur is afgenomen is dat niet met zekerheid vast te stellen (omdat het tijdsverloop meestentijds niet in seconden is vastgelegd) en kan dat leiden tot vrijspraak! Beter ware het in dit geval dus om op zijn vroegst om 11.51 uur met de ademanalyse aan te vangen!

      Zakboek Hulpofficier 11.18.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.18.
  23. Opiumwet en onderzoek aan/in lichaam
    1. De Opiumwet geeft géén bevoegdheid tot onderzoek aan of in het lichaam! Ook hiervoor moet teruggevallen worden op Sv: opsporingsfouillering aan het lichaam vanaf hulpOvJ, zie hoofdstuk 5.

      Zakboek Hulpofficier 11.23.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.23.
  24. De Opiumwet en doorzoeking
    1. De Opiumwet geeft géén bevoegdheid tot doorzoeking!! Ook voor de vraag of er sprake is geweest van een doorzoeking ter zake een mogelijk Opiumwetdelict geldt als criterium of er meer is gedaan dan ‘zoekend rondkijken’. Zie over zoekend rondkijken 6.41! Voor zoeking (ook in een vervoermiddel) zal dus teruggevallen moeten worden op Sv (zie 6.10 e.v.).

      Zakboek HulpOvJ 11.23.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 11.23.
  25. Stopteken ter staande houding of aanhouding verdachte
    1. Ondanks het feit dat Sv daarover niets vermeldt, is het geven van een stopteken ter staande houding of aanhouding van een verdachte niet onrechtmatig (het niet voldoen aan dit stopteken is echter niet strafbaar). De HR overwoog daarover (kort gezegd) dat een opsp. ambt. op grond van art. 52 Sv bevoegd is tot het geven van een stopteken en vervolgens tot staande houding van de verdachte. Dat geldt ook voor een stopteken ter aanhouding van een verdachte. In het pv dient in dat geval dan ook vermeld te worden dat er een stopteken ter staande en/of aanhouding van de verdachte gegeven werd (en als er ook gecontroleerd zou gaan worden op de WVW tevens vermelden: én ter controle op de bepalingen van de WVW en de daaruit voortvloeiende regelgeving).

      Zakboek HulpOvJ 4.2
      Zakboek Opsporingsambtenaar 4.22
  26. Tonen machtiging binnentreden via beeldscherm/smartphone/tablet
    1. Alhoewel mij op dit gebied nog geen jurisprudentie of wetgeving bekend is, kan naar mijn mening (in het huidige digitale tijdperk) ook aan de toonplicht voldaan zijn als dat tonen plaatsvindt middels een 'digitale' afbeelding van de originele (ondertekende!) machtiging per beeldscherm/smartphone/tablet (mits goed leesbaar voor de bewoner en herkenbaar als machtiging binnentreden). Het tonen vindt plaats door een opsp. ambt. die zich gelegitimeerd heeft (legitimatie als regel immers ook vereist voor binnentreden: zie art. 1 Awbi), veel betrouwbaarder als bewoner kun je het niet krijgen lijkt mij. Zie in dit kader ook de jurisprudentie inzake ‘geschrift’ bij opruiing en valsheid in geschrift in het zakboek Strafrecht (geschrift is ook een digitaal/elektronisch bestand). E.e.a. geldt natuurlijk des te sterker als niet langer gewacht kan worden op het ter plaatse komen van de originele machtiging. Van belang is. uiteraard wel de gang van zaken tijdig, volledig en juist te relateren in het pv.

      Zakboek HulpOvJ 7.2
      Zakboek Opsporingsambtenaar 7.2
  27. Belediging: beledigd voelen niet vereist.
    1. Een uiting is beledigend als zij de strekking heeft een ander in zijn eer en goede naam aan te tasten. Daarvan is in het algemeen sprake als de uitlating woorden bevat die op zichzelf genomen een beledigend karakter hebben.

      Uit de jurisprudentie van de HR blijkt dus dat niet vereist is dat de beledigde zich ook daadwerkelijk beledigd heeft gevoeld (‘strekking’ volstaat).

      Zakboek Strafrecht voor de Politie 10.1.
  28. Ademanalyse: mogelijke sabotage door verdachte of  technische gebreken / verkeerde bediening apparatuur
    1. In de praktijk kunnen "zich verschillende situaties voordoen waarin de verdachte weliswaar medewerking verleent aan de uitvoering van de ademproef doch zonder dat deze kan worden voltooid. Dit kan het gevolg zijn van al dan niet gesimuleerd onvermogen van de verdachte maar ook van technische gebreken of verkeerde bediening van de apparatuur. Omdat de precieze oorzaak van dit falen vaak niet kan worden achterhaald en de rechtszekerheid toch een duidelijke oplossing vraagt, is (..) ook voor dit geval de mogelijkheid van een bloedproef voorzien" (noot 1). Aldus bij twijfel niet overgaan tot het opmaken van een pv ter zake weigering ademanalyse, maar wél overgaan tot het vragen van toestemming voor een bloedproef en bij het niet geven van die toestemming de bloedproef bevelen (zie art. 163 lid 5 WVW). Uiteraard de gang van zaken volledig en juist  weergeven in het pv.

      Noot 1: Kamerstukken 19285, nr. 3 (MvT) (Wijziging van de WVW: invoering ademanalyse (1985/1986)).

      Zakboek HulpOvJ 11.10
      Zakboek Opsporingsambtenaar 11.10
  29. Top tien vrijspraken/sepots art. 8 Wegenverkeerswet (rijden onder invloed)
    1. Nog steeds actueel: uit onderzoek is gebleken dat de meeste vrijspraken/sepots ter zake het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank het gevolg waren van een of meer van de volgende omstandigheden:
    2. de ademanalyse heeft te vroeg plaatsgevonden;
    3. het ademanalyseformulier is niet bij het pv gevoegd;
    4. voor de ademanalyse is een niet-goedgekeurd apparaat gebruikt;
    5. weigering ademanalyse na 2x ademanalyse (ademanalyse mag maar 2x plaatsvinden), zie hierover inmiddels echter ook het hierna te bespreken arrest ‘3x (vergeefse) ademanalyse’;
    6. verdachte is een tegenonderzoek onthouden (is wat anders dan niet wijzen op recht van tegenonderzoek, immers alleen onder omstandigheden vereist, zie punt 7);
    7. de verdachte is geen toestemming gevraagd voor bloedafname;
    8. de bloedafname heeft binnen een uur na vordering of 1e contact plaatsgevonden, zonder dat een 2e bloedafname is aangeboden (zie Besluit alcoholonderzoeken, art. 15 lid 3 in 11.11 en 11.16 (tegenonderzoek));
    9. het bloedmonster is in een onjuiste verpakking of niet verzegeld aan het NFI verzonden;
    10. de politie heeft de verdachte niet of niet tijdig de uitslag van het onderzoek meegedeeld.
    11. uit het pv blijkt niet dat de weigering mee te werken aan de ademanalyse in een andere plaats (bijv. Utrecht) heeft plaatsgevonden dan de plaats van het besturen (bijv. De Bilt), wat kan leiden tot een verkeerde tenlastelegging (dagvaarding).

      1 t/m 9: Van Hekken, Algemeen Politieblad 1999, p10 en 11.

      Zakboek HulpOvJ 11.18.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 11.18.

  30. Schakelbewijs
    1. Van schakelbewijs wordt gesproken wanneer de rechter het bewijs van het tenlastegelegde feit mede aanneemt op grond van een ander, soortgelijk feit dat de verdachte heeft begaan. De betrokkenheid van de verdachte bij een nieuw delict mag dus niet uitsluitend gebaseerd worden op dat soortgelijke feit. Als bron van schakelbewijs kan dienen een getuigenverklaring (bijv. de aangifte van een ander slachtoffer) waarin verklaard wordt over de uitzonderlijke modus operandi van de betreffende verdachte. Of technisch bewijs over die uitzonderlijke modus operandi. Dat andere feit behoeft niet een feit te zijn wat ook ten laste is gelegd. Het kan blijken uit hetzelfde strafrechtelijk onderzoek waaruit het wél tenlastegelegde feit is voortgekomen, maar ook uit een strafzaak van jaren geleden (ook als dat feit inmiddels verjaard is of de verdachte en/of het feit nog niet strafbaar was). Als het informatie uit een oude strafzaak betreft, moeten de relevante stukken uiteraard wel bij de processtukken van de nieuwe zaak gevoegd worden.

      Zakboek Pv en Bewijsrecht 8.17
       

  31. Plaatselijke verordeningen, inbrekerswerktuigen, hulpmiddelen voor winkeldiefstal, doorzoeken vervoermiddel, voortgezette toepassing, toezicht, strafbare voorbereiding
    1. Helaas is onderstaande nog onvoldoende bekend in de dagelijkse opsporingspraktijk, dus vertel het door! Van belang voor bijv. de bestrijding van woninginbraken en inmiddels meermalen met succes toegepast (stevige veroordelingen voor voorbereiding).

      Ingevolge de meeste APV’s is het verboden om op een openbare plaats kort gezegd inbrekerswerktuigen bij zich te hebben. Zie voor een  voorbeeld art. 2:24 uit de APV van Utrecht:
      1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen, zoals lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns e.d. te vervoeren of bij zich te hebben, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
      2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de genoemde voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor het verschaffen van de in het eerste lid bedoelde handelingen.

      Hetzelfde geldt voor het bezit of vervoer van hulpmiddelen voor winkeldiefstal. Als voorbeeld weer de APV van Utrecht (art. 2:25):
      1. Het is verboden op of aan de openbare plaats in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken (MH: ’geprepareerde tassen’, labelontwaarders waarmee beveiligingspoortjes van winkels en andere beveiligingssystemen worden omzeild, enz.).
      2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.

      Bij ontdekking op heterdaad van deze overtreding waarbij de verdachte zich bijv. in een auto bevindt, is de opsp. ambt. ingevolge art. 96b Sv bevoegd ter ibn dat vervoermiddel (met uitzondering van het woongedeelte zonder toestemming van de bewoner) op mogelijk meer inbrekerswerktuigen en/of hulpmiddelen voor winkeldiefstal te doorzoeken. Mocht de opsp. ambt. daarbij voorwerpen aantreffen die verdenking van een ander strafbaar feit opleveren (Opiumwet, WWM, Sr), dan mag hij ook andere hem toekomende bevoegdheden uitoefenen die nodig zijn voor de onverwacht aangetroffen situatie (bijv. ibn van drugs, vuurwapens, kennelijk gestolen voorwerpen, enz.) (voortgezette toepassing bevoegdheden, zie het zakboek).

      Let op:
      de doorzoeking van het vervoermiddel moet wel echt nodig zijn voor de geconstateerde overtreding uit de APV: uitsluitend als er een gegrond vermoeden bestaat dat zich in het voertuig nog meer voorwerpen bevinden om ‘in te breken’ of om diefstal uit een winkel te plegen kan doorzoeking van dat voertuig plaatsvinden. In het pv zal vermeld moeten worden op basis van welke feiten of omstandigheden de opsp. ambt. tot dat vermoeden is gekomen. Denk bijv. bij ‘inbrekerswerktuigen’ aan de hoeveelheid en de aard van de reeds aangetroffen voorwerpen (schroevendraaiers, breekijzers, bivakmutsen, handschoenen, beitels, enz.), de plaats van die voorwerpen in het vervoermiddel, nachtelijke uren, bijzondere locatie (al dan niet afgezet tegen woonplaats verdachte / kentekenhouder), veel inbraken in de wijk waarin het voertuig is aangetroffen, ambtshalve bekende inbreker / veelpleger, gedrag en/of verklaring inzittende(n) voertuig, enz.). Bij een combinatie van dit soort feiten/omstandigheden kan uiteraard ook snel een verdenking ter zake poging tot inbraak ontstaan. En in uitzonderlijke gevallen zelfs een verdenking van strafbare voorbereiding van of poging tot gekwalificeerde diefstal (art. 46 Sr1) of diefstal d.m.v. geweld (bijv. bij het ook aantreffen van een wapen, tie-rips, ducktape, enz.). Ook bij deze verdenking kunnen uiteraard de dwangmiddelen uit Sv worden toegepast (waaronder weer de doorzoeking van een voertuig: art. 96b). En mogelijk zelfs een voorgeleiding ter ibs (want in tegenstelling tot de overtreding uit de APV staat er op voornoemde poging of voorbereiding vh én worden er bij bewezenverklaring ook stevige straffen uit-gedeeld). 

      Toezichthouder / bevoegdheden uit Awb
      In art. 5:11 Awb wordt bepaald wat onder ‘toezichthouder’ wordt verstaan: een persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Ook de buitengewoon opsp. ambt. (art. 142 Sv) of de algemeen opsp. ambt. (art. 141 Sv) kan aangewezen worden als toezichthouder en deze toezichthouder beschikt dan niet alleen over toezichthoudende bevoegdheden maar als opsp. ambt tevens over opsporingsbevoegdheden. Zie voor de aanwijzing van toezichthouders bijv. art. 45 WWM in 11.21, art. 8j Opiumwet in 11.23, art. 2 van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften in 11.35 maar ook de mogelijkheid van art. 6:2 van de APV Utrecht (APV Utrecht uitsluitend via een besluit van het college of de burgemeester, niet iedere opsp. ambt. dus....aanwijzingsbesluit goed verwerken in pv).

      Een toezichthouder kan aldus beschikken over de toezichthoudende bevoegdheden uit de Awb. Let in dit kader dan wel op dat de bevoegdheid van art. 5.19 Awb tot onderzoek van het vervoermiddel of de lading (zie 11.2) géén bevoegdheid tot doorzoeking geeft en dat voor onderzoek van de lading extra eisen gesteld worden: naar de lading mag uitsluitend een onderzoek ingesteld worden indien naar het redelijk oordeel van de toezichthouder zaken worden vervoerd met betrekking waartoe die toezichthouder een toezichthoudende taak heeft. Géén bevoegdheid dus om ieder voertuig naar willekeur te onderzoeken op lading (inbrekerswerktuigen): de toezichthouder mag daarnaar uitsluitend een onderzoek instellen als hij op basis van feiten en/of omstandigheden tot het redelijk oordeel kan komen dat zich mogelijk (meer) inbrekerswerktuigen in het voertuig bevinden (inderdaad vergelijkbaar met hetgeen ik hiervoor over doorzoeken op basis van Sv schreef).


      Art. 3 Politiewet 2012
      Art. 3 van de Politiewet kan niet worden beschouwd als een wettelijk voorschrift in de zin van dit art. 5:11 Awb (en politieambtenaren zijn op basis van dit art. 3 Politiewet dus geen toezichthouder).

      En voor de zekerheid: uiteraard bijtijds, volledig en juist relateren in het pv, anders gaat het zeker niet lukken!

      1: Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. Bijv. de gekwalificeerde diefstal van art. 311 lid 2 Sr, diefstal d.m.v. geweld, afpersing, moord, doodslag, verkrachting, enz. is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft. Zie bijv.  Rb Den Haag 27-03-13, ECLI:NL:GHARL:2013:9908 en 9909.

      Zakboek HulpOvJ 11.4.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 11.4.
  32. Art. 3 Politiewet (taak politie) en art. 184 Sr (niet voldoen aan bevel/vordering; beletten/belemmeren/verijdelen)
    1. Ter voorkoming van onterechte vrijspraken: strafbaarheid ter zake art. 184, 1e lid, Sr vereist een bevel of vordering gedaan 'krachtens wettelijk voorschrift'. Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een bevel of vordering. Art. 3 Politiewet bevat een algemene taakomschrijving voor de politie en kan niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan bevelen of vorderingen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van art. 184, 1e lid, Sr moet worden voldaan. Zie voor een opsomming van wettelijke voorschriften met expliciete bevelsbevoegdheden (en dus bij niet-nakoming art. 184 Sr) het zakboek (of het misdrijf van deze maand: art. 184 Sr: niet voldoen aan bevel of vordering; beletten / belemmeren / verijdelen!).Art. 3 Politiewet kan echter wel als een wettelijk voorschrift worden aangemerkt ter uitvoering waarvan de in art. 184 Sr bedoelde ambtenaren handelingen kunnen ondernemen waarvan het beletten, belemmeren of verijdelen overtreding van art. 184, 1e lid, Sr kan opleveren.

      Zakboek Strafrecht voor de politie 6.9.
      Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ / Opsp. ambt. 3.34.
  33. Voetbalhooligans en voorbereiding zware mishandeling
    1. Denk bij voetbalhooligans die geen voltooid misdrijf hebben gepleegd niet alleen aan 141a Sr (opz. gelegenheid, enz. geven tot geweld: niet altijd goed bewijsbaar) maar ook aan voorbereiding van zware mishandeling (in vereniging). 

      Zakboek Strafrecht voor de politie 4.22 en 13.3 i.v.m. 2.3.
  34. Binnentreden en vergezelling
    1. Ingevolge art. 8 lid 2 van de Awbi kan degene die bevoegd is zonder toestemming van de bewoner binnen te treden, zich door anderen doen vergezellen. Te denken valt hierbij aan collega-opsporingsambtenaren, leden van de forensische opsporing, automatiseringsdeskundigen maar ook aan bijv. iemand van een energiebedrijf bij het oprollen van een hennepkwekerij. Voor dit 'vergezellen' vereist art. 8 lid 2 wel dat dit voor het doel van het binnentreden redelijkerwijs wordt vereist en, indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt. Aan dat laatste ontbreekt het nog wel eens en dat kan leiden tot bewijsuitsluiting van het door de vergezeller gevonden bewijsmateriaal en vervolgens door gebrek aan ander bewijs tot vrijspraak. Zie voor 'herstelmogelijkheden' 3.9 e.v. (vormverzuimen / onrechtmatig verkregen bewijs).

      Zakboek HulpOvJ 7.3
      Zakboek Opsporingsambtenaar 7.3

  35. Verhoor verdachte als getuige
    1. Geen rechtsregel staat er aan in de weg 'dat opsporingsambtenaren in de fase van het opsporingsonderzoek een persoon afwisselend (MH: niet dus gelijktijdig) in verschillende hoedanigheden verhoren. Het is dus mogelijk dat iemand eerst wordt verhoord als aangever en/of getuige, daarna als verdachte en vervolgens weer als aangever/getuige. Wel brengt de eis van een goede procesorde mee dat (MH: aan de betreffende persoon en in het pv) duidelijk wordt gemaakt in welke hoedanigheid de desbetreffende persoon wordt verhoord. Bij het verhoor als verdachte dienen de daarvoor geldende waarborgen in acht te worden genomen zoals de cautie'.
      HR, NJ 1999/63. Eerder ook al in HR, NJ 1990/77.

      Uit het samenstel van de artikelen 29, 1e en 2e lid Sv (in vrijheid verklaren en cautie), art. 219 Sv (verschoningsrecht getuige) en art. 290, 4e lid Sv (beëdiging getuige op zitting) 'moet worden afgeleid dat (...) het tegelijkertijd (cursief MH) horen van iemand als verdachte in zijn eigen strafzaak én als getuige in de strafzaak tegen een medeverdachte, niet past in het Nederlandse stelsel van strafvordering, in het bijzonder niet omdat daardoor de aan art. 29 Sv ten grondslag liggende verklaringsvrijheid van de verdachte op ontoelaatbare wijze onder druk kan komen te staan'.
      HR 04-03-14, ECLI:NL:HR:2014:466 (met noot Reijntjes in NJ 2014/474).

      Zakboek
      HulpOvJ 2.16.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.16.
  36. WVW: besturen/bestuurder
    1. Onderscheid dient gemaakt te worden tussen:
      1. degene die ervan verdacht wordt als bestuurder te hebben gehandeld in strijd met art. 8 WVW.
      2. degene van wie bewezen kan worden dat hij bestuurder is geweest (en dat vereist meer dan een verdenking, namelijk wettig en overtuigend bewijs, zie hiervoor het zakboek Pv en Bewijsrecht).

      Sub 1 (alleen verdenking).
      Degene die verdacht wordt als bestuurder te hebben gehandeld kan ingevolge art. 163 WVW bevolen worden mee te werken aan een ademanalyse. Het gaat bij verdenking (ook op zitting) dus slechts om de vraag of er sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan in redelijkheid kan worden vermoed dat de verdachte het voertuig heeft bestuurd. Daarvan was bijv. sprake toen de verbalisanten de verdachte aantroffen op de bestuurdersplaats van zijn met draaiende motor op de openbare weg stilstaande motorvoertuig (de bestuurder ontkende gereden te hebben en de motor draaide volgens de bestuurder voor de airco, politie had ook niets gezien of gehoord). Weigeren blazen is dan strafbaar. HR 27-09-05, LJN AT7588. Deze verdachte kan zo nodig een rijverbod opgelegd krijgen. Als de verdachte boven het wettelijke toegestane promillage blaast dan is voor een veroordeling ter zake art. 8 WVW een verdenking van het zijn van bestuurder weer niet voldoende: daarvoor moet op de zitting immers wettig en overtuigend bewijs aanwezig zijn (bijv. door een verklaring van de verdachte dat hij inderdaad gereden had en/of waarnemingen van de politie en/of getuigen).

      Sub 2 (besturen in de zin van de WVW).
      - ‘als bestuurder van een motorrijtuig (en daarmee tevens als verkeersdeelnemer) wordt aangemerkt elke persoon die bedieningsorganen van een motorrijtuig hanteert en door middel daarvan de voortbeweging en de rijrichting van het motorrijtuig beïnvloedt’. Niet dus bij het slechts aantreffen van verdachte op de bestuurdersplaats van een geparkeerde en stilstaande auto, waarvan de motor draaide en waarvoor de verdachte een aannemelijke verklaring gaf: kou.
      - Degene die achter het stuur van een auto heeft plaatsgenomen en slechts de motor daarvan heeft gestart kan niet zonder meer als bestuurder van die auto in de zin van art. 1 WVW worden aangemerkt , ook niet als de verdachte daarbij keer op keer gas gaf zonder dat er beweging in het voertuig kwam.
      - Het van de handrem halen van een auto, waardoor die auto achteruit gereden is tegen een op de parkeerplaats staande andere auto is besturen.
      - De verdachte die met een motorfiets aan de hand liep terwijl hij probeerde die te starten (en daarin uiteindelijk ook slaagde), werd ook als bestuurder aangemerkt evenals de fietser die zich, ‘zittend op het zadel, langzaam voortbewoog in een soort loop-fietsende toestand’. - De persoon die achter het stuur zat van een door een andere auto met behulp van een sleepkabel gesleepte auto werd ook gezien als bestuurder.
      - Ook als de verdachte naast een auto lopende deze auto voortduwde, terwijl hij door het geopende raam van het linker voorportier het stuurwiel van de auto bediende en de motor van het voertuig in werking was, kan er sprake zijn van ‘besturen’: ‘dusdoende was verdachte in staat dat voertuig (weliswaar niet snel) vooruit of achteruit te bewegen, dan wel stil te laten staan, terwijl hij tevens het voertuig van richting kon laten veranderen en (mede daardoor) kon bepalen op welke plaats op de weg dat voertuig zich bevond’ en is de verdachte dus als bestuurder opgetreden.
      - Ook is bestuurder degene die in een rijdende auto vanaf de bijrijdersplaats aan de handrem trekt. Zo doende heeft de bijrijder immers een bedieningsorgaan van die auto gehanteerd waardoor de voortbeweging en rijrichting van die auto werden beïnvloed.

      Zie voor de vindplaats van de hier weergegeven jurisprudentie het zakboek HulpOvJ.

      Zakboek HulpOvJ 11.18 e.v.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 11.18 e.v.
      Zakboek Strafrecht voor de Politie hoofdstuk 23
  37. Onrechtmatig verkregen bewijs: bewijsuitsluiting inmiddels uitzonderlijk.
    1. Het uitsluiten van onrechtmatig verkregen bewijs is uitsluitend mogelijk als door het vormverzuim een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.

      Daarbij moet vooral gedacht worden aan

      1. Schending van het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM), bijv.:
      a. schending van het recht op rechtsbijstand bij het politieverhoor (Salduz)
      b. schending van het zwijgrecht door gebruik van een undercoveragent die zich heeft voorgedaan als medegedetineerde van de verdachte

      2. Bewijsuitsluiting als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen te voorkomen en een krachtige stimulans te laten bestaan tot handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm. Bijv. als een zeer ingrijpende inbreuk is gemaakt op een grondrecht van de verdachte.

      3. Bewijsuitsluiting als signaal naar verantwoordelijke autoriteiten bij structureel verzuim (zéér uitzonderlijk).

      Niet iedere inbreuk op bijv. het huisrecht (een grondrecht) zal aldus moeten leiden tot bewijsuitsluiting. Schending van het huisrecht (bijv. door het betreden van een woning zonder de in het betreffende geval vereiste schriftelijke machtiging binnentreden) levert immers wel schending van een belangrijk strafvorderlijk voorschrift op. Maar de volgende vraag is of dat huisrecht ook in aanzienlijke mate is geschonden. Dat zal lang niet altijd het geval zijn. Denk aan een woning die deels als hennepkwekerij is ingericht waarbij in de woning (via het portaal en/of de trap naar boven of de kelder) uitsluitend de hennepkwekerij is ontmanteld.

      Als extra voorwaarden voor bewijsuitsluiting gelden overigens nog dat het bewijsmateriaal uitsluitend ten gevolge van het verzuim is verkregen én de verdachte is getroffen in een belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Zo kan de verdachte die niet woont in de woning waarvan het huisrecht is geschonden uiteraard op die schending geen beroep doen. En ook het belang van verdachte om niet gepakt te worden is geen belang waarmee rekening gehouden dient te worden.

      En tot slot: bij de punten 2 en 3 merkt de HR nog op dat ‘moet worden onderzocht of in de gegeven omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting opweegt tegen de daarvan te verwachten negatieve effecten en of aldus niet op onaanvaardbare wijze afbreuk wordt gedaan aan zwaarwegende belangen als de waarheidsvinding en de bestraffing van de dader van een - mogelijk zeer ernstig - strafbaar feit, alsmede in voorkomend geval aan de rechten van slachtoffers of hun nabestaanden, mede gelet op uit het EVRM voortvloeiende positieve verplichtingen tot effectieve bestraffing’.

      Conclusie: niet zo maar seponeren dus maar de complete gang van zaken tijdig en juist in het pv relateren en waar nodig overleggen met het OM.

      Zakboek Hulpofficier 3.9 e.v..
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.9 e.v.

  38. Verlaten plaats ongeval: weet of redelijkerwijs moet vermoeden (art. 7 WVW): 'niets gemerkt'
    1. Art. 7 WVW
      1. Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien:
      a. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan een ander is toegebracht;
      b. daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.
      2. Het 1e lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op degene die op de plaats van het ongeval behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en, voor zover hij een motorrijtuig bestuurde, tevens van de identiteit van dat motorrijtuig.

      Weten of redelijkerwijs vermoeden’ is niet altijd goed bewijsbaar bij een ontkennende verdachte die aanvoert ‘niets gemerkt te hebben’. Helaas levert het bewijs van het verlaten van de plaats ongeval waarbij ‘slechts’ schade is ontstaan onterecht nogal eens problemen op bij ontkennende verdachten. Met name als de verdachte verklaart niets van de aanrijding gemerkt te hebben en het pv daarover geen duidelijkheid geeft. Bijv. door te volstaan met de vermelding ‘schade linksvoor’ aan de auto van de verdachte en/of de benadeelde. ‘Schade linksvoor’ kan immers een krasje zijn, maar ook een hele forse deuk waaruit ‘het vermoeden’ van de verdachte kan worden afgeleid. Ook een verklaring van een getuige van de aanrijding die niets verklaart over de ‘heftigheid’ van de aanrijding zelf is onvoldoende om in dit soort zaken (ontkennende verdachte) tot bewijs te kunnen komen. Bij een ontkennende verdachte kan het bewijs van het ‘redelijkerwijs moeten vermoeden’ gevonden worden in een pv met daarin:
      1. een goede omschrijving van de schade (met daarvan als het even kan een foto);
      2. indien mogelijk een verklaring van een getuige over bijv. het horen van een harde klap (kennelijk van de aanrijding), het tengevolge van de aanrijding bewegen van de auto van de verdachte, en/of het door de verdachte kijken naar mogelijk ontstane schade, enz.).
      Helaas ontbreekt dat nogal eens en dat leidt bij een ontkennende verdachte vervolgens tot een aanhouding van de zaak op de zitting met een verzoek aan de politie om een aanvullend pv en/of een getuigenverhoor op de zitting. In heel veel gevallen valt er ook direct een vrijspraak.

      Zakboek Strafrecht voor de politie 23.5.

  39. Opsporingsfouillering vereist niet alleen ernstige bezwaren maar ook een voorafgaande aanhouding

    1. Alleen een aangehouden verdachte (tegen wie ernstige bezwaren bestaan) mag door een opsporingsambtenaar aan de kleding worden onderzocht (dit in tegenstelling tot de Opiumwet, zie art. 9 lid 2 Ow in 11.23). Dat gaat helaas meer dan incidenteel mis in de dagelijkse praktijk maar hoeft niet altijd tot bewijsuitsluiting te leiden als maar duidelijk is dat verbalisanten na de aanhouding rechtmatig tot onderzoek aan de kleding zouden hebben kunnen overgaan (zie hierover ook 3.9 e.v.: vormverzuimen/relativering onrechtmatig verkregen bewijs).

      Art. 56 Sv
      Zakboek HulpOvJ 5.2
      Zakboek Opsp. ambt. 5.2

  40. Tegenonderzoek na ademanalyse
    1. De politie heeft in beginsel geen verplichting de verdachte te wijzen op de mogelijkheid van een tegenonderzoek (contra-expertise) bij een afgenomen ademanalyse. Het initiatief tot het doen plaatsvinden van een tegenonderzoek ligt bij de verdachte. Dit betekent echter niet dat hij daartoe een formeel verzoek moet doen. Reeds de betwisting door de verdachte van de deugdelijkheid van het ademonderzoek en/of het resultaat van de ademanalyse zal voor de opsp. ambt. aanleiding dienen te zijn de verdachte te informeren over de mogelijkheid van een tegenonderzoek. Om discussies in de rechtszaal te vermijden lijkt het beter de verdachte maar wél altijd te wijzen op de mogelijkheid van een tegenonderzoek en dit dan ook in het pv te vermelden.

      Zakboek Hulpofficier 11.16.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 11.16.

  41. Ophouden voor onderzoek en vrijwillige verschijning
    1. Wordt na vrijwillige verschijning besloten de verdachte aan te houden, dan dient de tijd die de verdachte vrijwillig aan het bureau verbleef van de maximaal mogelijke onderzoekstermijn te worden afgetrokken.

      Zakboek Hulpofficier 4.14.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 4.14.
  42. Binnentreden met toestemming
    1. Als er met toestemming een woning betreden wordt dan dient die toestemming uiteraard wel in het pv verwerkt te worden, óók als er wel een machtiging tot binnentreden was afgegeven.

      Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ 7.8.
      Zakboek Strafvordering voor de Opsporingsambtenaar 7.8.
  43. Toezeggingen aan getuige
    1. Tijdens verhoren bij de RC wordt met enige regelmaat door getuigen geklaagd over het feit dat hen door de politie was toegezegd dat zij alleen bij de politie hoefden te verklaren. Dat ze toch door de RC of zelfs op de zitting worden gehoord vinden ze heel vervelend en ze hebben daarbij het gevoel dat zij door de politie op het verkeerde been zijn gezet. Mogelijk een punt van aandacht voor de politiepraktijk. Aan een getuige kunnen immers geen garanties worden afgegeven dat hij niet door een rechter gehoord zal worden en in een aantal zaken vindt er vaak alsnog een getuigenverhoor plaats bij de RC en soms ook op de terechtzitting (in het openbaar).
      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 8.10.15. Zie voor anonieme getuigen 8.10.6.
  44. Strafbare voorbereiding bij ram- of plofkraak
    1. Bij ram- of plofkraken kunnen ook van toepassing zijn art. 170 Sr (vernieling gebouw met gemeen gevaar voor goederen of levensgevaar) en/of brandstichting (art. 157 Sr: ontploffing veroorzaken waardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten is). Denk bij deze misdrijven ook aan strafbare voorbereiding conform art. 46 Sr: betreft immers zogenaamde '8-jaarsmisdrijven'.

      Zakboek Strafrecht 2.3 en 14.2.
  45. Binnentreden en voortgezette toepassing
    1. Als een opsp. ambt. is binnengetreden met een machtiging voor een bepaald doel (bijv. ter aanhouding of hulpverlening) dan mag hij ook andere hem toekomende bevoegdheden uitoefenen die nodig zijn voor een onverwacht aangetroffen situatie (bijv. ibn van vuurwapens/drugs) en hoeft hij dus niet eerst naar buiten om een andere machtiging binnentreden te regelen.

      Een ander voorbeeld betreft het binnentreden zonder toestemming van de bewoner in een woning ter hulpverlening (art. 7 lid 2 Politiewet 2012, zie 7.10). Bijv. bij brand, ernstige wateroverlast, eerste hulpverlening, enz. Ingevolge art. 2 lid 3 van de Awbi (zie 7.3) is voor dit binnentreden géén machtiging vereist als ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen terstond in de woning moet worden binnengetreden. Vervolgens wordt er onverwachts bijv. een hennepkwekerij of een stoffelijk overschot aangetroffen.

      Heeft de opsp. ambt. na het eerste binnentreden de woning verlaten (bijv. voor overleg met een hulpOvJ of andere collega) en wil hij de betreffende woning wederom voor dat nieuwe doel (opsporing hennepkwekerij of kapitaal delict) betreden dan geldt m.i. de Awbi weer in zijn volle omvang (toestemming of machtiging, enz., tenzij art. 2 lid 3 Awbi nog of weer van toepassing is). Hetzelfde geldt m.i. voor andere opsporingsambtenaren die de woning willen betreden om hun collega’s te helpen (waarbij ook aan 'vergezelling' conform art. 8 lid 2 Awbi gedacht kan worden). Bijv. bij het ontmantelen van een hennepkwekerij of het betreden door de FO (bevoegdheid is dan gebaseerd op bijv. art. 9 Opiumwet of art. 96 Sv: alleen zoekend rondkijken en mogelijk ibn!).

      Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ 7.9
      Zakboek Strafvordering voor de Opsporingsambtenaar 6.9
  46. Consultatierecht en horen aangehouden verdachte over ander feit dan waarvoor raadsman al was geconsulteerd
    1. Als een aangehouden verdachte verhoord gaat worden over een ander feit dan waarvoor hij zijn advocaat had geconsulteerd, moet de verdachte opnieuw op diens consultatierecht gewezen worden. Bijv. niet bij de zoveelste inbraak/diefstal/vernieling in een hele rij, wel bijv. bij een verhoor en consultatie ter zake het voorhanden hebben van een vuurwapen en vervolgens een verhoor ter zake poging moord/doodslag/zware mishandeling/diefstal d.m.v. geweld of (ander voorbeeld) verhoor en consultatie ter zake een vals reisdocument en vervolgens verhoor ter zake harddrugs. Zie de jurisprudentie in het zakboek en zo nodig ook de aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor van de PG’s.

      Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ 2.7
      Zakboek Strafvordering voor de Opsporingsambtenaar 1.7

  47. Ambtshalve bekendheid
    1. In het pv dient omschreven te worden waaruit eventuele ambtshalve bekendheid bestaat (bijv. ter zake van vermogensmisdrijven, als druggebruiker, al eerder aangehouden ter zake soortgelijke feiten, als wijkagent vaak persoonlijk contact mee gehad, enz. enz. ). Uitsluitend ambtshalve bekendheid (hoe goed ook omschreven) is (uiteraard) onvoldoende om tot een redelijk vermoeden van schuld te komen.

      Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ 2.3
      Zakboek Strafvordering voor de Opsporingsambtenaar 1.3
  48. Vernietiging inbeslaggenomen bewijsmateriaal (6.38)
    1. Vernietiging van inbeslaggenomen bewijsmateriaal kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM (bijv. als daarmee een tegenonderzoek door de verdediging onmogelijk is geworden). Zie voor de beoordeling van het beslag door de hulpOvJ maar ook door medewerkers van het OM zo nodig de omvangrijke aanwijzing ibn!!

      In het zakboek Wetteksten is onderdeel II.4 verwerkt: beoordeling beslag door hulpOvJ. Van groot belang voor de dagelijkse praktijk!!

      Let op nog: door een omissie is de aanwijzing ibn in de zakboeken wetteksten niet opgenomen als afzonderlijke paragraaf maar in de paragraaf Aanwijzing Opiumwet (vóór de Aanwijzing rechtsbijstand) (niet op koptekst letten....).

      Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ 6.39
      Zakboek Strafvordering voor de Opsporingsambtenaar 5.35

  49. Vernieling (art. 350 Sr) is een relatief klachtmisdrijf (art. 316 Sr)
    1. Relatieve klachtmisdrijven zijn door de wetgever aangewezen misdrijven die vanwege een bepaalde familierelatie tussen het slachtoffer en de verdachte niet of uitsluitend op klacht vervolgbaar zijn.

      Als familierelatie noemt de wetgever in art. 316 Sr:

      lid 1: de niet van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd; lid 2: de van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot; een bloed of aanverwant in de rechte lijn; - een bloed of aanverwant in de zijlijn t/m de 2e graad.

      Bij een familierelatie als genoemd in lid 1 is strafvervolging van de verdachte uitgesloten bij bepaald aangewezen misdrijven (zie hierna voor die aanwijzing). Bij een familierelatie als genoemd in lid 2 is vervolging van de verdachte bij bepaald aangewezen misdrijven (zie wederom hierna) uitsluitend mogelijk met een tegen hem gerichte klacht van het familielid tegen wie het misdrijf is gepleegd.

      Bij relatieve klachtmisdrijven mogen zonder klacht uiteraard wel de medeverdachten opgespoord en vervolgd worden die niet in de hier beschreven familierelatie staan. Aanwijzing relatieve klachtmisdrijven.

      De wetgever heeft in Sr de relatieve klachtdelicten aangewezen door art. 316 Sr van overeenkomstige toepassing te verklaren voor een groot aantal misdrijven. Relatieve klachtmisdrijven zijn aldus:

      - art. 310 t/m 315 Sr (titel diefstal en stroperij) (art. 316 Sr);
      - art. 317 en 318 Sr (titel afpersing en afdreiging) (art. 319 Sr);
      - art. 321 t/m 323a Sr (titel verduistering) (art. 324 Sr);
      - art. 326 t/m 337 Sr (titel bedrog) (art. 338 Sr);
      - art. 348 Sr (benadeling schuldeisers of rechthebbenden) en
      - art. 350 t/m 352 Sr (titel vernieling) (art. 353 Sr).

      Als er door het bestaan van een in art. 316 Sr lid 2 genoemde relatie tussen de aangever en de verdachte sprake is van een relatief klachtdelict dan moet in de klacht worden opgenomen dat de klager de vervolging verlangt van die bepaalde verdachte. Niet volstaan kan worden met het noemen van het misdrijf. Het gaat er immers om dat vaststaat dat het slachtoffer ondanks het bestaan van de relatie met de dader, vervolging van de dader wenst. De wetgever laat het aldus aan de benadeelde(n) over of er opsporing/vervolging moet plaatsvinden. Het verbod tot opsporingshandelingen geldt bij de relatieve klachtdelicten pas wanneer de in art. 316 lid 2 Sr bedoelde relatie aan het licht is gekomen. Als van meet af aan niet duidelijk is of er sprake is van een klachtdelict kan de opsporing uiteraard ook starten op basis van een eventueel ander delict waarvoor geen klacht vereist is.

      Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ 10.4
      Zakboek Strafvordering voor de Opsporingsambtenaar 9.4
  50. Herkenning verdachte door opsp. ambt.
    1. Een herkenning in zaken waarin de herkennend opsp. ambt. vóór het bekijken van het beeldmateriaal al wist met wie hij via dat beeldmateriaal geconfronteerd zou worden kan leiden tot bewijsuitsluiting van de herkenning (vanwege het 'verwachtingseffect') en datzelfde geldt als meerdere opsporingsambtenaren gelijktijdig aan de herkenningsprocedure deelnemen (waardoor onduidelijk is wat iedere opsp. ambt. nu individueel van de beelden vond en welke invloed zij op elkaar hebben uitgeoefend).
      Rechtbank Amsterdam 29-01-13, LJN  BZ6153.

      Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ 3.26
      Zakboek Strafvordering voor de Opsporingsambtenaar 2.21

  51. Bewijsconfrontatie voorafgegaan door opsporingsconfrontatie
    1. Het uitsluitend relateren van een bewijsconfrontatie in het pv terwijl deze bewijsconfrontatie is voorafgegaan door een opsporingsconfrontatie (bijv. met de foto-confrontatiemodule of door het rondrijden met de getuige wat heeft geleid tot een herkenning en aanhouding van de verdachte) is goed fout en zal leiden tot veel ellende. Overigens heeft een bewijsconfrontatie in dit soort gevallen niet echt veel zin meer: vraag blijft natuurlijk of de getuige de verdachte bij die laatste bewijsconfrontatie herkent van het strafbare feit of van de eerdere opsporingsconfrontatie.

      Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ 3.26
      Zakboek Strafvordering voor de Opsporingsambtenaar 2.21
  52. Tips voor onderzoek en pv ter zake openlijk geweld (art. 141 Sr)
    1. Omschrijf het bestanddeel ‘openlijk’.
    2. Waaruit bestond de ‘deelneming’ van iedere verdachte.
    3. Omschrijf bij omvangrijke, complexe, moeilijk bewijsbare openlijke geweld zaken de kleding (incl. kleur) van de verdachten en mogelijk ook van de slachtoffers/getuigen. Ook het maken van foto’s van verdachten met kleding verdient in voorkomende gevallen aanbeveling. Het gebeurt namelijk juist bij openlijk geweldzaken meer dan incidenteel dat er door slachtoffers / getuigen (die de verdachten niet bij naam kenden) wordt verklaard in de trant van ‘ik zag dat ik werd getrapt door die jongen met dat rode shirt’. Dan is het wel zo prettig als uit het pv blijkt wie er allemaal een rood shirt droegen. Naast verdachten kunnen dat natuurlijk ook slachtoffers / getuigen zijn.
    4. Omschrijf gebruikte roepnamen, geboortenamen en/of bijnamen
      Zo kan Kees, Cornelis, Van der Bilt, die rooie en/of die dikke één en dezelfde persoon betreffen. Dit kan in het loop-pv plaatsvinden.
    5. Extra aandacht voor de rol van iedere verdachte bij het mogelijk van toepassing zijn van de strafverzwarende omstandigheden van het 2e lid.
    6. En tot slot zoals voor ieder pv geldt: relateer de redenen van wetenschap van voorgaande punten (gezien, gehoord, gevoeld, enz.).

      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 17.9
      Zakboek Strafrecht 4.21
  53. Weekendarrangement / weekendje zitten / uitreiken dagvaarding
    1. Ook een ivs in het kader van de toepassing van het ‘weekendarrangement / weekendje zitten’ (zie daarover www.meteenzitten.nl) is uiteraard alleen toegestaan als er een onderzoeksgrond voor die ivs is en dat is niet het ‘weekendarrangement / weekendje zitten’ als zodanig. Zie daarover en over het uitsluitend uitreiken van een dagvaarding (géén nacht en dus ook geen weekend zitten) hetgeen ik heb besproken in het zakboek onder punt 11 (incl. verwijzing naar de HR).

      Zakboek HulpOvJ 4.19
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.19  
  54. Anonieme info (MMA, CIE, AIVD, enz.) en dwangmiddelentoepassing
    1. Anonieme info kan van belang zijn voor het ontstaan van een verdenking, het op basis daarvan instellen van een opsporingsonderzoek en het toepassen van een dwangmiddel.

      Bij de toepassing van een dwangmiddel op basis van uitsluitend anonieme info (bijv. doorzoeking op basis van MMA- of CIE-info) zal er door de verdediging al vrij snel verweer gevoerd worden dat dit (kort gezegd) onrechtmatig was. Begrijpelijk, want als de rechter het daarmee eens is volgt mogelijk uitsluiting van het door het dwangmiddel verkregen bewijs en bij gebrek aan voldoende ander bewijs mogelijk vrijspraak (zie over onrechtmatig verkregen bewijs en mogelijke gevolgen uitgebreid 3.9 e.v.). Dat verweer kan ook leiden tot verplicht aanvullend onderzoek met aanvullend pv, verhoor bij de RC en/of op zitting van opsporingsambtenaren en/of andere getuigen, voorlopige invrijheidstelling van de verdachte(n), enz. enz. Zonde van al het werk (zeker in deze tijden van bezuiniging) en zeer frustrerend voor een mogelijk slachtoffer (maar ook voor opsporingsambtenaren, waaronder de OvJ). Daarom als uitgangspunt de volgende hoofdregel voor de dagelijkse opsporingspraktijk.

      Géén dwangmiddelentoepassing op basis van uitsluitend anonieme info. Altijd onderzoek doen naar een plusje (aanvullende info) en uitsluitend dwangmiddelen toepassen na het vinden van een plusje.

      Toepassing van een dwangmiddel in strijd met deze hoofdregel uitsluitend bij voldoende concrete en specifieke info over:
      1. een zeer ernstig misdrijf
      2. waarbij (verder) nader onderzoek onmogelijk is en
      3. politieoptreden in redelijkheid geen enkel uitstel meer kan dulden.

      Als er geen tijd resteert voor onderzoek of als er na onderzoek géén plusje te vinden is (wat overigens onder omstandigheden mogelijk als ontlastend gezien zou kunnen worden) en er tóch een dwangmiddel toegepast zou moeten worden: zo mogelijk éérst overleggen met de OvJ. Denk in dit kader overigens in daarvoor in aanmerking komende gevallen (naast binnentreden voor de toepassing van een dwangmiddel) ook aan binnentreden ter hulpverlening (art. 7 lid 2 Politiewet, zie 7.10, incl. een uitzondering op de vereiste machtiging binnentreden).

      Let op
      - zie voor nog een mogelijke uitzondering op voornoemde hoofdregel CIE-info het zakboek;
      - zie voor de opsporing van terroristische misdrijven 9.20 (Bob-bevoegdheden: slechts aanwijzingen van een terroristisch misdrijf vereist);
      - zie voor de WWM de bespreking van de artikelen 50 en 51 WWM in 11.21 (‘redelijkerwijs aanleiding’ en ‘aanwijzingen’ volstaan: is ruimer dan het hier besproken redelijk vermoeden!!);
      - zie voor informatie afkomstig van een inlichtingen- of veiligheidsdienst het zakboek.

      Gelet op het vorenstaande is ook hier weer onmisbaar een pv waarin de gehele gang van zaken tijdig, juist én volledig verwerkt is! Kan veel tijdwinst (en dus opsporingscapaciteit) opleveren en voorkomt vrijspraken!


      Zakboek HulpOvJ 2.2
      Zakboek Opsporingsambtenaar 1.2
  55. Binnentreden woning zonder vereiste machtiging: hoe verder te handelen
    1. Incidenteel wordt een woning betreden zonder de in het betreffende geval vereiste machtiging en wordt vervolgens ook cruciaal bewijs aangetroffen. Als (terugkijkend) de machtiging zeker verstrekt zou zijn door een hulpOvJ als daarom was gevraagd, dan verdient het sterke aanbeveling om daarvan door die hulpOvJ ook pv op te laten maken. In dat pv dienen de omstandigheden gerelateerd te worden op basis waarvan de betreffende hulpOvJ een machtiging binnentreden verstrekt zou hebben en waarom dit eerder verzuimd is. Dit pv is onmisbaar voor het oordeel van een rechter over de ernst van het verzuim en de mogelijke gevolgen van het betreffende onrechtmatig binnentreden. Bijv. géén bewijsuitsluiting maar strafvermindering of uitsluitend de vaststelling van het verzuim.

      Zakboek HulpOvJ 7.13 en 3.10
      Zakboek Opsporingsambtenaar 6.13 en 2.10
  56. Schoppen tegen hoofd en/of vitale lichaamsdelen: voorlopige hechtenis en voorgeleiden
    1. Ook in zaken waarbij kennelijk opzettelijk, met kracht en geschoeide voet (meermalen) geschopt is tegen het hoofd of vitale lichaamsdelen van een op de grond liggend slachtoffer en waarbij het slachtoffer niet is overleden of geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen verdient het sterke aanbeveling contact op te nemen met de OvJ om een mogelijke voorgeleiding te bespreken ter zake poging doodslag subsidiair poging zware mishandeling. Als mogelijk gronden voor voorlopige hechtenis kunnen de volgende genoemd worden.

      1. 'First offender' (geen strafblad en geen relevante politiecontacten)

      A.
      Geschokte rechtsorde
      Vaak van toepassing bij dit soort zaken. Maar een geschokte rechtsorde kan uitsluitend een grond voor vh opleveren in combinatie met een misdrijf waarop een strafdreiging van 12 jaar of meer bedreigd staat. En dat is wel het geval bij poging doodslag maar niet bij poging zware mishandeling. Of poging doodslag kan worden tenlastegelegd is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Aanwijzingen hiervoor zijn o.a. de kracht waarmee werd geschopt, de hoeveelheid schoppen en/of het schoeisel (kistjes of slippers).

      B. Recidive 6 jaar
      Indien er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld. Bijv. gelet op
      a. de persoon van de verdachte zoals deze (mede) kan blijken uit de aard en/of omvang van het vermoedelijk door hem gepleegde misdrijf;
      b. de onverwachte, omvangrijke en/of voortdurende geweldsexplosie van de verdachte;
      c. de relativering door de verdachte van het door hem gepleegde misdrijf;
      d. het kennelijk onder invloed van alcohol en/of verdovende middelen gepleegd hebben van het ten laste gelegde misdrijf door de verdachte;
      e. enz.

      C. Recidive gezondheid/veiligheid personen
      Indien er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat de verdachte een misdrijf zal begaan of waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht (met dezelfde onderbouwing als onder 2 vermeld).

      D. Onderzoeksgrond
      Indien de vh in redelijkheid noodzakelijk is voor het, anders dan door verklaringen van de verdachte, aan de dag brengen van de waarheid.

      2. Recidivist (strafblad/politiecontacten)
      Bij een 'recidivist' (verdachte heeft een strafblad en/of relevante politiecontacten): dezelfde gronden als hiervoor aangegeven, waarbij het gevaar voor herhaling verder onderbouwd kan worden door dat strafblad en/of die relevante politiecontacten.

      Let nog op dat het gevaar voor herhaling niet hoeft te zien op hetzelfde soort feit als waarvan verdachte verdacht wordt. En natuurlijk ligt voorgeleiding nog meer voor de hand als de verdachte ook in een proeftijd loopt (ook ter zake een niet-gelijksoortig misdrijf).

      Zie over de gronden voor vh zo nodig uitgebreid het zakboek Strafvordering.

      Poging doodslag / zware mishandeling?
      Voor de twijfelaars die zich afvragen of een opzettelijke en krachtige trap (met geschoeide voet) tegen het hoofd wel poging doodslag subsidiair poging zware mishandeling kan opleveren nog het volgende (uitgebreid terug te vinden in het zakboek Strafrecht voor de Politie).
      -  ‘Het is een feit van algemene bekendheid dat door schoppen of slaan tegen vitale lichaamsdelen bloedingen kunnen ontstaan en zelfs de dood kan worden veroorzaakt’ (HR 05-07-05, LJN AT5722).
      - Een verdachte die het slachtoffer met kracht met geschoeide voet een schop in het middel (en dus in de nabijheid van vitale organen) geeft, stelt zich willens en wetens bloot aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel bekomt (HR 04-12-07, LJN BB7117 (let op: in deze zaak was geen poging doodslag ten laste gelegd maar poging zware mishandeling. Naar mijn mening zou dezelfde redenering gehouden kunnen worden bij poging doodslag).
      - ‘Door het met geschoeide voet met kracht te trappen tegen het hoofd van het op de grond liggende (en zich dus in een kwetsbare positie bevindende) slachtoffer, heeft de verdachte willens en wetens het risico genomen, en aanvaard, dat er niet alleen letsel, maar ook dat er zwaar lichamelijk letsel zou kunnen ontstaan’ (Hof Amsterdam 24-01-13, LJN BZ0892 (ook geen poging doodslag ten laste gelegd)).
      - 'Met een geschoeide voet hard tegen het hoofd schoppen heeft naar algemene ervaringsregels mogelijk ernstige gevolgen. De ernst van het hoofdletsel kan variëren van een beperkt letsel van de schedel en de hoofdhuid (schaafwond, buil), tot een breuk in de schedel en een beschadiging van de hersenen. Een harde trap tegen het hoofd kan ook direct dodelijk zijn. Het hof heeft uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verdachte de verbalisant bewust tegen het hoofd heeft getrapt, terwijl hij wist dat een dergelijke trap het risico meebrengt dat de persoon die getrapt wordt hierdoor komt te overlijden. Verdachte heeft zich hierdoor echter niet laten weerhouden, maar heeft de verbalisant dermate hard tegen diens hoofd getrapt dat de verbalisant korte tijd het bewustzijn verloren heeft. Gelet hierop heeft het hof kunnen oordelen dat verdachte, door de verbalisant hard tegen diens hoofd te trappen, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verbalisant door die trap zou komen te overlijden’ (HR 13-09-11, LJN BP8856 (conclusie PG onder (2e) punt 7) (wel poging doodslag ten laste gelegd)).

      Tot slot nog een tip: omschrijf en fotografeer zo mogelijk het schoeisel van de verdachte en neem dit in voorkomende gevallen ook in beslag (als stuk van overtuiging op de zitting bijv.).

      Zakboek Strafrecht voor de Politie 1.8, 12.1 en 13.3
      Zakboek HulpOvJ 11.20 i.v.m. 4.7 en 4.36.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.20 i.v.m.
      3.7 en 3.31.

  57. Art. 6 WVW (dood/letsel door schuld in het verkeer) en voorlopige hechtenis / voorgeleiden
    1. Vooraf: neem altijd contact op met het OM over een mogelijke voorgeleiding bij overtreding van 6 WVW waarvoor vh is toegelaten (en dat is in bijna alle gevallen, zie hierna)! 

      Art. 6 WVW (dood/letsel door schuld in verkeer)

      Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat.

      Zie voor een uitgebreide bespreking van art. 6 WVW (incl. actuele ontwikkelingen) het zakboek Strafrecht.


      art. 175 WVW (strafbepaling art. 6 WVW)
      1. Overtreding van art. 6 wordt gestraft met:
      a. gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;
      b. gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
      2. Indien de schuld bestaat in roekeloosheid, wordt overtreding van art. 6 gestraft met:
      a. gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;
      b. gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
      3. Indien de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in art. 8, eerste, tweede, derde lid of vierde lid (MH: alcohol of andere stof), dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel, gegeven krachtens art. 163, tweede, zesde, achtste of negende lid (MH: ademanalyse, bloedonderzoek of urineonderzoek), of indien het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, dan wel zeer dicht achter een ander voertuig is gaan rijden, geen voorrang heeft verleend of gevaarlijk heeft ingehaald kunnen de in het eerste en tweede lid bepaalde gevangenisstraffen met de helft worden verhoogd.

      V
      oorlopige hechtenis

      Vh-feiten

      Ingevolge voornoemd art. 175 WVW én art. 67 lid 1 onder c Sv staat er vh op overtreding van art. 6 WVW in alle gevallen waarbij er sprake is van een strafverzwarende omstandigheid (en niet dus bij uitsluitend de dood of 6-WVW-letsel als gevolg).

      1.
      Dodelijk slachtoffer
      a.
      Indien de schuld bestaat in roekeloosheid (art. 175 lid 2 onder a: 6 jaar).
      b. Indien de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in art. 8, eerste, tweede, derde of vierde lid, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel, gegeven krachtens art. 163, tweede, zesde, achtste of negende lid (art. 175 lid 1 onder a WVW i.v.m. lid 3: 4 jaar en 6 maanden).
      c. Indien het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt
      - doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid - in ernstige mate heeft overschreden,
      - dan wel zeer dicht achter een ander voertuig is gaan rijden,
      - geen voorrang heeft verleend of
      - gevaarlijk heeft ingehaald
      (art. 175 lid 1 onder a WVW i.v.m. lid 3: 4 jaar en 6 maanden).
      d. Indien de schuld bestaat in roekeloosheid + aanwezigheid van een strafverzwarende omstandigheid vermeld onder b of c hiervoor vermeld (art. 175 lid 2 onder a en lid 3: 9 jaar)

      2. 6 WVW-letsel

      a. Indien de schuld bestaat in roekeloosheid + aanwezigheid van een strafverzwarende omstandigheid vermeld onder 1, b of c hiervoor vermeld (art. 175 lid 2 onder b i.v.m. lid 3: 4 jaar en 6 maanden).
      b. Indien de schuld bestaat in roekeloosheid (3 jaar, maar als vh-feit aangewezen in art. 67 lid 1 onder c  lid 1).
      c. Aanwezigheid van een strafverzwarende omstandigheid vermeld onder 1, a of b hiervoor vermeld (27 maanden, maar als vh-feit aangewezen in art. 67 lid 1 onder c  lid 1).

      Vh-grond (zie uitgebreid het zakboek)

      1. Recidive 6 jaars feit
      Indien er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld (art. 67a lid 2 Sv). Van een zesjaarsmisdrijf is ingevolge art. 175 WVW bij art. 6 WVW pas sprake bij de verwachting dat de verdachte mogelijk een dodelijk ongeval zal begaan waarbij diens schuld bestaat in roekeloosheid (zie art. 175 lid 2 onder a WVW). Let op: het gevaar voor het begaan van een zesjaarsmisdrijf kan uit eerder gepleegde zesjaarsmisdrijven (ook andersoortige dan art. 6 WVW) afgeleid worden, maar ook uit andere feiten en/of omstandigheden. Met name als de verdachte antecedenten op verkeersgebied heeft zoals rijden onder invloed, weigeren ademanalyse of bloed- of urineonderzoek, fors te hard rijden, art. 5 of 6 WVW, enz., dan kan op basis daarvan al snel gesteld worden dat ‘er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 6 jaar of meer is gesteld’ (namelijk een dodelijk verkeersongeval veroorzaakt door roekeloosheid en in uitzonderlijke gevallen zelfs doodslag). Ook uit de persoon van de verdachte en/of de omstandigheden waaronder het feit (art. 6 WVW)  is begaan, kan het gevaar voor het plegen van een zesjaarsmisdrijf worden afgeleid (bijv. bij roekeloos rijgedrag en/of kennelijke alcoholverslaving). 

      2. Recidive gezondheid/veiligheid personen
      Indien er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht (art. 67a lid 2 Sv, zie het zakboek). Daarvan kan natuurlijk sprake zijn bij de vrees dat de verdachte wéér het misdrijf van art. 6 WVW zal plegen (ook bij alleen letsel).

      3. Geschokte rechtsorde
      Vaak van toepassing bij dodelijke aanrijdingen. Maar een geschokte rechtsorde kan uitsluitend een grond voor vh opleveren in combinatie met een misdrijf waarop een strafdreiging van 12 jaar of meer staat. Op overtreding van art. 6 WVW staat maximaal 9 jaar. Daarom moet ook goed gekeken worden of er geen sprake is van een verdenking van (poging) doodslag (al dan niet via voorwaardelijk opzet: zie daarvoor het zakboek Stafrecht 1.6). Immers op doodslag staat naar wettelijke omschrijving 15 jaar (poging doet daar niets aan af, zie het zakboek).

      4. Waarheidsvinding
      Betreft zogenaamd ‘collusiegevaar’: de kans dat de verdachte na vrijlating het opsporingsonderzoek zal belemmeren, bijv. door getuigen te beïnvloeden en/of sporen weg te maken. Zie hierover zo nodig verder uitgebreid het zakboek.

      Zakboek HulpOvJ 11.20 i.v.m. 4.7 en 4.36.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.20 i.v.m.
      3.7 en 3.31.
  58. Vuurwapen en voorgeleiden, dragen en voorhanden hebben (niet vergissen)
    1. Uitsluitend op art. 55 lid 3 t/m lid 6 staat ingevolge de WWM vh (vier- en achtjaarsfeiten)

      Art. 55 lid 3 WWM

      Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of geldboete van de 5e categorie wordt gestraft:

      a. hij die handelt in strijd met:
      i. art. 9, lid 1 (zonder erkenning een wapen of munitie vervaardigen, transformeren of in de uitoefening van een bedrijf uitwisselen, verhuren of anderszins ter beschikking stellen, herstellen, beproeven of verhandelen);

      ii. art 14, lid 1 (zonder consent een wapen of munitie van de categorieën II of III doen binnenkomen of doen uitgaan en het zonder consent wijzigen van de bij binnenkomst aangegeven bestemming van zulke wapens of munitie);

      iii. art 26, lid 1 (zonder verlof, jachtakte of vrijstelling, (zie lid 2 en 3) een wapen of munitie van de categorieën II of III voorhanden hebben), of

      iv. art. 31, lid 1 (een wapen of munitie van de categorieën II of III overdragen)

      én het feit begaat m.b.t. een wapen van categorie II of een vuurwapen van categorie III (dus géén munitie, zie daarvoor art. 55 lid 1 of 2).

      Dus bijv. géén vh op voorhanden hebben van:
      - een alarmpistool of alarmrevolver (mits niet vallende onder art. 1 WWM onder punt 3 ('omgebouwd alarmpistool') waardoor het alsnog een vuurwapen betreft);
      - munitie (geen wapen) (zie voor munitie art. 55 lid 1 en 2);
      - voorwerpen waarvan, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder zij worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij voor geen ander doel zijn bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen en die niet onder een van de andere categorieën vallen (= categorie IV onder 7).

