MEMORIE VAN TOELICHTING
WET HERZIENING GVO

Kamerstukken vergaderjaar 1999-2000, 23251, nr. 3

LET OP: U kunt zoeken in onderstaande tekst door eest met de cursor te klikken in deze tekst en vervolgens gelijktijdig de knoppen Ctrl + F in te toetsen!

Partiële wijziging van het Wetboek van Strafvordering (herziening van het gerechtelijk vooronderzoek)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

  1. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
  2. Voorbereiding van het wetsvoorstel
  3. Handhaving of afschaffing van het gerechtelijk vooronderzoek: het standpunt van de commissie
  4. De mini-instructie op verzoek van de verdachte
    1. Het voorstel van de commissie
    2. De tegen de voorstellen naar voren gebrachte bezwaren
    3. Geen invoering van een mini-instructie op verzoek van de verdachte
  5. De regeling van de parallelle en opgedragen opsporing
  6. De herijking van de aan de rechter-commissaris toekomende strafvorderlijke
    bevoegdheden
  7. Geen koppeling van een vordering tot gerechtelijk vooronderzoek aan de uitoefening
    van bepaalde bevoegdheden door de (hulp)officier van justitie
  8. Afschaffing van het verlof of de machtiging van de rechtbank vooraf
  9. Toelichting per onderwerp
    1. Inleidende opmerkingen
    2. De uitbreiding van de territoriale bevoegdheden van de officier van justitie en de rechtercommissaris (artikelen 10 en 178a)
    3. De toevoeging van een vervangende raadsman in geval van een beperking van het
      verkeer tussen raadsman en verdachte (artikel 50a)
    4. De doorzoeking van plaatsen ter aanhouding (artikelen 55a, 547 en 565)
    5. De inbeslagneming en het betreden van plaatsen (artikel 96)
    6. De uitlevering ter inbeslagneming (artikelen 96a, 100 en 105 tot en met 107)
    7. De inbeslagneming en de doorzoeking van vervoermiddelen (artikel 96b)
    8. De doorzoeking door de officier van justitie van plaatsen, met uitzondering van
      woningen en kantoren van geheimhouders (artikel 96c)
    9. De doorzoeking door de rechter-commissaris van plaatsen, met inbegrip van
      woningen en kantoren van geheimhouders (artikel 110)
    10. De spoeddoorzoeking van plaatsen door de officier van justitie of de hulpofficier
      (artikelen 96c en 97)
    11. Het onderzoek van telecommunicatie (artikelen 125a-125m en 552t)
    12. Het deskundigenonderzoek op last van de (hulp)officier van justitie (artikel 151)
    13. De positie van de getuige in het gerechtelijk vooronderzoek (artikelen 185-187c,
      216 en 295)
    14. De schouw (artikelen 150 en 192)
    15. De vereenvoudiging van de sluitingsprocedure (artikelen 237 en 238)
  10. Een samenloop van bevoegdheden de parallelle opsporing tijdens het gerechtelijk vooronderzoek
  11. Artikelsgewijze toelichting

1. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

Het wetsvoorstel strekt ertoe het gerechtelijk vooronderzoek te stroomlijnen en te
moderniseren en in overeenstemming te brengen met de eisen die vanuit de praktijk en
door het bepaalde in de Grondwet en de internationale verdragen op het gebied van de
rechten van de mens worden gesteld. Overeenkomstig het voorstel van de Commissie herijking Wetboek van Strafvordering (Commissie-Moons) blijft de opzet van het gerechtelijk vooronderzoek ongewijzigd. De kern van het wetsvoorstel wordt hier in het kort weergegeven.

Inbeslagneming en doorzoeking

De wettelijke regeling van de bevoegdheden ter inbeslagneming van de politie, de officier van justitie en de rechter-commissaris wordt in het voorstel grotendeels herzien.
Aan de opsporingsambtenaar wordt een algemene bevoegdheid tot het betreden van plaatsen alsmede een algemene inbeslagnemingsbevoegdheid verschaft. De term
huiszoeking wordt vervangen door de term «doorzoeking». In geval van het doorzoeken
van een woning of het kantoor van een geheimhouder is de rechter-commissaris de
centrale autoriteit. De doorzoeking is niet losgekoppeld van het gerechtelijk vooronderzoek.
De officier van justitie of de hulpofficier kan in geval van spoed een doorzoeking verrichten.
Hiervoor is de machtiging van de rechter-commissaris vereist. Er bestaat geen onderscheid
meer tussen de regeling van de spoeddoorzoeking tijdens het gerechtelijk vooronderzoek en
buiten het gerechtelijk vooronderzoek. Bij het doorzoeken van andere plaatsen dan een
woning, waaronder ook banken, kantoren en bedrijven, is de officier van justitie de centrale
autoriteit. De hulpofficier kan in geval van spoed een doorzoeking van deze plaatsen
verrichten. Hij heeft daartoe de machtiging van de officier van justitie nodig. De
opsporingsambtenaar kan in afwachting van de rechter-commissaris of de (hulp)officier van
justitie de situatie «bevriezen».
Een gewone opsporingsambtenaar kan een vervoermiddel doorzoeken alsmede bevelen dat
een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp aan hem wordt uitgeleverd.
De bevoegdheden van de officier van justitie, de hulpofficier en de gewone
opsporingsambtenaar ter inbeslagneming kunnen alleen uitgeoefend worden in geval van
ontdekking op heterdaad of in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige
hechtenis is toegelaten.

