Tiparchief

In onderstaande tabel worden de oude tips van de week weergegeven. 
Door te klikken op de vetgedrukte tekst van de onderstaande tiptitels krijgt U de uitgewerkte teksten. 
De verwijzingen naar de zakboeken betreffen de edities 2009 (ook nog te gebruiken bij oudere edities).
Opening van de rest van dit scherm kan even op zich laten wachten in verband met de omvang van de tips (ruim 160 stuks).
Tenslotte: zie ook het zakboek tips!!

  1. Natuurlijk overlijden (lijkvinding) en contacten met het OM
    1. Als de lijkschouwer na lijkvinding een verklaring van natuurlijk overlijden heeft afgegeven is het NIET nodig de OvJ te bellen: er is immers geen vermoeden van een niet-natuurlijk overlijden. De hulpOvJ kan de zaak verder zelf afhandelen. Ook als nog schriftelijke aangifte gedaan moet worden zoals hierna omschreven. Als er géén verklaring van natuurlijk overlijden wordt afgegeven (en er dus mogelijk sprake is van een mogelijk niet-natuurlijk overlijden) moet er wél contact met de OvJ opgenomen worden over de mogelijke vrijgave van het stoffelijk overschot (al dan niet na een sectie). Als het even kan dan graag dit contact buiten de nachtelijke uren (uitzondering zou bijv. kunnen zijn dat de familie het stoffelijk overschot mee wil nemen naar huis en uiteraard bij de verdenking van een kapitaal delict). De ondertekening van de verklaring van geen bezwaar kan na contact met en in opdracht van de OvJ namens deze door de hulpOvJ plaatsvinden. Als het OM niet ingeschakeld is behoeft er ook geen pv ingezonden te worden. Schriftelijke aangifte door hulpOvJ De hulpOvJ is zelfstandig bevoegd tot het doen van de schriftelijke aangifte als bedoeld in art. 19h lid 4, Boek I van het Burgerlijk Wetboek (ook daarvoor hoeft de OvJ dus niet gebeld te worden). Ingevolge dit art. 19h lid 4, BW dient schriftelijk aangifte gedaan te worden door de hulpOvJ bij de Ambtenaar van de Burgerlijke stand als: 1. een lijk is gevonden en de plaats en/of dag van overlijden niet met voldoende nauwkeurigheid kan worden vastgesteld en/of 2. het overlijden heeft plaatsgevonden op een op zee gestationeerde installatie en het lijk in Nederland aan land wordt gebracht.
      Zie zonodig uitgebreid:
      Zakboek HulpOvJ 11.30
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.29
  2. Beperk het bevel ivs niet tot één feit als er voor meerdere vh-feiten een onderzoeksbelang bestaat
    1. Een verdachte was aangehouden op verdenking van overtreding van onder meer valsheid in geschrift, verduistering en oplichting. Tijdens het ophouden voor onderzoek werd verdachte door de hulpOvJ in verzekering gesteld voor de valsheid in geschrift. De verdachte had de valsheid in geschrift reeds vóór de ivs bekend, de andere twee feiten (verduistering en oplichting) bleef verdachte ontkennen. Volgens het zogenoemde toetsingsverbaal op grond waarvan de verdachte conform art. 59a Sv werd voorgeleid bij de RC diende naar de verduistering en oplichting (waarvoor de verdachte dus niet in verzekering was gesteld) nog nader onderzoek plaats te vinden, onder meer door het horen van getuigen. De RC oordeelde echter dat de ivs onrechtmatig was nu er ten aanzien van de valsheid in geschift geen onderzoeksbelang meer aanwezig was als bedoeld in art. 57 Sv. Dat er wel onderzoeksbelang bestond voor de verduistering en oplichting was daarbij volgens de RC niet van belang omdat blijkens het bevel ivs de ivs niet voor die feiten was verleend. Van belang is dus om in het bevel ivs alle vh-feiten waarbij onderzoeksbelang aanwezig is op te nemen, zodat in het geval dat met betrekking tot het ene feit het onderzoeksbelang is komen te vervallen, de ivs op grond van onderzoeksbelang ten aanzien van een ander feit rechtmatig kan voortduren. 

      Met dank aan OvJ Bongers. 
      Zakboek HulpOvJ 4.18 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.17
  3. Bewijskracht kopieën pv
    1. Een gewaarmerkt afschrift van een pv heeft in beginsel dezelfde bewijskracht als het origineel zelf. Het waarmerk moet afkomstig zijn van degene die het afschrift vervaardigde (en dat hoeft dus niet de verbalisant te zijn).  Het waarmerk mag niet alleen te bestaan uit de tekst "kopie conform het origineel" maar dient daarbij ook de naam en functie te vermelden van degene die het waarmerk heeft geplaatst.
      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 4.6
  4. Bloedafname bij overleden verdachte na vermoedelijke overtreding WVW
    1. Als een verdachte is komen te overlijden 'bestaat er binnen de WVW 1994 geen enkele basis om na het overlijden( bijvoorbeeld aan de gevolgen van een verkeersongeval) alsnog bloed af te nemen. Gelet op artikel 69 Sr. vervalt het recht tot strafvordering bij het overlijden van verdachte. Indien niet onmiddellijk duidelijkheid bestaat omtrent de doodsoorzaak dan heeft het OM de mogelijkheid om een opdracht tot sectie te geven (art.73, eerste lid, onder a, van de Wet op de Lijkbezorging ). Vanzelfsprekend zal met die bevoegdheid uiterst terughoudend moeten worden omgegaan. Opmerking: In het convenant afspraken OM en de Onderzoeksraad van veiligheid zijn omtrent sectie en onderzoeken op basis van de Rijkswet Onderzoeksraad van veiligheid specifieke afspraken opgenomen', aldus het college van PG's in de aanwijzing inzake rijden onder invloed (zie voor de aanwijzing van het college www.om.nl).

      Zakboek HulpOvJ 11.17.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.17.
  5. Beperkingen
    1. Gelet op het systeem van de wet kunnen de maatregelen genoemd in art. 62 lid 2, onder a en b Sv (beperkingen en/of overbrenging naar ziekenhuis) niet tijdens het ophouden voor onderzoek worden toegepast. Als zo´n maatregel tijdens het ophouden voor onderzoek toch dringend vereist is (denk met name aan de beperkingen) dan is de oplossing een vervroegde ivs (mits uiteraard aan de voorwaarden daarvoor voldaan is) en vervolgens toepassing van de maatregel. En met het opleggen van beperkingen moet in voorkomende gevallen niet gewacht worden tot de voorgeleiding bij de OvJ/RC (ibs). Immers tot die tijd is niet alleen de verdachte vrij in zijn contacten over de strafzaak maar ook de verdediging (bespreking processtukken met bijv. het thuisfront en/of getuigen, enz.). In zaken die zich daarvoor lenen (hoog afbreukrisico) dienen de beperkingen al tijdens de ivs opgelegd te worden. Neem daarover in voorkomende gevallen contact op met de OvJ.
      Met dank aan OvJ Bijleveld.

      Zakboek Hulpofficier 4.31.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.25.
  6. Schriftelijke bevestiging mondelinge vordering observatie en telefoontap
    1. Bij dringende noodzaak kunnen (ondermeer) bevelen observatie en telefoontap door de OvJ mondeling worden gegeven. De OvJ moet in dat geval het bevel binnen drie dagen op schrift stellen. Daartoe dient uiteraard bijtijds een pv aangeleverd te worden en dat wil nog wel eens mis gaan. 

      Vragen die zich vervolgens in de praktijk voordoen is hoe dit nu rond het weekend en/of feestdagen moet.

      Daartoe moet allereerst art. 130 Sv in ogenschouw genomen worden. Dit artikel bepaalt dat waar een termijn in dagen is uitgedrukt, daaronder worden verstaan vrije dagen, voor zoover niet uit enige bepaling het tegendeel volgt. 

      Met "vrije dagen" wordt niet bedoeld de dagen waarop in het algemeen niet wordt gewerkt maar daarmee wordt te kennen gegeven dat de dag waarop de gebeurtenis aan welke de termijn zich aansluit is voorgevallen, bij de berekening van de termijn niet meetelt. Zo telt dus de dag waarop het mondeling bevel is gegeven niet mee. Is het mondelinge bevel bijv. gegeven op vrijdag, dan begint de termijn dus pas te tellen op zaterdag. 

      Nadat we dit hebben vastgesteld moeten we vervolgens kijken naar art. 2 van de Algemene Termijnenwet en volgens dat artikel wordt de termijn van drie dagen, zo nodig, zoveel verlengd, dat daarin ten minste twee dagen voorkomen die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag zijn. Is het mondeling bevel dus gegeven op de vrijdag (welke dag voor de berekening niet meetelt, zie hiervoor) dan moet de mondelinge vordering dus uiterlijk dinsdag schriftelijk vastgelegd worden (dinsdag is dan immers de tweede dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is).

      De erkende feestdagen zijn geregeld in art. 3 van de Algemene Termijnenwet (i.v.m. art. 136 Sv):

      1. Algemeen erkende feestdagen in de zin van deze wet zijn: de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd en de vijfde mei.  2. Voor de toepassing van deze wet wordt de Goede Vrijdag met de in het vorige lid genoemde dagen gelijkgesteld.  3. Wij kunnen bepaalde dagen voor de toepassing van deze wet met de in het eerste lid genoemde gelijkstellen. Ons besluit wordt in de Nederlandse Staatscourant openbaar gemaakt.

      Samenvattend voor bevelen bijzondere opsporingsbevoegdheden: vorenstaande geeft rond het weekend de nodige speelruimte. Een mondeling bevel gegeven op donderdag behoeft immers pas op maandag schriftelijk bevestigd te worden. En een bevel gegeven op vrijdag pas op dinsdag. Voor de zekerheid bericht ik ook nog maar even dat ingevolge art. 4 van de Algemene termijnenwet e.e.a. dus niet geldt voor termijnen van vrijheidsbeneming en ingevolge art. 6 lid 2 Awbi ook niet voor een machtiging binnentreden. Die termijnen eindigen dus gewoon als de tijd van de termijn verstreken is (dus ook in het weekend of op een feestdag).

      Zakboek Hulpofficier 3.46.

  7. Herhaalde toepassing van dwangmiddelen
    1. Geef in het onderliggende pv voor zover van toepassing altijd goed aan wat de reden is voor het herhaald toepassen van het dwangmiddel tegen dezelfde verdachte terzake hetzelfde feit (vanwege gewijzigde omstandigheden, bijv. in de vorm van een nieuw redelijk vermoeden van schuld of ernstige bezwaren). Dat kan problemen bij de RC en op zitting voorkomen. En als er sprake is van het herhaald toepassen van een dwangmiddel tegen dezelfde verdachte maar terzake een nieuw feit relateer dat dan ook duidelijk in het aanhoudings-pv en/of het bevel ivs (door dat nieuwe feit goed te omschrijven).

      Zakboek Hulpofficier 3.24.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.19.
  8. Letsel verdachte bij geplande arrestatie
    1. Als er bij een vooraf geplande arrestatie bij de aangehoudene ernstige verwondingen ontstaan dient de overheid (politie) te bewijzen dat dit letsel niet aan haar verweten kan worden door overtuigend en geloofwaardig aan te tonen dat het gebruik van geweld tijdens de arrestatie niet excessief was.
      EHRM, NJB 2001, 5 (Rehbock)
      Zakboek Hulpofficier 3.30.
  9. Schriftelijke vastlegging mondelinge machtiging doorzoeking
    1. Voor een spoeddoorzoeking gebaseerd op art. 97 Sv moet de (hulp)OvJ voorzien zijn van een voorafgaande machtiging van de RC. Die machtiging kan bij grote spoed mondeling verleend worden maar dient dan achteraf op enigerlei wijze te worden vastgelegd, bijv. in een beschikking van de RC of in een door de griffier van de RC gemaakt pv. Die beschikking of het pv dient bij de processtukken gevoegd te worden. Aldus de Kamerstukken 23251 nr. 3, Corstens, 5e druk, 14.19 en de rechtbanken Maastricht, NS 2003, 37 en Zwolle-Lelystad 24-06-08, LJN BD9163.
      Zakboek Hulpofficier 6.11.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 5.11.
  10. De politie dient zich onder bepaalde omstandigheden meer dan gebruikelijk in te spannen om ervoor zorg te dragen dat een inverzekeringgestelde verdachte tijdig van rechtsbijstand wordt voorzien
    1. Op grond van art. 40 Sv is de (hulp)OvJ verplicht onverwijld een raadsman (via de piketdienst) over een ivs in te lichten. In de praktijk lijkt die onverwijldheid te wensen over te laten. Ook als er na onverwijlde inlichting geen raadsman binnen aan aantal uur verschijnt is het verstandig zo spoedig mogelijk nogmaals te faxen en/of te bellen. Praktijkervaring leert bijv. dat er met de verzending en/of ontvangst van een fax wel eens iets misgegaan kan zijn. Niet inlichten of niet ten spoedigste inlichten van een raadsman kan leiden tot een onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte uit diens ivs door de RC en een afwijzing van een vordering ibs.

      Recent overwoog de rechtbank Amsterdam nog dat de politie zich onder bepaalde omstandigheden meer dan gebruikelijk dient in te spannen om ervoor zorg te dragen dat een inverzekeringgestelde verdachte tijdig van rechtbijstand wordt voorzien (‘toen (MH: na de melding bij de piketdienst) echter op zaterdag en zondag bleek dat geen advocaat zich voor verdachte had gemeld, had van de politie mogen worden verwacht dat zij zich actiever had opgesteld en nader onderzoek had ingesteld).

      Rechtbank Amsterdam 26-06-08, NS 2008, 320 (niet op rechtspraak.nl).
  11. Analyses in pv
    1. In grotere onderzoeken (met name TGO’s) voegt de politie incidenteel analyses bij het procesdossier / in het pv. Bijv. hoe een ‘dadergroep’ is samengesteld en/of hoe het afgetapte communicatieverkeer is verlopen (al dan niet gecombineerd met OT en/of FO-bevindingen). Dit soort info mag alleen onder de volgende voorwaarden als bewijs gebruikt worden:
      1. v.w.b. een pv van een opsporingsambtenaar: als de betreffende analyse ook de redenen van wetenschap bevat (of daarnaar verwijst) (art. 153 Sv) en de analyse uiteraard ‘gedragen wordt’ door die redenen van wetenschap of
      2. v.w.b. verklaringen van een persoon niet zijnde opsporingsambtenaar: voor zover het betreft feiten of omstandigheden (geen conclusies dus) die de getuige zelf heeft waargenomen of ondervonden (art. 342 Sv) of
      3. v.w.b. verklaringen van een (getuige-)deskundige (kan ook een opsporingsambtenaar zijn): alleen hetgeen de wetenschap van de deskundige hem leert omtrent datgene wat aan zijn oordeel is onderworpen (art. 343).
      De verwachting is overigens dat de belangstelling voor ‘deskundigen’ vanuit de rechterlijke macht en advocatuur de komende jaren verder zal toenemen…. Gelet op het voorgaande is het goed om te weten dat de betreffende persoon die de analyse heeft samengesteld wel eens (verplicht) gehoord kan worden op zitting en/of bij de rc. Voorafgaan overleg over het wel of niet voegen van analyses bij het pv verdient mede daarom aanbeveling.