      Maar bijv. wél vh op voorhanden hebben van:
      - vuurwapens (inclusief gaspistolen en gasrevolvers: immers voorwerpen bestemd of geschikt om projectielen of stoffen door een loop af te schieten, waarvan de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie en daarom ingevolge art. 1 onder 3 WWM een vuurwapen);
      - voorwerpen, bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen, met uitzondering van medische hulpmiddelen en van vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers en pistolen, bestemd voor het afschieten van munitie met weerloosmakende of traanverwekkende stof (wapen categorie II onder 6);
      - een stroomstootwapen (wapen categorie II onder 5). Zie voor een uitzondering op het stroomstootwapen art. 21 van de Regeling wapens en munitie (kort gezegd voor personen die zich bezighouden met de beroepsmatige uitoefening van de veehouderij, het transport van vee, of de medische behandeling daarvan (voor zover het dragen betreft uitsluitend op het moment dat de genoemde activiteiten daadwerkelijk plaatsvinden)).

      b. hij die handelt in strijd met

      i. art. 13, lid 1 (zonder ontheffing (zie lid 2) een wapen van categorie I vervaardigen, transformeren, voor derden herstellen, overdragen, voorhanden hebben, dragen, vervoeren, doen binnenkomen of doen uitgaan), of ii. art. 26, lid 1 (zonder verlof, jachtakte of vrijstelling (zie lid 2 en 3) een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden hebben)

      én het feit begaat aan boord van een luchtvaartuig of op een luchthaven aangewezen krachtens art. 52, 4e lid WWM.

      Art. 55 lid 4 WWM

      Met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaar of geldboete van de 5e categorie wordt gestraft hij die handelt in strijd met

      - art. 9, lid 1 (zonder erkenning een wapen of munitie vervaardigen, transformeren of in de uitoefening van een bedrijf uitwisselen, verhuren of anderszins ter beschikking stellen, herstellen, beproeven of verhandelen), - art. 13, lid 1 (zonder ontheffing (zie lid 2) een wapen van categorie I vervaardigen, transformeren, voor derden herstellen, overdragen, voorhanden hebben, dragen, vervoeren, doen binnenkomen of doen uitgaan), - art. 14, lid 1 (zonder consent een wapen of munitie van de categorieën II en III doen binnenkomen of doen uitgaan, alsmede de bij binnenkomst aangegeven bestemming van zulke wapens of munitie zonder consent wijzigen), - art. 26, lid 1 (zonder verlof, jachtakte of vrijstelling, (zie lid 2 en 3) een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden hebben), - of art. 31, lid 1 (een wapen of munitie van de categorieën II en III overdragen)

      én van het in strijd met de wet vervaardigen, transformeren, uitwisselen, verhuren of anderszins ter beschikking stellen, herstellen, beproeven of verhandelen van wapens of munitie een beroep of een gewoonte maakt.

      Art. 55 lid 5 WWM
      Met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaar of geldboete van de 5e categorie wordt eveneens gestraft hij die handelt in strijd met art. 9, lid 1, 13, lid 1, 14, lid 1, 26, lid 1, of 31, lid 1 (MH: zie voor een omschrijving lid 4), indien het feit begaan is met een terroristisch oogmerk als bedoeld in art. 83a Sr dan wel met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in art. 83 Sr voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

      Art. 55 lid 6 WWM
      Met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft hij die handelt in strijd met de artikelen 32a, lid 1, 2 of 3, of 32b (markering vuurwapens en munitie).

      2. Ingevolge art. 67 lid 1 onder c Sv staat er ook vh op art. 55 lid 2 WWM: zonder consent een wapen of munitie van de categorieën II en III doen binnenkomen of doen uitgaan, alsmede de bij binnenkomst aangegeven bestemming van zulke wapens of munitie zonder consent wijzigen (art. 14 lid 1 WWM).

      3. Voorgeleiden/gronden voor vh
      Bij het voorhanden hebben van een vuurwapen op de openbare weg of in een openbare gelegenheid wordt als regel overgegaan tot voorgeleiding ter ibs. De grond voor de vh is tenminste dat er ernstig rekening mede moet worden gehouden, dat de verdachte een misdrijf zal begaan: - waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld (MH: immers een vuurwapen heb je niet voor niets bij je, gebruik ligt op de loer én daardoor al snel zwaar lichamelijk letsel, zie over deze grond zo nodig ook het zakboek HulpOvJ 4.36) en/of - waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht. Voorgeleiding zal nog meer voor de hand liggen als de verdachte een strafblad heeft met daarop onherroepelijke veroordelingen voor geweldsmisdrijven en/of relevante misdrijven uit de WWM (zeker als dat 6-jaarsmidrijven zijn).

      Onderdelen en hulpstukken
      Ingevolge art. 3 WWM zijn de bepalingen betreffende wapens mede van toepassing op onderdelen en hulpstukken die specifiek bestemd zijn voor die wapens en van wezenlijke aard zijn. De bepalingen betreffende munitie zijn mede van toepassing op onderdelen van die munitie, voor zover geschikt om munitie van te maken.

      Dragen versus voorhanden hebben
      Allereerst moet men bij het spraakgebruik 'dragen' alert zijn op het wettelijk begrip voorhanden hebben. Immers, het 'draagverbod' bij wapens van de categorie II, III en IV (art. 27 WWM) heeft alleen aanvullende betekenis in de gevallen waarin iemand wél de bevoegdheid heeft om een wapen voorhanden te hebben (bijv. op basis van een verlof), maar géén bevoegdheid heeft om dat wapen ook te dragen. In gevallen van onbevoegd dragen én gelijktijdig onbevoegd voorhanden hebben dient er op basis van voorhanden hebben opgetreden te worden. Dragen van een wapen van de categorie II, III of IV is immers slechts een overtreding (zie art. 56 i.v.m. art. 54 WWM) terwijl het onbevoegd voorhanden hebben van zo'n wapen een misdrijf is waarvoor onder omstandigheden ook vh is toegelaten én vaak voorgeleid wordt om ibs te vorderen (zie art. 56 en art. 55 WWM), zie hiervoor onder punt 3.

      Zakboek HulpOvJ 11.21.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.21.

  59. Apv: hinderlijk gedrag / verstoring van de openbare orde.
    1. Daarvan kan ook sprake zijn ‘door ten aanschouwe van het daar aanwezige publiek, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, één of meer voorbereidingen te treffen tot het gebruik van (een) verdovend(e) middel(en) en/of (een) verdovend(e) middel(en) te gebruiken, althans te hebben gebruikt’.

      Verbalisant had geverbaliseerd: ’op woensdag 19 augustus 2009 bevond ik mij in uniform gekleed op de Catharijnesingel te Utrecht, aldaar zag ik dat de verdachte in een groepje van vier verslaafden tussen de fietsen harddrugs stonden te gebruiken middels een basepijp. Ik zag dat de weggebruikers om het voornoemde groepje heen liepen. Kennelijk omdat ze zich niet prettig/veilig voelden. Dit gedrag veroorzaakte overlast’.
      Hof Arnhem 12-01-12, LJN BV3446.

      Zakboek Strafrecht voor de Politie 21.17.
  60. Praktische tips voor contacten met OvJ
    1. Voor het telefonisch bespreken van zaken door de hulpOvJ met de OvJ kunnen de volgende tips gegeven worden:
      1. Noem uw naam, functie (hulpOvJ), naam regiokorps en afdeling/district waarbij u werkzaam bent.
      2. Vertel direct waarvoor u belt (begin dus niet met de casus): - toepassing van een dwangmiddel (bijv. aanhouding buiten heterdaad, voorgeleiding, tap, observatie, doorzoeking, enz.); - ander onderwerp (bijv. vrijgave stoffelijk overschot, beslagbeslissing, kraakzaak, enz.).
      3. Zet de casus uiteen. Niet volstaan kan worden met een korte mededeling waarover gebeld wordt en vervolgens het voorstel om de opsp. ambt. die met het onderzoek is belast het verder te laten uitleggen. De OvJ verwacht dat de hulpOvJ zich in de zaak verdiept heeft, vragen kan beantwoorden én zichzelf ook een mening heeft gevormd over wat er moet gebeuren.

      Bij een voorgeleiding ter ibs is de volgende informatie vereist.
      1. Vermoedelijk gepleegde strafbare feit(en) met pleegplaats(en) en tijdstip(pen).
      2. Feiten/omstandigheden die aanleiding geven tot het aannemen van ernstige bezwaren en grond(en) vh (zie 3.31 en 4.36).
      3. Persoonsgegevens verdachte.
      4. Minderjarige?
      5. Veelpleger?
      6. Antecedenten (strafblad)?
      7. Tijdstip aanhouding en ivs.
      8. Bij minderjarige: nagaan of Raad voor de Kinderbescherming al is geweest en mogelijk al ideeën heeft geuit over voortgang zaak.
      9. Naam raadsman van verdachte.
      10. Eventuele bijzonderheden / afspraken.

      En bij een verzoek aanhouding buiten heterdaad de volgende informatie:
      1. Persoonsgegevens verdachte.
      2. Vermoedelijk gepleegde strafbare feit(en) met pleegplaats(en) en tijdstip(pen).
      3. Feiten/omstandigheden die aanleiding geven tot het aannemen van een redelijk vermoeden (zie 2.1).
      4. Antecedenten (strafblad)?
      5. Datum/tijdstip van de te verwachten aanhouding.
      6. Eventuele bijzonderheden / afspraken. Het is niet echt handig als voorgaande info tijdens het gesprek met de OvJ alsnog opgezocht moet worden door de hulpOvJ.

      Zakboek HulpOvJ 1.7.
  61. Medische verzorging verdachte
    1. Bij de geringste twijfel over de gezondheidstoestand van de verdachte (alcohol/suikerziekte, bewusteloosheid, overdosis harddrugs, enz.) dient een arts gewaarschuwd te worden. In te roepen medische bijstand heeft voorrang boven het belang van een eventueel politieonderzoek.

      De omvang van de zorgplicht van de politie ten aanzien van ingesloten arrestanten hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer van belang kan zijn wat bekend is of behoort te zijn over de conditie waarin de arrestant bij zijn insluiting verkeert. De ernst van de kwaal of de inschatting van de politieambtenaar over de noodzaak een arts te raadplegen zijn daarbij geen criteria. 

      Zakboek HulpOvJ 2.19. 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 1.18.
  62. Wederspannigheid en vergissing bij aanhouding
    1. Van ‘rechtmatige uitoefening van de bediening’ kan ook sprake zijn en blijven als achteraf blijkt dat het strafbare feit waarvan verdachte verdacht werd en ter zake waarvan hij werd aangehouden toch niet door hem gepleegd is: wederspannigheid tegen die verrichte aanhouding blijft dan dus strafbaar . Een verdenking wordt niet met terugwerkende kracht onrechtmatig als achteraf blijkt dat de politie zich heeft vergist over het redelijk vermoeden of de strafbaarheid. De beoordeling van de vraag of er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld dient volgens de HR te geschieden aan de hand van de op het moment van de verdenking bekende feiten en omstandigheden.

      Zakboek Strafrecht voor de politie 6.5.
  63. Weekendje zitten
    1. Een ivs in het kader van de toepassing van het ‘weekendje zitten’ (zie daarover www.meteenzitten.nl) is uitsluitend toegestaan als er een onderzoeksgrond is en dat is niet het ‘weekendje zitten’ als zodanig.

      Immers.

      Er is ‘geen nadere termijn gesteld waarbinnen het uitreiken van de dagvaarding zou moeten plaatsvinden. Wel acht de regering het wenselijk in de wet duidelijk te maken dat wanneer het onderzoeksbelang nog slechts bestaat uit het uitreiken aan de verdachte van een op de zaak betrekking hebbend stuk en verder dus geen onderzoek meer nodig is, dit stuk z.s.m. wordt uitgereikt (zie art. 57 lid 5 en art. 61 lid 9). In dat geval dienen bij de ophouding zo nodig ook de nachtelijke uren (tussen middernacht en negen uur 's morgens) te worden gebruikt om de dagvaarding klaar te maken en uit te reiken (zie art. 61, 9e lid Sv, dat het 4e lid buiten toepassing verklaart). Hetzelfde geldt voor het geval van ivs. De regering acht het niet redelijk om, wanneer de zaak rond is en alleen nog de dagvaarding moet worden opgesteld, de verdachte hierop in detentie te laten wachten tot negen uur 's morgens. Overigens kunnen de parketmedewerkers die met AU zijn belast, al lopende het politieonderzoek de uit te reiken stukken zoveel mogelijk voorbereiden, zodat, wanneer tegen het middernachtelijk uur het onderzoek is afgerond, de dagvaarding snel kan worden afgemaakt en uitgereikt’.

      Kamerstukken 29805, nr. 3 MvT p. 17. Zo ook HR 13-12-11, LJN BT2173 (weekendje zitten, met noot Reijntjes in NJ 2012, 299): voortduren ivs onrechtmatig omdat 11-10-09 omstreeks 16.00 uur de laatste onderzoekshandeling was verricht, na 16.00 uur geen pogingen in het werk waren gesteld om aan de verdachte mededelingen over de strafzaak uit te reiken en de verdachte vervolgens pas op 12-10-09 om 11.55 uur in vrijheid is gesteld nadat hem de dagvaarding was uitgereikt.

      Zakboek HulpOvJ 4.19.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.19
  64. Strafverzwaring openlijk geweld (art. 141, 2e lid Sr)
    1. De in art. 141, 2e lid Sr vermelde zwaardere strafbedreigingen hebben uitsluitend betrekking op de dader van het openlijke geweld van wie komt vast te staan:
      - dat hij zelf goederen heeft vernield of
      - dat het door hemzelf gepleegde geweld
        - enig lichamelijk letsel,
        - zwaar lichamelijk letsel of
        - de dood
      tengevolge heeft gehad.

      Belangrijke tips voor het pv:
      - een goede beschrijving waaruit de ‘deelneming’ van iedere verdachte bestond;
      - een goede beschrijving van het bestanddeel ‘openlijk’;
      - beschrijving kleding bij openlijk geweld: het verdient sterke aanbeveling om bij pv's ter zake openlijk geweld niet alleen te relateren wat voor kleren de verdachten droegen maar ook de kleur daarvan. Hetzelfde geldt voor de kleding van de getuigen. Het gebeurt namelijk juist bij openlijk geweldzaken nogal eens dat er door getuigen of slachtoffers (die de verdachten niet bij naam kenden) wordt verklaard in de trant van ‘die jongen met dat rode shirt sloeg er op los’. Dan is het wel zo prettig als uit het pv blijkt wie er allemaal een rood shirt droegen. Naast verdachten kunnen dat natuurlijk ook de aanwezige getuigen zijn;
      - ook een goede verwerking en overzicht van eventueel door verdachten en getuigen gebruikte roepnamen, geboortenamen en/of bijnamen is van groot belang (zo kan Kees, Cornelis, Van der Bilt, die rooie en/of die dikke één en dezelfde persoon betreffen);
      - extra aandacht voor de rol van iedere verdachte, vooral bij het mogelijk van toepassing zijn van de strafverzwarende omstandigheden van het 2e lid;
      - en zoals voor ieder pv geldt: de redenen van wetenschap van voorgaande punten (gezien, gehoord, gevoeld, enz.).

      Zakboek Strafrecht voor de Politie 4.21.
  65. Bewijskracht pv van buitengewoon opsporingsambtenaar
    1. Het pv van een buitengewoon opsporingsambtenaar heeft uitsluitend de bijzondere (‘unieke’) bewijskracht van art. 344 lid 2 Sv voor zover het betreft de opsporing van een of meerdere feiten met welke opsporing hij is belast. Uit het pv zal daarom moeten blijken voor welke strafbare feiten de buitengewoon opsporingsambtenaar opsporingsbevoegdheid heeft. Betreft het feiten waarvoor géén opsporingsbevoegdheid bestaat, dan heeft een ter zake die feiten opgemaakt pv geen ‘unieke’ bewijskracht maar kan slechts gelden als een geschrift met beperkte bewijskracht: het kan alleen als bewijs worden gebruikt als er nog andere bewijsmiddelen zijn (art. 344, lid 1 onder 5 i.v.m. art. 344 lid 2 Sv).

      Buitengewoon opsporingsambtenaren zouden daarom ook een pv op moeten maken (en niet moeten volstaan met een aangifte) als zij slachtoffer zijn geworden van een strafbaar feit en bevoegd zijn dat feit op te sporen. Op dat punt is het goed om te weten dat bij alle domeinen ambtsdwang, wederspannigheid, beletten/belemmeren, belediging (van een ambtenaar), bedreiging en eenvoudige mishandeling (van een ambtenaar) in de lijst staan van feiten waarvoor opsporingsbevoegdheid bestaat. Dit gaat in de praktijk nogal eens mis (en kan leiden tot vrijspraak bij gebrek aan ander bewijs)!!

      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht editie 2013 - 2014, 2.13 (Opsporingsbevoegdheid buitengewoon opsporingsambtenaren)

  66. Beïnvloeding getuige (art. 285a Sr)
    1. In de praktijk gebeurt het meer dan incidenteel dat een verdachte die ontslagen wordt uit diens inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis contact zoekt met de getuige die tegen hem, verdachte, een belastende verklaring heeft afgelegd.

      Doet deze verdachte dit ‘kennelijk om de vrijheid van de getuige om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar (MH: dus ook een politieambtenaar) een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd’ dan levert dit een verdenking van overtreding van art. 285a Sr op. Op dit feit staat vh zodat aanhouding buiten heterdaad en ivs mogelijk is.

      De strafbepaling beperkt zich uiteraard niet tot de situatie zoals boven omschreven maar richt zich bijv. ook op de ‘vriendjes’ van de verdachte die namens de verdachte de afgelegde verklaring en/of de nog af te leggen verklaringen bij een rechter/ambtenaar trachten te beïnvloeden.

      Het belang voor de dagelijkse opsporingspraktijk mag duidelijk zijn: niet alleen de kennelijke beïnvloeding van een af te leggen verklaring valt onder dit art. 285a Sr maar ook het beïnvloeden van een persoon om géén verklaring af te leggen (het wegblijven bij de politie, KMar, buitengewoon of bijzonder opsporingsambtenaar of rechter). Zie hierover verder uitgebreid het zakboek Strafrecht.

      Op art. 285a Sr staat vh en zo nodig kunnen dus vergaande dwangmiddelen worden toegepast (waaronder aanhouding buiten heterdaad, ivs én vh).

      Art. 285a Sr
      1. Hij die opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift of afbeelding zich jegens een persoon uit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
      2. Met rechter of ambtenaar wordt gelijkgesteld: een rechter bij onderscheidenlijk een persoon in de openbare dienst van een internationaal gerecht dat zijn rechtsmacht ontleent aan een verdrag waarbij het Koninkrijk partij is.

      Zakboek Strafrecht voor de Politie, 11.9
  67. Opnemen van een aangifte in het bijzijn van een getuige, van wie nadien ook een verklaring wordt opgenomen
    1. 'Is zeer onwenselijk, met name omdat hierdoor niet meer is vast te stellen of de later door de getuige afgelegde verklaring berust op eigen waarneming of grotendeels is gekleurd door de verklaring, zoals die is afgelegd door de aangeefster. Daarnaast acht het hof het niet juist dat uit de pv's van de aangifte en het getuigenverhoor niet is af te leiden dat de aangeefster en de getuige in elkaars bijzijn hebben verklaard. Dit is enkel aan het licht gekomen, doordat de aangeefster hierover met de verdachte heeft gesproken en daarna de gang van zaken bij de RC heeft bevestigd. Zowel het hof, de AG, als de raadsman zijn hierdoor niet in staat geweest om deze bewijsmiddelen in volle omvang te toetsen op hun betrouwbaarheid. Dit klemt in dit geval temeer omdat de verklaring van de getuige met betrekking tot een belangrijk aantal aan verdachte ten laste gelegde handelingen het enige bewijsmiddel is dat de aangifte steunt' (Hof Amsterdam, NJFS 2008, 1, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). Resultaat: bewijsuitsluiting en vrijspraak.

      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht, onderdeel bewijsrecht (nieuwe editie verschijnt begin januari 2013).
  68. Aangifte opsporingsambtenaar
    1. In geval van een strafbaar feit tegen een opsporingsambtenaar (bijv. bedreiging en/of mishandeling) wordt nogal eens volstaan met het opnemen van een aangifte van die opsporingsambtenaar door een andere opsporingsambtenaar. Zo'n aangifte heeft géén ‘unieke’ bewijskracht en levert onvoldoende bewijs op om tot een veroordeling te kunnen komen (zie hierover uitgebreid 8.12 e.v.). Dit probleem doet zich voor als de verdachte ontkent en er geen verder aanvullend bewijs is.

      Veel beter is het om (ook) een pv van bevindingen (uiteraard op ambtseed/belofte) door de betreffende opsporingsambtenaar te laten opmaken. Een afzonderlijk opgenomen aangifte is voor het bewijs niet vereist (maar mag natuurlijk wel). Het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, kan immers op grond van art. 344 lid 2 Sv door de rechter worden aangenomen op het pv (niet dus aangifte) van een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (meer bewijs is niet vereist, maar wel aanbevelenswaardig). Mits in dat pv zijn opgenomen de feiten of omstandigheden, door de opsporingsambtenaar zelf waargenomen of ondervonden onder vermelding van de redenen van wetenschap.

      Artikel 344 Sv 1. Onder schriftelijke bescheiden worden verstaan:
      1°. beslissingen in den wettelijken vorm opgemaakt door colleges of personen met rechtspraak belast, alsmede in de wettelijke vorm opgemaakte strafbeschikkingen; 2°. processen-verbaal en andere geschriften, in den wettelijken vorm opgemaakt door colleges en personen, die daartoe bevoegd zijn, en behelzende hunne mededeeling van feiten of omstandigheden, door hen zelf waargenomen of ondervonden; 3°. geschriften opgemaakt door openbare colleges of ambtenaren, betreffende onderwerpen behoorende tot den onder hun beheer gestelden dienst, alsmede geschriften, opgemaakt door een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat of van een volkenrechtelijke organisatie; 4°. verslagen van deskundigen met het antwoord op de opdracht die aan hen is verleend tot het verstrekken van informatie of het doen van onderzoek, gebaseerd op wat hun wetenschap en kennis hen leren omtrent datgene wat aan hun oordeel onderworpen is. 5°. alle andere geschriften; doch deze kunnen alleen gelden in verband met den inhoud van andere bewijsmiddelen. 2. Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft gepleegd, kan door den rechter worden aangenomen op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar

      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht, onderdeel bewijsrecht (nieuwe editie verschijnt begin januari 2013).
     
  69. Herhaalde toepassing van dwangmiddelen
    1. Geef in het onderliggende pv voor zover van toepassing altijd goed aan wat de reden is voor het herhaald toepassen van hetzelfde dwangmiddel tegen dezelfde verdachte ter zake hetzelfde feit (gewijzigde omstandigheden, bijv. in de vorm van een nieuw redelijk vermoeden van schuld of ernstige bezwaren). Dat kan problemen bij de RC en op zitting voorkomen. Als er sprake is van het herhaald toepassen van een dwangmiddel tegen dezelfde verdachte maar ter zake een nieuw feit, relateer dat dan ook duidelijk in het aanhoudings-pv en/of het bevel ivs (door dat nieuwe feit goed te omschrijven).

      Zakboek HulpOvJ 3.23.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.18.
  70. Kennelijk leugenachtige verklaring verdachte
    1. Als de verdachte kennelijk leugenachtig verklaart, verdient het sterke aanbeveling om die kennelijk leugenachtige verklaring in het pv op te nemen (in plaats van bij gebrek aan een ‘bekennende’ verklaring de leugenachtige verklaring ook maar niet op te nemen).

      Een kennelijk leugenachtige verklaring kan als bewijs gebruikt worden. Het bewijs dat de verdachte leugenachtig heeft verklaard, moet wel uit ander bewijsmateriaal komen dan een verklaring van de betreffende verdachte zelf en mag ook niet bestaan uit door de verdachte aan derden gedane mededelingen (bijv. uit een verklaring van een getuige over wat verdachte aan hem heeft meegedeeld ) of uit een getapte mededeling van de verdachte aan een derde.

      Ook het als bewijs gebruiken van een kennelijk leugenachtige verklaring van een ander dan verdachte (bijv. van een medeverdachte of getuige) is niet toegestaan.

      Het bewijs mag overigens niet gebaseerd zijn op één getuigenverklaring en een leugenachtige verklaring gebaseerd op diezelfde getuigenverklaring (want dan zou de regel ‘één getuige is géén getuige’ overtreden worden).

      Zakboek HulpOvJ 2.10
      Zakboek Opsporingsambtenaar 1.10

  71. Doorzoeking met toestemming
    1. Bij een voorgenomen doorzoeking van een woning met toestemming van de bewoner(s) moet vooraf expliciet om toestemming tot doorzoeking (en niet bijv. tot ‘een onderzoek(je) in de woning’) gevraagd worden met uitleg wat die doorzoeking gaat inhouden. Daarbij verdient het tevens aanbeveling de verkregen toestemming ook vast te leggen, bij voorkeur in de vorm van een schriftelijke en ondertekende verklaring van die bewoner(s). Toestemming dient immers bewust en vrijwillig gegeven te worden, zie hierover verder het zakboek hulpOvJ!! Als de verdachte zich bij de politie bevindt (bijv. ingesloten aan het bureau) dan dient ook aan hem voor binnentreden/doorzoeken/ibn met toestemming in zijn woning om die toestemming gevraagd te worden en kan m.i. niet volstaan worden met de toestemming van een medebewoner. Let er daarbij nog op dat weigering van een medebewoner altijd gaat vóór een toestemming van de verdachte. Bij toestemming gegeven door een verdachte die van zijn vrijheid beroofd is, komt vaak het verweer dat die toestemming onder druk is gegeven (en dus onrechtmatig verkregen). Neem in afbreukgevoelige/grote zaken over toestemming altijd contact op met de OvJ en bij ook maar enige twijfel over gegeven toestemming zo nodig terugvallen op een dwangmiddel (en wanneer vereist een schriftelijke machtiging binnentreden), waarbij uiteraard aan de voorwaarden voor toepassing van dat dwangmiddel moet zijn voldaan. Verkregen toestemming moet uiter­aard in het pv worden verwerkt.  

      Zakboek Hulpofficier 3.3.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.3.
  72. Aangifte bedreiging met vuurwapen en doorzoeking
    1. Bij een aangifte bedreiging met een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp moet afgewogen worden of een doorzoeking ter inbeslagneming (van dat vuurwapen) gerechtvaardigd is. Bij de afweging wel/niet doorzoeken speelt de betrouwbaarheid van de aangifte en een mogelijk strafblad van de verdachte een belangrijke rol. Overleg indien mogelijk met de OvJ.

      Zakboek Strafrecht voor de politie 11.8

  73. Een machtiging binnentreden ter aanhouding (art. 2 Awbi) geeft géén bevoegdheid tot doorzoeking ter aanhouding
    1. Voor die doorzoeking is ingevolge art. 55a Sv immers een afzonderlijke machtiging van de OvJ vereist. De verplichte machtiging doorzoeking kan vervallen als er sprake is van dringende noodzakelijkheid (OvJ dient vervolgens onverwijld van de doorzoeking op de hoogte te worden gesteld). Als er een machtiging tot doorzoeking ter aanhouding is verstrekt, is er geen machtiging tot binnentreden ter aanhouding meer vereist (art. 55a lid 2 Sv). Met name in het geval van een mondelinge machtiging tot doorzoeking lijkt het mij overigens verstandig om zich wel te voorzien van een schriftelijke machtiging tot binnentreden (MH: geen gezeur aan de deur).

      Zakboek Hulpofficier 4.10.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.10.
  74. Beperkingen
    1. Gelet op het systeem van de wet kunnen de maatregelen genoemd in art. 62 lid 2, onder a en b Sv (beperkingen en/of overbrenging naar ziekenhuis) niet tijdens het ophouden voor onderzoek worden toegepast. Als zo´n maatregel tijdens het ophouden voor onderzoek toch volstrekt noodzakelijk is (denk met name aan de beperkingen) dan is de oplossing een vervroegde ivs (mits uiteraard aan de voorwaarden daarvoor voldaan is, zie 4.17) en vervolgens toepassing van de maatregel.
      Met het opleggen van beperkingen moet in voorkomende gevallen niet gewacht worden tot de voorgeleiding bij de OvJ/RC (ibs). Immers tot die tijd is niet alleen de verdachte vrij in zijn contacten over de strafzaak maar ook de raadsman (bespreking processtukken met bijv. het thuisfront en/of getuigen, enz.). In zaken die zich daarvoor lenen (hoog afbreukrisico en volstrekte noodzakelijkheid) dienen de beperkingen daarom al tijdens de ivs opgelegd te worden. Neem daarover in voorkomende gevallen contact op met de OvJ. Bij het opleggen van beperkingen dient niet vergeten te worden de raadsman daarvan ook in kennis te stellen (zodat ook deze weet daaraan gebonden te zijn).

      Zakboek HulpOvJ 4.31
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.26
  75. Onderzoek telefoon
    1. Zonder uitdrukkelijke bevoegdheid of bewuste en vrijwillige toestemming van de verdachte mag zijn telefoon (aangetroffen in bijv. diens fouillering) niet onderzocht worden. Een uitdrukkelijke bevoegdheid daartoe is terug te vinden in bijv. art. 55b Sv (fouillering en onderzoek meegevoerde voorwerpen ter vaststelling identiteit, zie 5.3) of art. 96 Sv (ibn bij heterdaad of een 67,1 feit, en dat kan ook een ander feit betreffen dan waarvoor de verdachte vast zit, zie 6.10). Let nog wel op dat de telefoon ook vatbaar voor beslag moet zijn (zie 6.2 en 6.3): bijv. ter waarheidsvinding van dat 67,1 feit. 'De enkele omstandigheid dat in het werkgebied van de verbalisanten regelmatig telefoons worden ontvreemd en bij de verdachte twee telefoons werden aangetroffen maakt niet dat het de verbalisanten reeds daarom vrij stond om de telefoons te onderzoeken'.

      Zakboek HulpOvJ 6.43
      Zakboek Opsporingsambtenaar 5.39
  76. Zoeken ter aanhouding met politiehond
    1. Voor het zoeken d.m.v. een hondengeleider (opsp. ambt.) met politiehond (revieren en aanblaffen) van een aan te houden verdachte ben ik van mening dat de hondgeleider met gebruikmaking van de hond zoekend rondkijkend (en in het geval van de hond met name rondruikend) door het hele pand mag gaan (mits de hondengeleider uiteraard bevoegd tot aanhouding is, inclusief het daartoe betreden van het betreffende pand ). Incl. dus het verschaffen van ‘doorgang’ zoals omschreven in 6.42. Als de hond een kast ‘aanblaft’ en de kast vervolgens geopend moet worden (de verdachte komt er niet vrijwillig uit) dan betreft dat een doorzoeking (zie voor de definiëring van de doorzoeking 6.42) en gelden de regels van het hier besproken art. 55a Sv (doorzoeken ter aanhouding) in volle omvang. Als de verwachting is dat de verdachte zich aan zijn aanhouding zal proberen te onttrekken door zich te verstoppen dan kan aldus maar beter vooraf een machtiging doorzoeking geregeld worden (kan dus ook mondeling, wel goed verantwoorden in pv). Bij een inbraakmelding lijkt het mij al vrij snel dringend noodzakelijk de betreffende plaats te doorzoeken, achteraf onverwijld in kennis stellen van de OvJ kan dan volstaan. Jurisprudentie op dit gebied is mij nog niet bekend maar zal ik bij verschijning uiteraard z.s.m. verwerken in mijn nieuwsmail en zakboeken.