      Zakboek pv, nieuwe paragraaf in komende editie
  12. Ophouden voor onderzoek en vrijwillige verschijning
    1. Bij vrijwillige verschijning van een verdachte (bijv. na ontbieding) is de termijn van ophouden voor onderzoek zes uur na aankomst op de plaats van het onderzoek verstreken. Indien de verdachte dan naar huis wil kan hij niet meer voor onderzoek worden opgehouden, de verdachte dient daarop gewezen te worden. Verschijnt een verdachte dus vrijwillig aan het bureau en na een uur besluit men hem na een uur alsnog aan te houden, dan heeft men zodoende nog maximaal vijf uur voor het ophouden voor onderzoek ter beschikking.

      Zakboek Hulpofficier 4.13.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.12.
  13. Mening minderjarige bij bepaalde zedenmisdrijven
    1. Sinds 1 oktober 2002 dient het nieuwe art. 167a Sv in acht genomen te worden: terzake van een misdrijf, omschreven in art. 245 (seksueel binnendringen van iemand beneden 16 jaar), 247 (ontucht met bewusteloze, onmachtige, gestoorde of kind) of 248a Sr (verleiding van minderjarige tot ontucht) en gepleegd ten aanzien van een minderjarige die twaalf jaren of ouder is, stelt het OM de minderjarige zo mogelijk in de gelegenheid zijn mening over het gepleegde feit kenbaar te maken. Iets wat in de praktijk nog wel eens over het hoofd wordt gezien.....
      Zakboek Strafrecht 9.9, 9.11 en 9.13.
  14. Feitelijke aanranding van de eerbaarheid: heimelijk filmen van seksuele handelingen
    1. Het heimelijk filmen van seksuele handelingen is een onaanvaardbare inbreuk op iemands privacy en is dan ook in strijd met sociaal-ethische normen. Het kan daarom worden gekwalificeerd als ontuchtige handeling in de zin van art. 246 Sr.
      Rechtbank 's-Hertogenbosch 07-08-08,  LJN BD9381.
      Zakboek Strafrecht 9.10.
  15. Voorgeleiding bij RC (rechtmatigheidstoetsing ivs)
    1. In art. 59a lid 1 Sv staat vermeld dat de verdachte uiterlijk binnen drie dagen en vijftien uur (te rekenen vanaf het tijdstip van de aanhouding!) voor de RC dient te worden geleid. De RC dient de rechtmatigheid van de ivs te beoordelen en daartoe te toetsen: 1. of degene die in verzekering is gesteld iemand is te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit; 2. of er sprake is van verdenking van een strafbaar feit waarvoor vh is toegelaten; 3. of de ivs in het belang van het onderzoek is; 4. of de met betrekking tot de ivs in de wet neergelegde vormvoorschriften in acht zijn genomen; 5. of de ivs niet op andere gronden, bijv. wegens strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde onrechtmatig is. Om de ivs te kunnen toetsen dienen bij de processtukken (meestal bestaande uit een voorgeleidings-pv met bijlagen) gevoegd te zijn: - stukken waaruit de verdenking blijkt (voor zover van toepassing valt hier bij te denken aan bijv. de aangifte, verklaring getuige(n), bevindingen TR/FE, enz.); - pv van aanhouding; - pv verhoor ivs; - bevel ivs; - verhoor verdachte; - korte weergave stand van zaken van het onderzoek én waaruit het onderzoeksbelang voor de ivs verder bestaat (zie daarover uitgebreid het zakboek)!
      Zakboek HulpOvJ 4.29.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.24.
  16. Machtiging binnentreden
    1. Alhoewel de HR in het verleden meermalen heeft beslist dat niet vereist is dat de machtiging zich bevindt bij de processtukken, ben ik van mening dat dit maar beter wel kan gebeuren. Op zitting worden nogal eens verweren gevoerd over het vermoedelijk niet juist ingevuld zijn van de machtiging en de praktijk leert dat de rechter dan toch vaak de machtiging wil zien om een en ander te controleren. En bij een strafzaak terzake verzet tegen het binnentreden moet de machtiging zich wel altijd bij de stukken bevinden omdat de rechtmatigheid van het optreden van de betreffende ambtenaar uit de bewijsmiddelen moet blijken.
      Zakboek HulpOvJ 7.13.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 6.13.
  17. Slachtofferschap bij heling
    1. Slachtoffers van heling worden meer dan incidenteel onvoldoende in de gelegenheid gesteld hun schade in het strafproces te verhalen op helers. ‘De opvatting dat de strafbaarstelling van heling niet (mede) strekt ter bescherming van het belang van de rechthebbende op het geheelde goed en dat een bestolene reeds daarom niet als benadeelde partij aanspraak kan maken op vergoeding van zijn schade door de heler is niet juist. De concrete omstandigheden van het geval zijn bepalend voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen de helingshandeling en de door de rechthebbende op het geheelde goed geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door die helingshandeling rechtstreeks schade heeft geleden’. [1]
      Om schadeverhaal voor het slachtoffer te vergroten is de inhoud van de verklaring van de heler en mogelijke getuigen / andere verdachten in het politieonderzoek van groot belang. Uit die verklaringen kan blijken of de heling en het gepleegde strafbare feit in nauwe relatie met elkaar staan. Of op welke wijze de heler het goed heeft ontvangen, in welke staat het op dat moment verkeerde en of daarna waardevermindering is ontstaan, waardoor in de helingsfase (verdere) schade is ontstaan. Het vinden van bijv. originele onderdelen en andere gerelateerde gesloopte goederen in de garage van de heler kan daartoe bijdragen. In die gevallen zal voeging in de strafprocedure mogelijk zijn en is er meer kans op succes in een civiele vordering.
      [1] HR, NJ 1998, 537 (schuld af laten betalen door gestolen geld) en HR 30-03-2004, LJN AO3291 (heler rijdt schade aan gestolen auto).
      Met dank aan Wim Verbeeke, coördinator slachtofferzorg Politie Utrecht.
  18. Pitbulls
    1. Tot voor kort gold onverkort de Regeling agressieve dieren (verder RAD te noemen), gebaseerd op art. 73 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Op basis daarvan was het verboden pitbulls te fokken, in Nederland te brengen, te koop aan te bieden of te verkopen maar ook voorhanden te hebben. De HR overwoog daarover dat de vraag of een dier kon worden aangemerkt als een hond van het pitbullterriërtype diende te worden beantwoord aan de hand van de maatstaf of het dier ‘in belangrijke mate’ voldeed aan de in de bij art. 2 van de RAD behorende bijlage genoemde (33) karakteristieken. Een hond behoefde dus niet aan al die karakteristieken te voldoen om te kunnen worden aangemerkt als een pitbull.

      Een commissie van wijzen heeft echter geconstateerd dat na vijftien jaar de RAD niet heeft geresulteerd in minder bijtincidenten waarbij pitbulls zijn betrokken en dat daarnaast de RAD zich te eenzijdig richt op pitbulls, terwijl ook andere type honden veelvuldig bij bijtincidenten zijn betrokken. In voorbereiding is dan ook een nieuwe regeling op basis van voornoemd art. 73 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Deze regeling moet het mogelijk maken om honden in beslag te nemen met een schofthoogte van ten minste 35 centimeter die abnormaal agressief gedrag vertonen. Honden die op basis van dit vermeende abnormale agressieve gedrag in beslag zijn genomen ondergaan een gevalideerde gedragstest die afgenomen wordt door gedragsdeskundigen. Deze test moet nog worden ontwikkeld.

      Hoewel de nieuwe regeling nog in de maak is, zullen honden die vanaf 30 mei 2008 in beslag zijn of worden genomen op basis van de RAD niet meer worden gedood. Pitbulls mogen ook niet meer uitsluitend op basis van uiterlijke kernmerken in beslag worden genomen. Ibn van honden die daadwerkelijk agressief gedrag vertonen blijft evenwel nog wel mogelijk op basis van de huidige RAD en op basis van art. 350 en 425 Sr. Op basis van de RAD zullen echter alleen honden worden in beslag genomen die voldoen aan de uiterlijke kenmerken van een pitbull én die agressief gedrag vertonen. In overleg met gedragsdeskundigen zal een aanpak worden geformuleerd voor deze honden totdat de gevalideerde test beschikbaar is. Blijkt de hond abnormaal agressief te zijn dan zal hij alsnog worden geëuthanaseerd.

      Bovenstaande is gebaseerd op de brief van het college van PG’s aan de hoofd-ovj’s en hoofd-ag’s d.d. 09-06-08. Zie ook de brief van de minister van LNV aan de Tweede kamer, kamerstukken 28286, nr. 218 (te vinden via www.overheid.nl.
  19. Eén raadsman voor meerdere verdachten 
    1. Op grond van art. 40 is de (hulp)OvJ verplicht onverwijld een raadsman over de ivs in te lichten. Er is een zogenaamde " piketdienst" bij de advocatuur, waardoor tijdens de ivs toevoeging van een raadsman mogelijk is. Indien het niet raadzaam geacht wordt dat één raadsman voor meerdere verdachten in hetzelfde onderzoek optreedt (tegenstrijdige belangen) kan de hulpOvJ dat aan die "piketdienst" meedelen en verzoeken om meerdere raadslieden. Indien op dat verzoek niet wordt ingegaan zou de hulpOvJ in extreme gevallen contact op kunnen nemen met de OvJ om te kijken of art. 50.2 toegepast dient te worden. Dit laatste geldt natuurlijk ook indien tijdens het ophouden voor onderzoek zich één raadsman voor meerdere verdachten meldt. 
      Zakboek HulpOvJ 2.6.  
      Zakboek Opsporingsambtenaar 1.5.
  20. Onderzoek telefoon uit fouillering
    1. Zonder bewuste en vrijwillige toestemming van de verdachte en zonder uitdrukkelijke bevoegdheid daartoe mag zijn telefoon (aanwezig in bijv. diens fouillering) niet onderzocht worden. Een uitdrukkelijke bevoegdheid daartoe is terug te vinden in bijv. art. 55b Sv (fouillering en onderzoek meegevoerde voorwerpen ter vaststelling identiteit) of art. 96 Sv (ibn terzake de verdenking van een strafbaar feit, en onderzoek dan alleen maar toegestaan voor de waarheidsvinding van het strafbare feit waarvoor ibn). 'De enkele omstandigheid dat in het werkgebied van de verbalisanten regelmatig telefoons worden ontvreemd en bij de verdachte twee telefoons werden aangetroffen maakt niet dat het de verbalisanten reeds daarom vrij stond om de telefoons te onderzoeken' (rechtbank Amsterdam 01-02-08, NS 08-161).
  21. Géén aanhouding voor ‘noh-vonnis’.
    1. Onder een noh-vonnis wordt verstaan een vonnis wat nog niet onherroepelijk vaststaat (vandaar de naam ‘noh’-vonnis). Tegen een noh-vonnis kan vaak nog een rechtsmiddel ingediend worden (verzet, hoger beroep of cassatie) en het vonnis kan daarom nog niet geëxecuteerd (ten uitvoer gelegd) worden. Noh-vonnissen moeten (voor er van executie sprake kan zijn) vaak nog ‘betekend’ (kennisgegeven) worden aan de veroordeelde. En voor die betekening/kennisgeving mag een veroordeelde niet worden aangehouden (verzet daartegen is dus ook niet strafbaar). De betreffende persoon kan slechts op vrijwillige basis mee naar het bureau gaan om die betekening/kennisgeving te doen.
      Formulieren voor die betekening/kennisgeving zijn terug te vinden in de computersystemen van bijv. de politie. Zie zonodig ook de Aanwijzing executie (vervangende) vrijheidsstraffen, taakstraffen meerderjarigen, geldboetes, schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen (op om.nl). Betekening/kennisgeving vindt ook en meestal plaats door justitie (via de post).
      Zakboek HulpOvJ 4.2
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.2
  22. Omschrijving kleding en/of namen bij openlijk geweld.
    1. Het verdient sterke aanbeveling om bij pv's terzake openlijk geweld niet alleen te omschrijven wat voor kleren de verdachten droegen maar ook de kleur daarvan. Hetzelfde geldt voor de kleding van de getuigen. Het gebeurt namelijk juist bij openlijk geweld zaken nogal eens dat er door getuigen of slachtoffers (die de verdachten niet bij naam kenden) wordt verklaard in de trant van "die jongen met dat rode shirt sloeg erop los". Dan is het wel zo prettig als uit het pv blijkt wie er allemaal een rood shirt droegen. Naast verdachten kunnen dat natuurlijk ook de aanwezige getuigen zijn.

      En als een verdachte of een getuige onder verschillende namen bekent is (bijv. De Groot, Cornelis, Kees en/of de rooie), vermeldt dit dan ook in het loop-pv en verwerk zoveel mogelijk in afgelegde verklaringen wie bedoeld wordt met De Groot, Cornelis, Cees en/of de rooie.

      Met dank aan OvJ Nijkerk.
  23. Binnentreden en pv
    1. Als een verdachte is aangehouden in een woning dan dient het pv wel te vermelden of de betreffende woning met toestemming is betreden dan wel met een machtiging (of in uitzonderlijke gevallen: dat er sprake is van een geval uit art. 2 lid 3 Awbi: zonder toestemming en zonder machtiging want ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen waardoor terstond moest worden binnengetreden).
      Met dank aan OvJ Nijkerk.

      Zakboek HulpOvJ 3.31
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.24
  24. Happy Slapping: medeplegen openlijk geweld door filmen openlijk geweld 
    1. Verdachte heeft zelf geen geweld gepleegd. Wel is zij aanwezig geweest bij het door haar mededaders gepleegde geweld en heeft dat gefilmd met een daartoe meegebrachte videocamera. Omdat dit van tevoren in haar aanwezigheid was besproken wist verdachte wat haar mededaders van plan waren: het van de fiets af trappen van willekeurige fietsers. Verdachte heeft derhalve het risico dat er geweld zou worden gebruikt welbewust op de koop toe genomen. Verdachte heeft niets ondernomen om het geweld te voorkomen of te stoppen, maar is door blijven filmen. In de beleving van zowel de slachtoffers als de getuigen versterkte het filmen van de gedragingen van haar mededader onmiskenbaar de dreiging en het geweld dat van hen uitging. Bovendien heeft verdachte, door de gedragingen van haar mededaders te filmen, in sterke mate bijgedragen aan de sfeer van ontremming waarin zij verkeerden en waarin zij tot de ten laste gelegde handelingen overgingen. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte welbewust heeft deelgenomen aan het openlijk geweld, en daaraan bovendien een zodanig significante bijdrage heeft geleverd dat zij moet worden aangemerkt als medeplegen. Rechtbank Den Bosch 19-10-04, LJN AR4184. 

      Zakboek Strafrecht voor de Politie 4.17.
  25. Beslag door opsporingsambtenaar tijdens doorzoeking RC
    1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in art. 67,1, is de opsp. ambt. bevoegd de daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te nemen en daartoe elke plaats te betreden (art. 96 Sv). Deze bevoegdheid kan ook worden toegepast tijdens een doorzoeking door de RC waarbij onverwacht voorwerpen worden aangetroffen die geen betrekking hebben op de zaak waarvoor de RC aan het doorzoeken is. Bijv. kennelijk van diefstal afkomstige voorwerpen tijdens een zoeking naar drugs of wapens (voortgezette toepassing). En bij het aantreffen van een vuurwapen of drugs ten tijde van een RC-zoeking terzake diefstal en/of heling is de beslagbevoegdheid uiteraard terug te vinden in resp. de Wet wapens en munitie en de Opiumwet. 

      Hoewel die juridische bevoegdheid voor opsporingsambtenaren bestaat, zal daadwerkelijke inbeslagneming altijd moeten plaatsvinden in overleg met de ter plaatse aanwezige (hulp)OvJ. Deze is per slot van rekening leider van het onderzoek! De incidentele mening in de opsporingspraktijk dat de RC zelf tijdens een doorzoeking niets meer in beslag hoeft te nemen omdat opsp. ambt. dit op basis van zijn eigen bevoegdheid ook kan doen is niet juist. 

      Met dank aan Henk Meijer, docent Politieacademie.

      Zakboek HulpOvJ 6.10, 11.20 en 11.22. 
      Zakboek opsp. ambt. 5.10, 10.20 en 10.22.
  26. Verbeurdverklaring handelsgeld/opbrengst verdovende middelen
    1. Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn ondermeer (art. 33a lid 1 Sr):

      a. voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van het strafbare feit zijn verkregen;
      MH:
      - bijvoorbeeld geld dat grotendeels is verkregen door handel in verdovende middelen (ook als dit inmiddels is vermengd met ander geld (in art. 33a onder 1a staat immers ‘grotendeels’);
      - mogelijk ook voorwerpen verkregen door witwassen (art. 420bis Sv e.v.) (auto’s of onroerend goed) omdat ook hier gesteld kan worden dat deze voorwerpen zijn verkregen door het strafbare feit (witwassen, wat dan natuurlijk nog wel bewezen moet worden);
      - conservatoir beslag is in voorgaande gevallen niet nodig. En dat kan een hoop tijd en papier schelen (minder formaliteiten en administratief werk);
      - voorwerpen die uit de baten (opbrengst) van het strafbare feit zijn verkregen kunnen als zodanig niet verbeurdverklaard maar mogelijk wel ontnomen worden (teneinde overlapping met de ontnemingsmaatregel te verengen). Voorbeeld van een uit de baten van het strafbare feit verkregen voorwerp is een auto gekocht van door misdrijf verkregen geld. Als er een verdenking van witwassen is, behoort ook verbeurdverklaring (van het door witwassen verkregene) tot de mogelijkheden (zie hiervoor);

      b. voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan;

      MH: ook bijvoorbeeld bedrijfskapitaal voor handel in verdovende middelen (HR, NJ 1997, 92) en mogelijk voorwerpen door witwassen verkregen (zie ook onder a).

      Zakboek HulpOvJ 6.6 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 5.6
  27. Onderzoekstermijn bij gewonde, dronken of bewusteloze verdachte 

    1. Vaak wordt met een beroep op ministeriële circulaires uit 1928 en 1929 gesteld dat als de verdachte gewond, dronken of bewusteloos is de onderzoekstermijn van zes uur pas begint te lopen op het moment van een beëindigde behandeling in het ziekenhuis, ontnuchtering of bewustwording. In de bestaande wetgeving en jurisprudentie ontbreekt echter een grond om mensen wegens hun dronkenschap, een verwonding of bewusteloosheid langer dan de door de wetgever gestelde termijn op te houden voor onderzoek. Een ministeriële circulaire kan immers geen grond bieden voor vrijheidsberoving en ook art. 2 Politiewet biedt daarvoor onvoldoende grond (Corstens, het Nederlands strafprocesrecht, 5e druk, 14.8). Conclusie: ook onder dit soort omstandigheden houden aan de zes-uurstermijn (en bij tijdgebrek de verdachte mogelijk in verzekering stellen, mits daarvoor uiteraard aan de voorwaarden is voldaan)!

      Zakboek HulpOvJ 4.13 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.13

  28. Schorsing én opheffing schorsing van de voorlopige hechtenis
    1. Onder neerlegging van bepaalde voorwaarden kan door de rechter de tenuitvoerlegging van de vh geschorst worden (art. 80 Sv). Dat kan ambtshalve door de rechter, op verzoek van de verdachte of op vordering van het OM geschieden. Als de verdachte een schorsingsvoorwaarde overtreedt of als uit bepaalde omstandigheden blijkt van het bestaan van gevaar voor vlucht kan tot aanhouding worden overgegaan, mits de OvJ daartoe een bevel geeft. En als de OvJ de gedane aanhouding noodzakelijk blijft achten, dan moet hij onverwijld zijn vordering (opheffing schorsing) bij de rechter indien. De rechter dient binnen 48 uur na indiening van de vordering te beslissen (art. 84 Sv). Zie voor de bevoegdheid tot binnentreden in deze gevallen art. 556 Sv en 565 Sv (inclusief de bevoegdheid om ter aanhouding te doorzoeken). Als de OvJ bij het bevel aanhouding ook een machtiging tot binnentreden heeft gegeven dan heeft ook deze machtiging de beperkte geldigheidsduur van art. 6 lid 2 Awbi (3 dagen na verstrekking). Zonodig zal er dus een nieuwe machtiging moeten worden uitgeschreven en dat kan ook door de hulpOvJ (zie art. 3 Awbi).
      Zakboek HulpOvJ 4.40. 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.34.
  29. Tappen teneinde verdachte en/of in beslag te nemen goederen te lokaliseren
    1. De grond van het aftappen en opnemen is door de wetgever niet vermeld. Niet uitgesloten is het dan ook dat wordt getapt om te achterhalen waar de verdachte zich bevindt of in beslag te nemen goederen zich bevinden. 
      Zakboek HulpOvJ 9.17. 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 8.17.
  30. Aangifte diefstal/verduistering geld, enz. na doorzoeking
    1. Incidenteel wordt na een doorzoeking van een woning aangifte gedaan van diefstal/verduistering van geld gepleegd door één of meer opsporingsambtenaren die betrokken zijn bij de doorzoeking. Om dergelijke aangiftes te voorkomen verdient het aanbeveling om voorafgaande aan de feitelijk uitvoering van de doorzoeking aan de in het pand aanwezige (hoofd)bewoner informatie te vragen over de aanwezigheid van geld, drugs, vuurwapens, kluis, enz. Als deze informatie aan een verdachte terzake strafbare feiten ten aanzien van voornoemd geld/voorwerpen gevraagd wordt dan dient hij daarbij uiteraard op zijn zwijgrecht gewezen te worden. Voorgaande gang van zaken dient in het pv  vastgelegd te worden.

      Zakboek HulpOvJ hoofdstuk 6
      Zakboek Opsp. ambt. hoofdstuk 5
  31. Anonieme info
    1. Bij het gebruik van anonieme informatie moet onderscheid worden gemaakt tussen
      1. het starten van een opsporingsonderzoek en
      2. de toepassing van dwangmiddelen.

      sub 1.
      Het starten van een opsporingsonderzoek (zonder daarbij ook dwangmiddelen toe te passen) op basis van uitsluitend anonieme info (zonder ‘plusje’: zie daarover hierna) is als regel niet onrechtmatig.

      sub 2.
      Het toepassen van een dwangmiddel op uitsluitend anonieme info (zonder ‘plusje’: zie daarover hierna) vereist dat die info voldoende concreet én van voldoende gewicht is:

      Concreet
      : nauwkeurig omschreven plaats en/of persoon.

      Gewicht:
      terroristische misdrijven, moord/doodslag, overvallen, berovingen, zware zedenmisdrijven, zware vormen van mensenhandel, vrijheidsberoving, gijzeling, harddrugs, vuurwapens, zwaardere explosieven, enz.

      Conclusie:
      géén dwangmiddelentoepassing op basis van uitsluitend anonieme info (zonder 'plusjes dus') bij hennep(teelt) (want van onvoldoende gewicht, tenzij mogelijk bij een megapartij en export).

      LET OP: ook al is er sprake van anonieme info die wél voldoende concreet én van voldoende gewicht is verdient het zeer sterke aanbeveling om de anonieme info (incl. dus CIE-info en info van een inlichtingen/veiligheidsdienst) voor zover mogelijk te verifiëren en waar maar enigszins mogelijk te onderbouwen met ‘plusjes’ alvorens tot toepassing van dwangmiddelen over te gaan. Onder een ‘plusje’ wordt verstaan extra informatie over de verdachte en/of het vermoedelijk gepleegde strafbare feit wat de verdenking verder kan onderbouwen, zoals bijvoorbeeld een strafblad terzake soortgelijke feiten, belastende info uit het herkennings- en/of bedrijfsprocessensysteem, extra waarnemingen door de politie zelf of door derden, informatie van de wijkagent, inforamtie uit een ander onderzoek. , anonieme info uit een andere bron, enz. enz. Alleen een check bij de gemeentelijke basisadministratie lijkt onvoldoende te zijn en mijn inschatting is dat dit ook geldt bij anonieme info die uitsluitend bestaat uit meerdere MMA-tips.

      Zakboek HulpOvJ 2.2.
      Zakboek Opsp. ambt. 1.2.

  32. Strafbare voorbereiding (art. 46 Sr
    1. In Sr zijn voorbereidingshandelingen tot zeer ernstige misdrijven zelfstandig strafbaar gesteld. Vereist voor zo'n strafbare voorbereiding is:
      1. voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving acht jaar of meer gevangenisstraf is gesteld (bijvoorbeeld de gekwalificeerde diefstal van art. 311 lid 2 Sr, diefstal door middel van geweld, afpersing, moord, doodslag, verkrachting, enz.).
      2. waarbij de dader opzettelijk (inclusief dus mogelijk voorwaardelijk opzet) voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft.

      Van belang voor de beoordeling of er wel of niet sprake is van strafbare voorbereiding zijn bijvoorbeeld:
      - de uiterlijke verschijningsvorm van de voorwerpen (MH: wapens, bivakmutsen, tie-rips, enz.);
      - het gemaakte gebruik van de voorwerpen;
      - het misdadige doel dat de verdachte en zijn mededader met het gebruik van die voorwerpen kennelijk voor ogen hadden (hetgeen kan blijken uit de omstandigheden waaronder de verdachte met de voorwerpen werd aangetroffen);
      Zo viel recent volgens de HR onder strafbare voorbereiding het in vereniging verwerven (want klaar leggen) van een mes in een caravan op een fabrieksterrein met het oog op het vermoorden van het slachtoffer (HR 11-12-07, LJN BB6220).

      Wettekst art. 46 Sr
      1. Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft.
      2. Het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij voorbereiding met de helft verminderd.
      3. Geldt het een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste vijftien jaren.
      4. De bijkomende straffen zijn voor voorbereiding dezelfde als voor het voltooide misdrijf.
      5. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.
      Zakboek Strafrecht voor de politie 2.3
  33. Ingangstijdstip ophouden voor onderzoek
    1. De termijn voor het ophouden voor onderzoek begint te lopen op het moment waarop de (hulp)OvJ beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek als bedoeld in art. 61, 1e lid, Sv (en dus niet vanaf de aankomst op de plaats verhoor/onderzoek ) en de tijd die verstrijkt gedurende de overbrenging van de verdachte naar de plaats van het onderzoek, wordt niet meegeteld bij de berekening van genoemde termijn van zes uren. Zie hierover ook het einde van 4.11. Het tijdstip van het bevel ophouden voor onderzoek is niet altijd gelijk aan het tijdstip van de voorgeleiding (zeker niet bij voorgeleidingen die langer duren en/of waarbij enige tijd is gebruikt voor nader overleg).

      Tot slot: ook dus als een aangehouden verdachte al op straat (bijv. bij een grote grens/verkeerscontrole) wordt voorgeleid aan een hulpOvJ en deze daarbij beveelt dat die verdachte voor onderzoek wordt opgehouden (en overgebracht dient te worden naar een politiebureau) dan begint vanaf dat bevel (de voorgeleiding) de onderzoekstijd te lopen.

      Met dank aan Henk Meijer
      docent politieacademie
      Zakboek HulpOvJ 4.13
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.13
  34. Tapgesprek met professioneel verschoningsgerechtigde (advocaat, pastoor, arts, incl. afgeleid verschoningsgerechtigde zoals secretaresse, verpleegster, enz.)
    1. De regels rond de afhandeling van een tapgesprek met een professioneel verschoningsgerechtigde behoeven blijvende aandacht. Vandaar nogmaals de onderstaande punten.

      1. De OvJ voegt pv´s en andere voorwerpen verkregen door bijzondere opsporingsbevoegdheden (zoals tappen) bij de processtukken
      2. echter: indien vallend onder verschoningsrecht van professioneel verschoningsgerechtigde: vernietigen na opdracht OvJ
      3. indien niet vallend onder verschoningsrecht: alleen voegen/gebruiken met machtiging RC
      4. de opsp. ambt. die kennisneemt van mededelingen gedaan door of aan een professioneel verschoningsgerechtigde, stelt hiervan de OvJ onverwijld in kennis (zie vervolgens weer punt 2 en 3).