      Art. 55a Sv (doorzoeken plaatsen ter aanhouding)
      1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of ingeval van verdenking van een misdrijf als omschreven in art. 67 lid 1, kan iedere opsp. ambt. ter aanhouding van de verdachte elke plaats doorzoeken (MH: zie voor de definiëring van plaatsen 7.4 en voor de definiëring van doorzoeken 6.42). Hij behoeft daartoe de (MH: schriftelijke of mondelinge) machtiging van de OvJ, behoudens het geval van dringende noodzakelijkheid. In het laatste geval wordt de OvJ onverwijld van de doorzoeking op de hoogte gesteld.
      2. Als de OvJ aan een opsp. ambt. een machtiging heeft verleend ter aanhouding van de verdachte een woning zonder toestemming van de bewoner te doorzoeken, is voor het binnentreden in die woning door de betrokken opsp. ambt. geen machtiging als bedoeld in art. 2 van de Awbi vereist. 

      Zakboek HulpOvJ 4.10
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.10
  77. Binnentreden woning / toestemming bewoner (openstaande deur is géén toestemming)
    1. Ingevolge art. 1 Awbi dient degene die met toestemming van de bewoner een woning wenst binnen te treden, voorafgaand aan dat binnentreden de bewoner om diens toestemming te vragen. Gegeven toestemming moet blijken aan degene die wenst binnen te treden. En ingevolge art. 2 Awbi is voor het binnentreden door een opsporingsambtenaar in een woning zonder toestemming van de bewoner een voorafgaande schriftelijke machtiging vereist.

      Een schriftelijke machtiging is weer niet vereist, indien ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen terstond in de woning moet worden binnengetreden. Zie voor voorbeelden het zakboek. Gaat helaas nog mis in de dagelijkse praktijk: openstaande deur is geen toestemming, machtiging als hoofdregel nog steeds vereist! Verkregen bewijs zal bij dit soort normoverschrijdingen als regel worden uitgesloten.

      Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ 7.3.
      Zakboek Strafvordering voor de Opsporingsambtenaar 6.3.
  78. Bedreiging (art. 285 Sr): belangrijkste punten voor de politiepraktijk
    1. Degene die bedreigd is behoeft zich niet bedreigd te voelen. 
      Bedreiging moet van dien aard zijn en onder zulke omstandigheden zijn gedaan dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat één van de in art. 285 genoemde misdrijven gepleegd zou gaan worden. Daarbij moet het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op het teweegbrengen van zulk een indruk gericht zijn. Niet vereist is daarbij dat de bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat er werkelijk vrees is opgewekt. Uiteraard kunnen ook de omstandigheden waaronder de bedreiging is gepleegd een rol spelen
    2. Moet wel een bedreiging betreffen met één van de in dit art. 285 Sr genoemde misdrijven (niet vallend onder art. 285 Sr valt aldus de bedreiging met bijv. eenvoudige mishandeling (art. 300 Sr) of vernieling (art. 350 Sr)). 
    3. Ook een poging bedreiging is strafbaar. 
    4. Niet vereist is dat de verdachte ook daadwerkelijk het voornemen had om de bedreiging te realiseren. 
    5. De bedreigde moet daadwerkelijk op de hoogte zijn geraakt van de bedreiging. 
    6. Uitlatingen gericht tot X maar betrekking hebbende op Y kunnen ook een strafbare bedreiging van X opleveren. 
    7. Bedreiging wordt genoemd als misdrijf waarvoor vh is toegelaten en er kunnen dus zware dwangmiddelen worden toegepast (ook bij poging), zoals aanhouding buiten heterdaad, ivs, vh, enz. (zie resp. het zakboek HulpOvJ 4.6 of het zakboek Opsp. ambt. 3.6). 
    8. Bedreiging kan ook een grond voor vh opleveren: 
      1. zesjaarsgrond: als er angst bestaat dat de bedreiger zijn bedreigingen uitvoert en daarmee een zesjaarsfeit pleegt (bijv. zware mishandeling, doodslag of brandstichting); 
      2. gevaar voor de gezondheid/veiligheid van personen; 
      3. kleine recidivegrond: kort gezegd: een eerdere veroordeling ter zake een bepaald genoemd misdrijf en kans op herhaling van zo’n misdrijf.
      4. Zie over deze punten zo nodig het zakboek HulpOvJ 4.36 of het zakboek Opsp. ambt. 3.29; 
    9. Bij herhaalde en/of ernstige bedreiging wordt vaak ibs en aansluitend gevangenhouding gevorderd én ook verleend (zeker bij recidivisten): neem in dit soort zaken dus altijd contact op met de (hulp)OvJ. 
    10. De overheid (politie en OM) heeft ook een taak voor de veiligheid van personen bij bedreiging (zie ook zakboek HulpOvJ 3.1). Naast een strafrechtelijk traject bij een aangifte, kan er ook een 'beveiligingstraject' volgen. E.e.a. is verder uitgewerkt in de aanwijzing Beveiliging van personen (op overheid.nl).
    11. Bij veroordeling wegens dit artikel kan ook een ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd als de schuldige het feit heeft gepleegd met een motorrijtuig dat hij ten tijde van het feit bestuurde of deed besturen (art. 179a WVW). 
    12. Zie voor een mogelijke invordering van het rijbewijs als de bedreiging met een motorrijtuig is gepleegd art. 164 WVW (zakboek HulpOvJ of Opsp. ambt.).

      Zakboek Strafrecht voor de Politie 11.8.
  79. Rijden met ongeldig of geschorst rijbewijs (art. 9 WVW)
    1. Uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring of schorsing van het rijbewijs van verdachte per aangetekende en/of gewone brief is verzonden en deze brieven niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, kan niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard of was geschorst.

      Zakboek Strafrecht voor de Politie 23.7.
  80. APV’s, art. 2 Politiewet en art. 184 Sr (niet voldoen aan bevel/vordering)
    1. Bepalingen uit een APV moeten voor strafbaarheid conform art. 184 Sr (niet voldoen aan bevel/vordering) uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een bevel of vordering. Uitsluitend een verplichting in de APV om op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen (zonder dat de betreffende of een andere bepaling dus ook uitdrukkelijk inhoudt dat de politieambtenaar tevens bevoegd is tot het doen van het betreffende bevel) is onvoldoende voor overtreding van art. 184 Sr (niet voldoen aan bevel/vordering) maar is natuurlijk wel voldoende voor overtreding van de betreffende APV-bepaling zelf (mits strafbaar gesteld in de APV).

      HR 24-01-12, LJN BT7085

      Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ 3.35.
      Zakboek Strafvordering voor de Opsporingsambtenaar 2.28.
      Zakboek Strafrecht voor de Politie 6.9.
  81. Legitimeren en doelmededeling ook bij binnentreden met toestemming
    1. Art. 1 lid 1 Awbi:
      Degene die bij of krachtens de wet belast is met de opsporing van strafbare feiten of enig ander onderzoek, met de uitvoering van een wettelijk voorschrift of met het toezicht op de naleving daarvan, dan wel een bevoegdheid tot vrijheidsbeneming uitoefent en uit dien hoofde in een woning binnentreedt, is verplicht zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden. MH: ook dus als dat binnentreden met toestemming plaatsvindt (HR 22-11-11, LJN BT6402 en de Kamerstukken 19073, nr. 3 (MvT)).
      De enige uitzondering op deze regel is terug te vinden in art. 1 lid 2 Awbi: indien de naleving van de in het 1e lid bedoelde verplichtingen naar redelijke verwachting ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of goederen, feitelijk onmogelijk is dan wel naar redelijke verwachting de strafvordering schaadt t.a.v. misdrijven waarvoor vh is toegelaten, gelden deze verplichtingen slechts voor zover de naleving daarvan in die omstandigheden kan worden gevergd.
      Vellinga-Schootstra geeft van dit 2e lid de volgende voorbeelden:
      a. ernstig en onmiddellijk gevaar: de aanhouding van een gewapend persoon, waarvan verwacht kan worden dat hij van zijn wapen gebruik zal maken (zie bijv. HR, NJ 1999, 387) of het binnentreden door een opsp. ambt. die op heterdaad een inbraak ontdekt terwijl de bewoner niet thuis is;
      b. feitelijke onmogelijkheid: de bewoner is niet thuis, slaapt onverstoorbaar door of houdt zich verborgen;
      c. schaden strafvordering: gevallen van fraude, waarin te vrezen is dat de bewoner bestanden wist wanneer justitie zich uitdrukkelijk aandient, het wegmaken van drugs in Opiumzaken, enz.

      Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ 7.3.
      Zakboek Strafvordering voor de Opsporingsambtenaar 6.3
  82. Beslagbeslissingen door hulpOvJ
    1. Art. 116 Sv 1.
      De (hulp)OvJ die op grond van art. 94, derde lid, in kennis is gesteld van de kennisgeving van ibn, beslist over het voortduren van het beslag in het belang van de strafvordering
      (MH: waarheidsvinding, verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer, zie 6.2 e.v.). Indien dit belang niet of niet meer aanwezig is, beëindigt hij het beslag en doet hij het voorwerp teruggeven aan degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen. De hulpOvJ pleegt desgeraden (MH: zo nodig) overleg met de OvJ voordat hij de beslissing neemt.

      MH: zie voor de beoordeling van het beslag door de hulpOvJ zo nodig de aanwijzing ibn (overheid.nl of zakboek Wetteksten). In die aanwijzing is bijv. bepaald dat als er sprake is van waarheidsvindingsbeslag de hulpOvJ het beslag voor dient te leggen aan het OM. Vernietigen/teruggave van het beslag kan ernstige gevolgen hebben voor de bewijspositie van dat beslag (en mogelijk zelfs de ontvankelijkheid van het OM), want bijv. geen contra-expertise meer mogelijk door de verdediging.

      Strafvordering voor de HulpOvJ 6.39.
      Zakboek Strafvordering voor de Opsp. ambt. 5.35.
  83. Letsel/betrouwbaarheid aangever, letsel verdachte
    1. In alle zaken waarbij er volgens de aangever geweld gebruikt is en er inderdaad ook letsel zichtbaar is verdient het aanbeveling het letsel ook in het pv te omschrijven en waar mogelijk een foto van dat letsel bij het pv te voegen. Dit kan de betrouwbaarheid van de betreffende aangifte ten goede komen. Mocht de verdachte ook letsel hebben opgelopen dan dient dat uiteraard ook omschreven te worden in het pv en dient zo mogelijk eveneens een foto bijgevoegd te worden

      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 17.21
  84. Domicilie kiezende getuige 
    1. Een getuige zou bij angst voor mogelijke represailles van de verdachte als correspondentieadres (‘domicilie’) kunnen kiezen voor een ander adres, bijv. het adres van een politiebureau of van zijn werkgever (zonder opgave dus van diens werkelijke verblijfplaats (woning)). Uiteraard moet de politie op de hoogte zijn van de werkelijke verblijfplaats van de getuige en een mogelijke getuigenoproep door de OvJ/rechter kunnen bezorgen bij de getuige op die werkelijke verblijfplaats. Vermeld bij een domicilie kiezende getuige wél duidelijk in het pv dat het een gekozen adres is, want de getuige zou schriftelijk kunnen worden opgeroepen voor een zitting en dan is het wel handig om te weten dat het adres in het pv niet de werkelijke verblijfplaats is.
      Bij dit alles moet wel opgepast worden dat de werkelijke verblijfplaats niet alsnog in het pv te vinden is. Vaak is dat het geval als er eerst een standaard aangifte wordt opgenomen (of een korte verklaring ‘op straat’) met daarbij het werkelijke adres van die getuige en er pas bij de aanvullende uitgebreide aangifte gekozen wordt voor domicilie aan het politiebureau of een andere plaats. Dat laatste heeft dan in zo'n geval niet veel zin meer (tenzij het pv uiteraard nog wordt aangepast). Of als er later een medische verklaring bij de stukken gevoegd wordt waaruit het werkelijke adres van de getuige (zijnde het slachtoffer) blijkt.
      Bij het vermoeden van een bedreigde getuige (zie 8.10.7) is het verstandig om eerst z.s.m. contact op te nemen met de OvJ.

      Bij een domicilie kiezende getuige moet overigens afgewacht worden of de adresgegevens (in uitzonderlijke gevallen) niet toch alsnog aan de rechter-commissaris of zittingsrechter verstrekt moeten worden. Een domicilie kiezende getuige kan dus geen garantie gegeven worden dat zijn complete personalia niet (uiteindelijk) toch bij de verdachte bekend worden.


      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 8.10.12
  85. Identiteitsfouillering / onderzoek voorwerpen (incl. vervoermiddel)
    1. Een persoon die niet voldoet aan een rechtmatige vordering inzage identiteitsbewijs (bijv. op basis van art. 8a Politiewet) wordt vanaf dat moment verdacht van overtreding van art. 447e Sr (niet voldoen aan identificatieplicht) en kan ter zake die verdenking staande gehouden worden en alsdan conform dit art. 55b Sv aan zijn kleding, enz. onderzocht worden.

      Strafvordering voor de HulpOvJ 5.3 en 3.31.
      Zakboek Strafvordering voor de Opsp. ambt. 4.3 en 2.24.
  86. Ontneming en verbeurdverklaring: wetswijziging
    1. De wetswijziging ‘verruiming mogelijkheden voordeelontneming’ (inwerkingtreding 01-07-11, Stb. 2011, 237) maakt ook verbeurdverklaring van voorwerpen die uit de baten (opbrengst) van het strafbare feit zijn verkregen mogelijk. Een voorbeeld is een auto gekocht met door misdrijf verkregen geld. ‘Met de uitbreiding kunnen ook voorwerpen die niet rechtstreeks afkomstig zijn van het strafbare feit waarvoor een veroordeling is uitgesproken, maar die uit de baten daarvan zijn verkregen, worden verbeurd verklaard. Ook voorwerpen die met de opbrengsten van dit strafbare feit zijn aangeschaft komen zo voor verbeurdverklaring in aanmerking. Hetgeen in het verband van de ontnemingsmaatregel als ”vervolgprofijt” pleegt te worden aangeduid, kan zo met het instrument van de bijkomende straf van verbeurdverklaring van de veroordeelde worden afgenomen. Met dit vervolgprofijt wordt de meeropbrengst aangeduid die met het primair behaalde voordeel is verkregen. Met de (…) verruiming van de bijkomende straf van verbeurdverklaring, wordt uitvoering gegeven aan het gezichtspunt dat ook langs andere wegen dan door middel van de formele ontnemingsmaatregel kan worden bereikt dat aan de veroordeelde crimineel vermogen wordt ontnomen’ (Kamerstukken 32194, nr. 3 (MvT verruiming mogelijkheden voordeelontneming).

      Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ 6.6.
      Zakboek Strafvordering voor de Opsp. ambt. 5.6.
  87. Enkelvoudige opsporingsconfrontatie en het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek
    1. ‘Hoewel het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek (…) niet van toepassing is op een (enkelvoudige) fotoconfrontatie (…), kunnen de aanbevelingen uit dat Besluit wel een rol spelen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van herkenning bij een opsporingsconfrontatie. Vorenbedoeld besluit is er immers op gericht onbewuste sturing van de menselijke geest en het menselijke herinneringsvermogen te voorkomen. Zo kan bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de herkenning van belang zijn of de (eventuele) getoonde fotoselectie objectief is samengesteld en getoond aan de waarnemer en of in het pv van de herkenning nauwkeurig is opgenomen hoe de confrontatie heeft plaatsgevonden en hoe de herkenning heeft plaatsgevonden. Voor de betrouwbaarheid van de herkenning, kan bovendien van belang zijn of de herkenning heeft plaatsgevonden op basis van specifieke, onderscheidende persoonskenmerken. De kwaliteit van de beelden en de zichtbaarheid van de verdachte op de beelden kunnen daarbij een rol spelen. Tot slot kan van belang zijn in welke hoedanigheid en frequentie waarnemer en dader elkaar eerder getroffen hebben'

      Hof Arnhem 04-08-11, NS 2011, 335.

      Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ 3.27.
      Zakboek Strafvordering voor de Opsp. ambt. 2.22.
  88. Overlevering
    1. Het blijkt dat de politie helaas nog vrij onbekend is met het feit dat het parket Amsterdam (Internationaal Rechtshulp Centrum) de centrale autoriteit is voor inkomende Europese Aanhoudingsbevelen en als zodanig landelijk aanspreekpunt is voor de politie bij aanhoudingen op grond van de Overleveringswet. Op het Politiekennisnet (PKN) zijn twee instructies en formulieren opgenomen betreffende de werkwijze bij voorlopige aanhouding (art.17 OLW) en aanhouding (art. 21 OLW) van het moment van aanhouding tot de voorgeleiding bij de RC of de OvJ.

      Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ 11.32.
  89. Beslagafwikkeling door hulpOvJ
    1. Art 94 lid 3 Sv
      (...) De opsporingsambtenaar stelt de kennisgeving van ibn (Kvi) zo spoedig mogelijk in handen van de hulpOvJ teneinde te doen beoordelen of het beslag moet worden gehandhaafd.

      Art. 116 lid 1 Sv
      De (hulp)OvJ die op grond van art. 94, 3e lid, in kennis is gesteld van de Kvi, beslist over het voortduren van het beslag in het belang van de strafvordering (MH: waarheidsvinding, verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer, zie 6.2 e.v.). Indien dit belang niet of niet meer aanwezig is, beëindigt hij het beslag en doet hij het voorwerp teruggeven aan degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen. De hulpOvJ pleegt desgeraden (MH: zo nodig) overleg met de OvJ voordat hij de beslissing neemt.

      Aanwijzing ibn
      II.4. Beoordeling beslag door (hulp)OvJ Nadat de Kvi is opgemaakt, wordt het beslag voorgelegd aan de hulpOvJ. Deze toetst of de Kvi volledig is ingevuld en alle relevante informatie bevat, geeft zo nodig opdracht om de Kvi aan te passen en beslist vervolgens over de handhaving van het beslag.

      In de volgende gevallen wikkelt de hulpOvJ het beslag zelfstandig af:
      - indien de voortduring van beslag niet nodig is, beslist de hulpOvJ dat het voorwerp wordt teruggegeven aan de beslagene (art. 116 lid 1 Sv);
      - indien de beslagene afstand heeft gedaan (art. 116 lid 2 Sv), kan de hulpOvJ, mits sprake is van eenduidige eigendom, en geen sprake (meer) is van waarheidsvindingsbeslag, a. het voorwerp doen teruggeven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt; b. gelasten dat het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende in bewaring blijft, indien teruggave aan de rechthebbende nog niet mogelijk is (bijvoorbeeld omdat onbekend is wie dat is);
      c. in geval de beslagene verklaart dat het voorwerp hem toebehoort, gelasten dat daarmee wordt gehandeld als ware het verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer.

      (...)

      De hulpOvJ maakt gebruik van zijn bevoegdheid tot teruggave aan de rechthebbende o.a. in het geval van een aanhouding op heterdaad ter zake van winkeldiefstal of inbraak. Ook kan de hulpOvJ voorwerpen aan de beslagene teruggeven, bijvoorbeeld als er niet langer aanwijzingen zijn dat de inbeslaggenomen voorwerpen verband houden met een strafbaar feit (zoals een gouden ketting of een dure fiets, die niet als gestolen geregistreerd staan). Wanneer naast een of meer voorwerpen ook een klein geldbedrag in beslag wordt genomen, kan de hulpofficier beslissen om dat geldbedrag terug te geven aan de beslagene. De hulpOvJ beslist niet tot teruggave aan de beslagene als het gaat om waardevolle goederen of geldbedragen die in het kader van witwassen kunnen worden ontnomen of verbeurd verklaard.

      De hulpOvJ kan indien hij dat nodig vindt, met de OvJ of de gemachtigde beoordelaar van het parket overleggen over de door hem te nemen beslissing.

      Als sprake is van waarheidsvindingsbeslag, dan legt de hulpOvJ het beslag voor aan het OM.

      Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ 6.39.
      Zakboek Strafvordering voor de Opsporingsambtenaar 5.35.
  90. Verplichte medewerking aan een bloedtest in strafzaken
    1. Art. 151e Sv
      1. In geval van een misdrijf waarbij uit aanwijzingen blijkt dat besmetting van een slachtoffer met een bij algemene maatregel van bestuur (MH: besluit bloedtest, zie hierna) aangewezen ernstige ziekte kan hebben plaatsgevonden, kan de OvJ aan de verdachte verzoeken celmateriaal af te staan ten behoeve van een onderzoek dat tot doel heeft vast te stellen of hij drager is van een dergelijke ziekte. De OvJ kan dit verzoek tevens richten aan een ander dan de verdachte, indien uit zodanige aanwijzingen blijkt dat besmetting door misdrijf met behulp van het celmateriaal van die ander is overgebracht op een slachtoffer
      2. Indien degene aan wie het verzoek is gericht, medewerking weigert, kan de OvJ in het belang van het onderzoek bevelen dat van hem celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid. Het bevel kan slechts worden gegeven na schriftelijke machtiging van de RC op vordering van de OvJ.

      In het bijbehorende ‘Besluit bloedtest' (terug te vinden in het zakboek Wetteksten of op overheid.nl) zijn opgenomen begripsomschrijvingen, aanwijzing van ernstig besmettelijke ziekten (hiv, hepatitis B en C), wijze van verkrijging van bloed, afname bij een overledene, onderzoek naar besmetting en kosten van tegenonderzoek.

      Ook het slachtoffer kan een verzoek tot bloedonderzoek van de verdachte doen en als de OvJ dit weigert dan kan het slachtoffer zich tot de RC richten (zie art. 177b Sv). Zie over de regelgeving rond het bloedonderzoek verder art. 151e Sv e.v. en art. 177b Sv.

      ‘Bijzonder aan deze wettelijke regeling is dat het gaat om onderzoek (…) dat verschillende doelen en belangen kan dienen. Het kan van nut zijn voor de waarheidsvinding (in het bijzonder de opsporing in strafzaken), voor de mogelijkheid van medicatie voor verdachte en slachtoffer en ten slotte voor het verkrijgen van zekerheid bij het slachtoffer over besmetting en over de herkomst daarvan’. Natuurlijk kan daarbij ook gedacht worden aan een opsp. ambt. die gedurende de uitoefening van zijn functie in contact komt met bloed en/of speeksel van een verdachte of een derde. Dat kan immers risico’s meebrengen voor de gezondheid van die opsp. ambt.

      Met de bloedtest kan worden vastgesteld of er sprake is van het hiv-virus of van ernstige besmettelijke ziekten als hepatitis B of C, die bij het plegen van een strafbaar feit kunnen zijn overgedragen op het slachtoffer. Als besmetting is overgebracht, kan dat blijvend zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebben of in sommige gevallen levensbedreigend zijn. ‘In het belang van het onderzoek en de waarheidsvinding is nodig dat zo precies mogelijk wordt vastgesteld wat de feitelijke toedracht van het incident is geweest en welke gevolgen daaruit zijn voortgevloeid. Voor de keuze op welk delict de tenlastelegging zal worden toegesneden en de vraag of strafverzwarende omstandigheden aanwezig zijn, is het verzamelen van deze feiten elementair. Dit klemt vooral in de gevallen waarin pas na enig tijdsverloop is vast te stellen of een ziekte daadwerkelijk is overgedragen en of er besmettingsgevaar aanwezig was. In het vooronderzoek kan onduidelijkheid bestaan of het gaat om eenvoudige mishandeling, (poging tot) toebrengen van zwaar lichamelijk letsel of mishandeling met als gevolg zwaar lichamelijk letsel’.

      Ingevolge de aanwijzing slachtofferzorg is het ‘van belang dat het bloedmonster zo snel mogelijk na het incident wordt verkregen en onderzocht met het oog op het nemen van preventieve medicatie door het slachtoffer (bij voorkeur binnen twee uur en uiterlijk binnen 72 uur voor HIV-besmetting)’.

      Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ 5.9.
      Zakboek Strafvordering voor de Opsporingsambtenaar 4.9.
  91. Onschuldbeginsel / uitlatingen tegenover derden
    1. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Zo mag een vertegenwoordiger van de Staat (politie, justitie, enz.) zich niet uitlaten over de schuld van een persoon (bijv. tegenover een journalist) ten aanzien van een strafbaar feit voordat zijn schuld door een gerecht is vastgesteld. Uiteraard belet dat niet om te spreken over verdenking (bijv. aanhouding van een verdachte) in plaats van over het begaan hebben (bijv. aanhouding van de dader). (zb 2.1)

      Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ 2.1.
      Zakboek Strafvordering voor de Opsporingsambtenaar 1.1.
  92. Rechtsbijstand voor eerste verhoor na ontbieding
    1. Verdachten worden ook per brief 'ontboden' (uitgenodigd) aan het politiebureau. Uit de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor: 'indien hij (MH: de ontbodene) als verdachte zal worden verhoord, wordt in de brief vermeld van welk strafbaar feit hij wordt verdacht. In de brief wordt de verdachte gewezen op de mogelijkheid om, voor eigen rekening, voorafgaand aan het verhoor een raadsman te raadplegen.' Dit betekent dat uit het dossier zal moeten blijken dat daadwerkelijk aan deze plicht is voldaan, bijvoorbeeld door de ontbiedingsbrief bij te voegen of dit in het proces-verbaal van verhoor op te nemen.

      Met dank aan Rob van Dartel (parketsecretaris Utrecht/Lelystad) voor de tip.
      Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ 2.7.
      Zakboek Strafvordering voor de Opsporingsambtenaar 1.7.
  93. Www.forensischinstituut.nl

    1. Zie deze site voor informatie over de juridische en technisch wetenschappelijke ontwikkelingen op het gebied van forensisch DNA onderzoek in Nederland en daarbuiten. Bij vragen over DNA-regelgeving een zeer aan te bevelen website!! O.m. is terug te vinden:
      - nieuws;
      - wet- en regelgeving (o.m. compleet Besluit DNA-onderzoek in strafzaken, aanwijzing prioritering DNA-onderzoeken, richtlijn voor grootschalig DNA-onderzoek en vele andere officiële stukken);
      - literatuur (waaronder ‘essenties van forensisch DNA-onderzoek’ van het NFI);
      - DNA-projecten/studies;
      - thema’s (DNA-databank, uiterlijk waarneembare persoonskenmerken, grootschalig DNA-onderzoek, old and cold cases);
      - links;
      - enz.

      Zakboek HulpOvJ 5.6 e.v.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 4.6 e.v.

  94. Bewijs van overtreding Opiumwet bij niet in beslag genomen drugs.

    1. Voor het bewijs dat een verdachte inderdaad gehandeld heeft in verdovende middelen kan vaak geen gebruik gemaakt worden van een onderzoek van een deskundige (het NFI) naar de samenstelling van de verhandelde drugs, omdat de betreffende drugs niet in beslag genomen zijn. Het bewijs dat er gehandeld is in verdovende middelen kan echter ook berusten op verklaringen van betrokkenen (verdachte, gebruikers, leveranciers) over de uitwerking. Voor deze verklaringen is niet vereist dat de personen in kwestie als gebruikers vertrouwd zijn met de uitwerking van de verdovende middelen op hun lichaam. Ook zonder die ervaring kunnen zij verklaren dat zij het in een tenlastelegging genoemde middel hebben gebruikt en dat bepaalde verschijnselen zich voordeden. Bij XTC-pillen kan dit nog problemen geven omdat de samenstelling daarvan kan variëren en de werking van de drug aan verschillende stoffen kan worden toegeschreven (bijv. aan MDA, MDEA, MDMA en/of amfetaminen maar incidenteel ook aan andere stoffen dan vermeld op één van de Opiumwetlijsten). Dit probleem doet zich in versterkte mate voor als de verdachte op uiteenlopende tijdstippen verschillen­de soorten XTC-pillen heeft verhandeld en er niet van ieder handeltje een verklaring is van bijv. een gebruiker over de werking van de pillen. Kopers zouden dan mogelijk ook iets kunnen verklaren over een mogelijk logo dat op de pillen stond. Die informatie zou naast een rapportage van het NFI gelegd kunnen worden met info over pillen met die bepaalde logo’s. Het NFI houdt namelijk een bestand bij van alle geteste pillen: hoeveelheden testen, logo’s en hoe vaak er sprake was van een strafbaar gestelde substantie in de onderzochte pillen. Dan kan blijken (en blijkt ook vaak) dat hooguit een paar procent van in het verleden door het NFI geteste pillen met een bepaald logo géén strafbaar gesteld middel bevat. Ook de verklaring van verdachte over de aanwezigheid van een bepaalde stof in de xtc-pillen (in het betreffende geval MDMA) kan natuurlijk als bewijs gebruikt worden. Tot slot zou ook nog gebruik gemaakt kunnen worden van De Nationale Drugsmonitor: een voor ieder toegankelijke publicatie (www.trim­bos.nl), zodat de daarin neergelegde gegevens kunnen worden aangemerkt als feiten van algemene bekendheid. Uit die Monitor blijkt dat bij hooguit 3% van de geteste pillen geen stof kon worden aangetoond die vermeld staat op Lijst I van de Opiumwet. Bij 97-98% van de pillen was dit dus wel het geval.

      Zakboek Strafrecht voor de Politie 21.17.

  95. Bevriezen niet van toepassing bij doorzoeken ter aanhouding

    1. Conform art. 55a Sv behoeft de opsp. ambt. voor doorzoeking ter aanhouding een (schriftelijke of mondelinge) machtiging van de OvJ, behoudens het geval van dringende noodzakelijkheid. In afwachting van een mogelijke doorzoeking ter aanhouding kan er echter niet "bevroren" worden. Sv kent immers alleen de "bevriezing" voor een doorzoeking ter inbeslagneming van art. 96,2, 96c lid 4 en 97 lid 5 Sv (met dank aan Cees van Welij).
      Juist omdat er niet "bevroren" kan worden lijkt het mij dat er aldus eerder sprake kan zijn van dringende noodzakelijkheid en kan er dus zonder machtiging ter aanhouding doorzocht worden (met dank aan Henk Meijer van het Politieacademie).

      Zakboek Hulpofficier 4.9 en 6.10.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.9 en 5.10.

  96. Wid: vorderen omvat ook vragen?

    1. Naar analogie van een ouder arrest van de HR (NJ 1984, 541 (alcoholwetgeving) zou gesteld kunnen worden dat voor strafbaarheid niet expliciet gevorderd behoeft te worden maar dat vragen ook volstaat ‘uitgaande van hetgeen in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is, een redelijke uitlegging van het begrip "vorderen" (…) immers medebrengt dat niet van belang is welke bewoordingen worden gebruikt door de betrokken opsporingsambtenaar, mits het de aangesprokene duidelijk is dat van hem verlangd wordt zijn medewerking te verlenen’ (MH: in het betreffende geval aan een onderzoek van uitgeademde lucht). Dat zien de rechtbanken tot nu toe kennelijk niet zitten: ‘in de rechtspraak is reeds meermalen beslist dat het enkele vragen naar het identiteitsbewijs nog geen “vorderen” inhoudt, zelfs niet als dat vragen meermalen geschiedt. Er bestond dus nog geen verplichting voor verdachte om zijn identiteitsbewijs aan verbalisanten ter inzage te geven (rechtbank Amsterdam 03-11-10, LJN BO8474 (onder verwijzing naar rechtbank Amsterdam 11-08-09, LJN BJ5573 en rechtbank Zwolle 16-11-09, LJN BL3978)). In afwachting van mogelijk andersluidende jurisprudentie van de HR voor de duidelijkheid en zekerheid in voorkomende gevallen dus vorderen lijkt mij.