      Aldus 126aa, het daarop gebaseerde besluit én de instructie van de PG's. Zie tevens het zakboek hulpOvJ 9.17 en 9.21 of opsp. ambt. 8.17 en 8.21.

      En aanvullend uit jurisprudentie:

      5. voornoemde regels gelden ook bij een afgeleid verschoningsrecht;
      6. niet van belang is of een verdachte of een derde de betreffende gesprekken met de verschoningsgerechtigde voerde;
      7. bij schending van het verschoningsrecht mag het verkregen bewijs tegen geen enkele verdachte gebruikt worden;
      8. een tap op de aansluiting van een (afgeleid) professioneel verschoningsgerechtigde is niet geoorloofd, tenzij deze zelf verdachte is;
      9. ook een gesprek met een professioneel verschoningsgerechtigde waarbij alleen een afspraak gemaakt wordt valt onder voornoemd verschoningsrecht (bijvoorbeeld een afspraak tussen een verdachte en de secretaresse van een advocaat). Aanhouding verdachte dankzij afspraak aldus onrechtmatig;
      10. schending van de met de bescherming van het verschoningsrecht samenhangende rechtsregels is even ernstig als een mogelijk directe schending van het verschoningsrecht zelf;
      11. gebruik van dit soort info als ‘sturingsinfo' of binnen het verhoor van een verdachte of getuige is ook niet toegestaan (tenzij er uiteraard een machtiging van de RC is).

      Handelen in strijd met deze regelgeving en jurisprudentie zal leiden tot bewijsuitsluiting en mogelijk zelfs niet-ontvankelijkheid van het OM (einde zaak) (en ook mogelijk een intern onderzoek naar deze 'misser')!!

      Slechts in zéér uitzonderlijke gevallen zou een uitzondering gemaakt kunnen worden op voornoemde regelgeving. Neem daarvoor altijd contact op met de OvJ.

      Zie uitgebreid (inclusief recente jurisprudentie) het zakboek HulpOvJ en vertel het door!!!

      Zakboek HulpOvJ 9.16 en 9.21
      Zakboek Opsporingsambtenaar 8.16 en 8.21
  35. In kennis stellen consulaat bij insluiting 'buitenlander'.
    1. Bij het insluiten van een ‘buitenlander’ (niet-ingezetene) geldt ingevolge art. 27 van de ambtsinstructie dat op verzoek van die ingeslotene de ambassade of het consulaat van het 'thuisland' op de hoogte gesteld moet worden van de insluiting (tenzij Sv zich daartegen verzet).

      En ingevolge art. 36 van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen dient daarbij de ingeslotene ook daadwerkelijk op diens recht gewezen te worden dat hij aan de insluitende autoriteiten kan verzoeken het consulaat van zijn thuisland in kennis te stellen van zijn insluiting. De insluitende autoriteit heeft dus een actieve informatieplicht. Die 'insluitende autoriteit' zal in de praktijk meestal de HulpOvJ zal zijn, die immers vaak besluit om de verdachte voor onderzoek op te houden en in te sluiten.

      Art. 27 Ambtsinstructie|
      1. Voor zover het bij of krachtens Sv bepaalde zich hiertegen niet verzet stelt de ambtenaar een familielid of een huisgenoot van een ingeslotene z.s.m. op de hoogte van de insluiting. In het geval de ingeslotene minderjarig is, doet hij dit uit eigen beweging, indien de ingeslotene meerderjarig is, doet hij dit slechts op verzoek van de ingeslotene.
      2. Indien de omstandigheden de uitvoering van het 1e lid niet toelaten bij een ingeslotene die geen ingezetene is, wordt de ambassade of het consulaat van het land waarin de ingeslotene ingezetene is, op de hoogte gesteld van de insluiting.

      Art 36 van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen
      1. Ten einde de uitoefening van de consulaire werkzaamheden met betrekking tot onderdanen van de zendstaat te vergemakkelijken:
      (a) (…)
      (b) moeten de bevoegde autoriteiten van de ontvangende Staat de consulaire post van de zendstaat onverwijld ervan in kennis stellen, dat binnen zijn ressort een onderdaan van die Staat is gearresteerd, gevangengenomen of in voorarrest is geplaatst of op enigerlei andere wijze in verzekerde bewaring wordt gesteld, indien de betrokkene zulks verzoekt. Elke mededeling aan de consulaire post gericht door de gearresteerde, zich in gevangenschap of in voorlopige hechtenis bevindende of anderszins vastgehouden persoon wordt door bovengenoemde autoriteiten eveneens onverwijld overgebracht. Bovengenoemde autoriteiten dienen de betrokken persoon onverwijld van zijn rechten krachtens deze alinea in kennis te stellen;


      Met dank aan Henk Vijverberg
      Procesmanagement Opsporing
      Politie Haaglanden
      Zakboek HulpOvJ 4.12 en 4.28
  36. Huis/lokaal/erf-vredebreuk en ontzeggingen
    1. Art. 138 lid 1 Sr (huis/lokaal/erf-vredebreuk) Hij die in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

      139 lid 1 Sr (voor openbare dienst bestemd lokaal) Hij die in een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringt, of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. De strafbepalingen van het 1e lid zijn in twee afzonderlijk strafbare delen te knippen: 1: het wederrechtelijk binnendringen en   2: het wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op vordering van of vanwege de rechthebbende verwijderen. 

      De politie wordt in toenemende mate geconfronteerd met ontzeggingen door de rechthebbende om in een bepaalde locatie (bijv. een winkel of voetbalstadion) te verblijven. De overtreder van zo'n bevel is strafbaar (mits uiteraard het binnendringen wederrechtelijk was) en voor die strafbaarheid behoeft dan ook niet meer gevorderd te worden. Er is immers sprake van binnendringen en dat is in art. 138 zelfstandig strafbaar gesteld (naast dus het wederrechtelijk vertoeven en zich niet op vordering verwijderen).

      In een eventueel op te maken pv ter zake het wederrechtelijk ‘binnendringen’ zal duidelijk moeten blijken waaruit de wil van de rechthebbende voor de verdachte is gebleken voordat de verdachte de betreffende plaats tegen die wil betrad. Bij ontzeggingen is er vaak aan de verdachte een schriftelijke ontzegging uitgereikt, waarvan eenzelfde exemplaar, ondertekend door de verdachte, nog bij de rechthebbende berust. Het origineel van die ontzegging of een kopie conform dat origineel moet zo mogelijk bij het pv gevoegd worden, zeker als de verdachte ontkent.

      Zakboek Stafrecht voor de Politie, 4.11 
  37. Bedreiging (art. 285 Sr): belangrijkste punten voor de politiepraktijk
    1. degene die bedreigd is hoeft zich niet bedreigd te voelen;
    2. ook een poging bedreiging is strafbaar;
    3. bedreiging wordt genoemd als misdrijf waarvoor vh is toegelaten en er kunnen dus zware dwangmiddelen worden toegepast (ook bij poging), zoals aanhouding buiten heterdaad, ivs, vh, enz.
    4. uitlatingen gericht tot X maar betrekking hebbende op Y kunnen ook een strafbare bedreiging van X opleveren!
    5. als er angst bestaat dat de bedreiger zijn bedreigingen uitvoert (bijvoorbeeld zware mishandeling, doodslag of zware mishandeling), dan kan dat een grond voor vh opleveren (zesjaars grond en/of gezondheid/veiligheid personen).
    6. bedreiging levert bij een eerdere veroordeling voor bepaalde genoemd misdrijf ook een zelfstandige grond voor vh op;
    7. bij herhalende en/of ernstige bedreigingen wordt ibs en aansluitend gevangenhouding gevorderd én vaak ook verleend: neem in dit soort zaken dus altijd contact op met de (hulp)OvJ.

      Zie over voornoemde punten uitgebreid het zakboek Strafecht voor de Politie 2008 onder de bespreking van bedreiging!
  38. Laten vergezellen bij binnentreden?
    1. Let op machtiging! Ingevolge art. 8 lid 2 van de Awbi kan degene die bevoegd is zonder toestemming van de bewoner binnen te treden, zich door anderen doen vergezellen. Te denken valt hierbij aan collega-opsporingsambtenaren, leden van de forensische opsporing, automatiseringsdeskundigen maar ook aan bijv. iemand van een energiebedrijf bij het oprollen van een hennepkwekerij. Voor dit 'vergezellen' vereist art. 8 lid 2 wel dat dit voor het doel van het binnentreden redelijkerwijs wordt vereist en, indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt. Aan dat laatste ontbreekt het nog wel eens en dat leidt vaak tot bewijsuitsluiting van gevonden bewijsmateriaal en vervolgens door gebrek aan ander bewijs tot vrijspraak.

      Zakboek HulpOvJ 7.3
      Zakboek Opsporingsambtenaar 6.3
  39. Herkenning verdachte vanaf print door opsporingsambtenaar
    1. Regelmatig worden misdrijven door bewakingscamera's geregistreerd en vastgelegd. Bij een onbekende verdachte plaatst de behandelend opsporingsambtenaar vaak een foto van die camerabeelden waarop de verdachte te zien is op het interne korpsnet met de vraag of collega's de verdachte herkennen. Meer dan incidenteel herkent vervolgens een collega-opsporingsambtenaar ergens uit de regio de verdachte. Die opsporingsambtenaar maakt dan een pv op, vermeldt daarin dat hij de verdachte ambtshalve herkent en vermeldt vervolgens de personalia. Helaas ontbreekt daarbij vaak waaraan die opsporingsambtenaar de verdachte herkend heeft. Bijv. dat die opsporingsambtenaar als buurtregisseur (wijkagent) de verdachte "tig" keer heeft bezocht vanwege problemen in het gezin of bijv. al vaker onderzoek heeft gedaan naar deze verdachte en hem ook al eerder een aantal keren heeft verhoord. In ieder geval wordt dan duidelijk dat die opsporingsambtenaar de betreffende verdachte (vaker) in persoon heeft gezien en hem daarvan dus herkent (en kan herkennen). Een dergelijke vermelding maakt de bewijskracht van de herkenning groter en is in zaken waarin de verdachte ontkent van groot belang!
      Met dank aan Hilbrand Pastoor
      Parketsecretaris (hopper) Amsterdam
  40. Ademanalyse en mogelijke sabotage door verdachte 
    1. "in de praktijk kunnen zich verschillende situaties voordoen waarin de verdachte weliswaar medewerking verleent aan de uitvoering van de ademproef doch zonder dat deze kan worden voltooid. Dit kan het gevolg zijn van al dan niet gesimuleerd onvermogen van de verdachte maar ook van technische gebreken of verkeerde bediening van de apparatuur. Omdat de precieze oorzaak van dit falen vaak niet kan worden achterhaald en de rechtszekerheid toch een duidelijke oplossing vraagt, is (..) ook voor dit geval de mogelijkheid van een bloedproef voorzien", aldus de (oude) MvT bij de alcoholwetgeving. Aldus bij twijfel overgaan tot het vragen van toestemming voor een bloedproef en bij het niet geven van die toestemming vorderen (zie art. 163,5). Uiteraard dient het eventueel op te maken pv de gang van zaken goed weer te geven.

      Zakboek HulpOvJ 11.10
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.10
  41. Tappen
    1. Voor tappen op basis van art. 126m is niet alleen een 67,1-misdrijf vereist maar ook dat dit misdrijf gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Iets wat nog wel eens over het hoofd gezien wordt. 

      Zakboek HulpOvJ 9.15 en 9.1
      Zakboek opsp. ambt. 8.15 en 8.1
  42. Praktische tips voor contacten met OvJ
    1. Voor het telefonisch bespreken van zaken door de hulpOvJ met de OvJ kunnen de volgende tips gegeven worden:
      - noem uw naam, functie (hulpOvJ), naam regiokorps en afdeling/district waarbij u werkzaam bent;
      - vertel direct waarvoor u belt (begin dus niet met de casus):
      * toepassing van een dwangmiddel (bijvoorbeeld aanhouding buiten heterdaad, voorgeleiding, tap, observatie, enz.)
      * ander onderwerp (bijvoorbeeld vrijgave stoffelijk overschot, beslagbeslissing, inzet AT, kraakzaak, enz.).
      - Zet de casus kort uiteen. Niet volstaan kan worden met een korte mededeling waarover gebeld wordt en vervolgens het voorstel om de opsp. ambt. die met het onderzoek is belast het verder te laten uitleggen. De OvJ verwacht dat de hulpOvJ zich in de zaak verdiept heeft, vragen kan beantwoorden én zichzelf ook een mening heeft gevormd over wat er moet gebeuren.

      Bij een voorgeleiding ter ibs is de volgende informatie vereist:
      - vermoedelijk gepleegde strafbare feiten met pleegplaatsen en pleegtijdstippen;
      - ernstige bezwaren (kort opgesomd) en grond(en) vh (zie respectievelijk 3.32 en 4.36);
      - persoonsgegevens verdachte;
      - minderjarige/veelpleger?
      - antecedenten (strafblad);
      - tijdstip aanhouding en ivs;
      - bij minderjarige: nagaan of Raad voor de Kinderbescherming al is geweest en mogelijk al ideeën heeft geuit over voortgang zaak;
      - naam raadsman van verdachte;
      - eventuele bijzonderheden.

      En bij een aanhouding buiten heterdaad de volgende informatie:
      - naam verdachte;
      - feit en datum feit;
      - feiten/omstandigheden die aanleiding geven tot redelijk vermoeden (zie 2.1);
      - antecedenten;
      - datum/tijdstip te verwachten aanhouding;
      - eventuele bijzonderheden.

      Zakboek Hulpofficier 1.6
  43. Binnentreden en voortgezette toepassing
    1. Ingevolge het Geweerarrest mag een opsp. ambt. eenmaal binnengetreden met een machtiging voor een bepaald doel (bijvoorbeeld ter aanhouding) ook andere hem toekomende bevoegdheden uitoefenen die nodig zijn voor een onverwacht aangetroffen situatie (bijvoorbeeld ibn van vuurwapens/drugs). De ook vaak voorkomende variant is het binnentreden zonder toestemming van de bewoner in een woning ter hulpverlening (art. 8 lid 2 Politiewet). Bijv. bij brand, ernstige wateroverlast, eerste hulpverlening, enz. enz. Ingevolge art. 2 lid 2 van de Awbi is voor dit binnentreden géén machtiging vereist als ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen terstond in de woning moet worden binnengetreden. Vervolgens wordt er een hennepkwekerij of een lijk aangetroffen. Heeft de opsp. ambt. na het eerste binnentreden echter de woning verlaten (bijvoorbeeld voor overleg met een hulpOvJ of andere collega) en wil hij de betreffende woning wederom voor dat nieuwe doel (opsporing hennepkwekerij of kapitaal delict) betreden dan geldt mijns inziens de Awbi weer in zijn volle omvang (toestemming of machtiging, enz. enz.). Hetzelfde geldt mijns inziens voor andere opsporingambtenaren die de woning willen betreden om hun collega’s te helpen. Bijv. bij het ontmantelen van een hennepkwekerij of het betreden door de forensische opsporing (bevoegdheid is dan gebaseerd op bijv. art. 9 Opiumwet of art. 96 Sv: alleen zoekend rondkijken en mogelijk ibn!).

      Zakboek Hulpofficier 7.9
      Zakboek Opsporingsambtenaar 6.9
  44. Uitstellen of achterwege blijven van vervroegde invrijheidstelling
    1. Zoals wellicht bekend kennen wij in Nederland de regeling van "vervroegde invrijheidstelling". En die houdt grofweg in dat een tot onvoorwaardelijke vrijheidsstraf veroordeelde vervroegd in vrijheid wordt gesteld als hij tweederde van die vrijheidsstraf heeft ondergaan. Zie hiervoor art. 15 Sr. 

      Vervroegde invrijheidstelling kan ingevolge art. 15a lid 1 Sr echter uitgesteld of achterwege blijven:
      a. als de veroordeelde onherroepelijk is veroordeeld terzake van een vh-misdrijf en dat is begaan na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf; 
      b. als is gebleken dat de veroordeelde zich anderszins na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zeer ernstig heeft misdragen; 
      c. de veroordeelde na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zich hieraan onttrekt of hiertoe een poging doet.

      En ingevolge art. 15 lid 5 kan de vervroegde invrijheidstelling tevens worden uitgesteld of achterwege als de punten a t/m c hiervoor vermeldt zich hebben voorgedaan tijdens ondermeer de ivs, vh of de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting voor klinische observatie. 

      Neem hierover dus in voorkomende gevallen contact op met de OvJ. Zie hierover zonodig verder art. 15a e.v. Sr en de aanwijzing PG's.
      Met dank aan de OvJ's Van Kooij en Maclean.
  45. Oplichting: voordoen als huurder

    1. De enkele omstandigheid dat men zich in strijd met de waarheid voordoet als een bonafide huurder die niet in staat en voornemens is het gehuurde goed na de huurperiode terug te geven levert geen valse hoedanigheid of een listige kunstgreep op (HR, NJ 2002-262). 
      Dit zou pas anders kunnen zijn als de verdachte zich als een min of meer professionele marktpartij heeft voorgedaan waarmee naar de huurder toe een bovengemiddeld vertrouwen werd gewekt. Daarvan is bijv. sprake indien iemand zich voordoet als ondernemer (of vertegenwoordiger van een onderneming) en daarbij levering van een zaak of een vorm van dienstverlening verlangt zoals dat tussen ondernemers doorgaans zonder meer geschiedt, en waarbij zekerheden zoals borgstelling niet worden verlangd (zie HR, NJ 2000-383).

      Zakboek Strafrecht voor de politie, 17.1.

  46. Vrijwillige terugtred bij poging en voorbereiding 10a Opiumwet

    1. Art. 46b Sr (vrijwillige niet-voltooiing) is niet van toepassing bij de voorbereidingsdelicten die in art. 10a Opiumwet zelfstandig strafbaar zijn gesteld. De reden is, dat terugtreding hier nooit kan wegnemen dat door toedoen van de dader het aanmerkelijk risico is geschapen dat voor de volksgezondheid hoogst schadelijke stoffen in het illegale circuit zouden terechtkomen (HR / Nota n.a.v. verslag).

      Zakboek Strafrecht voor de politie 2.6.

  47. Opsporingsfouillering vereist aanhouding

    1. Alleen een aangehouden verdachte (tegen wie ernstige bezwaren bestaan) mag door een opsporingsambtenaar aan de kleding worden onderzocht. Iets wat in de praktijk helaas regelmatig mis gaat.

      Art. 56 Sv
      Zakboek HulpOvJ 5.2
      Zakboek Opsp. ambt. 4.2

  48. Aangiften van slachtoffers en/of nabestaanden van geweld door de politie en aangiften van nabestaanden van burgers/verdachten die overlijden (na verblijf) in een politiebureau (cel) gevolgd door klacht art. 12 Sv  (2.17 en 3.25)
    1. Slachtoffers en/of nabestaanden van geweld door de politie en nabestaanden van burgers/verdachten die overlijden tijdens of na verblijf in een politiebureau (cel) lijken in toenemende mate aangifte van strafbare feiten te doen en dat zal de komende jaren naar mijn inschatting niet minder worden. Als het OM besluit zo’n aangifte te seponeren dan kan het slachtoffer of een nabestaande daarover klagen bij het Gerechtshof (geldt overigens voor iedere sepotbeslissing). Zie hiervoor art. 12 Sv e.v. Het Hof kan na onderzoek van de klacht bevelen dat de beklaagde alsnog vervolgd wordt. In een aantal recente zaken hebben gerechtshoven inderdaad alsnog vervolging van één of meer politieambtenaren gelast (door een bevel tot dagvaarding of een gvo voor nader onderzoek zoals een reconstructie en/of het horen van getuigen). Ook zijn het afgelopen jaar door rechters vele kritische kanttekeningen geplaatst bij overheidsgeweld en/of overlijden tijdens of na verblijf in een politiebureau (cel). In een enkele zaak werd door de rechter zelfs opgemerkt dat dit tevens als een signaal gezien moet worden aan het Openbaar Ministerie om, zeker wanneer het gaat om mogelijk dodelijk overheidsgeweld, het onderzoek voortaan van meet af aan voldoende nauwkeurig en zorgvuldig te laten zijn (Hof Amsterdam 05-06-07, LJN BA6609 (zie ook hierna); Hof Amsterdam 12-12-06, LJN AZ4607; Hof Amsterdam 16-02-07 AZ8826 en Hof Arnhem 29-01-07, LJN AZ7297). En dat geldt uiteraard ook voor de politie/hulpOvJ (waarbij natuurlijk in de eerste plaats geldt dat voorkomen beter is dan genezen). Ik kan het niet genoeg benadrukken: een blijvend punt van zorg en aandacht!! Bestudering van de hiervoor weergegeven jurisprudentie arresten kan hierbij zeker helpen!
  49. Beslag in het pv
    1. Grofweg kunnen voor ibn de volgende regels gegeven worden:
      1. voorkom overmatig beslag;
      2. omschrijf voor zover van toepassing de bevoegdheid op grond waarvan het in beslag te nemen voorwerp is aangetroffen;
      3. omschrijf de beslagbevoegdheid;
      4. omschrijf onder wie het voorwerp in beslag genomen is;
      5. werk het beslag zo snel en zoveel mogelijk af;
      6. maak een overzicht afwerking beslag per beslagene;
      7. maak een overzicht restant beslag per beslagene.
      En bij dit alles dient ook nog aan de beslagformaliteiten voldaan te worden. Het opvolgen van deze regels zal de verwerking van een strafzaak bespoedigen (minder vragen/aanvullende pv's).

      Zakboek Procesverbaal 14.1.
  50. Valse hoedanigheid (oplichting): de eetpiraat
    1. Een valse hoedanigheid omvat niet alleen dat de oplichter valselijk doet voorkomen dat hij een bepaald beroep of een bepaalde functie uitoefent. Ook het valselijk optreden in een rechtsverhouding waaraan bepaalde rechten en bevoegdheden kunnen worden ontleend kan een valse hoedanigheid en dus oplichting opleveren. Een voorbeeld van zo'n valse hoedanigheid is de "eetpiraat": het bestellen van maaltijden en consumpties waarvan de gast weet dat hij die niet zal of kan betalen. Aldus wordt op bedrieglijke wijze gebruik gemaakt van het in het maatschappelijk verkeer geldende patroon op grond waarvan 
      1: de restauranthouder aan de bezoeker van zijn restaurant de door deze bestelde maaltijden en consumpties verschaft in de verwachting dat zijn gast bij zijn vertrek daarvoor zal betalen en 
      2: de restaurantbezoeker overeenkomstig die verwachting handelt 
      (HR, NJ 98-497, zie ook 90-801en Rechtbank Haarlem 08-02-07, LJN BA5103).

      Zakboek Strafrecht 17.1 (art. 326 Sr).
  51. Tappen en verkregen info voegen bij processtukken of anderszins gebruiken (bijv. ter aanhouding verdachte)
    1. Nog steeds is in de dagelijkse opsporingspraktijk onvoldoende bekend dat de opsporingsambtenaar die door de uitoefening van een bijzondere opsporingsbevoegdheid (bijv. het uitluisteren van een tap) kennisneemt van mededelingen waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze zijn gedaan door of aan een professioneel verschoningsgerechtigde (advocaat, notaris, arts, enz.), hiervan onverwijld de OvJ in kennis moet stellen. Of de verdachte aan dat gesprek deelnam is daarbij in het geheel niet van belang.

      Van belang zijn art. 126aa Sv en het daaruit voortvloeiende art. 4 besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken (zie uitgebreid Zakboek HulpOvJ 9.21):
      1. de OvJ voegt pv´s en andere voorwerpen bij de processtukken;
      2. echter: indien vallend onder verschoningsrecht van professioneel verschoningsgerechtigde (bijv. een advocaat, notaris of arts): vernietigen;
      3. indien niet vallend onder verschoningsrecht: alleen voegen/gebruiken met machtiging RC;
      4. opsp. ambt. die kennisneemt van mededelingen gedaan door of aan een professioneel verschoningsgerechtigde, stelt hiervan de OvJ onverwijld in kennis (zie vervolgens weer punt 2 en 3).

      Uit de jurisprudentie blijkt aanvullend:
      5. dat voornoemde regels ook gelden bij een afgeleid verschoningsrecht (zoals een secretaresse van een advocaat kan hebben);
      6. dat niet van belang is of een verdachte of een derde de betreffende gesprekken met de verschoningsgerechtigde voerde;
      7. dat bij schending van het verschoningsrecht het verkregen bewijs tegen geen enkele verdachte gebruikt mag worden;
      8. dat een tap op de aansluiting van een (afgeleid) professioneel verschoningsgerechtigde niet geoorloofd is, tenzij deze zelf verdachte is;
      9. dat schending van de met de bescherming van het verschoningsrecht samenhangende rechtsregels even ernstig is als een mogelijk directe schending van het verschoningsrecht zelf;
      10. dat ook een gesprek met een professioneel verschoningsgerechtigde waarbij alleen een afspraak gemaakt wordt ook onder voornoemd verschoningsrecht valt (bijv. een afspraak tussen een verdachte en de secretaresse van een advocaat). Aanhouding verdachte dankzij afspraak aldus onrechtmatig (Hof Den Haag 03-04-07, LJN BA2127).

      Handelen in strijd met deze regelgeving en jurisprudentie zal leiden tot bewijsuitsluiting en mogelijk zelfs tot niet ontvankelijkheid (einde zaak)!!

      Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen zou een uitzondering op voornoemde regelgeving gemaakt kunnen worden. Neem daarvoor altijd contact op met de OvJ.

      Zakboek HulpOvJ 3.19, 9.16 en 9.21.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.17, 8.16 en 8.21.
  52. Toezeggingen door opsporingsambtenaar
    1. De OvJ kan gebonden zijn aan een door een opsporingsambtenaar gedane toezegging over vervolging. Voorbeeld van zo'n toezegging kan zijn dat de verdachte na uitreiking van een dagvaarding zou worden heengezonden. En dat kan er weer toe leiden dat een verdachte door de RC niet in bewaring gesteld wordt vanwege de door een opsporingsambtenaar gedane maar aan de OvJ toe te rekenen toezegging.
      Kortom: alleen toezeggingen over de vervolging doen (met name over het voorgeleiden en/of het seponeren van zaken) als deze besproken zijn met de OvJ en over de inhoud geen misverstanden kunnen ontstaan!!
  53. Bloedproef: ook bij vermoeden van andere stof dan alcohol.
    1. Art. 163 WVW luidt als volgt.

      1. Bij verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met art. 8, kan de opsp. ambt. hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in art. 8, 2e lid, onderdeel a en art. 8, 3e lid, onderdeel a (MH: ademanalyse).

      2. De bestuurder aan wie het in het 1e lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de opsp. ambt. ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

      3. De in het 2e lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.

      4. In het geval bedoeld in het 3e lid, dan wel indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, kan de opsp. ambt. de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in art. 8, 2e lid, onderdeel b en art. 8, 3e lid, onderdeel b. Gelijke bevoegdheid heeft de opsp. ambt., indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed van een andere in art. 8 lid 1 bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeert.

      En dan de tip.

      De hiervoor cursief afgedrukte zin moet worden opgevat als een vermoeden dat de verdachte:
      1. of verkeert onder invloed van een of meer andere stoffen dan alcohol die, al dan niet in combinatie, de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden
      2. of verkeert onder invloed van minstens één van die andere stoffen én alcohol, terwijl de combinatie daarvan de rijvaardigheid kan beïnvloeden.
      En in beide gevallen mag dus worden overgegaan tot het vragen van toestemming tot het verrichten van bloedonderzoek en vervolgens bij niet verlenen van die toestemming tot het bevelen zich daaraan te onderwerpen.
      HR 27-02-07, LJN AZ4077 (zie ook conclusie van de PG)
  54. Vordering uitlevering voorwerpen (art. 96a)
    1. Op grond van art. 96a Sv mag alleen uitlevering van voorwerpen gevorderd worden en dus niet de uitlevering van opgeslagen gegevens (in een computer of op een andere gegevensdrager). "Gegevens" vormen immers geen "voorwerp".

      Voor “uitlevering van” gegevens zijn de artikelen 126n (telecom) en 126nc (overige gegevens) e.v. geschreven (zie 9.14 en 9.18).

      En ingevolge de kamerstukken en de aanwijzing opsporingsbevoegdheden van het college van PG's mag géén bevel uitlevering van voorwerpen gegeven worden als met een vordering uitlevering gegevens kan worden volstaan.