      Zakboek Hulpofficier 3.31.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.25

  97. DNA-hit en bewijs

    1. Ieder mens heeft uniek erfelijk materiaal (DNA) dat zich bevindt in iedere celkern van alle lichaamscellen. Die unieke DNA-structuur kan vergeleken worden met ander celkernmateriaal (bijv. afkomstig uit bloed, sperma, haar(wortels) en huidschilfers) dat bijv. op een plaats delict of op (de kleding van) een slachtoffer is aangetroffen. De resultaten van zo’n vergelijkend onderzoek (mits goed uitgevoerd) worden zeer betrouwbaar geacht en zijn dus zeer belangrijk voor de oplossing van bepaalde misdrijven.

      Ook indien het enige bewijs in een strafzaak wordt gevormd door het resultaat van een DNA-onderzoek kan een rechter de verdachte op basis van een DNA-hit veroordelen. Het bewijsmiddel wordt dan gevormd door een verklaring en/of een verslag van een deskundige (zie art. 339 i.v.m. art. 344 lid 1 onder 4 Sv en HR 10-12-02, LJN AE6863). Een DNA-hit is als enig bewijs echter niet altijd voldoende en vereist mede daarom indien mogelijk altijd nader onderzoek. Immers ‘het enkele aantreffen van een sigarettenpeuk met DNA-materiaal van de verdachte op de plaats delict vormt onvoldoende bewijs dat de verdachte de ten laste gelegde inbraak heeft gepleegd. Mede gelet op de verklaring van de verdachte dat tegenover de woning van aangever een “hangplek” was waar hij sigaretten en jointjes rookte, kan niet genoegzaam worden uitgesloten dat de sigarettenpeuk op andere wijze dan door toedoen van de verdachte in de slaapkamer van de woning is terechtgekomen. De peuk kan immers door de dader bewust in de slaapkamer zijn achtergelaten teneinde de verdenking op iemand anders te laden of de peuk kan onbewust onder het schoeisel van de dader de woning zijn binnengebracht’ (Hof ’s-Hertogenbosch 07-03-11, LJN BP7608). Tot een ander oordeel kwam de rechter bij een bedrijfsinbraak: ‘naar het oordeel van het hof staat vast dat het aangetroffen bloedspoor een daderspoor is. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat dit bloed kort na de inbraak werd aangetroffen, het bloed zich bevond in het bedrijf op een plaats waar de dader zich heeft bevonden (bij de balie, alwaar een geldkistje werd leeggehaald) en er bij de inbraak een glazen deur werd vernield, waardoor er een gerede kans bestaat dat de dader zich heeft verwond. Een redelijke verklaring voor de aanwezigheid van het bloed op de balie van [bedrijf], die zou kunnen leiden tot het oordeel dat het bloed geen verband houdt met de inbraak, is door de verdediging niet gegeven, noch anderszins aannemelijk geworden’ (Hof ’s-Hertogenbosch 09-09-11, LJN BP7605).

      Zakboek Hulpofficier 5.8.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 4.8.

  98. Opzettelijke vernieling, enz. elektriciteitswerk (art. 161bis Sr)

    1. Hennepteelt kan door het illegaal aftappen van stroom gevaar voor brand en/of ontploffing opleveren. De (gestolen) elektriciteit die wordt gebruikt, wordt immers vaak provisorisch aangelegd met alle risico’s van dien. Zeker als er sprake is van enige vorm van gevaarzetting voor bewoners of omwonenden, is kan vervolging voor artikel 161bis Sr een belangrijk instrument zijn in de aanpak van de hennepkweek. Een goed pv moet daarover dan wel voldoende helderheid kunnen verschaffen.

      Zakboek Strafrecht voor de politie 5.4 (vanaf editie 2012).

  99. Verblijf ongewenst vreemdeling: terme de grâce (redelijke termijn om land te verlaten)
    1. ‘Vooropgesteld dient te worden dat een ongewenstverklaarde vreemdeling in principe onmiddellijk Nederland dient te verlaten. Gronden van redelijkheid en billijkheid kunnen echter onder omstandigheden met zich mee brengen dat aan de vreemdeling na ontslag uit detentie een zogenaamde terme de grâce wordt vergund teneinde zijn vertrek uit Nederland voor te bereiden en te realiseren. Deze gronden van redelijkheid en billijkheid zijn uit hun aard echter niet zodanig algemeen van toepassing dat daaruit een onvoorwaardelijk recht van tijdelijk voortgezet verblijf kan worden afgeleid’. Voordat tot aanhouding wordt overgegaan dient de betrokkene aldus een behoorlijke gelegenheid (in tijd) te hebben gehad om Nederland te verlaten. Dus niet te snel (binnen grofweg twee weken) aanhouden nadat verdachte te horen heeft gekregen dat hij ongewenst is verklaard of nadat verdachte net een straf heeft uitgezeten. Dat is natuurlijk anders als de verdachte ook een of meerdere andere strafbare feiten (dan art. 197 Sr) heeft gepleegd. Overleg hierover zo nodig met de OvJ (die ook gebonden is aan interne richtlijnen).

      Zakboek Strafrecht voor de politie 6.17
  100. Horen minderjarige bij klacht door wettelijke vertegenwoordiger
    1. Bij klachtmisdrijven is de klachtgerechtigde degene tegen wie het misdrijf is begaan (art. 64 Sr). Zie echter voor het verplicht indienen van een klacht door een vertegenwoordiger in plaats van door degene tegen wie het misdrijf is begaan art. 65 Sr. Denk hierbij met name aan de klacht gedaan door de ouders van een minderjarige die de leeftijd van 16 jaar nog niet bereikt heeft. 

      En dan nu de tip. 

      Als er ter zake een klachtmisdrijf een klacht door de wettige vertegenwoordiger van een minderjarige van 12 tot 16 jaar conform voornoemd art. 65 Sr is gedaan, dan dient die minderjarige (als deze in Nederland verblijft) in de gelegenheid gesteld te worden diens mening te geven over de wenselijkheid van strafvervolging. Daarover dient het pv helderheid te verschaffen. Deze verplichting geldt niet indien dit in verband met de lichamelijke of geestelijke toestand van de minderjarige niet mogelijk of niet wenselijk is (art. 165a Sv, waarin overigens hetzelfde is bepaald voor een onder curatele gestelde). Het niet naleven van art. 165a kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM (en dus einde zaak)!

      De bedoeling van art. 165a Sv is dat het OM het belang van het daarin genoemde slachtoffer en dat van de samenleving afweegt tegenover het belang van de verdachte. Art. 165a Sv dient om de OvJ in staat te stellen bij de vervolgingsbeslissing de mening van het slachtoffer te betrekken. Dat kan ook wanneer een opsporingsambtenaar het op dit punt verplichte verhoor van die minderjarige doet. Mocht art. 165a over het hoofd gezien zijn, dan kan dat nog hersteld worden door een verklaring van die minderjarige in een aanvullend pv. Ook als de zitting al begonnen is kan dit verzuim nog hersteld worden (ook in hoger beroep). Ook dat kan ook door een aanvullend pv of door het horen van het slachtoffer op zitting (als het daar toch al aanwezig is).

      Zakboek Hulpofficier 10.4.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 9.4.
  101. Ingangstijdstip ontzegging van de rijbevoegdheid ('weet of redelijkerwijs moet weten')
    1. Onder de oude regeling kon soms twijfel bestaan over het exacte moment van ingang van de ontzegging van de rijbevoegdheid omdat onduidelijk is was of de veroordeelde reeds bekend was met het vonnis, of hij misschien een rechtsmiddel had ingesteld dan wel of er andere ontzeggingen tegen hem liepen. Dat gold ook v.w.b. het moment waarop de ontzegging inging. Om die onduidelijkheid weg te nemen is in art. 180, derde lid, WVW het tijdstip van ingang afhankelijk gemaakt van de uitreiking aan de betrokkene van een schrijven waarin dat tijdstip en de duur van de ontzegging worden medegedeeld. Dit schrijven dient te worden betekend op een tijdstip gelegen ná het tijdstip waarop de rechterlijke beslissing tot obm, onherroepelijk is geworden.

      Zakboek Strafrecht voor de Politie 23.6
  102. Onderzoekstermijn bij gewonde, dronken of bewusteloze verdachte
    1. Meer dan incidenteel wordt nog (met een beroep op ministeriële circulaires uit 1928 en 1929) gesteld dat als de verdachte gewond, dronken of bewusteloos is de onderzoekstermijn van zes uur pas begint te lopen op het moment van een beëindigde behandeling in het ziekenhuis, ontnuchtering of bewustwording. In de bestaande wetgeving en jurisprudentie ontbreekt echter een grond om mensen wegens hun dronkenschap, een verwonding of bewusteloosheid langer dan de door de wetgever gestelde termijn op te houden voor onderzoek. Een ministeriële circulaire kan immers geen grond bieden voor vrijheidsberoving en ook art. 2 Politiewet biedt daarvoor onvoldoende grond (Corstens, het Nederlands strafprocesrecht, 5e druk, 14.8 en EHRM 20-10-05 (Koman), niet gepubliceerd, wel op www.echr.coe.int. ). Conclusie: ook onder dit soort omstandigheden houden aan de zesuurstermijn (en bij tijdgebrek de verdachte mogelijk in verzekering stellen, mits daarvoor uiteraard aan de voorwaarden is voldaan)!

      Zakboek HulpOvJ 4.13 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.13
  103. Zoekend rondkijken en onderzoek van voor de hand liggende voorwerpen
    1. Vooropgesteld moet worden dat voor de waarheidsvinding onderzoek mag worden gedaan aan in beslag genomen voorwerpen om gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen (zie 6.42). Als er bij zoekend rondkijken in een ruimte voor de hand liggende voorwerpen worden aangetroffen welke vatbaar zijn voor ibn en de opsp. ambt. ook bevoegd is tot die ibn (bijv. op basis van art. 96 Sv, de Opiumwet, de WWM, de WED, enz.) dan mogen die voorwerpen niet alleen in beslag genomen worden maar ook ter plaatse onderzocht worden. In het betreffende geval vond een onderzoek plaats in een bedrijfsruimte die naar henneplucht riekte en in die ruimte werden diverse goederen aangetroffen die voor een hennepplantage konden worden gebruikt. Daaruit kon volgens de HR worden afgeleid dat redelijkerwijs vermoed kon worden dat in een voor de hand liggende plastic zak en boodschappentas met een hennepplantage verband houdende goederen, zoals hennep, verpakt waren. Daarbij (maar niet doorslaggevend dus) kwam nog dat de boodschappentas volgens het relaas van de verbalisanten ‘heel erg naar weedlucht riekte’. Van belang is dus een goede verwoording van de gang van zaken in het pv (aantreffen voor de hand liggend voorwerp, vatbaarheid van dat voorwerp voor beslag, de ibn zelf, het onderzoek van het in beslag genomen voorwerp en tot slot het resultaat van dat onderzoek).

      Zakboek HulpOvJ 6.41
      Zakboek Opsporingsambtenaar 5.37
  104. Confrontatie
    1. Overleg met de OvJ over de noodzaak en/of de soort confrontatie (visueel of auditief, meervoudig of enkelvoudig, in persoon of niet in persoon) verdient aanbeveling, óók in zaken waarin de verdachte toestemming geeft. Vooral in zware zaken waarbij de verdachte ontkent of een algemene niet gedetailleerde bekentenis aflegt waarover twijfel zou kunnen ontstaan (al dan niet na intrekking van die bekentenis door de verdachte of na het intrekken van een belastende verklaring van een getuige/medeverdachte). De OvJ wordt op de zitting helaas regelmatig geconfronteerd met verdachten/getuigen die hun verklaringen intrekken of ‘bijdraaien’. Als het overige bewijsmateriaal dan op zich onvoldoende is om tot een veroordeling te kunnen komen dan is er een probleem….(zeker in het huidige tijdsgewricht).

      Zakboek HulpOvJ 3.27
      Zakboek Opsp. ambt. 2.23
  105. Fotograferen in beslag genomen voorwerp
    1. Het verdient sterke aanbeveling om een foto van een in beslag genomen voorwerp in het dossier op te nemen, alvorens dat voorwerp wordt vernietigd.
      Hof ’s-Gravenhage 06-09-10, LJN BO2955

      Zakboek HulpOvJ 6.38
      Zakboek Opsp. ambt. 5.34
  106. Situatietekening/foto's bij poging doodslag/zware mishandeling d.m.v. voertuig
    1. In zaken betreffende poging doodslag of poging zware mishandeling waarbij de verdachte gepoogd heeft met een auto in te rijden op het slachtoffer (soms een opsporingsambtenaar) verdient het sterke aanbeveling om niet te volstaan met een beschrijving van de plaats delict. In dit soort gevallen dienen als het maar even mogelijk is ook een situatietekening en/of foto's bij het pv gevoegd te worden. Dit kan meer helderheid geven over de positie van verdachte, slachtoffer en mogelijke getuigen, of er een goede mogelijkheid voor het slachtoffer bestond om weg te komen, enz. Dit kan een (uitgebreid) getuigenverhoor bij de RC of op zitting voorkomen. In sommige zaken kan ook een reconstructie verstandig zijn, overleg daarover in voorkomende gevallen met de OvJ.

      Met dank aan Paul Bellaart (OvJ 's-Hertogenbosch) voor de tip.

      Zakboek Strafrecht 12.1
      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 16.4
  107. Bijstand raadsman/vertrouwenspersoon/consultatierecht
    1. Als van meet af aan duidelijk is dat de verdachte aangehouden gaat worden dan dient bij een verhoor van verdachte vóór die aanhouding ook gewezen te worden op het consultatierecht.

      Hof Arnhem 01-10-10, LJN BN9266.

      Zakboek HulpOvJ 2.7
      Zakboek Opsp. ambt. 1.7
  108. Misbruik van bevoegdheden (mede i.v.m. een recent arrest van het hof ’s-Hertogenbosch: Project Waakzaam Twee) 

    1. Omdat toezicht (controle) vaak vooraf gaat aan opsporing én er aan toezicht meestal minder voorwaarden worden gesteld dan aan opsporing, zal in de praktijk de neiging kunnen ontstaan om toezicht uit te oefenen met een ander doel dan beoogd door de wetgever die het toezicht mogelijk maakte. Hierbij kan gedacht worden aan het welbewust toepassen van een toezichthoudende bevoegdheid uit de ene wet (bijv. de WVW, WWM of de Algemene douanewet) om uitsluitend een strafbaar feit uit een geheel andere wet (bijv. Sr of de Opiumwet) op te sporen. Men noemt dit misbruik of oneigenlijk gebruik van die bevoegdheden (‘détournement de pouvoir’). Dit misbruik zal principieel afgewezen moeten worden. Hetzelfde geldt uiteraard als een bepaalde opsporingsbevoegdheid uitsluitend gebruikt wordt voor een ander doel (bijv. een doorzoeking gebaseerd op de WWM misbruiken uitsluitend voor het opsporen van strafbare feiten uit Sr of de Opiumwet). Daaronder valt m.i. ook als de betreffende WWM-verdenking er met de haren bijgesleept wordt om toch vooral maar te kunnen zoeken op basis van de WWM teneinde het mogelijk te maken tijdens die WWM-zoeking óók naar gestolen voorwerpen en/of verdovende middelen te ‘kijken’ (zoeken).

      Niet dus als er bijv. een stopteken op basis van art. 160 WVW is gegeven, van de bestuurder is gevorderd dat hij zijn rijbewijs ter inzage zou afgeven, gevolgd door een Opiumwetcontrole (Hof 's-Hertogenbosch 05-10-10, LJN BN9352 (Project Waakzaam Twee))

      Zakboek HulpOvJ 11.3
      Zakboek Opsp. ambt. 10.3

  109. In kennis stellen OvJ van bevel ivs door hulpOvJ
    1. De hulpOvJ dient ingevolge art. 57 lid 4 Sv van zijn bevel onverwijld kennis te geven aan de OvJ. Zo kan o.m. bijtijds een mogelijke voorgeleiding besproken én ingepland worden. Het eerste telefoontje na twee dagen ivs wordt niet echt gewaardeerd door de OvJ en is in strijd met dit art. 57 lid 4 Sv. Zie voor de verplichting van de hulpOvJ om bij een ivs onverwijld een raadsman in te lichten. Schriftelijke kennisgeving van ivs is dus niet noodzakelijk en er hoeft dus ook niets meer per post verzonden te worden. Wel moet het originele bevel ivs in het dossier gevoegd worden.

      Zakboek HulpOvJ 2.7
      Zakboek Opsporingsambtenaar 1.7 
  110. Natuurlijk overlijden (lijkvinding) en contacten met het OM
    1. Als de lijkschouwer een verklaring van natuurlijk overlijden heeft afgegeven is het NIET nodig de OvJ te bellen: er is immers geen vermoeden van een niet-natuurlijk overlijden. De hulpOvJ kan de zaak verder zelf afhandelen. Bij alsnog ontstane twijfel is het uiteraard verstandig om toch de OvJ te bellen (en zou er in uitzonderlijke gevallen alsnog besloten kunnen worden tot ibn en sectie). Als het OM niet ingeschakeld is behoeft er ook geen pv ingezonden te worden.

      Zakboek HulpOvJ 11.31
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.29
  111. Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 
    1. Verstrekking van een paspoortfoto is mogelijk op grond van art. 73 Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 (géén afzonderlijke vordering gegevens vereist): de verstrekking van gegevens uit de in art. 72 bedoelde reisdocumentenadministratie wordt uitsluitend toegestaan aan: 
      c. de opsporingsambtenaren bedoeld in art. 141 en 142 Sv, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de opsporing van strafbare feiten in het kader van het onderzoek waarbij zij zijn betrokken of voor zover die noodzakelijk zijn voor de identificatie van slachtoffers; 
      d. de ambtenaren van het OM, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de hun opgedragen werkzaamheden. 

      Zakboek HulpOvJ 3.34
  112. Stukken professioneel verschoningsgerechtigde onverwachts bij beslag
    1. Mocht er na ibn onverwachts blijken dat er zich stukken van professioneel verschoningsgerechtigden (raadsman, arts, geestelijke, enz.) bij het beslag bevinden dan dient uiteraard alsnog conform art. 98 Sv en de bijbehorende jurisprudentie gehandeld te worden. Niet verder kennisnemen van de inhoud dus, maar z.s.m. contact opnemen met OvJ over de verdere gang van zaken.

      Zakboek HulpOvJ 6.34 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 5.30
  113. Materieel strafrecht
    1. De vele ontwikkelingen die op het gebied van het materiële strafrecht hebben plaatsgevonden en nog steeds plaatsvinden dringen onvoldoende door tot de alledaagse praktijk! Het aantal gewijzigde en nieuwe strafbepalingen uit bijv. het Wetboek van Strafrecht loopt in de vele honderden!! Kennisneming van dat strafrecht leidt ongetwijfeld tot de conclusie dat er heel veel en ook zeer ruim omschreven strafbaarstellingen zijn. Er zal dus snel sprake kunnen zijn van een verdachte van een van die misdrijven. En tegen een verdachte kunnen dwangmiddelen worden toegepast. Op heel veel misdrijven staat bovendien vh zodat er zelfs sprake kan zijn van zware dwangmiddelen zoals doorzoeking, ibn en aanhouding buiten heterdaad en bijzondere opsporingsbevoegdheden. Klachten over een gebrek aan dwangmiddelen zijn dan ook vaak terug te voeren op een gebrek aan kennis van dat materiële strafrecht (wetgeving én jurisprudentie).

      En ook door de strafbaarstelling van (kort gezegd) voorbereiding, poging en de deelneming (medeplegen, doen plegen, uitlokking, medeplichtigheid, rechtspersonen) is het aantal potentiële strafbare feiten én verdachten aanzienlijk uitgebreid (art. 45 Sr e.v.). Zeker als daarbij de actuele jurisprudentie in ogenschouw wordt genomen. Dankzij deze bepalingen kunnen ook personen strafrechtelijk aangepakt worden die anders buiten schot zouden blijven, bijvoorbeeld omdat ze niet zelf alle bestanddelen van een delict hebben vervuld. Ook tegen die verdachten kunnen zodoende dwangmiddelen worden toegepast.

      Zie voor voornoemde onderwerpen het Zakboek Strafrecht. In dat zakboek wordt een praktijkgerichte bespreking gegeven van de meest voorkomende misdrijven en overtredingen uit Sr, de WVW 1994, de Opiumwet en de WWM. Waar nodig worden daarbij tevens tips voor het onderzoek en het pv gegeven.

      Zakboek Strafrecht voor de politie.
  114. Geheimhouders 
    1. Let op dat de geheimhoudersregeling niet alleen geldt voor tappen maar voor alle bijzondere opsporingsbevoegdheden (dus bijv. ook vorderen gegevens) en doorlaten. 

      Zakboek HulpOvJ 9.21 en 2.9.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 8.21 en 1.9.
  115. Onderzoeksgrond bij voorlopige hechtenis: collusiegevaar
    1. Grond voor voorlopige hechtenis kan zijn dat die voorlopige hechtenis "in redelijkheid noodzakelijk is voor het, anders dan door verklaringen van de verdachte, aan de dag brengen van de waarheid" (art. 67a lid 2 onder 4 Sv).  Voornoemde "noodzakelijkheid" kan aanwezig zijn als er een kans bestaat dat de verdachte het opsporingsonderzoek zal belemmeren, bijv. door getuigen te beïnvloeden en/of (na vrijlating) sporen weg te maken. Dit wordt ook wel "collusiegevaar" genoemd.  Als de onderzoeksgrond in het voorgeleidings- en/of raadkamer-pv wordt opgevoerd dan dient aangegeven te worden waaruit dat onderzoek bestaat. Te denken valt hierbij aan:  
      - geuridentificatieproeven;  
      - verhoor van getuige(n);  
      - confrontatie van in beslag genomen goed met getuige(n);  
      - confrontatie van getuige(n) met verdachte(n);  
      - aanhouding en verhoor medeverdachte(n) en heler(s);  
      - zoeken naar de buit. 
      Hierbij geldt dus als eis dat er een kans bestaat dat de verdachte, indien deze niet in voorlopige hechtenis wordt genomen of gehouden, het onderzoek zal belemmeren. Van dit "collusiegevaar" zal niet snel sprake zijn bij een nog te verrichten technisch onderzoek (door de FO en/of het NFI). Helaas wordt dit technisch onderzoek regelmatig als onderzoeksgrond opgevoerd waarbij niet voorstelbaar is dat verdachte dit onderzoek zou kunnen belemmeren. 

      En ook een nader verhoor van de verdachte kan geen grond voor vh opleveren (zie cursieve tekst hierboven: "anders dan door verklaringen van de verdachte").

      Zakboek HulpOvJ 4.36 en 3.18. 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.29 en 2.16. 
      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 10.4.
  116. Gronden voor voorlopige hechtenis 
    1. Eén van de gronden voor voorlopige hechtenis is dat er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld. Deze grond wordt ook wel samengevat als "gevaar voor herhaling van een zesjaarsmisdrijf". Twee tips over deze grond:
      1: de algemene omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot strafverlichting (zoals poging, voorbereiding en medeplichtigheid) zijn niet van belang voor de berekening van het aantal jaar gevangenisstraf dat voor een strafbaar feit maximaal is toegelaten in het kader van vh; 
      2: het gevaar voor "herhaling" kan een geheel ander misdrijf betreffen dan waarvoor verdachte voorlopig wordt gehecht. Regelmatig worden dan ook verdachten ter zake bedreiging met een misdrijf tegen het leven of met zware mishandeling (art. 285 Sr) voorlopig gehecht op de grond dat ernstig moet worden gevreesd dat de verdachte in de toekomst de bedreiging waar zal maken. En ook voor het voorhanden hebben van een vuurwapen is de grond de angst dat er van dat vuurwapen gebruik gemaakt gaat worden (en er aldus bijv. zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of, erger nog, iemand van het leven wordt beroofd). 

      Zakboek HulpOvJ 4.6 en 4.36.  
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.6 en 3.29.
  117. Ontlastend bewijsmateriaal

    1. Een eerlijk proces vereist dat aan de verdediging (uiteindelijk) alle onderzoeksresultaten ter beschikking worden gesteld, zowel ten gunste als ten nadele van de verdachte. Aldus dient in een op te maken pv ook het voor de verdachte ontlastende bewijsmateriaal opgenomen te worden en eventueel afzonderlijk opgemaakte pv's die ontlastend materiaal inhouden moeten ook bij de processtukken gevoegd worden. Voorbeeld uit Europese jurisprudentie van ontlastend materiaal zijn het aantreffen van vingerafdrukken op de plaats delict die niet van de verdachte afkomstig zijn en het niet herkennen door het slachtoffer of de getuige van de verdachte bij een confrontatie. Als voorbeelden kunnen voorts genoemd worden een ontlastende getuigenverklaring, ontlastend ‘tap’ materiaal, ontlastende CIE-info, onbekend DNA-materiaal (zeker als dit mogelijk van een (mede)dader afkomstig is), enz. Niet bij de processtukken gevoegd ontlastend bewijsmateriaal kan leiden tot niet ontvankelijkheid van de OvJ en dus het einde van een strafzaak (en schadevergoeding).

      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 14.2

  118. Onderzoek plaats delict en doorzoeking
    1. Een onderzoek op de plaats van het delict (PD) kan meer omvatten dan zoekend rondkijken en is dan dus doorzoeking waarbij uiteraard de wettelijke regels voor doorzoeking in acht genomen moeten worden. En dat geldt ook voor een onderzoek door de TR (FO).

      Zakboek Hulpofficier 6.42.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 5.38.
  119. Toegang en doorgang (en duur verblijf)
    1. Ondanks het feit dat in de kamerstukken vermeld staat dat het zoekend rondkijken in een woning alleen in niet-afgesloten vertrekken mag plaatsvinden wijst de HR er op dat volgens art. 9 Awbi degene die bevoegd is de woning zonder toestemming van de bewoner binnen te treden, zich de toegang tot en de doorgang in de woning mag verschaffen, voor zover het doel van het binnentreden dit redelijkerwijs vereist. Daaronder valt ook het forceren van de (tussen)deur van een vertrek (in het betreffende geval een loods of het verschuiven van dozen om de toegang tot een daarachter gelegen deur vrij te maken. Dat laat onverlet dat de opsp. ambt. niet gerechtigd is om daarna dat vertrek te doorzoeken. Ook geen doorzoeking dus als door het forceren van een ruit aan de achterzijde van de woning en meerdere deuren in de woning de toegang tot dat pand en tot de daarin aanwezige ruimten is verkregen en daar vervolgens hennepplanten in beslag zijn genomen die daar zijn aangetroffen door zoekend rondkijken. De duur van het verblijf in de woning (4 uren) vindt zijn verklaring in de ibn van het aanzienlijke aantal aangetroffen hennepplanten en van apparatuur. E.e.a. geldt uiteraard ook voor andere plaatsen dan de woning.

      Zakboek Hulpofficier 6.41.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 5.37.
  120. Redenen van wetenschap
    1. Onder redenen van wetenschap zijn de bronnen van kennis te verstaan van de ‘waarnemer’ (bijv. zien, horen, voelen, ruiken, enz.). Door de opname van redenen van wetenschap kunnen waarnemingen en ondervindingen onderscheiden worden van conclusies die aan waarnemingen en/of bevindingen worden verbonden.

      Sinds ik OvJ ben begrijp ik pas goed waarom er in de tekst van art. 153 Sv vermeld staat dat de redenen van wetenschap uitdrukkelijk dienen te worden weergegeven.

      Ik kan mijn tijd op de primaire opleidingsschool nog herinneren waarbij mijn docent (Van Deelen) hamerde op het verwerken van die redenen van wetenschap. Ik nam dat voor kennisgeving aan en iedere herhaling van die boodschap vond ik op zijn minst genomen vervelend (want dat wisten we toch al…). Nu ik OvJ ben, moet ik helaas constateren dat veel pv's juist de redenen van wetenschap missen (van de verbalisant zelf en/of van gehoorde getuigen) en dat levert véél ellende op en verzoeken tot het opmaken van een aanvullend pv en/of het oproepen van de verbalisant en/of de getuige bij de RC en zelfs op de zitting (al dan niet na een door de raadsman gevoerd verweer). En natuurlijk weet de verbalisant en/of de getuige het na al die tijd ook niet goed meer, in ieder geval wijst de raadsman daar graag op.

      Zonde! Ik herhaal mijn docent dus met liefde: niet vergeten de redenen van wetenschap te verwerken in het pv. En dan niet alleen van de verbalisant zelf maar ook die van mogelijke getuigen en verdachten. Het ontbreken daarvan kan echt grote problemen opleveren (onbewijsbaarheid van een zaak).

      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 5.9.
  121. Binnentreden en voortgezette toepassing
    1. Ingevolge het Geweerarrest mag een opsp. ambt. eenmaal binnengetreden met een machtiging voor een bepaald doel (bijv. ter aanhouding) ook andere hem toekomende bevoegdheden uitoefenen die nodig zijn voor een onverwacht aangetroffen situatie (bijv. ibn van vuurwapens/drugs). De ook vaak voorkomende variant is het binnentreden zonder toestemming van de bewoner in een woning ter hulpverlening (art. 8 lid 2 Politiewet, zie 7.10 of 6.10). Bijv. bij brand, ernstige wateroverlast, eerste hulpverlening, enz. enz. Ingevolge art. 2 lid 3 van de Awbi (zie 7.3 of 6.3) is voor dit binnentreden géén machtiging vereist als ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen terstond in de woning moet worden binnengetreden. Vervolgens wordt er een hennepkwekerij of een lijk aangetroffen.

      Heeft de opsp. ambt. na het eerste binnentreden echter de woning verlaten (bijv. voor overleg met een hulpOvJ of andere collega) en wil hij de betreffende woning wederom voor dat nieuwe doel (opsporing hennepkwekerij of kapitaal delict) betreden dan geldt m.i. de Awbi weer in zijn volle omvang (toestemming of machtiging, enz. enz.). Hetzelfde geldt m.i. voor andere opsporingsambtenaren die de woning willen betreden om hun collega’s te helpen. Bijv. bij het ontmantelen van een hennepkwekerij of het betreden door de FO (bevoegdheid is dan gebaseerd op bijv. art. 9 Opiumwet of art. 96 Sv: alleen zoekend rondkijken en mogelijk ibn!). Zie hierover ook 7.13 (geldigheidsduur machtiging).