      Zakboek HulpOvJ 6.10 en 9.19.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 5.10 en 8.19.
  55. Doorzoeking door de RC onder aanwezigheid van de OvJ óf hulpOvJ
    1. Bij een doorzoeking door de RC waarbij de OvJ verhinderd is moet er (per locatie) een hulpOvJ aanwezig blijven. Ook indien de OvJ wél meegaat op zoeking dient er een hulpOvJ (per locatie) aanwezig te blijven indien de OvJ "meereist" met de RC naar een andere locatie of om een andere reden de betreffende locatie verlaat.

      Zakboek HulpOvJ 6.16
      Zakboek Opsporingsambtenaar 6.16
  56. Onderzoek aan het lichaam naar tatoeages en/of letsel
    1. Onderzoek aan lichaam behoeft niet gericht te zijn op inbeslagneming. Zo zou dit dwangmiddel ook toegepast kunnen worden om te kijken of zich op het lichaam van verdachte tatoeages bevinden maar ook om te onderzoeken of de verdachte zelf ook gewond is geraakt (blauwe plekken en/of ander letsel). Dat laatste kan van belang zijn in het kader van bijv. een mogelijk noodweer- of noodweerexcesverweer. 

      Zakboek HulpOvJ 5.2.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 4.2. 
  57. Klacht
    1. Helaas zie ik nog steeds regelmatig zaken op zitting, bij voorgeleidingen én in de jurisprudentie waarbij er sprake is van een (oud) klachtmisdrijf en er zich géén klacht in het dossier bevindt. Dat kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM: einde zaak...
      Daarom in het kort nogmaals de belangrijkste tips over de klacht op een rijtje.

      1. Check bij klachtmisdrijven of er ook klacht is gedaan

      2. Overzicht klachtmisdrijven

      2a. Absolute klachtmisdrijven:
      - art. 261 t/m 271: "beledigings"misdrijven, zie art. 269 Sr. Een klacht is weer niet vereist indien de belediging wordt aangedaan aan het openbaar gezag, een openbaar lichaam of een openbare instelling of een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
      - art. 272 en 273 (schending van geheimen);
      - art. 281 (schaking);
      - art. 284,1,2e (dwang door middel van smaad(schrift));
      - art. 285b (belaging/stalking);
      - art. 318 (afdreiging);
      - art. 420 (drukpersmisdrijven).

      2b. Relatieve klachtmisdrijven:
      - art. 310 t/m 315 (titel diefstal en stroperij) (art. 316);
      - art. 317 en 318 (titel afpersing en afdreiging) (art. 319);
      - art. 321 t/m 323a (titel verduistering) (art. 324);
      - art. 326 t/m 337 (titel bedrog) (art. 338);
      - art. 348 (benadeling schuldeisers of rechthebbenden) en
      - art. 350 t/m 352 (titel vernieling!!) (art. 353).
      Indien er sprake is van een relatief klachtdelict (door het bestaan van een in art. 316 lid 2 Sr genoemde relatie tussen de aangever en de verdachte) dan moet in de klacht worden opgenomen dat de klager de vervolging verlangt van die bepaalde verdachte. Niet volstaan kan worden met het noemen van het misdrijf. Het gaat er immers om dat vaststaat dat het slachtoffer (de klager) ondanks het bestaan van de in art. 316 Sr genoemde familierelatie met die bekende verdachte vervolging van die verdachte wenst. 
      En ingevolge 316 lid 3 Sr neemt de klachttermijn bij relatieve klachtdelicten pas een aanvang een dag nadat de identiteit van de verdachte aan de tot klacht gerechtigde bekend werd.

      3. Herstel verzuim klacht.
       
      Indien blijkt dat een klager overeenkomstig de desbetreffende wettelijke bepalingen klacht heeft willen doen (een aanvullend pv zou daar overduidelijkheid kunnen verschaffen) dan mag de omstandigheid, dat aan de klacht een formeel vereiste ontbreekt er niet toe leiden dat aan de klacht geen gevolg wordt gegeven, vooral indien het verzuim geheel kan worden toegeschreven aan de politie. De volgende arresten van de HR zijn voorbeelden van deze hoofdregel (zie voor vindplaats arresten het Zakboek HulpOvJ) 10.3 e.v.).
      - Indien een als klacht bedoeld stuk wel een aangifte maar geen verzoek tot vervolging inhoudt kan het bestaan van een klacht worden aangenomen indien komt vast te staan dat de klager ten tijde van het opmaken van bedoeld stuk de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld. Mogelijkerwijs dat ook een aanvullend pv of het verhoor van aangever/klager op de zitting in zo'n geval uitkomst kan brengen;
      - Een klacht ingediend bij een andere opsp. ambt. dan een (hulp)OvJ, mits maar vaststaat dat de klachtgerechtigde een klacht wilde indienen. Ook hier zou een aanvullend pv of een verklaring van de klager op de zitting helderheid kunnen verschaffen;
      - Een klacht moet niet noodzakelijkerwijs door de betreffende hulpOvJ zelf opgenomen worden. In het betreffende geval werd door een verbalisant in opdracht van een hulpOvJ een klacht en aangifte op schrift gesteld. Daarna werd de klacht (z.s.m.) overhandigd aan de voornoemde hulpOvJ waarna deze hulpOvJ de klacht voor "gezien" ondertekende.
      Als er alsnog een klacht opgenomen gaat worden let dan op dat de klachttermijn niet verlopen is (meestal drie maanden: zie hierover het zakboek)!!!

      4. Geen enkel ZEDENmisdrijf is sinds 01 oktober 2002 meer een klachtmisdrijf.
      De volgende zedenmisdrijven waren tot 1 oktober 2002 klachtmisdrijven:
      - art. 245:(gemeenschap met iemand tussen 12 en 16 jaar);
      - art. 247:(ontucht met iemand tussen 12 en 16 jaar) en
      - art. 248a:(verleiding van minderjarige tot ontucht).

      5. Overgangsrecht na afschaffen klacht bij zedenmisdrijven.
        
      Gelet op art. 1 Sr doet zich de vraag voor of er voor opsporing en vervolging van een voornoemd zedenmisdrijf gepleegd vóór inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving (1 oktober 2002) nog wel een klacht vereist is. Om een lang verhaal kort te maken: alhoewel de geleerden van mening verschillen of art. 1 Sr ook voor wijziging m.b.t. het klachtvereiste geldt en de HR daarover nog geen duidelijke uitspraak heeft gedaan lijkt het mij zekerheidshalve beter om uit te gaan van het oude recht: klacht opnemen dus (daarop lijkt ook HR, NJ 1997-426 te wijzen). Ook de MvT (opgenomen op deze site onder actualiteiten > wetgeving archief > zeden) bij de wetswijziging stelt (onder verwijzing naar art. 1 Sr) dat een klacht vereist is indien het feit (ook) gepleegd is vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe wet (MvT, onder artikelsgewijs, art. I, onderdelen D, E en F, onderdeel b, en art. I) en lagere rechtspraak wijst daar ook op. Wat nu als die klacht verzuimd is? Aangezien onder de oude wetgeving in afwijking van art. 64 t/m 66 Sr de  klachttermijn gelijkgesteld was aan de verjaringstermijn (art. 245,4,  247,3 en 248a,2 oud), zou er alsnog een klacht opgenomen kunnen worden. Deze bepaling is ook van toepassing op de klachttermijn van strafbare feiten die zijn gepleegd voor 1 september 1994 (inwerkingtreding verlengde  klachttermijn). Wel dient sinds 1 oktober 2002 art. 167a Sv in acht genomen te worden: terzake van een misdrijf, omschreven in art. 245, 247 of 248a Sr en gepleegd ten aanzien van een minderjarige die twaalf jaren of ouder is, stelt het OM de minderjarige zo mogelijk in de gelegenheid zijn mening over het gepleegde feit kenbaar te maken. 

      6. Tot slot
      - Zie over de aangifte en klacht uitgebreid het Zakboek HulpOvJ 10.4 e.v. of het Zakboek Opsporingsambtenaar 9.2 e.v.
      - Zie voor een valse aangifte of klacht art. 188 en 268 Sr en voor een bespreking daarvan het zakboek Strafrecht voor de politie.
  58. Bloedproef op andere locatie (ziekenhuis) in plaats van ademanalyse op het bureau.
    1. Na een aanrijding was de verdachte overgebracht naar het ziekenhuis alwaar hij medisch werd onderzocht. Aldaar werd van de verdachte met diens toestemming een bloedproef afgenomen.
      a. Ademonderzoek behoort plaats te vinden daar waar het voor dat onderzoek bestemde apparaat aanwezig is en waar kan worden voldaan aan de voorschriften met betrekking tot de analyseapparatuur.
      b. In het in art. 163,3 WVW bedoelde geval dat "het door de verdachte verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is" kan ingevolge art. 163,4 WVW door de daar bedoelde opsp. ambt. aan de verdachte worden verzocht of hij zijn toestemming geeft voor het ondergaan van een bloedproef.
      c. Die opsp. ambt. is gerechtigd tot het doen van dat verzoek indien hij ten tijde van dat verzoek het bestaan van die bijzondere geneeskundige redenen in redelijkheid kan aannemen.
      d. Van het bestaan van die bijzondere geneeskundige redenen is ook sprake indien de verdachte op medische gronden niet in staat is zijn medewerking te verlenen aan een op de daartoe aangewezen plaats (MH: het politiebureau) te houden ademonderzoek. MH: bijv. dus omdat de verdachte na een aanrijding was overgebracht naar het ziekenhuis alwaar hij medisch onderzocht werd.

      Uiteraard dient de gang van zaken goed in het pv verwoord te worden (zo mogelijk inclusief het letsel)!

      Zakboek Hulpofficier 11.18.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.18
  59. Machtiging binnentreden woning voegen bij pv
    1. De HR heeft in het verleden meermalen beslist dat het niet vereist is dat de machtiging binnentreden zonder toestemming in een woning zich bevindt bij de processtukken. Inmiddels ben ik van mening dat dit maar beter wel kan gebeuren. Ervaring leert dat op zitting nogal eens verweren gevoerd worden over het vermoedelijk niet juist ingevuld zijn van de machtiging en de praktijk leert dat de rechter dan toch vaak de machtiging wil zien om een en ander te controleren. De strafzaak wordt dan "aangehouden" om de machtiging alsnog bij de processtukken te laten voegen.
      En bij een strafzaak terzake verzet tegen het binnentreden moet de machtiging zich wél altijd bij de stukken bevinden omdat de rechtmatigheid van het optreden van de betreffende ambtenaar (in dit geval dus het binnentreden) uit de bewijsmiddelen moet blijken.

      Zakboek Hulpofficier 7.13.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 6.13.
  60. Letsel/betrouwbaarheid aangifte, letsel verdachte
    1. In alle zaken waarbij er volgens de aangever geweld is gebruikt, verdient het aanbeveling om in het pv te vermelden of de aangever letsel heeft opgelopen en zo ja, wat voor letsel. Waar mogelijk zou naast een eventuele medische verklaring ook een foto van dat letsel bij het pv gevoegd kunnen worden. Dit kan de betrouwbaarheid van de betreffende aangifte ten goede komen. En inderdaad, mocht de verdachte (ook) letsel hebben opgelopen (in wat voor zaak dan ook) dan dient dat uiteraard ook omschreven te worden in het pv (met waar mogelijk een foto en/of een medische verklaring).
      Zakboek Proces-Verbaal en Bewijsrecht 16.19
      Met dank aan OvJ Vuylsteke
  61. Doorzoeken ter aanhouding (art. 55a Sv)
    1. "Doorzoeken" betreft elke vorm van onderzoek die verder gaat dan het zoekend rondkijken. Heel snel wordt vergeten dat deze regel ook opgaat bij de vaak eenvoudige doorzoeking ter aanhouding en dat voor die doorzoeking in beginsel een machtiging van de OvJ vereist is. De enige uitzondering daarop vormt dringende noodzakelijkheid. In dat geval moet de OvJ onverwijld van de doorzoeking op de hoogte gesteld worden (art. 55a Sv, zakboek Hulpofficier 4.8, Zakboek Opsporingsambtenaar 3.8). Met dank aan Henk van Hoevelaken, Docent strafrecht/milieurecht Stichting Politie Vormingscentrum te Vaassen. Tenslotte nog van de auteur van de zakboeken: de bevoegdheid tot doorzoeking mag zich niet verder uitstrekken dan voor de aanhouding van de betrokkene noodzakelijk is. De doorzoeking dient te eindigen als de aanhouding van de betrokkene is voltooid.

      Art. 55a Sv.

      Zakboek Hulpofficier 4.8.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.8.

  62. Uitingen die verklaringsvrijheid kunnen belemmeren (art. 285a)
    1. Art. 285a Sr

      1. Hij die opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift of afbeelding zich jegens een persoon uit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
      2.
      Met rechter of ambtenaar wordt gelijkgesteld: een rechter bij onderscheidenlijk een persoon in de openbare dienst van een internationaal gerecht dat zijn rechtsmacht ontleent aan een verdrag waarbij het Koninkrijk partij is.

      In de praktijk maak ik het regelmatig mee dat een verdachte die ontslagen wordt uit diens ivs of vh contact zoekt met de getuige die tegen hem, verdachte, een belastende verklaring heeft afgelegd. Doet deze verdachte dit ‘kennelijk om de vrijheid van de getuige om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar (MH: dus ook een politieambtenaar) een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd’ dan levert dit een verdenking van overtreding van art. 285a Sr op. En dat geldt bijvoorbeeld natuurlijk ook voor degene die dat namens de verdachte meent te moeten doen. Op dit feit staat vh zodat aanhouding buiten heterdaad, ivs en vh mogelijk is.

      Art. 285a is aldus van groot belang voor de dagelijkse opsporingspraktijk, immers:
      1. strekking van de bepaling is te voorkomen dat getuigen door dreigementen of op andere manieren worden beïnvloed en daardoor niet meer in vrijheid een verklaring kunnen afleggen bij de rechter of bij een (politie)ambtenaar;
      2. de bepaling beperkt zich niet alleen tot getuigen of deskundigen, maar ziet op een ieder die een verklaring die rechtsgevolgen kan hebben tegenover een rechter of ambtenaar wil afleggen;
      3. De strafbepaling geldt ook voor verhoor in politiële fase. Een voorbeeld van een verklaring is een aangifte of klacht terzake een strafbaar feit gedaan bij de politie;
      4. onder dit art. valt ook:
      A. de beïnvloeding van een getuige om terug te komen op een eerder afgelegde verklaring of die verklaring te wijzigen (ook de poging van een advocaat tot uitlokking van de beïnvloeding van een getuige);
      B. de beïnvloeding van een persoon waardoor deze zich genoodzaakt ziet de verklaring helemaal niet af te leggen (en weg te blijven).
      Zakboek Strafrecht voor de politie 11.9
  63. art. 6 WVW (dood/letsel door schuld in het verkeer) en voorlopige hechtenis (voorgeleiden)
    1. Artikel 6 WVW
      Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat.

      Artikel 175 (strafbepaling art. 6 WVW) (check zo mogelijk altijd op www.overheid.nl):
      1. Overtreding van art. 6 wordt gestraft met:
      a. gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;
      b. gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
      2. Indien de schuld bestaat in roekeloosheid, wordt overtreding van art. 6 gestraft met:
      a. gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;
      b. gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
      3. Indien de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in art. 8, eerste, tweede of derde lid, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel, gegeven krachtens art. 163, tweede, zesde, achtste of negende lid, of indien het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, dan wel zeer dicht achter een ander voertuig is gaan rijden, geen voorrang heeft verleend of gevaarlijk heeft ingehaald kunnen de in het eerste en tweede lid bepaalde gevangenisstraffen met de helft worden verhoogd.

      Consequenties voor vh


      Vh toegelaten op meeste verschijningsvormen van art. 6 WVW

      Aldus staat er in de volgende gevallen vier jaar of meer bedreigd op overtreding van art. 6 WVW met de dood als gevolg en is er dus vh mogelijk (art. 175 WVW):
      1. bij roekeloosheid (6 jaar: art. 175 lid 2 onder a);
      2. als de verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in art. 8, eerste, tweede, derde of vierde lid WVW (4 jaar en 6 maanden: art. 175 lid 3 i.v.m. lid 1);
      3. als de verdachte niet voldoet aan een bevel ademanalyse, bloed- of urineonderzoek het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat de verdachte de maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, dan wel zeer dicht achter een ander voertuig is gaan rijden, geen voorrang heeft verleend of gevaarlijk heeft ingehaald(4 jaar en 6 maanden: art. 175 lid 3 i.v.m. lid 1).

      En ingevolge art. 67,1 Sv staat er óók vh op 6 WVW met alleen 6 WVW-letsel in de hiervoor genoemde drie gevallen!

      Grond voor vh
      zou kunnen zijn (zie voor gronden het Zakboek HulpOvJ 4.36 of opsp. ambt. 3.29)

      1. Waarheidsvinding
      : indien de vh in redelijkheid noodzakelijk is voor het, anders dan door verklaringen van de verdachte, aan de dag brengen van de waarheid (zogenaamd "collusiegevaar": de kans dat de verdachte na vrijlating het opsporingsonderzoek zal belemmeren, bijv. door getuigen te beïnvloeden en/of (na vrijlating) sporen weg te maken );

      2. Gevaar voor herhaling:
      dat er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld.  En ingevolge art. 175 lid 2 onder a staat er op art. 6 WVW ook zes jaar gevangenisstraf bedreigd indien de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

      Let echter op: het gevaar voor herhaling van een zes-jaars-misdrijf kan dus ook een heel ander misdrijf betreffen dan art. 6 WVW. Bijv. inbraken, bepaalde geweldsmisdrijven, doodslag, enz. enz. En dat gevaar voor herhaling komt natuurlijk nog sterker in beeld als de verdachte in een proeftijd loopt, waarbij ingevolge art. 14c Sr als algemene voorwaarde altijd geldt het niet schuldig maken aan enig strafbaar feit. Dat de verdachte dat wel doet, zeker na een recente veroordeling, doet de vrees op herhaling uiteraard alleen maar toenemen.

      En natuurlijk: met name als de verdachte antecedenten op verkeersgebied heeft zoals rijden onder invloed, weigeren ademanalyse of bloed- of urineonderzoek, te hard rijden, 5 of 6 WVW, enz. dan ligt het gevaar voor herhaling wel erg voor de hand en dient zeker vh overwogen te worden.

      Tot slot: ook uit de persoon van de verdachte en/of de omstandigheden waaronder het feit is begaan kan gevaar voor herhaling blijken.

      3. Gezondheid en veiligheid
      : dat er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht.

      4. Geschokte rechtsorde
      : vaak van toepassing bij dodelijke aanrijdingen. Maar een geschokte rechtsorde kan alleen een grond voor vh opleveren in combinatie met een misdrijf waarop een strafdreiging van 12 jaar of meer bedreigd staat. En op overtreding van art. 6 WVW staat maximaal 9 jaar. Daarom moet ook goed gekeken worden of er geen sprake is van (poging) doodslag (al dan niet via voorwaardelijk opzet: zie daarvoor het zakboek strafrecht 1.6!). Immers op doodslag staat naar wettelijke omschrijving 15 jaar (poging doet daar niets aan af) (zie Zakboek HulpOvJ 4.36 en 4.6).

      Zakboek Strafrecht voor de politie 23.4
      Zakboek HulpOvJ 4.6 en 4.36.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.6
      en 3.29.
  64. Plegen van geweld (art. 81 Sr)
    1. Met het plegen van geweld wordt ingevolge art. 81 Sr gelijkgesteld het brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht. En daaronder valt niet alleen het slachtoffer dwingen tot het slikken van slaappillen maar ook als men zulke middelen aan het slachtoffer toedient zonder dat het zich daarvan bewust is. E.e.a kan van belang zijn bij zedenmisdrijven. Zo zou onder voorwaarden ook verkrachting (art. 242 Sr) in beeld kunnen komen in plaats van alleen het met een mindere straf bedreigde seksueel binnendringen bij een bewusteloze/onmachtige (art. 243 Sr). Op verkrachting staat 12 jaar bedreigd en dat levert bij een geschokte rechtsorde een grond voor vh op. Art. 243 kent slechts een strafdreiging van acht jaar. Het toedienen van de pillen kan naast "geweld" uiteraard ook een "feitelijkheid" opleveren (zie ook art. 242 Sr).

      Zakboek Strafrecht 3.3, 9.6 en 9.11.
  65. Materieel strafrecht
    1. De vele ontwikkelingen die op het gebied van het materiële strafrecht hebben plaatsgevonden en nog steeds plaatsvinden dringen onvoldoende door tot de alledaagse praktijk! Het aantal gewijzigde en nieuwe strafbepalingen uit bijv. het Wetboek van Strafrecht loopt in de vele honderden!! Kennisneming van dat strafrecht leidt ongetwijfeld tot de conclusie dat er heel veel en ook zeer ruim omschreven strafbaarstellingen zijn. Er zal dus snel sprake kunnen zijn van een verdachte van een van die misdrijven. En tegen een verdachte kunnen dwangmiddelen worden toegepast. Op heel veel misdrijven staat bovendien vh zodat er zelfs sprake kan zijn van zware dwangmiddelen zoals doorzoeking, ibn en aanhouding buiten heterdaad en bijzondere opsporingsbevoegdheden. Klachten over een gebrek aan dwangmiddelen zijn dan ook vaak terug te voeren op een gebrek aan kennis van dat materiële strafrecht (wetgeving én jurisprudentie).

      En ook door de strafbaarstelling van (kort gezegd) voorbereiding, poging en de deelneming (medeplegen, doen plegen, uitlokking, medeplichtigheid, rechtspersonen) is het aantal potentiële strafbare feiten én verdachten aanzienlijk uitgebreid (art. 45 Sr e.v.). Zeker als daarbij de actuele jurisprudentie in ogenschouw wordt genomen. Dankzij deze bepalingen kunnen ook personen strafrechtelijk aangepakt worden die anders buiten schot zouden blijven, bijvoorbeeld omdat ze niet zelf alle bestanddelen van een delict hebben vervuld. Ook tegen die verdachten kunnen zodoende dwangmiddelen worden toegepast.

      Zie voor voornoemde onderwerpen het Zakboek Strafrecht. In dat zakboek wordt een praktijkgerichte bespreking gegeven van de meest voorkomende misdrijven en overtredingen uit Sr, de WVW 1994, de Opiumwet en de WWM. Waar nodig worden daarbij tevens tips voor het onderzoek en het pv gegeven.

      Zakboek Strafrecht voor de politie.
  66. Geen opsporingsbevoegdheid buitengewoon opsporingsambtenaar voor bepaald strafbaar feit: opgemaakt pv geen unieke bewijskracht voor dat bepaalde feit
    1. Onder schriftelijke bescheiden worden ingevolge art. 344 lid 1 onder 2 ondermeer verstaan pv's:
      a. in de wettelijke vorm opgemaakt
      b. door colleges en personen, die daartoe bevoegd zijn, en
      c. behelzende hun mededeling van feiten of omstandigheden, door hen zelf waargenomen of ondervonden.

      En ingevolge art. 344 lid 2 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, door de rechter worden aangenomen op uitsluitend het pv van een opsporingsambtenaar (in het vakjargon wordt dan ook opgemerkt dat dit pv "unieke bewijskracht" heeft).

      Daarvoor is dus ingevolge het hiervoor vermelde art. 344 lid 1 onder 2 ondermeer wél vereist dat het de opsporing betreft van een feit waarvoor de opsporingsambtenaar ook opsporingsbevoegdheid heeft. Daarvan was in deze zaak geen sprake zodat het betreffende pv slechts gold als "ander geschrift" (art. 344, lid 1 onder 5). Een dergelijk pv heeft dan slechts bewijskracht "in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen". Bijvoorbeeld naast een getuigenverklaring, een bekentenis van de verdachte maar ook naast een ander geschrift. En als dat ander bewijsmateriaal er niet is dan zal er onherroepelijk vrijspraak volgen.
      HR 31-10-06, LJN AY7790 (ook gepubliceerd in het NJ 2006-602)

      Zakboek Proces-verbaal en Bewijsrecht 8.13 en 8.14.

  67. Maatregelen in het belang van het onderzoek
    1. Deze mogen tijdens een gerechtelijk vooronderzoek alleen door de RC bevolen worden.

      Zakboek HulpOvJ 4.31.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 3.24.
      Art. 62a Wetboek van Strafvordering.
  68. Insluitingsfouillering
    1. Onder een insluitingsfouillering valt niet het onderzoek van meegevoerde tassen, bagage, voorwerpen, enz (noot: zie hierover bijv. de Rechtbank Maastricht 15-03-06, LJN AV7083. Recent heeft de HR zich echter indirect niet negatief uitgelaten over een insluitingsfouillering bestaande uit het kijken in een tas die de verdachte had afgedaan: HR 22-08-06, LJN AX6277). Zo'n onderzoek kan mogelijk wél vallen onder art. 30 van de Ambtsinstructie: het nauwkeurig optekenen van alle voorwerpen die de ambtenaar van de ingeslotene in bewaring neemt. In het kader van dat art. 30 kan het mijns inziens immers noodzakelijk zijn meegevoerde tassen/bagage te onderzoeken op waardevolle voorwerpen.

      De nota van toelichting bij de ambtsinstructie zegt hierover dat art. 30 ziet "op de registratie van de zogenaamde huishoudelijke fouillering en de in bewaring genomen voorwerpen en kledingstukken. De afgifte aan de ingeslotene van een afschrift van de aantekening van de in bewaring genomen voorwerpen en kledingstukken dient ter voorkoming van eventuele latere misverstanden. Op deze wijze is een zekere waarborg ingebouwd tegen het zoekraken van goederen van ingeslotenen. Indien van een ingeslotene veel losse voorwerpen in bewaring worden genomen, kunnen deze voorwerpen in een afgesloten zak of enveloppe bewaard worden, waarvoor de ingeslotene tekent. Zo hoeft niet elk afzonderlijk voorwerp beschreven te worden".

      Worden bij dat onderzoek toevallig voor inbeslagneming vatbare voorwerpen aangetroffen dan kunnen die in beslag genomen worden (voortgezette toepassing van bevoegdheden).

      Tot slot wijs ik ook nog op de mogelijkheid van een veiligheidsfouillering (aan kleding en/of lichaam).

      Met dank aan Jan Bos, Docent-onderzoeker Politieacademie

      Zakboek hulpofficier 5.5.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 4.5.
  69. Medeplegen aanwezigheid drugs.
    1. Voor medeplegen is niet noodzakelijk dat de verdachte zelf een uitvoeringshandeling pleegt. Bewuste, nauwe en volledige samenwerking zonder het zelf plegen van een uitvoeringshandeling volstaat ook. Die samenwerking is aanwezig als de medeplegers willens en wetens (opzettelijk) samenwerken tot het plegen van het strafbare feit (door bijv. nauwe betrokkenheid bij de planning, voorbereiding en organisatie). Daarbij zijn uitdrukkelijke en vooraf gemaakte afspraken niet vereist, ook stilzwijgende samenwerking is voldoende. Lijfelijke aanwezigheid op de plaats van de uitvoering van het delict is niet vereist.

      Een voorbeeld hoe ver dat "medeplegen" kan gaan is te vinden in een recent vonnis van de rechtbank Rotterdam.

      In aanwezigheid van de verdachte was door meer personen cocaïne in zijn woning gebruikt. De verdachte was van dit gebruik op de hoogte en heeft hiermee ingestemd. Hoewel de verdachte daartoe de mogelijkheid had, heeft hij de gebruikers niet de toegang tot zijn woning ontzegd en evenmin de verdovende middelen die zij bij zich hadden uit zijn woning verwijderd of laten verwijderen. De verdachte heeft de verdovende middelen aldus in zijn machtssfeer gelaten en zich daarvan niet gedistantieerd. De verdachte kan derhalve worden aangemerkt als medepleger van het aanwezig hebben van de cocaïne die de anderen bij zich hadden. Rechtbank Rotterdam 26-01-06, LJN AV1434
      Rechtbank Rotterdam 26-01-06, LJN AV1434.

      Zakboek Strafrecht voor de Politie, 2.9.
  70. Verlaten plaats ongeval
    1. art. 7 lid 1 WVW luidt als volgt (cursief MH):

      1. Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien:
      a. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan een ander is toegebracht;
      b. daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.

      Helaas levert het bewijs van het verlaten van de plaats ongeval waarbij "slechts" schade is ontstaan onterecht nogal eens problemen op bij ontkennende verdachten. Met name als de verdachte verklaart niets van de aanrijding gemerkt te hebben en het proces-verbaal daarover geen duidelijkheid geeft. Bijvoorbeeld door te volstaan met de vermelding "schade linksvoor" aan de auto van de verdachte en/of de benadeelde.