      Zakboek HulpOvJ 7.9
      Zakboek Opsporingsambtenaar 6.9
  122. Oplichting (art. 326 Sr)
    1. LET OP: per 01-07-09 is na ‘enig goed,’ ingevoegd: ‘tot het verlenen van een dienst’ en is vervallen de zinsnede ‘met geldswaarde in het handelsverkeer’.
      1. Het verlenen van een dienst. ‘Het OM constateert dat het in de praktijk met regelmaat voor komt dat iemand naar de kapper gaat, een schoonheidsbehandeling ondergaat, zich in een taxi laat vervoeren, of zich anderszins een dienst laat bewijzen, zonder daarvoor te betalen. Indien het slachtoffer tot het verlenen van de dienst is bewogen, is van strafbare oplichting geen sprake. Uit de jurisprudentie vloeit immers voort dat onder de “afgifte van een goed” niet is begrepen het (uitsluitend) verlenen van een dienst (…). Het OM ziet zich thans genoodzaakt in deze zaken van vervolging af te zien, indien tijdens het verlenen van de dienst niet ook enig goed kan worden geacht te zijn afgegeven. Het is onwenselijk dat deze vormen van oplichting niet strafbaar zijn. Het d.m.v. een wettelijk omschreven oplichtingsmiddel iemand bewegen tot het verlenen van een dienst is even strafwaardig als het bewegen tot de afgifte van een goed. Door het toevoegen van de zinsnede “het verrichten van een dienst” aan art. 326 Sr vallen deze gedragingen wel onder de strafbaarstelling van oplichting'. MvT, Kamerstukken 31386.
      2. Het ter beschikking stellen van gegevens. Tot 01-07-09 moesten die gegevens ook geldswaarde in het handelsverkeer hebben. Door het schrappen van dit bestanddeel valt ook het verkrijgen van pincode onder ‘gegevens’. ‘Te denken valt in dit verband niet alleen aan de pincode, maar bijv. ook aan de situatie dat de verdachte, zich uitgevende voor een medewerker van een bank, de klanten van deze bank benadert met het verzoek de codes door te geven waarmee deze klanten internetbankieren. Ook kan worden gedacht aan de situatie waarin klanten van een bank via e-mail worden benaderd om in te loggen op een nagebouwde website, die bedrieglijk veel op de echte site van de desbetreffende bank lijkt. Op de website wordt men vervolgens verzocht om bepaalde gegevens in te voeren.’ MvT, Kamerstukken 31386.

      Zakboek Strafrecht voor de Politie 17.1
  123. Aanwijzingen van het college van PG’s

    1. Aanwijzingen van het college van PG’s bevatten dwingende regels hoe wel of niet te handelen op een bepaald terrein van de opsporing of vervolging en zijn daarom dus van groot belang voor de dagelijkse opsporings- en vervolgingspraktijk. Overtreding van zo’n aanwijzing kan leiden tot bewijsuitsluiting en zelfs niet-ontvankelijkheid (einde zaak). Zie over niet-ontvankelijkheid verder 3.14. Zie voor vele voorbeelden de zakboeken in diverse paragrafen, bijv. 9.1 van het zakboek Strafrecht voor de Politie: handelen in strijd met de aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik zal al snel leiden tot niet-ontvankelijkheid.

      De aanwijzingen zijn terug te vinden op overheid.nl > wet en regelgeving > beleidsregels rijksdienst (MH: betrouwbaar en actueel). Type vervolgens in het vak ‘In de titel’ het woord ‘aanwijzing’ én een woord wat vermoedelijk in de titel van de aanwijzing staat. Te denken valt aan huiselijk geweld, ivs, tolken, seksueel misbruik, lichten, ontneming, inbeslagneming bij verkeersdelicten, onderzoek rijden onder invloed, invordering van rijbewijzen, discriminatie, witwassen, mensenhandel, Opiumwet, verlaten plaats ongeval, verkeersongevallen, enz., enz. Als je alleen het woord ‘aanwijzing’ invult worden de titels van (bijna) alle aanwijzingen weergegeven en kun je met de combinatie van de toetsen Ctrl en F fulltext zoeken in het overzicht van de titels en vervolgens een aanwijzing ‘aanklikken’. Voor het vinden van richtlijnen (‘eisen’ van het OM) geldt hetzelfde als hiervoor opgemerkt.

      Zakboek Hulpofficier 3.54

  124. Invordering rijbewijs op grond van ontbreken rijvaardigheid en/of lichamelijke/geestelijke geschiktheid  (art. 130 WVW)
    1. Bestudering van de tekst van 130 WVW, de Regeling Maatregelen Rijvaardigheid en Geschiktheid en de daarbij behorende (omvangrijke) bijlage zal tot de conclusie leiden dat invordering op basis van dit art. 130 WVW in zeer veel gevallen mogelijk (en vaak zelfs verplicht) is.

      Zakboek HulpOvJ 11.4.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.4
  125. Waarnemingen door middel van een camera of het bekijken van een video-opname 
    1. Als verbalisanten of getuigen hun waarnemingen niet rechtstreeks doen, maar door middel van bijv. een camera of een opgenomen videofilm dan dient daarvan melding te worden gemaakt in het pv (redenen van wetenschap dienen zo goed mogelijk door verbalisanten in hun pv te worden vermeld). Het betreft immers een omstandigheid die zowel voor de verdachte als voor de rechter van belang is bij de controle op en de waardering van het pv. 

      Zakboek Proces-verbaal en bewijsrecht 16.14
  126. Seksuele handelingen met psychisch gehandicapten (art. 243 en 247 Sr)
    1. Voor veroordeling terzake seksuele handelingen met psychisch gehandicapten moet vaststaan dat het slachtoffer juist door die handicap niet of onvolkomen in staat was zijn wil te bepalen of kenbaar te maken of weerstand te bieden (zie delictsomschrijving). Voor veroordeling moet dus vast komen te staan dat de dader: a: (voorwaardelijk) opzet had op het plegen van het feit en b: wist (incl. voorwaardelijk opzet, zie hierna) dat het slachtoffer psychisch gehandicapt was én c: wist (incl. voorwaardelijk opzet, zie hierna) dat het slachtoffer als gevolg van de handicap niet of onvolkomen in staat was zijn wil te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden omtrent hetgeen de dader van zins was. Volgens de kamerstukken bevat de wet immers niet een algemeen verbod op seksuele handelingen met psychische gehandicapten. Het verbod beperkt zich tot gehandicapten met een stoornis die aan een vrije seksuele wilsvorming of wilsuiting in de weg staan.

      Zakboek Strafrecht voor de politie, 9.7 en 9.11.
  127. Veiligheidsfouillering
    1. Ook de enkele insluiting (ook als dit alleen plaatsvindt in verband met de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk vonnis) in een cel op een politiebureau is reeds een situatie die een verhoogd risico voor de veiligheid van de ingeslotene, eventuele celgenoten en politiebeambten inhoudt (mede gelet op de emoties die dat kan oproepen). Die insluiting vormt dus een omstandigheid welke een gevaar oplevert als bedoeld in art. 8 Politiewet. Een onderzoek aan de kleding van de in te sluiten persoon kan dus noodzakelijk zijn om dit gevaar af te wenden. HR, NJB 1995, 67 en DD 1995, 258. Zie ook HR, NJ 1976, 491

      Het insluiten van een verdachte die drugs bij zich heeft, schept een situatie waarin gevaar voor het leven of de veiligheid van die verdachte of voor politieambtenaren aanwezig is. Immers eenmaal ingesloten zou die verdachte de drugs tot zich kunnen nemen met mogelijk gevaar voor zichzelf (overdosis) en/of voor de politieambtenaren die met hem in contact komen (agressief gedrag).’ Aldus rechtmatig onderzoek aan lichaam. Dat hulpOvJ zich vergiste in grondslag bevoegdheid (Opiumwet kent géén onderzoek aan lichaam meer en art. 56 Sv vereist ernstige bezwaren die niet aanwezig waren) doet daar niet aan af. Hof ’s-Hertogenbosch 23-02-09, LJN BH6480.

      MH: art. 28 van de Ambtsintructie past hier nog beter (met dank aan Willem Schouten):
      Art. 28. Onderzoek gevaarlijke voorwerpen (Zb Sv 3.25 en 5.5)
      1. De ambtenaar onderzoekt de ingeslotene direct voorafgaand aan de inslui-ting, door het aftasten en doorzoeken van diens kleding op de aanwezigheid van voorwerpen die tijdens de insluiting een gevaar voor de veiligheid van de betrokkene of voor anderen kunnen vormen.
      2. Bij het aantreffen van voorwerpen als bedoeld in het eerste lid, neemt de ambtenaar deze in bewaring.
      3. Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt zo veel mogelijk uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als degene die aan het onderzoek wordt onderworpen.

      Zakboek Hulpofficier 5.4.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 4.4.
  128. Gegevens op pc afkomstig van of bestemd voor professioneel verschoningsgerechtigde
    1. Uit landelijke jurisprudentie blijkt dat art. 98 Sv en 125l Sv kennelijk nog niet helemaal ingedaald zijn bij politie en OM (en dat kan leiden tot soortgelijke problemen als bij de tap). Daarover het volgende (zie met name de rode tekstpassages)

      Van belang voor ibn en doorzoeken bij professioneel verschoningsgerechtigden is zoals bekend art. 98 Sv:

      1. Bij personen met bevoegdheid tot verschoning, als bedoeld bij art. 218 Sv, worden, tenzij met hunne toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt (MH: onder geschriften vallen ook digitale bestanden op informatiedragers zoals bijv. een pc of harde schijf met daarop  tekstuele bestanden (impliciet HR 20-02-07, LJN AZ3564, zie ook T&C, art. 98, aant. 5).
      2. Een doorzoeking vindt bij zodanige personen, tenzij met hun toestemming, alleen plaats voor zover het zonder schending van het stands‑, beroeps‑ of ambtsgeheim kan geschieden, en strekt zich niet uit tot andere brieven of geschriften dan die welke het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.

      Zie hierover zonodig uitgebreid de bespreking in het zakboek hulpOvJ

      Zie voor een onderzoek in een geautomatiseerd werk (bijv. een pc met daarin opgeslagen brieven en/of mails) waarin gegevens zijn opgeslagen die zijn ingevoerd door of vanwege professioneel verschoningsgerechtigden ook art. 125l Sv (zonder toestemming slechts uitsluitend voor zover dit zonder schending van het stands-, beroeps-, of ambtsgeheim kan geschieden). Zie voor dit onderzoek weer art. 98 Sv (inclusief de daarbij behorende standaardjurisprudentie). De HR merkte hierover nog op dat computerbestanden zich naar hun aard niet eenvoudig lenen voor afzonderlijk onderzoek en dat uiteraard wel voldoende gewaarborgd moet worden dat de in beslag genomen computers ex art. 125l Sv zullen worden onderzocht op een wijze waarbij het professioneel verschoningsrecht niet in het gedrang komt.
      Zakboek Hulpofficier 6.34.
  129. Verhoor verdachte als getuige
    1. Vooropgesteld moet worden ‘dat geen rechtsregel er aan in de weg staat dat opsporingsambtenaren in de fase van het opsporingsonderzoek een persoon afwisselend in verschillende hoedanigheden verhoren. Het is dus mogelijk dat iemand eerst wordt verhoord als aangever en/of getuige, daarna als verdachte en vervolgens weer als aangever/getuige. Wel brengt de eis van een goede procesorde mee dat duidelijk wordt gemaakt in welke hoedanigheid de desbetreffende persoon wordt verhoord. Bij het verhoor als verdachte dienen de daarvoor geldende waarborgen in acht te worden genomen zoals het doen van de mededeling als bedoeld in art. 29, tweede lid, Sv.’

      HR, NJ 1999, 63. Eerder ook al in HR, NJ 1990, 77 en recent wederom Hof ’s-Gravenhage 05-12-08, LJN BG6133.
      Nieuwe paragraaf zakboek HulpOvJ en Proces-verbaal en Bewijsrecht in editie 2010.
  130. Afplakken beveiligingssensor
    1. Een verdachte die betrapt wordt op het afplakken van ‘alleen maar’ de (bewegings)sensoren van een beveiligingsinstallatie kan mijns inziens aangehouden (en vervolgd) worden op verdenking van (medeplichtigheid aan) poging tot diefstal. Of bij een daarna gevolgde inbraak op verdenking van medeplichtigheid of medeplegen van die inbraak. Van belang daarbij is wat de verdachte gedaan heeft, hoe de alarminstallatie eruit ziet en werkt, wat de verdachte verklaart, enz. en daar moet het pv duidelijkheid over verschaffen.

      Een soortgelijke casus is al eens door de HR beoordeeld met als conclusie dat het vernielen van (een kabel van) een alarminstallatie braak kan opleveren (1).

      De AG bij de HR merkte daarover het volgende op. Een alarminstallatie vormt voor degene die van plan is uit een pand goederen weg te nemen, immers evenals een afgesloten deur een belemmering dat pand binnen te gaan. Het onklaar maken van zo'n installatie is noodzakelijk om het pand te kunnen betreden en daar goederen te kunnen wegnemen. Dat zou in ieder geval aldus kunnen worden uitgelegd dat de ‘inbreker’ de goederen onder zijn bereik brengt door de alarminstallatie te vernielen. Hij verschaft zich immers aldus de mogelijkheid na het betreden van het pand ongestoord zijn gang te gaan. Maar evenzeer verdedigbaar is dat het feitelijk vanwege het risico van vrijwel onmiddellijke betrapping niet mogelijk is in een door alarm beschermd pand in te breken zonder de alarminstallatie onklaar te maken en dat men zich de mogelijkheid van toegang tot het pand pas verschaft heeft, als die installatie onklaar is. Het arrest van de HR ruim uitleggende kan er mijns inziens bij het afplakken van een alarminstallatie (wat nog geen braak/verbreking behoeft op te leveren) wel degelijk sprake zijn van poging 311 of 310 Sr. De uiterlijke verschijningsvorm (zie 2.2) van het afplakken is immers gericht op het ongestoord kunnen stelen. En natuurlijk weet ik dat ook vernieling in beeld kan komen (‘onbruikbaar maken’). Ook op vernieling staat inmiddels vh en mag bijv. dus buiten heterdaad aangehouden worden.

      (1) HR, NJ 1997, 575, zie ook de uitgebreide noot onder NJ 1997, 576. Zie ook HR 20-12-05, LJN AU6373 (doorzagen telefoonkabel).

      Zakboek Strafrecht 14.1
  131. Legitimatieplicht
    1. De (politie)ambtenaar dient zich bij diens optreden in uniform op verzoek daartoe te legitimeren. Treedt de (politie)ambtenaar in burger op dan dient hij zich ongevraagd te legitimeren, tenzij bijzondere omstandigheden dit onmogelijk maken (art. 2 Ambtsinstructie) (met dank aan Cees van Welij).

      Zakboek Hulpofficier 3.29.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.26.
  132. Herkenning verdachte vanaf print door opsporingsambtenaar
    1. Regelmatig worden misdrijven door bewakingscamera's geregistreerd en vastgelegd. Bij een onbekende verdachte plaatst de behandelend opsporingsambtenaar vaak een foto van die camerabeelden waarop de verdachte te zien is op het interne korpsnet met de vraag of collega's de verdachte herkennen. Meer dan incidenteel herkent vervolgens een collega-opsporingsambtenaar ergens uit de regio de verdachte. Die opsporingsambtenaar maakt dan een pv op, vermeldt daarin dat hij de verdachte ambtshalve herkent en vermeldt vervolgens de personalia. Helaas ontbreekt daarbij vaak waaraan die opsporingsambtenaar de verdachte herkend heeft. Bijv. dat die opsporingsambtenaar als buurtregisseur (wijkagent) de verdachte "tig" keer heeft bezocht vanwege problemen in het gezin of bijv. al vaker onderzoek heeft gedaan naar deze verdachte en hem ook al eerder een aantal keren heeft verhoord. In ieder geval wordt dan duidelijk dat die opsporingsambtenaar de betreffende verdachte (vaker) in persoon heeft gezien en hem daarvan dus herkent (en kan herkennen). Een dergelijke vermelding maakt de bewijskracht van de herkenning groter en is in zaken waarin de verdachte ontkent van groot belang!
      Met dank aan Hilbrand Pastoor
      Parketsecretaris (hopper) Amsterdam

      Zakboek HulpOvJ 3.27
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.22
  133. Beperk het bevel ivs niet tot één feit als er voor meerdere vh-feiten een onderzoeksbelang bestaat
    1. Een verdachte was aangehouden op verdenking van overtreding van onder meer valsheid in geschrift, verduistering en oplichting. Tijdens het ophouden voor onderzoek werd verdachte door de hulpOvJ in verzekering gesteld voor de valsheid in geschrift. De verdachte had de valsheid in geschrift reeds vóór de ivs bekend, de andere twee feiten (verduistering en oplichting) bleef verdachte ontkennen. Volgens het zogenoemde toetsingsverbaal op grond waarvan de verdachte conform art. 59a Sv werd voorgeleid bij de RC diende naar de verduistering en oplichting (waarvoor de verdachte dus niet in verzekering was gesteld) nog nader onderzoek plaats te vinden, onder meer door het horen van getuigen. De RC oordeelde echter dat de ivs onrechtmatig was nu er ten aanzien van de valsheid in geschift geen onderzoeksbelang meer aanwezig was als bedoeld in art. 57 Sv. Dat er wel onderzoeksbelang bestond voor de verduistering en oplichting was daarbij volgens de RC niet van belang omdat blijkens het bevel ivs de ivs niet voor die feiten was verleend. Van belang is dus om in het bevel ivs alle vh-feiten waarbij onderzoeksbelang aanwezig is op te nemen, zodat in het geval dat met betrekking tot het ene feit het onderzoeksbelang is komen te vervallen, de ivs op grond van onderzoeksbelang ten aanzien van een ander feit rechtmatig kan voortduren. 

      Met dank aan OvJ Bongers. 
      Zakboek HulpOvJ 4.18 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.17
  134. Bewijskracht kopieën pv
    1. Een gewaarmerkt afschrift van een pv heeft in beginsel dezelfde bewijskracht als het origineel zelf. Het waarmerk moet afkomstig zijn van degene die het afschrift vervaardigde (en dat hoeft dus niet de verbalisant te zijn).  Het waarmerk mag niet alleen te bestaan uit de tekst "kopie conform het origineel" maar dient daarbij ook de naam en functie te vermelden van degene die het waarmerk heeft geplaatst.

      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 4.6
  135. Bloedafname bij overleden verdachte na vermoedelijke overtreding WVW
    1. Als een verdachte is komen te overlijden 'bestaat er binnen de WVW 1994 geen enkele basis om na het overlijden (bijvoorbeeld aan de gevolgen van een verkeersongeval) alsnog bloed af te nemen. Gelet op artikel 69 Sr. vervalt het recht tot strafvordering bij het overlijden van verdachte. Indien niet onmiddellijk duidelijkheid bestaat omtrent de doodsoorzaak dan heeft het OM de mogelijkheid om een opdracht tot sectie te geven (art.73, eerste lid, onder a, van de Wet op de Lijkbezorging). Vanzelfsprekend zal met die bevoegdheid uiterst terughoudend moeten worden omgegaan. Opmerking: In het convenant afspraken OM en de Onderzoeksraad van veiligheid zijn omtrent sectie en onderzoeken op basis van de Rijkswet Onderzoeksraad van veiligheid specifieke afspraken opgenomen', aldus het college van PG's in de aanwijzing inzake rijden onder invloed (zie voor de aanwijzing van het college www.om.nl).

      Zakboek HulpOvJ 11.17.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.17.
  136. Schriftelijke bevestiging mondelinge vordering observatie en telefoontap / termijnen
    1. Bij dringende noodzaak kunnen (ondermeer) bevelen observatie en telefoontap door de OvJ mondeling worden gegeven. De OvJ moet in dat geval het bevel binnen drie dagen op schrift stellen. Daartoe dient uiteraard bijtijds een pv aangeleverd te worden en dat wil nog wel eens mis gaan. 

      Vragen die zich vervolgens in de praktijk voordoen is hoe dit nu rond het weekend en/of feestdagen moet.

      Daartoe moet allereerst art. 130 Sv in ogenschouw genomen worden. Dit artikel bepaalt dat waar een termijn in dagen is uitgedrukt, daaronder worden verstaan vrije dagen, voor zoover niet uit enige bepaling het tegendeel volgt. 

      Met "vrije dagen" wordt niet bedoeld de dagen waarop in het algemeen niet wordt gewerkt maar daarmee wordt te kennen gegeven dat de dag waarop de gebeurtenis aan welke de termijn zich aansluit is voorgevallen, bij de berekening van de termijn niet meetelt. Zo telt dus de dag waarop het mondeling bevel is gegeven niet mee. Is het mondelinge bevel bijv. gegeven op vrijdag, dan begint de termijn dus pas te tellen op zaterdag. 

      Nadat we dit hebben vastgesteld moeten we vervolgens kijken naar art. 2 van de Algemene Termijnenwet en volgens dat artikel wordt de termijn van drie dagen, zo nodig, zoveel verlengd, dat daarin ten minste twee dagen voorkomen die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag zijn. Is het mondeling bevel dus gegeven op de vrijdag (welke dag voor de berekening niet meetelt, zie hiervoor) dan moet de mondelinge vordering dus uiterlijk dinsdag schriftelijk vastgelegd worden (dinsdag is dan immers de tweede dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is).

      De erkende feestdagen zijn geregeld in art. 3 van de Algemene Termijnenwet (i.v.m. art. 136 Sv):

      1. Algemeen erkende feestdagen in de zin van deze wet zijn: de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd en de vijfde mei.  2. Voor de toepassing van deze wet wordt de Goede Vrijdag met de in het vorige lid genoemde dagen gelijkgesteld.  3. Wij kunnen bepaalde dagen voor de toepassing van deze wet met de in het eerste lid genoemde gelijkstellen. Ons besluit wordt in de Nederlandse Staatscourant openbaar gemaakt.

      Samenvattend voor bevelen bijzondere opsporingsbevoegdheden: vorenstaande geeft rond het weekend de nodige speelruimte. Een mondeling bevel gegeven op donderdag behoeft immers pas op maandag schriftelijk bevestigd te worden. En een bevel gegeven op vrijdag pas op dinsdag. Voor de zekerheid bericht ik ook nog maar even dat ingevolge art. 4 van de Algemene termijnenwet e.e.a. dus niet geldt voor termijnen van vrijheidsbeneming en ingevolge art. 6 lid 2 Awbi ook niet voor een machtiging binnentreden. Die termijnen eindigen dus gewoon als de tijd van de termijn verstreken is (dus ook in het weekend of op een feestdag).

      Zakboek Hulpofficier 3.46.

  137. Letsel verdachte bij geplande arrestatie
    1. Als er bij een vooraf geplande arrestatie bij de aangehoudene ernstige verwondingen ontstaan dient de overheid (politie) te bewijzen dat dit letsel niet aan haar verweten kan worden door overtuigend en geloofwaardig aan te tonen dat het gebruik van geweld tijdens de arrestatie niet excessief was.
      EHRM, NJB 2001, 5 (Rehbock)

      Zakboek Hulpofficier 3.30.
  138. Schriftelijke vastlegging mondelinge machtiging doorzoeking
    1. Voor een spoeddoorzoeking gebaseerd op art. 97 Sv moet de (hulp)OvJ voorzien zijn van een voorafgaande machtiging van de RC. Die machtiging kan bij grote spoed mondeling verleend worden maar dient dan achteraf op enigerlei wijze te worden vastgelegd, bijv. in een beschikking van de RC of in een door de griffier van de RC gemaakt pv. Die beschikking of het pv dient bij de processtukken gevoegd te worden. Aldus de Kamerstukken 23251 nr. 3, Corstens, 5e druk, 14.19 en de rechtbanken Maastricht, NS 2003, 37 en Zwolle-Lelystad 24-06-08, LJN BD9163.

      Zakboek Hulpofficier 6.11.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 5.11.
  139. Mening minderjarige bij bepaalde zedenmisdrijven
    1. Sinds 1 oktober 2002 dient art. 167a Sv in acht genomen te worden: ter zake van een misdrijf, omschreven in art. 245 (seksueel binnendringen van iemand beneden 16 jaar), 247 (ontucht met bewusteloze, onmachtige, gestoorde of kind), 248a Sr (verleiding van minderjarige tot ontucht) 248d (< 16j bewegen getuige te zijn van seks. handelingen en art. 248e (grooming) gepleegd ten aanzien van een minderjarige die twaalf jaren of ouder is, stelt het OM de minderjarige zo mogelijk in de gelegenheid zijn mening over het gepleegde feit kenbaar te maken. Iets wat in de praktijk nog wel eens over het hoofd wordt gezien.....

      Zakboek Strafrecht 9.9, 9.11 en 9.13.
  140. Machtiging binnentreden
    1. Alhoewel de HR in het verleden meermalen heeft beslist dat niet vereist is dat de machtiging zich bevindt bij de processtukken, ben ik van mening dat dit maar beter wel kan gebeuren. Op zitting worden nogal eens verweren gevoerd over het vermoedelijk niet juist ingevuld zijn van de machtiging en de praktijk leert dat de rechter dan toch vaak de machtiging wil zien om een en ander te controleren. En bij een strafzaak ter zake verzet tegen het binnentreden moet de machtiging zich wel altijd bij de stukken bevinden omdat de rechtmatigheid van het optreden van de betreffende ambtenaar uit de bewijsmiddelen moet blijken.

      Zakboek HulpOvJ 7.13.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 6.13.
  141. Eén raadsman voor meerdere verdachten 
    1. Op grond van art. 40 is de (hulp)OvJ verplicht onverwijld een raadsman over de ivs in te lichten. Er is een zogenaamde " piketdienst" bij de advocatuur, waardoor tijdens de ivs toevoeging van een raadsman mogelijk is. Indien het niet raadzaam geacht wordt dat één raadsman voor meerdere verdachten in hetzelfde onderzoek optreedt (tegenstrijdige belangen) kan de hulpOvJ dat aan die "piketdienst" meedelen en verzoeken om meerdere raadslieden. Indien op dat verzoek niet wordt ingegaan zou de hulpOvJ in extreme gevallen contact op kunnen nemen met de OvJ om te kijken of art. 50.2 toegepast dient te worden. Dit laatste geldt natuurlijk ook indien tijdens het ophouden voor onderzoek zich één raadsman voor meerdere verdachten meldt. 

      Zakboek HulpOvJ 2.6.  
      Zakboek Opsporingsambtenaar 1.5.
  142. Happy Slapping: medeplegen openlijk geweld door filmen openlijk geweld 
    1. Verdachte heeft zelf geen geweld gepleegd. Wel is zij aanwezig geweest bij het door haar mededaders gepleegde geweld en heeft dat gefilmd met een daartoe meegebrachte videocamera. Omdat dit van tevoren in haar aanwezigheid was besproken wist verdachte wat haar mededaders van plan waren: het van de fiets af trappen van willekeurige fietsers. Verdachte heeft derhalve het risico dat er geweld zou worden gebruikt welbewust op de koop toe genomen. Verdachte heeft niets ondernomen om het geweld te voorkomen of te stoppen, maar is door blijven filmen. In de beleving van zowel de slachtoffers als de getuigen versterkte het filmen van de gedragingen van haar mededader onmiskenbaar de dreiging en het geweld dat van hen uitging. Bovendien heeft verdachte, door de gedragingen van haar mededaders te filmen, in sterke mate bijgedragen aan de sfeer van ontremming waarin zij verkeerden en waarin zij tot de ten laste gelegde handelingen overgingen. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte welbewust heeft deelgenomen aan het openlijk geweld, en daaraan bovendien een zodanig significante bijdrage heeft geleverd dat zij moet worden aangemerkt als medeplegen.
      Rechtbank Den Bosch 19-10-04, LJN AR4184. 

      Zakboek Strafrecht voor de Politie 4.17.
  143. Beslag door opsporingsambtenaar tijdens doorzoeking RC
    1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in art. 67,1, is de opsp. ambt. bevoegd de daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te nemen en daartoe elke plaats te betreden (art. 96 Sv). Deze bevoegdheid kan ook worden toegepast tijdens een doorzoeking door de RC waarbij onverwacht voorwerpen worden aangetroffen die geen betrekking hebben op de zaak waarvoor de RC aan het doorzoeken is. Bijv. kennelijk van diefstal afkomstige voorwerpen tijdens een zoeking naar drugs of wapens (voortgezette toepassing). En bij het aantreffen van een vuurwapen of drugs ten tijde van een RC-zoeking terzake diefstal en/of heling is de beslagbevoegdheid uiteraard terug te vinden in resp. de Wet wapens en munitie en de Opiumwet. 

      Hoewel die juridische bevoegdheid voor opsporingsambtenaren bestaat, zal daadwerkelijke inbeslagneming altijd moeten plaatsvinden in overleg met de ter plaatse aanwezige (hulp)OvJ. Deze is per slot van rekening leider van het onderzoek! De incidentele mening in de opsporingspraktijk dat de RC zelf tijdens een doorzoeking niets meer in beslag hoeft te nemen omdat opsp. ambt. dit op basis van zijn eigen bevoegdheid ook kan doen is niet juist. 

      Met dank aan Henk Meijer, docent Politieacademie.

      Zakboek HulpOvJ 6.10, 11.20 en 11.22. 
      Zakboek opsp. ambt. 5.10, 10.20 en 10.22.
  144. Verbeurdverklaring handelsgeld/opbrengst verdovende middelen
    1. Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn ondermeer (art. 33a lid 1 Sr):

      a. voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van het strafbare feit zijn verkregen;
      MH:
      - bijvoorbeeld geld dat grotendeels is verkregen door handel in verdovende middelen (ook als dit inmiddels is vermengd met ander geld (in art. 33a onder 1a staat immers ‘grotendeels’);
      - mogelijk ook voorwerpen verkregen door witwassen (art. 420bis Sv e.v.) (auto’s of onroerend goed) omdat ook hier gesteld kan worden dat deze voorwerpen zijn verkregen door het strafbare feit (witwassen, wat dan natuurlijk nog wel bewezen moet worden);
      - conservatoir beslag is in voorgaande gevallen niet nodig. En dat kan een hoop tijd en papier schelen (minder formaliteiten en administratief werk);
      - voorwerpen die uit de baten (opbrengst) van het strafbare feit zijn verkregen kunnen als zodanig niet verbeurdverklaard maar mogelijk wel ontnomen worden (teneinde overlapping met de ontnemingsmaatregel te verengen). Voorbeeld van een uit de baten van het strafbare feit verkregen voorwerp is een auto gekocht van door misdrijf verkregen geld. Als er een verdenking van witwassen is, behoort ook verbeurdverklaring (van het door witwassen verkregene) tot de mogelijkheden (zie hiervoor);

      b. voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan;

      MH: ook bijvoorbeeld bedrijfskapitaal voor handel in verdovende middelen (HR, NJ 1997, 92) en mogelijk voorwerpen door witwassen verkregen (zie ook onder a).

      Zakboek HulpOvJ 6.6 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 5.6
  145. Schorsing én opheffing schorsing van de voorlopige hechtenis / geldigheidsduur machtiging binnentreden
    1. Onder neerlegging van bepaalde voorwaarden kan door de rechter de tenuitvoerlegging van de vh geschorst worden (art. 80 Sv). Dat kan ambtshalve door de rechter, op verzoek van de verdachte of op vordering van het OM geschieden. Als de verdachte een schorsingsvoorwaarde overtreedt of als uit bepaalde omstandigheden blijkt van het bestaan van gevaar voor vlucht kan tot aanhouding worden overgegaan, mits de OvJ daartoe een bevel geeft. En als de OvJ de gedane aanhouding noodzakelijk blijft achten, dan moet hij onverwijld zijn vordering (opheffing schorsing) bij de rechter indien. De rechter dient binnen 48 uur na indiening van de vordering te beslissen (art. 84 Sv). Zie voor de bevoegdheid tot binnentreden in deze gevallen art. 556 Sv en 565 Sv (inclusief de bevoegdheid om ter aanhouding te doorzoeken). Als de OvJ bij het bevel aanhouding ook een machtiging tot binnentreden heeft gegeven dan heeft ook deze machtiging de beperkte geldigheidsduur van art. 6 lid 2 Awbi (3 dagen na verstrekking). Zonodig zal er dus een nieuwe machtiging moeten worden uitgeschreven en dat kan ook door de hulpOvJ (zie art. 3 Awbi).