      "Schade linksvoor" kan immers een krasje zijn, maar ook een hele forse deuk waaruit "het vermoeden" van de verdachte kan worden afgeleid.

      Ook een verklaring van een getuige van de aanrijding die niets verklaart over de "heftigheid" van de aanrijding zelf is onvoldoende om in dit soort zaken (ontkennende verdachte) tot bewijs te kunnen komen.

      Bij een ontkennende verdachte kan het bewijs van het "redelijkerwijs moeten vermoeden" gevonden worden in een proces-verbaal met daarin:

      1: een goede omschrijving van de schade (met daarvan als het even kan een foto)
      2: indien mogelijk een goede verklaring van een getuige over bijv. de hardheid van de klap, het tengevolge van de aanrijding bewegen van de auto van de verdachte, het uitstappen van de verdachte en kijken naar mogelijk ontstane schade, enz.).

      Helaas ontbreekt dat nogal eens en dat leidt bij een ontkennende verdachte vervolgens tot een aanhouding van de zaak op de zitting met een verzoek aan de politie om een aanvullend proces-verbaal en/of een getuigenverhoor op de zitting. En in heel veel gevallen valt er ook direct een vrijspraak.

      Zakboek Strafrecht voor de Politie, 23.5.

  71. Confrontaties
    1. Het zal u niet ontgaan zijn: de bewijswaarde van confrontaties staat de laatste jaren in toenemende mate ter discussie. Vandaar wederom de tip om toch vooral de wettelijke regels inzake de confrontatie op te volgen, inclusief de regels die gegeven worden in het Besluit maatregelen in het belang van het onderzoek! Kan veel discussie op de zitting over de betrouwbaarheid van de confrontatie (én bewijsuitsluiting) voorkomen.

      Voor de specialisten onder ons: zie voor een recent en terecht kritisch artikel over de confrontatie Van Koppen en Van der Horst in “De simpele logica van getuigenconfrontaties”, Nederlands juristenblad 2006, nummer 14.

      Klik hier voor het Besluit onderzoeksmaatregelen 
      Klik hier voor de toelichting bij het Besluit 

      Zakboek HulpOvJ 3.27 en 4.31.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.21 en 3.24.
  72. Binnentreden zonder vereiste (geldige) machtiging
    1. Als er zonder vereiste (geldige) machtiging is binnengetreden dan verdient het sterke aanbeveling in het pv te vermelden of de (juiste) machtiging desalniettemin tóch verstrekt zou zijn door de hulpOvJ (maar dat dit abusievelijk niet gebeurd is, mét vermelding van de reden van dit nalaten). Dit kan van belang zijn voor het oordeel van een rechter in de zaak v.w.b. de ernst van het verzuim én de mogelijke gevolgen van het betreffende onrechtmatig binnentreden.

      Zakboek HulpOvJ 7.13 en 3.10.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 2.24
  73. Aangifte door een opsporingsambtenaar terzake een strafbaar feit gepleegd tegen die opsporingsambtenaar 
    1. In geval van een strafbaar feit tegen een opsporingsambtenaar (bijv. terzake poging doodslag of zware mishandeling) wordt nogal eens volstaan met het opnemen van een aangifte van die opsporingsambtenaar door een andere opsporingsambtenaar. Zo'n aangifte heeft géén "unieke" bewijskracht en kan dus bewijsproblemen opleveren. 
      Veel beter is het om een proces-verbaal van bevindingen (uiteraard op ambtseed/belofte) door de betreffende opsporingsambtenaar te laten opmaken. Een afzonderlijk opgenomen aangifte is voor het bewijs niet vereist (maar mag natuurlijk wel).
      Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, kan immers op grond van art. 344 lid 2 door de rechter worden aangenomen op het proces-verbaal van een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. Mits in dat proces-verbaal zijn opgenomen de feiten of omstandigheden, door de opsporingsambtenaar zelf waargenomen of ondervonden. En die staan wél in het proces-verbaal van bevindingen maar niet in de aangifte. Zie hierover art. 344 Sv.

      Art. 344 Sv:

      1. Onder schriftelijke bescheiden worden verstaan:

      1°. beslissingen in den wettelijken vorm opgemaakt door colleges of personen met rechtspraak belast;
      2°. processen-verbaal en andere geschriften, in den wettelijken vorm opgemaakt door colleges en personen, die daartoe bevoegd zijn, en behelzende hunne mededeeling van feiten of omstandigheden, door hen zelf waargenomen of ondervonden;
      3°. geschriften opgemaakt door openbare colleges of ambtenaren, betreffende onderwerpen behoorende tot den onder hun beheer gestelden dienst, en bestemd om tot bewijs van eenig feit of van eenige omstandigheid te dienen;
      4°. verslagen van deskundigen behelzende hun gevoelen betreffende hetgeen hunne wetenschap hen leert omtrent datgene wat aan hun oordeel onderworpen is;
      5°. alle andere geschriften; doch deze kunnen alleen gelden in verband met den inhoud van andere bewijsmiddelen.


      2. Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, kan door den rechter worden aangenomen op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.

      Zakboek Proces-Verbaal en Bewijsrecht 8.13 en 9.9.
  74. Huiselijk geweld/bedreiging en beslag
    1. Indien er in een huiselijk geweld zaak aangifte is gedaan van bedreiging met bijv. een mes en er (in de woning) ook een mes in beslag genomen is moet in het pv niet volstaan worden met de vermelding dat er een mes in beslag genomen is maar dient ook verwerkt te worden waar dat mes in beslag genomen is. De plaats van die in beslagneming kan immers van belang zijn voor het bewijs in de zaak van een ontkennende verdachte. Komt het mes uit een keukenla dan zal daar door de ovj en de rechter minder waarde aan gehecht worden dan als dit mes uit de broeksband of uit de handen van de verdachte in beslag genomen is of op het toilet waar de verdachte zich bij aankomst op de pd bevond. En natuurlijk dient het slachtoffer nog met het mes geconfronteerd te worden met de vraag of dit het mes was waarmee gedreigd is en ook dat dient in het pv verwerkt te worden.

      Ook kan het bij huiselijk geweld van belang zijn dat de politie het in pv omschrijft wat zij (bij ontdekking op heterdaad) in de woning aantreft. Niet alleen als de hele boel kort en klein geslagen is, maar ook als alles er netjes uitziet of als het kennelijk "haastig opgeruimd" lijkt. Een netjes opgeruimd huis kan ontlastend voor verdachte zijn als het slachtoffer verklaard dat hij/zij het hele huis door is gesleurd. Over eventuele bijzonderheden dient het pv als het maar even kan duidelijkheid te verschaffen. Indien de melding bijvoorbeeld is dat de verdachte een stofzuiger van de trap naar het slachtoffer heeft gegooid dan is het natuurlijk verstandig om in het pv eventuele bevindingen met betrekking tot die stofzuiger te relateren.

      Met dank aan OvJ Nijkerk
  75. Melden reden vertraging proces-verbaal 
    1. Indien het opsporingsonderzoek en daarmee het inzenden van het pv vertraging heeft opgelopen dan is het verstandig de reden daarvan in het pv te vermelden. Vertraging kan immers optreden doordat een voor het onderzoek kennelijk onmisbare medeverdachte die aangehouden moet worden op de vlucht is, een getuige onvindbaar is en/of het onderzoek zeer complex is (bijvoorbeeld door het moeten afwachten van vele gecompliceerde technische onderzoeken).

      Een onredelijke vertraging in de vervolging van een verdachte kan leiden tot strafmatiging en in uitzonderlijke gevallen ook tot niet ontvankelijkheid van de OvJ en het daarmee vrijuit gaan van de verdachte. Het begintijdstip van de redelijke termijn waarbinnen een verdachte vervolgd moet worden is het tijdstip waarop hij door een daad/mededeling van de politie of justitie in redelijkheid kon weten dat hij vervolgd zou worden. Natuurlijk wordt de ernst van het feit waarvan de verdachte verdacht wordt afgemeten tegen de lengte van het tijdsverzuim en de oorzaken daarvan.

      Overleg over een mogelijk latere inlevering van een pv altijd met de OvJ. 
      Zakboek Proces-Verbaal en Bewijsrecht, 16.4.
  76. Feitelijke aanranding van de eerbaarheid: heimelijk en onverhoeds filmen van vrouwen die gebruik maken van het toilet
    1. Het heimelijk en onverhoeds filmen van vrouwen die gebruik maken van het toilet kan het dwingen tot het dulden van een ontuchtige handeling door feitelijkheden opleveren en dus feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art. 246 SR). Rechtbank Haarlem 16-06-06 LJN AX8978 
      Zakboek Strafrecht 9.10
  77. Invordering rijbewijs en OBM bij bepaalde misdrijven uit Sr 

    1. Ook bij een veroordeling terzake (poging tot) 
      - bedreiging (sinds 01-02-06)
      - moord 
      - doodslag 
      - mishandeling gepleegd met voorbedachte rade 
      - zware mishandeling, of 
      - zware mishandeling met voorbedachte rade 
      kan, indien het feit is gepleegd met een motorrijtuig, een ontzegging worden opgelegd (tot zelfs maximaal tien jaar). Indien door de overtreding de veiligheid op de weg ernstig in gevaar is gebracht kan het rijbewijs ingevorderd worden. En daarvan is bij verdenking van één van de voornoemde misdrijven natuurlijk al snel sprake (art. 164 WVW). 

      Art. 179a WVW: 

      1. Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 285, 287 of 289 Sr omschreven misdrijven kan de schuldige die het feit heeft gepleegd met een motorrijtuig
      (MH: niet alleen dus een auto of motor maar bijv. ook een scooter of tractor: zie art. 1 WVW) dat hij ten tijde van het feit bestuurde of deed besturen, de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste tien jaren worden ontzegd. 
      2. Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 301, 302 of 303 Sr omschreven misdrijven kan de schuldige die het feit heeft gepleegd met een motorrijtuig dat hij ten tijde van het feit bestuurde of deed besturen, de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste vijf jaren worden ontzegd.
       

      Zakboek HulpOvJ 11.13. 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 10.13.

  78. Kennisgeving inverzekeringstelling aan OvJ

    1. De hulpOvJ dient ingevolge art. 57,4 Sv van zijn bevel tot inverzekeringstelling onverwijld kennis te geven aan de OvJ. Zo kan onder meer bijtijds een mogelijk voorgeleiding besproken én ingepland worden. Het eerste telefoontje na twee dagen ivs wordt niet echt gewaardeerd door de OvJ en is in strijd met dit art. 57,4.

      Zakboek hulpofficier, 4.15.

  79. Heling (art. 416 en 417bis)  

    1. Denk bij het niet kunnen bewijzen dat een verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van een goed wist of redelijkerwijs kon weten dat dit goed door misdrijf is verkregen ook aan lid 1 onder b: daar wordt dit bestanddeel niet vereist! 

      Opzetheling (art. 416 Sr)  
      1. Als schuldig aan opzetheling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie:   
      a. hij die een goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of een zakelijk recht t.a.v. een goed vestigt of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het recht wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;   
      b. hij die opzettelijk uit winstbejag een door misdrijf verkregen goed voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht t.a.v. een door misdrijf verkregen goed overdraagt.   
      2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekt. 

      Schuldheling (art. 417bis)  
      1. Als schuldig aan schuldheling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie:   
      a. hij die een goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht t.a.v. een goed vestigt of overdraagt, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed dan wel het vestigen van het recht redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;   
      b. hij die uit winstbejag een goed voorhanden heeft of overdraagt dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht t.a.v. een goed overdraagt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betreft.   
      2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die uit de opbrengst van enig goed voordeel trekt, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betreft. 

      Zakboek Strafrecht voor de politie, 19.2 en 19.4.

  80. Leugenachtige verklaring verdachte

    1. Als de verdachte kennelijk leugenachtig verklaart verdient het sterke aanbeveling om die kennelijk leugenachtige verklaring in het pv op te nemen (in plaats van bij gebrek aan een "bekennende" verklaring de leugenachtige verklaring ook maar niet op te nemen). Een kennelijk leugenachtige verklaring kan als bewijs gebruikt worden . Het bewijs dat de verdachte leugenachtig heeft verklaard moet wel uit ander bewijsmateriaal komen dan een verklaring van de betreffende verdachte zelf en mag ook niet bestaan uit door de verdachte aan derden gedane mededelingen (bijv. uit een verklaring van een getuige over wat verdachte aan hem heeft meegedeeld ) of uit een getapte mededeling van de verdachte aan een derde . Het als bewijs gebruiken van een kennelijk leugenachtige verklaring van een ander dan verdachte (bijv. van een medeverdachte of getuige) is niet toegestaan.
      Zakboek Hulpofficier 2.9
      Zakboek Opsporingsambtenaar 1.8
      Zakboek Proces-Verbaal en Bewijsrecht 10.3

  81. Intrekkingstermijn klacht en opsporing

    1. Het intrekken van de klacht is gedurende acht dagen na de dag van indiening mogelijk door degene die de klacht indiende (art. 67 Sr). De intrekking dient onverwijld aan de OvJ ter kennis gebracht te worden (art. 166,2). Met het opsporingsonderzoek behoeft niet gewacht te worden tot voornoemde acht dagen verstreken zijn. Dat wachten met opsporing kan onder omstandigheden wél verstandig zijn als dit de opsporing niet schaadt en de klacht kennelijk in een opwelling is gedaan waarop de klager mogelijk weer terug komt (met dank aan Cees van Welij) 

      Zakboek Hulpofficier 10.3.
      Zakboek Opsporingsambtenaar 9.2.

  82. Medische verzorging verdachte

    1. Bij de geringste twijfel over de gezondheidstoestand van de verdachte (alcohol/suikerziekte, bewusteloosheid, overdosis harddrugs, enz.) dient een arts gewaarschuwd te worden. In te roepen medische bijstand heeft voorrang boven het belang van een eventueel politieonderzoek.

      De omvang van de zorgplicht van de politie ten aanzien van ingesloten arrestanten hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer van belang kan zijn wat bekend is of behoort te zijn over de conditie waarin de arrestant bij zijn insluiting verkeert. De ernst van de kwaal of de inschatting van de politieambtenaar over de noodzaak een arts te raadplegen zijn daarbij geen criteria. 

      Zakboek HulpOvJ 2.17. 
      Zakboek Opsporingsambtenaar 1.15.

  83. Belaging in combinatie met andere misdrijven een klachtmi