      Zakboek HulpOvJ 4.40. 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.34.
  146. Tappen teneinde verdachte en/of in beslag te nemen goederen te lokaliseren
    1. De grond van het aftappen en opnemen is door de wetgever niet vermeld. Niet uitgesloten is het dan ook dat wordt getapt om te achterhalen waar de verdachte zich bevindt of in beslag te nemen goederen zich bevinden. 

      Zakboek HulpOvJ 9.17. 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 8.17.
  147. Aangifte diefstal/verduistering geld, enz. na doorzoeking
    1. Incidenteel wordt na een doorzoeking van een woning aangifte gedaan van diefstal/verduistering van geld gepleegd door één of meer opsporingsambtenaren die betrokken zijn bij de doorzoeking. Om dergelijke aangiftes te voorkomen verdient het aanbeveling om voorafgaande aan de feitelijk uitvoering van de doorzoeking aan de in het pand aanwezige (hoofd)bewoner informatie te vragen over de aanwezigheid van geld, drugs, vuurwapens, kluis, enz. Als deze informatie aan een verdachte terzake strafbare feiten ten aanzien van voornoemd geld/voorwerpen gevraagd wordt dan dient hij daarbij uiteraard op zijn zwijgrecht gewezen te worden. Voorgaande gang van zaken dient in het pv  vastgelegd te worden.

      Zakboek HulpOvJ hoofdstuk 6
      Zakboek Opsp. ambt. hoofdstuk 5
  148. Ingangstijdstip ophouden voor onderzoek
    1. De termijn voor het ophouden voor onderzoek begint te lopen op het moment waarop de (hulp)OvJ beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek als bedoeld in art. 61, 1e lid, Sv (en dus niet vanaf de aankomst op de plaats verhoor/onderzoek ) en de tijd die verstrijkt gedurende de overbrenging van de verdachte naar de plaats van het onderzoek, wordt niet meegeteld bij de berekening van genoemde termijn van zes uren. Zie hierover ook het einde van 4.11. Het tijdstip van het bevel ophouden voor onderzoek is niet altijd gelijk aan het tijdstip van de voorgeleiding (zeker niet bij voorgeleidingen die langer duren en/of waarbij enige tijd is gebruikt voor nader overleg).

      Tot slot: ook dus als een aangehouden verdachte al op straat (bijv. bij een grote grens/verkeerscontrole) wordt voorgeleid aan een hulpOvJ en deze daarbij beveelt dat die verdachte voor onderzoek wordt opgehouden (en overgebracht dient te worden naar een politiebureau) dan begint vanaf dat bevel (de voorgeleiding) de onderzoekstijd te lopen.

      Met dank aan Henk Meijer, docent politieacademie

      Zakboek HulpOvJ 4.13
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.13
  149. Tapgesprek met professioneel verschoningsgerechtigde (advocaat, pastoor, arts, incl. afgeleid verschoningsgerechtigde zoals secretaresse, verpleegster, enz.)
    1. De regels rond de afhandeling van een tapgesprek met een professioneel verschoningsgerechtigde behoeven blijvende aandacht. Vandaar nogmaals de onderstaande punten.

      1. De OvJ voegt pv´s en andere voorwerpen verkregen door bijzondere opsporingsbevoegdheden (titels IVa tot en met Vc, ook dus bijv. bij vorderen gegevens), dan wel door de toepassing van art. 126ff (doorlaten, zie 9.24), bij de processtukken.
      2. Echter: als pv’s of andere voorwerpen mededelingen behelzen gedaan door of aan een persoon die zich op grond van art. 218 Sv zou kunnen verschonen als hem als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd: vernietigen.
      3. Als mededelingen niet vallen onder verschoningsrecht: uitsluitend voegen/gebruiken met machtiging RC.
      4. De opsp. ambt. die kennisneemt van mededelingen gedaan door of aan een professioneel verschoningsgerechtigde, stelt hiervan de OvJ onverwijld in kennis (zie vervolgens weer punt 2 en 3).
      5. Art. 126aa, lid 2 Sv verplicht niet tot vernietiging van verkeersgegevens.

      Door het College van PG’s is een interne ‘instructie vernietiging geïntercepteerde gesprekken geheimhouders’ gegeven waarin richtlijnen zijn gegeven voor de vernietiging van voornoemde gesprekken (stappenschema en termijnen).

      Jurisprudentie
      1. Voornoemde regels gelden ook bij een afgeleid professioneel verschoningsrecht (zie over dat afgeleid verschoningsrecht 3.19).
      2. Niet van belang is of een verdachte of een derde de betreffende gesprekken met de (afgeleid) professioneel verschoningsgerechtigde voerde.
      3. Bij schending van het professioneel verschoningsrecht mag het verkregen bewijs tegen geen enkele verdachte gebruikt worden.
      4. Een tap op de aansluiting van een (afgeleid) professioneel verschoningsgerechtigde is niet geoorloofd, tenzij deze zelf verdachte is.
      5. Ook een gesprek met een (afgeleid) professioneel verschoningsgerechtigde waarbij alleen een afspraak gemaakt wordt om langs te komen valt onder het verschoningsrecht (bijv. een afspraak tussen een verdachte en de secretaresse van een advocaat). De aanhouding van de verdachte dankzij zo’n afspraak is onrechtmatig. Dit geldt m.i. ook voor een gesprek tussen (de secretaresse van) een verschoningsgerechtigde en de inbeller, waarbij de inbeller vraagt terug te bellen (op een nummer wat de politie nog niet had) of waarbij de inbeller zijn achternaam noemt (waardoor de identiteit bekend wordt bij de politie), enz.
      6. Tenzij uit de processtukken het tegendeel blijkt, moet ervan worden uitgegaan dat een telefoon van een professioneel verschoningsgerechtigde wordt bediend door een (afgeleid) professioneel verschoningsgerechtigde.
      7. Schending van de met de bescherming van het professioneel verschoningsrecht samenhangende rechtsregels is even ernstig als een mogelijk directe schending van het professioneel verschoningsrecht zelf.
      8. Gebruik van info welke is verkregen is strijd met het professioneel verschoningsrecht mag uiteraard ook niet als ‘sturingsinfo' of binnen het verhoor van een verdachte of getuige gebruikt worden.
      9. HR: ‘Indien de geheimhouder ten tijde van het opnemen en afluisteren van de telefoongesprekken zelf geen verdachte is, is in art. 126aa Sv noch in enige andere bepaling voorzien in de mogelijkheid voor de OvJ om, al dan niet na machtiging van de RC, onder omstandigheden mededelingen die onder het verschoningsrecht vallen niettemin aan het dossier toe te voegen op de grond dat het belang van de waarheidsvinding - in het onderzoek in de strafzaak waarin het dwangmiddel is toegepast - moet prevaleren boven het belang van het verschoningsrecht’.


      Handelen in strijd met deze regelgeving en jurisprudentie zal leiden tot bewijsuitsluiting en mogelijk zelfs niet-ontvankelijkheid van het OM (einde zaak) (en ook mogelijk een intern onderzoek naar deze 'misser')!!

      Zie uitgebreid (inclusief recente jurisprudentie) het zakboek HulpOvJ en vertel het door!!!

      Zakboek HulpOvJ 9.16 en 9.21
      Zakboek Opsporingsambtenaar 8.16 en 8.21
  150. In kennis stellen consulaat bij insluiting 'buitenlander'.
    1. Bij het insluiten van een ‘buitenlander’ (niet-ingezetene) geldt ingevolge art. 27 van de ambtsinstructie dat op verzoek van die ingeslotene de ambassade of het consulaat van het 'thuisland' op de hoogte gesteld moet worden van de insluiting (tenzij Sv zich daartegen verzet).

      En ingevolge art. 36 van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen dient daarbij de ingeslotene ook daadwerkelijk op diens recht gewezen te worden dat hij aan de insluitende autoriteiten kan verzoeken het consulaat van zijn thuisland in kennis te stellen van zijn insluiting. De insluitende autoriteit heeft dus een actieve informatieplicht. Die 'insluitende autoriteit' zal in de praktijk meestal de HulpOvJ zal zijn, die immers vaak besluit om de verdachte voor onderzoek op te houden en in te sluiten.

      Art. 27 Ambtsinstructie|
      1. Voor zover het bij of krachtens Sv bepaalde zich hiertegen niet verzet stelt de ambtenaar een familielid of een huisgenoot van een ingeslotene z.s.m. op de hoogte van de insluiting. In het geval de ingeslotene minderjarig is, doet hij dit uit eigen beweging, indien de ingeslotene meerderjarig is, doet hij dit slechts op verzoek van de ingeslotene.
      2. Indien de omstandigheden de uitvoering van het 1e lid niet toelaten bij een ingeslotene die geen ingezetene is, wordt de ambassade of het consulaat van het land waarin de ingeslotene ingezetene is, op de hoogte gesteld van de insluiting.

      Art 36 van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen
      1. Ten einde de uitoefening van de consulaire werkzaamheden met betrekking tot onderdanen van de zendstaat te vergemakkelijken:
      (a) (…)
      (b) moeten de bevoegde autoriteiten van de ontvangende Staat de consulaire post van de zendstaat onverwijld ervan in kennis stellen, dat binnen zijn ressort een onderdaan van die Staat is gearresteerd, gevangengenomen of in voorarrest is geplaatst of op enigerlei andere wijze in verzekerde bewaring wordt gesteld, indien de betrokkene zulks verzoekt. Elke mededeling aan de consulaire post gericht door de gearresteerde, zich in gevangenschap of in voorlopige hechtenis bevindende of anderszins vastgehouden persoon wordt door bovengenoemde autoriteiten eveneens onverwijld overgebracht. Bovengenoemde autoriteiten dienen de betrokken persoon onverwijld van zijn rechten krachtens deze alinea in kennis te stellen;

      Met dank aan Henk Vijverberg, Procesmanagement Opsporing

      Politie Haaglanden
      Zakboek HulpOvJ 4.12 en 4.28
  151. Huis/lokaal/erf-vredebreuk en ontzeggingen
    1. Art. 138 lid 1 Sr (huis/lokaal/erf-vredebreuk) Hij die in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

      139 lid 1 Sr (voor openbare dienst bestemd lokaal) Hij die in een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringt, of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. De strafbepalingen van het 1e lid zijn in twee afzonderlijk strafbare delen te knippen: 1: het wederrechtelijk binnendringen en   2: het wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op vordering van of vanwege de rechthebbende verwijderen. 

      De politie wordt in toenemende mate geconfronteerd met ontzeggingen door de rechthebbende om in een bepaalde locatie (bijv. een winkel of voetbalstadion) te verblijven. De overtreder van zo'n bevel is strafbaar (mits uiteraard het binnendringen wederrechtelijk was) en voor die strafbaarheid behoeft dan ook niet meer gevorderd te worden. Er is immers sprake van binnendringen en dat is in art. 138 zelfstandig strafbaar gesteld (naast dus het wederrechtelijk vertoeven en zich niet op vordering verwijderen).

      In een eventueel op te maken pv ter zake het wederrechtelijk ‘binnendringen’ zal duidelijk moeten blijken waaruit de wil van de rechthebbende voor de verdachte is gebleken voordat de verdachte de betreffende plaats tegen die wil betrad. Bij ontzeggingen is er vaak aan de verdachte een schriftelijke ontzegging uitgereikt, waarvan eenzelfde exemplaar, ondertekend door de verdachte, nog bij de rechthebbende berust. Het origineel van die ontzegging of een kopie conform dat origineel moet zo mogelijk bij het pv gevoegd worden, zeker als de verdachte ontkent.

      Zakboek Stafrecht voor de Politie, 4.11 
  152. Aangiften van slachtoffers en/of nabestaanden van geweld door de politie en aangiften van nabestaanden van burgers/verdachten die overlijden (na verblijf) in een politiebureau (cel) gevolgd door klacht art. 12 Sv  (2.17 en 3.25)
    1. Slachtoffers en/of nabestaanden van geweld door de politie en nabestaanden van burgers/verdachten die overlijden tijdens of na verblijf in een politiebureau (cel) lijken in toenemende mate aangifte van strafbare feiten te doen en dat zal de komende jaren naar mijn inschatting niet minder worden. Als het OM besluit zo’n aangifte te seponeren dan kan het slachtoffer of een nabestaande daarover klagen bij het Gerechtshof (geldt overigens voor iedere sepotbeslissing). Zie hiervoor art. 12 Sv e.v. Het Hof kan na onderzoek van de klacht bevelen dat de beklaagde alsnog vervolgd wordt. In een aantal recente zaken hebben gerechtshoven inderdaad alsnog vervolging van één of meer politieambtenaren gelast (door een bevel tot dagvaarding of een gvo voor nader onderzoek zoals een reconstructie en/of het horen van getuigen). Ook zijn het afgelopen jaar door rechters vele kritische kanttekeningen geplaatst bij overheidsgeweld en/of overlijden tijdens of na verblijf in een politiebureau (cel). In een enkele zaak werd door de rechter zelfs opgemerkt dat dit tevens als een signaal gezien moet worden aan het Openbaar Ministerie om, zeker wanneer het gaat om mogelijk dodelijk overheidsgeweld, het onderzoek voortaan van meet af aan voldoende nauwkeurig en zorgvuldig te laten zijn (Hof Amsterdam 05-06-07, LJN BA6609 (zie ook hierna); Hof Amsterdam 12-12-06, LJN AZ4607; Hof Amsterdam 16-02-07 AZ8826 en Hof Arnhem 29-01-07, LJN AZ7297). En dat geldt uiteraard ook voor de politie/hulpOvJ (waarbij natuurlijk in de eerste plaats geldt dat voorkomen beter is dan genezen). Ik kan het niet genoeg benadrukken: een blijvend punt van zorg en aandacht!! Bestudering van de hiervoor weergegeven jurisprudentie arresten kan hierbij zeker helpen!
  153. Valse hoedanigheid (oplichting): de eetpiraat
    1. Een valse hoedanigheid omvat niet alleen dat de oplichter valselijk doet voorkomen dat hij een bepaald beroep of een bepaalde functie uitoefent. Ook het valselijk optreden in een rechtsverhouding waaraan bepaalde rechten en bevoegdheden kunnen worden ontleend kan een valse hoedanigheid en dus oplichting opleveren. Een voorbeeld van zo'n valse hoedanigheid is de "eetpiraat": het bestellen van maaltijden en consumpties waarvan de gast weet dat hij die niet zal of kan betalen. Aldus wordt op bedrieglijke wijze gebruik gemaakt van het in het maatschappelijk verkeer geldende patroon op grond waarvan 
      1: de restauranthouder aan de bezoeker van zijn restaurant de door deze bestelde maaltijden en consumpties verschaft in de verwachting dat zijn gast bij zijn vertrek daarvoor zal betalen en 
      2: de restaurantbezoeker overeenkomstig die verwachting handelt 
      (HR, NJ 98-497, zie ook 90-801en Rechtbank Haarlem 08-02-07, LJN BA5103).

      Zakboek Strafrecht 17.1 (art. 326 Sr).
  154. Toezeggingen door opsporingsambtenaar
    1. De OvJ kan gebonden zijn aan een door een opsporingsambtenaar gedane toezegging over vervolging. Voorbeeld van zo'n toezegging kan zijn dat de verdachte na uitreiking van een dagvaarding zou worden heengezonden. En dat kan er weer toe leiden dat een verdachte door de RC niet in bewaring gesteld wordt vanwege de door een opsporingsambtenaar gedane maar aan de OvJ toe te rekenen toezegging.
      Kortom: alleen toezeggingen over de vervolging doen (met name over het voorgeleiden en/of het seponeren van zaken) als deze besproken zijn met de OvJ en over de inhoud geen misverstanden kunnen ontstaan!!

      Zakboek HulpOvJ 3.42.
      Zakboek Opsporingsambtenaar2.33.
  155. Vordering uitlevering voorwerpen (art. 96a)
    1. Op grond van art. 96a Sv mag alleen uitlevering van voorwerpen gevorderd worden en dus niet de uitlevering van opgeslagen gegevens (in een computer of op een andere gegevensdrager). "Gegevens" vormen immers geen "voorwerp".

      Voor “uitlevering van” gegevens zijn de artikelen 126n (telecom) en 126nc (overige gegevens) e.v. geschreven (zie 9.14 en 9.18).

      En ingevolge de kamerstukken en de aanwijzing opsporingsbevoegdheden van het college van PG's mag géén bevel uitlevering van voorwerpen gegeven worden als met een vordering uitlevering gegevens kan worden volstaan.

      Zakboek HulpOvJ 6.10 en 9.19.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 5.10 en 8.19.
  156. Doorzoeking door de RC onder aanwezigheid van de OvJ óf hulpOvJ
    1. Bij een doorzoeking door de RC waarbij de OvJ verhinderd is moet er (per locatie) een hulpOvJ aanwezig blijven. Ook indien de OvJ wél meegaat op zoeking dient er een hulpOvJ (per locatie) aanwezig te blijven indien de OvJ "meereist" met de RC naar een andere locatie of om een andere reden de betreffende locatie verlaat.

      Zakboek HulpOvJ 6.15
      Zakboek Opsporingsambtenaar 5.15
  157. Onderzoek aan het lichaam naar tatoeages en/of letsel
    1. Onderzoek aan lichaam behoeft niet gericht te zijn op inbeslagneming. Zo zou dit dwangmiddel ook toegepast kunnen worden om te kijken of zich op het lichaam van verdachte tatoeages bevinden maar ook om te onderzoeken of de verdachte zelf ook gewond is geraakt (blauwe plekken en/of ander letsel). Dat laatste kan van belang zijn in het kader van bijv. een mogelijk noodweer- of noodweerexcesverweer. 

      Zakboek HulpOvJ 5.2.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 4.2. 
  158. Klacht
    1. Helaas zie ik nog steeds regelmatig zaken op zitting, bij voorgeleidingen én in de jurisprudentie waarbij er sprake is van een (oud) klachtmisdrijf en er zich géén klacht in het dossier bevindt. Dat kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM: einde zaak...
      Daarom in het kort nogmaals de belangrijkste tips over de klacht op een rijtje.

      1. Check bij klachtmisdrijven of er ook klacht is gedaan

      2. Overzicht klachtmisdrijven

      2a. Absolute klachtmisdrijven:
      - art. 207b: meineed tijdens ‘videoconferentie’;
      - art. 261 t/m 271: ‘beledigings’misdrijven, zie art. 269 Sr. Een klacht is weer niet vereist als de belediging wordt aangedaan aan:
      * het openbaar gezag, een openbaar lichaam of een openbare instelling;
      * een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
      - art. 272 en 273 Sr (schending van geheimen);
      - art. 281 Sr (schaking);
      - art. 284 lid 1 onder 2 Sr (dwang d.m.v. smaad(schrift));
      - art. 285b Sr (belaging/stalking);
      - art. 318 Sr (afdreiging);
      - art. 420 Sr (bepaalde drukpersmisdrijven).


      2b. Relatieve klachtmisdrijven:
      - art. 310 t/m 315 (titel diefstal en stroperij) (art. 316);
      - art. 317 en 318 (titel afpersing en afdreiging) (art. 319);
      - art. 321 t/m 323a (titel verduistering) (art. 324);
      - art. 326 t/m 337 (titel bedrog) (art. 338);
      - art. 348 (benadeling schuldeisers of rechthebbenden) en
      - art. 350 t/m 352 (titel vernieling!!) (art. 353).
      Indien er sprake is van een relatief klachtdelict (door het bestaan van een in art. 316 lid 2 Sr genoemde relatie tussen de aangever en de verdachte) dan moet in de klacht worden opgenomen dat de klager de vervolging verlangt van die bepaalde verdachte. Niet volstaan kan worden met het noemen van het misdrijf. Het gaat er immers om dat vaststaat dat het slachtoffer (de klager) ondanks het bestaan van de in art. 316 Sr genoemde familierelatie met die bekende verdachte vervolging van die verdachte wenst. 
      En ingevolge 316 lid 3 Sr neemt de klachttermijn bij relatieve klachtdelicten pas een aanvang een dag nadat de identiteit van de verdachte aan de tot klacht gerechtigde bekend werd.

      3. Herstel verzuim klacht.
       
      Indien blijkt dat een klager overeenkomstig de desbetreffende wettelijke bepalingen klacht heeft willen doen (een aanvullend pv zou daar overduidelijkheid kunnen verschaffen) dan mag de omstandigheid, dat aan de klacht een formeel vereiste ontbreekt er niet toe leiden dat aan de klacht geen gevolg wordt gegeven, vooral indien het verzuim geheel kan worden toegeschreven aan de politie. De volgende arresten van de HR zijn voorbeelden van deze hoofdregel (zie voor vindplaats arresten het Zakboek HulpOvJ) 10.3 e.v.).
      - Indien een als klacht bedoeld stuk wel een aangifte maar geen verzoek tot vervolging inhoudt kan het bestaan van een klacht worden aangenomen indien komt vast te staan dat de klager ten tijde van het opmaken van bedoeld stuk de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld. Mogelijkerwijs dat ook een aanvullend pv of het verhoor van aangever/klager op de zitting in zo'n geval uitkomst kan brengen;
      - Een klacht ingediend bij een andere opsp. ambt. dan een (hulp)OvJ, mits maar vaststaat dat de klachtgerechtigde een klacht wilde indienen. Ook hier zou een aanvullend pv of een verklaring van de klager op de zitting helderheid kunnen verschaffen;
      - Een klacht moet niet noodzakelijkerwijs door de betreffende hulpOvJ zelf opgenomen worden. In het betreffende geval werd door een verbalisant in opdracht van een hulpOvJ een klacht en aangifte op schrift gesteld. Daarna werd de klacht (z.s.m.) overhandigd aan de voornoemde hulpOvJ waarna deze hulpOvJ de klacht voor "gezien" ondertekende.
      Als er alsnog een klacht opgenomen gaat worden let dan op dat de klachttermijn niet verlopen is (meestal drie maanden: zie hierover het zakboek)!!!

      4. Geen enkel ZEDENmisdrijf is sinds 01 oktober 2002 meer een klachtmisdrijf.
      De volgende zedenmisdrijven waren tot 1 oktober 2002 klachtmisdrijven:
      - art. 245:(gemeenschap met iemand tussen 12 en 16 jaar);
      - art. 247:(ontucht met iemand tussen 12 en 16 jaar) en
      - art. 248a:(verleiding van minderjarige tot ontucht).

      5. Overgangsrecht na afschaffen klacht bij zedenmisdrijven.
        
      Gelet op art. 1 Sr doet zich de vraag voor of er voor opsporing en vervolging van een voornoemd zedenmisdrijf gepleegd vóór inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving (1 oktober 2002) nog wel een klacht vereist is. Om een lang verhaal kort te maken: alhoewel de geleerden van mening verschillen of art. 1 Sr ook voor wijziging m.b.t. het klachtvereiste geldt en de HR daarover nog geen duidelijke uitspraak heeft gedaan lijkt het mij zekerheidshalve beter om uit te gaan van het oude recht: klacht opnemen dus (daarop lijkt ook HR, NJ 1997-426 te wijzen). Ook de MvT (opgenomen op deze site onder actualiteiten > wetgeving archief > zeden) bij de wetswijziging stelt (onder verwijzing naar art. 1 Sr) dat een klacht vereist is indien het feit (ook) gepleegd is vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe wet (MvT, onder artikelsgewijs, art. I, onderdelen D, E en F, onderdeel b, en art. I) en lagere rechtspraak wijst daar ook op. Wat nu als die klacht verzuimd is? Aangezien onder de oude wetgeving in afwijking van art. 64 t/m 66 Sr de  klachttermijn gelijkgesteld was aan de verjaringstermijn (art. 245,4,  247,3 en 248a,2 oud), zou er alsnog een klacht opgenomen kunnen worden. Deze bepaling is ook van toepassing op de klachttermijn van strafbare feiten die zijn gepleegd voor 1 september 1994 (inwerkingtreding verlengde  klachttermijn). Wel dient sinds 1 oktober 2002 art. 167a Sv in acht genomen te worden: terzake van een misdrijf, omschreven in art. 245, 247 of 248a Sr en gepleegd ten aanzien van een minderjarige die twaalf jaren of ouder is, stelt het OM de minderjarige zo mogelijk in de gelegenheid zijn mening over het gepleegde feit kenbaar te maken. 

      6. Tot slot
      - Zie over de aangifte en klacht uitgebreid het Zakboek HulpOvJ 10.4 e.v. of het Zakboek Opsporingsambtenaar 9.2 e.v.
      - Zie voor een valse aangifte of klacht art. 188 en 268 Sr en voor een bespreking daarvan het zakboek Strafrecht voor de politie.
  159. Bloedproef op andere locatie (ziekenhuis) in plaats van ademanalyse op het bureau.
    1. Na een aanrijding was de verdachte overgebracht naar het ziekenhuis alwaar hij medisch werd onderzocht. Aldaar werd van de verdachte met diens toestemming een bloedproef afgenomen.
      a. Ademonderzoek behoort plaats te vinden daar waar het voor dat onderzoek bestemde apparaat aanwezig is en waar kan worden voldaan aan de voorschriften met betrekking tot de analyseapparatuur.
      b. In het in art. 163,3 WVW bedoelde geval dat "het door de verdachte verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is" kan ingevolge art. 163,4 WVW door de daar bedoelde opsp. ambt. aan de verdachte worden verzocht of hij zijn toestemming geeft voor het ondergaan van een bloedproef.
      c. Die opsp. ambt. is gerechtigd tot het doen van dat verzoek indien hij ten tijde van dat verzoek het bestaan van die bijzondere geneeskundige redenen in redelijkheid kan aannemen.
      d. Van het bestaan van die bijzondere geneeskundige redenen is ook sprake indien de verdachte op medische gronden niet in staat is zijn medewerking te verlenen aan een op de daartoe aangewezen plaats (MH: het politiebureau) te houden ademonderzoek. MH: bijv. dus omdat de verdachte na een aanrijding was overgebracht naar het ziekenhuis alwaar hij medisch onderzocht werd.

      Uiteraard dient de gang van zaken goed in het pv verwoord te worden (zo mogelijk inclusief het letsel)!

      Zakboek Hulpofficier 11.18.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.18
  160. Doorzoeken ter aanhouding (art. 55a Sv)
    1. "Doorzoeken" betreft elke vorm van onderzoek die verder gaat dan het zoekend rondkijken. Heel snel wordt vergeten dat deze regel ook opgaat bij de vaak eenvoudige doorzoeking ter aanhouding en dat voor die doorzoeking in beginsel een machtiging van de OvJ vereist is. De enige uitzondering daarop vormt dringende noodzakelijkheid. In dat geval moet de OvJ onverwijld van de doorzoeking op de hoogte gesteld worden (art. 55a Sv, zakboek Hulpofficier 4.8, Zakboek Opsporingsambtenaar 3.8). Met dank aan Henk van Hoevelaken, Docent strafrecht/milieurecht Stichting Politie Vormingscentrum te Vaassen. Tenslotte nog van de auteur van de zakboeken: de bevoegdheid tot doorzoeking mag zich niet verder uitstrekken dan voor de aanhouding van de betrokkene noodzakelijk is. De doorzoeking dient te eindigen als de aanhouding van de betrokkene is voltooid.

      Art. 55a Sv.

      Zakboek Hulpofficier 4.8.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.8.

  161. Plegen van geweld (art. 81 Sr)
    1. Met het plegen van geweld wordt ingevolge art. 81 Sr gelijkgesteld het brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht. En daaronder valt niet alleen het slachtoffer dwingen tot het slikken van slaappillen maar ook als men zulke middelen aan het slachtoffer toedient zonder dat het zich daarvan bewust is. E.e.a kan van belang zijn bij zedenmisdrijven. Zo zou onder voorwaarden ook verkrachting (art. 242 Sr) in beeld kunnen komen in plaats van alleen het met een mindere straf bedreigde seksueel binnendringen bij een bewusteloze/onmachtige (art. 243 Sr). Op verkrachting staat 12 jaar bedreigd en dat levert bij een geschokte rechtsorde een grond voor vh op. Art. 243 kent slechts een strafdreiging van acht jaar. Het toedienen van de pillen kan naast "geweld" uiteraard ook een "feitelijkheid" opleveren (zie ook art. 242 Sr).

      Zakboek Strafrecht 3.3, 9.6 en 9.11.
  162. Geen opsporingsbevoegdheid buitengewoon opsporingsambtenaar voor bepaald strafbaar feit: opgemaakt pv geen unieke bewijskracht voor dat bepaalde feit
    1. Onder schriftelijke bescheiden worden ingevolge art. 344 lid 1 onder 2 ondermeer verstaan pv's:
      a. in de wettelijke vorm opgemaakt
      b. door colleges en personen, die daartoe bevoegd zijn, en
      c. behelzende hun mededeling van feiten of omstandigheden, door hen zelf waargenomen of ondervonden.

      En ingevolge art. 344 lid 2 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, door de rechter worden aangenomen op uitsluitend het pv van een opsporingsambtenaar (in het vakjargon wordt dan ook opgemerkt dat dit pv "unieke bewijskracht" heeft).

      Daarvoor is dus ingevolge het hiervoor vermelde art. 344 lid 1 onder 2 ondermeer wél vereist dat het de opsporing betreft van een feit waarvoor de opsporingsambtenaar ook opsporingsbevoegdheid heeft. Daarvan was in deze zaak geen sprake zodat het betreffende pv slechts gold als "ander geschrift" (art. 344, lid 1 onder 5). Een dergelijk pv heeft dan slechts bewijskracht "in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen". Bijvoorbeeld naast een getuigenverklaring, een bekentenis van de verdachte maar ook naast een ander geschrift. En als dat ander bewijsmateriaal er niet is dan zal er onherroepelijk vrijspraak volgen.
      HR 31-10-06, LJN AY7790 (ook gepubliceerd in het NJ 2006/602)

      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 8.13 en 8.14.

  163. Medeplegen aanwezigheid drugs.
    1. Voor medeplegen is niet noodzakelijk dat de verdachte zelf een uitvoeringshandeling pleegt. Bewuste, nauwe en volledige samenwerking zonder het zelf plegen van een uitvoeringshandeling volstaat ook. Die samenwerking is aanwezig als de medeplegers willens en wetens (opzettelijk) samenwerken tot het plegen van het strafbare feit (door bijv. nauwe betrokkenheid bij de planning, voorbereiding en organisatie). Daarbij zijn uitdrukkelijke en vooraf gemaakte afspraken niet vereist, ook stilzwijgende samenwerking is voldoende. Lijfelijke aanwezigheid op de plaats van de uitvoering van het delict is niet vereist.

      Een voorbeeld hoe ver dat "medeplegen" kan gaan is te vinden in een recent vonnis van de rechtbank Rotterdam.

      In aanwezigheid van de verdachte was door meer personen cocaïne in zijn woning gebruikt. De verdachte was van dit gebruik op de hoogte en heeft hiermee ingestemd. Hoewel de verdachte daartoe de mogelijkheid had, heeft hij de gebruikers niet de toegang tot zijn woning ontzegd en evenmin de verdovende middelen die zij bij zich hadden uit zijn woning verwijderd of laten verwijderen. De verdachte heeft de verdovende middelen aldus in zijn machtssfeer gelaten en zich daarvan niet gedistantieerd. De verdachte kan derhalve worden aangemerkt als medepleger van het aanwezig hebben van de cocaïne die de anderen bij zich hadden.
      Rechtbank Rotterdam 26-01-06, LJN AV1434.

      Zakboek Strafrecht voor de Politie, 2.9.
  164. Huiselijk geweld/bedreiging en beslag
    1. Indien er in een huiselijk geweld zaak aangifte is gedaan van bedreiging met bijv. een mes en er (in de woning) ook een mes in beslag genomen is moet in het pv niet volstaan worden met de vermelding dat er een mes in beslag genomen is maar dient ook verwerkt te worden waar dat mes in beslag genomen is. De plaats van die in beslagneming kan immers van belang zijn voor het bewijs in de zaak van een ontkennende verdachte. Komt het mes uit een keukenla dan zal daar door de ovj en de rechter minder waarde aan gehecht worden dan als dit mes uit de broeksband of uit de handen van de verdachte in beslag genomen is of op het toilet waar de verdachte zich bij aankomst op de pd bevond. En natuurlijk dient het slachtoffer nog met het mes geconfronteerd te worden met de vraag of dit het mes was waarmee gedreigd is en ook dat dient in het pv verwerkt te worden.

      Ook kan het bij huiselijk geweld van belang zijn dat de politie het in pv omschrijft wat zij (bij ontdekking op heterdaad) in de woning aantreft. Niet alleen als de hele boel kort en klein geslagen is, maar ook als alles er netjes uitziet of als het kennelijk "haastig opgeruimd" lijkt. Een netjes opgeruimd huis kan ontlastend voor verdachte zijn als het slachtoffer verklaard dat hij/zij het hele huis door is gesleurd. Over eventuele bijzonderheden dient het pv als het maar even kan duidelijkheid te verschaffen. Indien de melding bijvoorbeeld is dat de verdachte een stofzuiger van de trap naar het slachtoffer heeft gegooid dan is het natuurlijk verstandig om in het pv eventuele bevindingen met betrekking tot die stofzuiger te relateren.

      Met dank aan OvJ Nijkerk
  165. Melden reden vertraging proces-verbaal 
    1. Indien het opsporingsonderzoek en daarmee het inzenden van het pv vertraging heeft opgelopen dan is het verstandig de reden daarvan in het pv te vermelden. Vertraging kan immers optreden doordat een voor het onderzoek kennelijk onmisbare medeverdachte die aangehouden moet worden op de vlucht is, een getuige onvindbaar is en/of het onderzoek zeer complex is (bijvoorbeeld door het moeten afwachten van vele gecompliceerde technische onderzoeken).

      Een onredelijke vertraging in de vervolging van een verdachte kan leiden tot strafmatiging en in uitzonderlijke gevallen ook tot niet ontvankelijkheid van de OvJ en het daarmee vrijuit gaan van de verdachte. Het begintijdstip van de redelijke termijn waarbinnen een verdachte vervolgd moet worden is het tijdstip waarop hij door een daad/mededeling van de politie of justitie in redelijkheid kon weten dat hij vervolgd zou worden. Natuurlijk wordt de ernst van het feit waarvan de verdachte verdacht wordt afgemeten tegen de lengte van het tijdsverzuim en de oorzaken daarvan.

      Overleg over een mogelijk latere inlevering van een pv altijd met de OvJ. 

      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht, 16.4.
  166. Invordering rijbewijs en OBM bij bepaalde misdrijven uit Sr 

    1. Ook bij een veroordeling terzake (poging tot) 
      - bedreiging (sinds 01-02-06)
      - moord 
      - doodslag 
      - mishandeling gepleegd met voorbedachte rade 
      - zware mishandeling, of 
      - zware mishandeling met voorbedachte rade 
      kan, indien het feit is gepleegd met een motorrijtuig, een ontzegging worden opgelegd (tot zelfs maximaal tien jaar). Indien door de overtreding de veiligheid op de weg ernstig in gevaar is gebracht kan het rijbewijs ingevorderd worden. En daarvan is bij verdenking van één van de voornoemde misdrijven natuurlijk al snel sprake (art. 164 WVW). 

      Art. 179a WVW: 

      1. Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 285, 287 of 289 Sr omschreven misdrijven kan de schuldige die het feit heeft gepleegd met een motorrijtuig
      (MH: niet alleen dus een auto of motor maar bijv. ook een scooter of tractor: zie art. 1 WVW) dat hij ten tijde van het feit bestuurde of deed besturen, de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste tien jaren worden ontzegd. 
      2. Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 301, 302 of 303 Sr omschreven misdrijven kan de schuldige die het feit heeft gepleegd met een motorrijtuig dat hij ten tijde van het feit bestuurde of deed besturen, de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste vijf jaren worden ontzegd.
       

      Zakboek HulpOvJ 11.13. 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.13.

  167. Leugenachtige verklaring verdachte

    1. Als de verdachte kennelijk leugenachtig verklaart verdient het sterke aanbeveling om die kennelijk leugenachtige verklaring in het pv op te nemen (in plaats van bij gebrek aan een "bekennende" verklaring de leugenachtige verklaring ook maar niet op te nemen). Een kennelijk leugenachtige verklaring kan als bewijs gebruikt worden . Het bewijs dat de verdachte leugenachtig heeft verklaard moet wel uit ander bewijsmateriaal komen dan een verklaring van de betreffende verdachte zelf en mag ook niet bestaan uit door de verdachte aan derden gedane mededelingen (bijv. uit een verklaring van een getuige over wat verdachte aan hem heeft meegedeeld) of uit een getapte mededeling van de verdachte aan een derde . Het als bewijs gebruiken van een kennelijk leugenachtige verklaring van een ander dan verdachte (bijv. van een medeverdachte of getuige) is niet toegestaan.

      Zakboek Hulpofficier 2.9
      Zakboek Opsporingsambtenaar 1.8
      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 10.3

  168. Intrekkingstermijn klacht en opsporing

    1. Het intrekken van de klacht is gedurende acht dagen na de dag van indiening mogelijk door degene die de klacht indiende (art. 67 Sr). De intrekking dient onverwijld aan de OvJ ter kennis gebracht te worden (art. 166,2). Met het opsporingsonderzoek behoeft niet gewacht te worden tot voornoemde acht dagen verstreken zijn. Dat wachten met opsporing kan onder omstandigheden wél verstandig zijn als dit de opsporing niet schaadt en de klacht kennelijk in een opwelling is gedaan waarop de klager mogelijk weer terug komt (met dank aan Cees van Welij) 

      Zakboek Hulpofficier 10.3.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 9.2.

  169. Belaging in combinatie met andere misdrijven een klachtmisdrijf??

    1. In de praktijk heerst kennelijk het misverstand dat het klachtvereiste voor belaging alleen geldt als de belaging niet gepaard gaat met andere delicten. Echter: ook als belaging gepaard gaat met een niet-klachtmisdrijf dan moet er voor het opsporen en vervolgen van de betreffende belaging nog steeds klacht gedaan worden! En let op: ook vernieling is een klachtmisdrijf en wel een relatief klachtmisdrijf.

      Met dank aan Bart Spiegelaar.

      Zakboek Strafrecht 11.10
      Zakboek Hulpofficier 10.3 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 9.2

  170. Termijn bloedproef 
    1. Ingevolge art. 15 en 16 Besluit alcoholonderzoeken dient er een uur verstreken te zijn tussen de vordering voorlopige ademanalyse (of het eerste contact) en de bloedafname. Indien de vordering voorlopige ademanalyse (of het eerste contact) bijv. om 22.50 plaatsvond en de bloedproef zelf om 23.50 kan niet met zekerheid gezegd worden of er ook werkelijk een uur tussen beide tijdstippen gelegen is (de tijd wordt immers meestal niet in seconden vastgelegd) en gaat de verdachte vrij uit (HR, NJ 95-79).

      Zakboek Hulpofficier 11.18. 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.18.
  171. Mondelinge vordering doorzoeking of tap 
    1. Het komt nogal eens voor dat er door de RC met spoed gezocht dient te worden en dat er daarom geen tijd resteert voor het maken van een aanvraag-pv. Er wordt dan mondeling gevorderd. Bij een spoeddoorzoeking waarbij gezocht dient te worden door de RC zal er door de OvJ een mondelinge zoeking van die RC gevorderd worden (een gvo is niet meer vereist). Omdat de mondelinge vordering naderhand schriftelijk bevestigd moet worden door de OvJ dient van die mondelinge vordering naderhand door de politie ook een pv opgemaakt te worden. De schriftelijke bevestiging moet natuurlijk wél (exact) dezelfde feiten (incl. plaats en tijd) betreffen die mondeling gevorderd waren!!! Vandaar dat het verstandig is om ook bij een mondelinge vordering de relevante gegevens op te schrijven (doen de OvJ en de RC ook), zoals:  
      1. vermoedelijk gepleegde strafba(a)r(e) feit(en), inclusief plaats en tijd;  
      2. verdachte(n) zoveel mogelijk met naam genoemd of n.n.;  
      3. feiten en omstandigheden verdenking;
      4. redenen van wetenschap;  
      5. tijdstip mondelinge vordering. 
      De OvJ én de RC zullen bij een schriftelijke bevestiging van een mondelinge vordering altijd nauwkeurig controleren of de gegevens in het pv overeenstemmen met de eerder mondeling verstrekte gegevens. En helaas is dat niet altijd het geval. 

      Voorgaande geldt uiteraard ook voor een mondelinge vordering tap. 

      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 12.3
  172. Ademanalyse op ander apparaat op ander bureau
    1. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat in een geval waarin het ademanalyse-apparaat in het politiebureau waarheen de verdachte was overgebracht, niet naar behoren functioneert, gebruik mag worden gemaakt van een apparaat "in de nabije omgeving". Een verdachte is in een dergelijk geval verplicht medewerking te verlenen aan alle aanwijzingen ten dienste van het met dit apparaat "in de nabije omgeving" te verrichten onderzoek. Een bloedproef mag in zo'n geval pas plaatsvinden indien de medewerking van de verdachte aan het onderzoek met het ademanalyse-apparaat "in de nabije omgeving" niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek (in het betreffende geval ging het om de plaatsen Maastricht en Valkenburg) (HR, NJ 2001-554).

      Zakboek HulpOvJ 11.18.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.18.
  173. Op het internet plaatsen van menu's en prijzen van in een coffeeshop te verkrijgen softdrugs
    1. Op het internet plaatsen van menu's en prijzen van in een coffeeshop te verkrijgen softdrugs is een openbaarmaking ex art. 3b.1 Opiumwet, als die uiting kennelijk gericht is op de bevordering van de verkoop, aflevering of verstrekking van softdrugs. Internet vormt in deze tijd immers een voor een groot publiek toegankelijk middel voor kennisneming van dergelijke uitingen. 

      HR, LJN AO6423 onder verwijzing naar AB2204.
      Zakboek Strafrecht voor de politie, 21.5.
  174. Spiegelconfrontaties
    1. Bewijsconfrontaties in persoon (waaronder dus ook de roemruchte spiegelconfrontatie) mogen zonder toestemming van de verdachte alleen worden uitgevoerd op bevel van de (hulp)OvJ of (tijdens het gvo) de RC. De (hulp)OvJ of de RC mag het bevel alleen maar geven in het belang van het onderzoek ten opzichte van een aangehouden verdachte in zaken waarvoor inverzekeringstelling mogelijk is. Deze regel geldt dus niet voor:

      1: De opsporingsconfrontatie (bijv. het kort na het plegen van een strafbaar feit rond rijden met een aangever/getuige om te kijken of de onbekende verdachte nog aangetroffen wordt);

      2: E
      en confrontatie niet in persoon (foto- of videoconfrontatie); 
      3:
      de confrontatie in persoon met toestemming van de verdachte (toestemming moet blijken uit proces-verbaal).  

      Zo is het dus niet meer toegestaan om met een zelf in de buurt aangetroffen/aangehouden verdachte zonder diens toestemming even langs de aangever/getuige te rijden om die aangever/getuige te laten kijken of het inderdaad de bewuste verdachte is.  

      Tevens moeten confrontaties in persoon (inclusief dus de spiegelconfrontatie) worden geleid door een door de korpsbeheerder aangewezen deskundige politieambtenaar of militair van de Kmar (art. 6 besluit). Ook dit moet in het proces-verbaal worden vermeld. Deze regel is door de wetgever opgenomen omdat spiegelconfrontaties te pas en onpas werden uitgevoerd en deze confrontatievorm qua betrouwbaarheid doorgaans weinig bijdraagt aan de bewijsvoering. Door het over te laten aan confrontatiespecialisten wordt er meer garantie verkregen dat met het middel omzichtiger zal worden omgegaan.  

      Aldus art. 61a t/m 76 Sv, het Besluit Maatregelen in het belang van het onderzoek en de daarbij behorende nota van toelichting. Wettekst, besluit en nota zijn opgenomen deze website (pagina actualiteiten > archief). Zie voor toestemming/vrijwilligheid ook het Zakboek HulpOvJ 3.3 of opsporingsambtenaar 2.3.


      Met dank aan Adri van Amelsvoort (voormalig kennismakelaar bij het Politie Kennis Net (Politieacademie)).

      Zakboek HulpOvJ 3.27 en 4.31.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.21 en 3.24.
  175. Pv's in zaak tegen medeverdachte bij voorgeleidingen 
    1. Regelmatig wordt in zaken waarin een medeverdachte van een eerder ook in bewaring gestelde verdachte wordt voorgeleid alleen een vervolg-pv ingeleverd zonder dat de eerdere in dezelfde zaak opgemaakte pv's zijn bijgevoegd bij of verwerkt in het voorgeleidings-pv. Dat kan vraagtekens oproepen over bijvoorbeeld de rechtmatigheid van de aanhouding, ernstige bewaren, aangiftes, enz.

      Bij een voorgeleiding van een medeverdachte dient dan ook een compleet dossier ingeleverd te worden en niet alleen een vervolg-pv. Met compleet wordt bedoeld alle stukken die van belang zijn (belastend of ontlastend) voor de in de betreffende zaak van die medeverdachte te nemen beslissingen. En dat kan dus door (een deel van de) eerdere pv's tegen medeverdachten bij te voegen of de relevante info uit die eerdere pv's te verwerken in het pv van de verdachte.

      Vaak wordt in een zaak tegen een medeverdachte hetzelfde pv-nummer gebruikt als in de zaak tegen de hoofdverdachte, maar dan onder toevoeging van een letter. Zo bevat het dossier tegen de hoofdverdachte dan bijv. de pv's met het letter A, B, D, H en die van de medeverdachte C, E, F, G en H. De vraag die dan bijna altijd ontstaat is of er gelet op deze nummering in het dossier van de hoofdverdachte en/of de medeverdachte pv's ont- breken. Het verdient dus sterke aanbeveling om in het voorgeleidings-, raadkamer- en/of eind-pv uitleg te geven over de gebruikte nummering of de pv's(na overleg met de OvJ) maar over en weer in de dossiers te voegen.

      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 16.6
  176. Aanhouding buiten heterdaad
    1. Indien er sprake is van aanhouding buiten heterdaad dan gelden de volgende (minimale) eisen voor een op te maken pv: 
      1. als de aanhouding op bevel van de (hulp)OvJ wordt verricht dan dient de naam van die (hulp)OvJ in het pv te worden vermeld; 
      2. in het geval dat het optreden van de (hulp)OvJ niet meer kon worden afgewacht moeten de redenen op grond waarvan dat optreden niet meer kon worden afgewacht in het pv worden opgenomen. Gedacht kan daarbij worden aan gevallen waarin ernstige vrees bestaat dat uitstel van de aanhouding tot gevolg zou hebben dat: 
      a. de verdachte niet meer eenvoudig te vinden zal zijn of 
      b. daardoor sporen of in beslag te nemen goederen kunnen wegraken of 
      c. het in te stellen onderzoek tengevolge van uitstel van de aanhouding bemoeilijkt zal worden of 
      d. de vrijheidsbeneming van een reeds aangehouden verdachte om die reden langer duurt dan strikt noodzakelijk.

      Let op: voor aanhouding buiten heterdaad vereist Sv een bevel. In het pv staat echter vaak ten onrechte dat de aanhouding "met toestemming" plaats vond. Niet juist dus. 

      Zakboek hulpofficier 4.7.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.7.
  177. Handhaving orde ter gelegenheid van ambtsverrichtingen (art. 124 Sv) (ramptoeristen)
    1. De bepaling van art. 124 is van algemene strekking en geldt dus ook gedurende het opsporingsonderzoek. Voorbeeld van een "ambtenaar" is niet alleen de hulpofficier van justitie maar onder omstandigheden ook een andere opsporingsambtenaar. Voorbeelden van "ordeverstoorders" zijn ordeverstorende "ramptoeristen". 

      V.w.b. de strafbepaling m.b.t. art. 124: zie art. 185 Wetboek van Strafrecht (hierna weergegeven). Indien niet te bewijzen is dat er in een bepaalde zaak ook sprake is van "opschudding veroorzaken" zal wellicht art. 184,1 Sr met succes kunnen worden toegepast. Zie hiervoor het zakboek Strafrecht voor de Politie.

      Art. 124 Sv:
      1: Voor de handhaving der orde ter gelegenheid van ambtsverrichtingen draagt zorg de voorzitter van het college, of de rechter of ambtenaar, die met de leiding dier verrichtingen is belast.
      2: Deze neemt de nodige maatregelen opdat die ambtsverrichtingen zonder stoornis zullen kunnen plaats vinden.
      3: Indien daarbij iemand de orde verstoort of op enigerlei wijze hinderlijk is, kan de betrokken voorzitter, rechter of ambtenaar, na hem zo nodig te hebben gewaarschuwd, bevelen dat hij zal vertrekken en, ingeval van weigering, hem doen verwijderen en tot den afloop der ambtsverrichtingen in verzekering doen houden.
      4: Van een en ander wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat bij de processtukken wordt gevoegd.
      5: Met de dienst der gerechten zijn belast ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, dan wel andere ambtenaren of functionarissen, voor zover die ambtenaren of functionarissen door Onze Minister van Justitie zijn aangewezen. Deze ambtenaren of functionarissen nemen de aanwijzingen in acht van de voorzitter van het college, de rechter of de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid.

      Art. 185 Wetboek van Strafrecht:
      Hij die bij een terechtzitting of ter plaatse waar een ambtenaar in het openbaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening werkzaam is, opschudding veroorzaakt en na het door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel zich niet verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van de tweede categorie.

      Zakboek hulpofficier 3.23.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.20.
  178. Belaging: klacht en recidive
    1. Belaging is een absoluut klachtmisdrijf, iets wat helaas in de praktijk nog wel eens over het hoofd wordt gezien!!

      Belaging is ook een zogenaamd voortdurend delict. En bij voortdurende delicten loopt de termijn waarbinnen de klacht moet zijn gedaan niet zolang het delict voortduurt.

      LET OP: als er twee afzonderlijke perioden kunnen worden onderscheiden waarbinnen kennelijk sprake is geweest van belaging (en er dus géén sprake is van een voortdurend delict) dan dient voor iedere periode een klacht ingediend te worden én uiteraard rekening gehouden te worden met de voor iedere periode afzonderlijk geldende klachttermijn. Zo zal bij een verdachte die na schorsing van diens vh of het uitzitten van zijn straf wéér belaagd voor die nieuw gepleegde belaging wederom een klacht moeten worden opgenomen (binnen de klachttermijn).

      Zakboek Hulpofficier 10.3 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 9.2
  179. Dacty bij Hennepkwekerij
    1. Bij het oprollen van een min of meer omvangrijke/professionele hennepkwekerij kan het verstandig zijn om dacty af te nemen van de belichtingsapparatuur. Dat kan van pas komen bij verdachten (huurder/verhuurder van de ruimte) die hun betrokkenheid bij de kwekerij in alle toonaarden ontkennen en er een zwakke bewijspositie is. Uiteraard wél in het pv vermelden óf er dacty aangetroffen zijn en wat het onderzoeksresultaat is (positief óf negatief).

      Met dank aan OvJ Bellaart
  180. Opsporingsconfrontatie: verdachte bij selectie?  
    1. Meer dan incidenteel komt het voor dat in het pv niet vermeld wordt of bij een opsporingsconfrontatie in een eerder stadium van het onderzoek een foto van de verdachte in de getoonde fotoselectie was opgenomen. Als er inderdaad geen foto van de verdachte in de selectie was opgenomen, zou aldus ten onrechte de indruk kunnen ontstaan dat de zaak minder sterk is. Dat de verdachte niet in de fotoselectie was opgenomen kan bijvoorbeeld veroorzaakt zijn doordat het ingevoerde signalement afweek van het signalement zoals van de betreffende persoon is opgenomen in het HKS. Kortom: goed opletten dat het pv of een vervolg-pv hierover voldoende duidelijkheid verschaft (ook waarom een verdachte mogelijk eerder niet in de selectie opgenomen was)!!

      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 13.8

      Met dank aan Anne-Marie Fellinger en 
      Adri van Amelsvoort, kennismakelaar bij het Politie Kennis Net (Politieacademie).
  181. Winkeldiefstal 
    1. Bij winkeldiefstallen verklaren verdachten nog wel eens dat ze van plan waren te betalen voor het weggenomen goed of dat ze al betaald hadden maar het bonnetje kwijt zijn. In dit soort gevallen is het handig als de verbalisanten iets in het pv vermelden over de aanwezigheid van bijvoorbeeld een portemonnee met inhoud (geld of pinpas) bij verdachte. Heeft verdachte dat niet bij zich, dan is het minder aannemelijk dat hij/zij van plan was te gaan betalen of al betaald had en dat maakt het voor de rechter weer makkelijker om tot de overtuiging te komen dat verdachte de tenlastegelegde winkeldiefstal heeft begaan.

      Met dank aan OvJ Nijkerk
  182. Klachtvereiste ook bij poging, voorbereiding, enz.
    1. Indien voor de vervolging van een misdrijf een klacht vereist is, dan geldt deze eis ook voor poging, medeplichtigheid, uitlokking, doen plegen, voorbereiding en de poging om een ander te bewegen een misdrijf te begaan (HR, NJ 1997-426). 

      Zakboek Strafrecht voor de politie 9.1 
      Zakboek Hulpofficier 10.3 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 9.2.
  183. Rechtskracht rijverbod WVW 
    1. Het rijverbod ex art. 162.2 WVW 1994 heeft eerst rechtskracht na de vastlegging in een beschikking en de bekendmaking daarvan aan de betrokkene (art. 3:41.1 Awb) en niet dus al na mondelinge mededeling. HR 12-04-05, LJN AS6017.

      Zakboek HulpOvJ 11.12
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.12
  184. Strafbaarheid hakenkruis en Hitlergroet
    1. Hakenkruis
      Het dragen van een hakenkruis met de bedoeling "het gedachtegoed van het nationaal-socialisme" uit te dragen, is een uitlating bij afbeelding die beledigend is voor joden "wegens hun ras", en is strafbaar gesteld in art. 137c. HR 1995-452, zie ook HR 1988-300.

      Hitlergroet
      Kan vallen onder belediging (door feitelijkheid), strafbaar gesteld in art. 266 Sr. Remmelink, art. 137c, aant. 8 en art. 266, aant. 3 en de beantwoording van een vaktechnische vraag door A.M. de Vries in het APB 26-02-00, p20. Zie indirect ook HR, NJ 87-462 en DD 96-296.

      Voorlopige hechtenis
      (en dus bijv. aanhouding buiten heterdaad)
      Alleen bij een verdenking van 137c én het feit kennelijk wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door twee of meer verenigde personen (art. 137c lid 2). Daarnaast natuurlijk ook als er geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland van de verdachte kan worden vastgesteld (art. 67,2 Sv).

      Belediging van een groep mensen (art. 137c)
      1. Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. 
      2. Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt of door twee of meer verenig- de personen wordt gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie opgelegd.

      Eenvoudige belediging (art. 266)
      1. Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. 
      2. Niet als eenvoudige belediging strafbaar zijn gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit.

      Zakboek Strafrecht voor de politie 4.6, 4.8 en 10.5
      Zakboek Hulpofficier 4.6
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.6
  185. Zwaar lichamelijk letsel
    1. Het kan niet genoeg gezegd worden: zwaar lichamelijk letsel dient goed in het proces-verbaal omschreven te worden en zo mogelijk dient er bij het proces-verbaal tevens een medische verklaring gevoegd te worden (bij voorkeur van de behandelend arts). Alleen het vermelden van het letsel kan twijfel oproepen óf er wel sprake is van zwaar letsel. Verwerk in dat soort gevallen in het proces-verbaal zoveel mogelijk de eventuele noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Ook dat kan via een (aanvullende) medische verklaring.

      Zakboek Strafrecht, 3.4.
  186. Veelpleger en het belang van het onderzoek bij ivs
    1. De vraag zou kunnen zijn of een bekennende veelpleger in wiens zaak geen verder onderzoek verricht meer behoeft te worden wel in verzekering gesteld kan worden. Die inverzekeringstelling zou dan niet in het belang van het onderzoek zijn (de zaak is immers rond) en dus niet toegestaan. Daarbij wordt echter over het hoofd gezien dat het belang van het onderzoek bij een inverzekeringstelling ook kan bestaan uit:
      1. het onderzoek (door de politie, de OvJ en/of de rechter) naar de mogelijkheid en wenselijkheid van voorlopige hechtenis. Zo is bijv. het justitieel documentatiecentrum ("strafblad") in het weekend (nog) niet te bevragen op antecedenten van de verdachte; 
      2: voorgeleiding van de verdachte ter inbewaringstelling aan de RC (e.e.a. gelet op het feit dat voorlopige hechtenis direct aansluitend op de inverzekeringstelling moet kunnen plaatsvinden). Het onderzoeksbelang bestaat hier dus inderdaad louter en alleen uit het voorgeleiden bij de RC. Daarbij moet er uiteraard wel een redelijke verwachting zijn dat de verdachte ook daadwerkelijk in bewaring gesteld wordt. En die verwachting is bij veelplegers (ook terzake een enkele geringe diefstal uit een winkel) fors toegenomen!

      Zakboek HulpOvJ 4.18.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.17.
  187. De verdachte en het recht op bijstand van een raadsman
    1. En een terugkerend punt van aandacht is nog steeds dat indien de verdachte of diens raadsman daarom verzoekt de raadsman zoveel mogelijk toegang moet kunnen hebben tot de verdachte (art. 28 Sv) en dat een mogelijk verhoor door de politie in alle redelijkheid onderbroken dan wel uitgesteld dient te worden (zowel tijdens het ophouden voor onderzoek, de inverzekeringstelling én de voorlopige hechtenis) (HR, 06071999, gepubliceerd in Opportuun 1999, nr. 1, p15). 
      Het niet toelaten van een raadsman bij de verdachte gedurende de eerste 24 uur van de detentie van die verdachte kan een schending van het Europese recht opleveren (EHRM, NJB 2000-33). 

      Zakboek HulpOvJ (2.6). 
      Zakboek Opsporingsambtenaar (1.5).
  188. Uitgeven van vals geld

    1. Onder het uitgeven van vals geld wordt begrepen iedere handeling waardoor vals geld feitelijk in het verkeer worden gebracht. Daaronder valt dus ook de uitgifte van vals geld aan een tussenpersoon ter verdere distributie, ongeacht de vraag of die tussenpersoon van de valsheid van de biljetten op de hoogte was (HR, NJ 86-662, 96-128 en HR, NJ 2003-443).

      Zakboek Strafrecht voor de politie, 7.2.

  189. Opsporingsconfrontatie ook als bewijs te gebruiken

    1. Meer dan incidenteel verneem ik van opsporingsambtenaren de mening dat een opsporingsconfrontatie (in tegenstelling tot een bewijsconfrontatie) niet als bewijs gebruikt zou mogen worden. Deze mening is niet juist.

      Het verschil tussen een opsporingsconfrontatie en een bewijsconfrontatie is er dat bij een opsporingsconfrontatie nog geen verdachte bekend is. Om een verdachte te kunnen opsporen worden bij een opsporingsconfrontatie dan ook foto’s getoond van potentiële kandidaten. En als de verdachte uit die selectie gehaald wordt, dan kan deze herkenning gewoon als bewijs gebruikt worden, ondanks dat er hier dus sprake was van een opsporingsconfrontatie!!

      Een bewijsconfrontatie verschilt van de opsporingsconfrontatie doordat er wél een verdachte bekend is en deze zich ook in de fotoselectie bevindt. En natuurlijk verdient het aanbeveling om ook voor een opsporingsconfrontatie zoveel mogelijk de regels van het "Besluit Maatregelen in het belang van het onderzoek" te volgen. 

      Maar nogmaals: zowel bij de opsporings- als de bewijsconfrontatie kan een herkenning als bewijs gebruikt worden. Voor de geleerden onder ons: het is in beginsel voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om tot het bewijs te bezigen, wat hem uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt.

      Zakboek HulpOvJ 3.27  
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.24

  190. Onderzoek aan de kleding ingevolge de Wet wapens en munitie vereist sinds 15-09-02 (!!!) géén ernstige bezwaren

    1. Sinds de inwerkingtreding van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet Wapens en Munitie per 15 september 2002 zijn er voor een onderzoek aan de kleding géén ernstige bezwaren meer vereist

      Art. 52 WWM per 15-09-02:

      1. De bij of krachtens art. 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen. 
      2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd personen aan hun kleding te onderzoeken indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van: 

      a. een gepleegd strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt; 
      b. een gepleegde overtreding van de artikelen 13, 26 of 27 (MH: zie hieronder); 
      c. aanwijzingen dat een strafbaar feit als bedoeld onder a of b zal worden gepleegd. 

      2. (..)

      - art. 13 omvat het verbod (behoudens uitzonderingen) een wapen van categorie I te vervaardigen, te transformeren, voor derden te herstellen, over te dragen, voorhanden te hebben, te dragen, te vervoeren, te doen binnenkomen of te doen uitgaan; 
      - art. 26 omvat het verbod (behoudens uitzonderingen) een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben en voor personen die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt verboden een wapen van categorie IV voorhanden te hebben; 
      - art. 27 omvat het verbod (behoudens uitzonderingen) een wapen van de categorieën II, III en IV te dragen. 

      Zie voor deze artikelen het zakboek Strafrecht.

      Zakboek HulpOvJ 11.20 (einde v/d paragraaf). 
      Zakboek opsp. ambt. 10.20 (einde v/d paragraaf).

  191. Klachtmisdrijven en geregistreerd partnerschap

    1. Bij klachtmisdrijven dient art. 90 octies van het Wetboek van Strafrecht niet vergeten te worden: gelijkstelling van het huwelijk met geregistreerd partnerschap en echtgenoot met geregistreerde partner.

      Art. 90 octies Sr:
      Waar van huwelijk of echtgenoot wordt gesproken wordt, met uitzondering van art. 449, daaronder mede begrepen geregistreerd partnerschap dan wel geregistreerde partner.

      Zakboek HulpOvJ 10.3.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 9.2.