Telefoontap

De telefoontap is losgekoppeld van het gerechtelijk vooronderzoek. De geldigheidsduur van
de door de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie bevolen telefoontap
is aan een maximum van vier weken gebonden. Het bevel kan met eenzelfde periode
worden verlengd. De in de wet ten aanzien van een telefoontap gestelde voorwaarden zijn
aangescherpt. Na de beëindiging van de telefoontap moet aan de houder van een niet voor
het publiek toegankelijke telefoonaansluiting en aan de verdachte, zodra het belang van het
strafrechtelijk onderzoek dat toelaat, worden medegedeeld dat en over welke periode is
afgeluisterd. De processen-verbaal en de geluidsbanden die door de officier van justitie niet
bij de processtukken zijn gevoegd, omdat hij deze niet voor het onderzoek in de zaak van
betekenis acht, dienen door de rechter-commissaris te worden bewaard en ter beschikking
van het onderzoek gehouden. De officier van justitie kan naderhand altijd nog van deze
processen-verbaal en geluidsbanden kennis nemen. Deze bevoegdheid komt noch de
verdachte noch diens raadsman toe. Zij kunnen wel de rechter-commissaris verzoeken na
te gaan of bepaalde processen-verbaal of geluidsbanden niet met het oog op een
behoorlijke verdediging van de verdachte bij de processtukken moeten worden gevoegd. De
rechter-commissaris dient dit verzoek in te willigen, indien hij alsnog tot het oordeel is
gekomen dat de desbetreffende processen-verbaal of geluidsbanden voor het onderzoek in
de zaak, waarbij ook het verdedigingsbelang in ogenschouw moet worden genomen, van
betekenis zijn.
Op vordering van de officier van justitie kan de rechter-commissaris ten aanzien van
bepaalde processen-verbaal of andere voorwerpen. die gegevens bevatten als gevolg van
het onderzoek van telefoongesprekken vrijstelling van vernietiging verlenen ten einde deze
processen-verbaal of andere voorwerpen tot het bewijs te kunnen doen medewerken van
een ander begaan of nog te begaan ernstig misdrijf.

Overige voorstellen

De procedure inzake de sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek wordt vereenvoudigd.
De koppeling van een vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek aan de
uitoefening van bepaalde bevoegdheden door de (hulp)officier van justitie wordt afgeschaft.
Ook het verlof of de machtiging van de rechtbank vooraf met het oog op de toepassing van
bepaalde dwangmiddelen door de rechter-commissaris, zoals de doorzoeking, komt te
vervallen. De mogelijkheden voor de rechter-commissaris om getuigen te beëdigen worden
verruimd. Een beëdiging of aanmaning kan tevens plaatsvinden ingeval de rechter-
commissaris deze in verband met de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige
nodig acht. Ook indien gegrond vermoeden bestaat dat de gezondheidstoestand van de
getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting ernstig in gevaar wordt
gebracht. dient de rechter-commissaris de officier van justitie, de verdachte (en diens
raadsman) tot bijwoning van het verhoor uit te nodigen. De verklaring van de getuige zal in
dat geval, mits ter terechtzitting voorgelezen, als aldaar afgelegd kunnen worden
aangemerkt. De officier van justitie en de hulpofficier krijgen een algemene bevoegdheid tot
het houden van een schouw. Aan de (hulp)officier van justitie wordt voorts een
bevoegdheid tot het bevelen van een onderzoek door vaste gerechtelijke deskundigen
verschaft. Dit onderzoek kan zowel een technisch onderzoek als een onderzoek naar de
persoonlijkheid van de verdachte omvatten. De bevoegdheid van de hulpofficier tot het
gelasten van een onderzoek door vaste gerechtelijke deskundigen blijft beperkt tot de
zuiver technische onderzoeken.

2. Voorbereiding van het wetsvoorstel

In oktober 1987 hebben de Procureurs-Generaal bij de Gerechtshoven de vergadering van
resac-voorzitters verzocht een onderzoek te verrichten naar knelpunten in de praktische
toepassing van het Wetboek van Strafvordering. Het door de vergadering van resac-
voorzitters op 23 maart 1988 uitgebracht verslag bevat een reeks aanbevelingen, met
name over de structuur en het functioneren van het gerechtelijk vooronderzoek. De
vergadering constateert dat «het zaak is het gehele gerechtelijk vooronderzoek en de taak
van de rechter-commissaris daarin, aan de eisen des tijds aan te passen». In het bijzonder
wijst de vergadering op de regeling van de huiszoeking en de ingewikkelde
sluitingsprocedure. Gelet op de problemen waartoe de regeling van het gerechtelijk
vooronderzoek aanleiding geeft, bepleit zij, behalve een vereenvoudiging van deze regeling,
het aantal gevallen waarin het gerechtelijk vooronderzoek moet worden ingesteld, drastisch
te beperken. Ook als we de literatuur van de afgelopen jaren bezien, moeten we
constateren dat het gerechtelijk vooronderzoek geen rustig bezit meer is en openlijk twijfel
wordt geuit omtrent de wenselijkheid van het voortbestaan van een vooronderzoek onder
leiding van een rechter-commissaris.
Bij besluit van 13 september 1988 (Stcrt. 1988, 199) heeft mijn ambtsvoorganger de
Commissie herijking Wetboek van Strafvordering (verder te noemen: de commissie) onder
het voorzitterschap van mr. Ch.M.J.A. Moons, oud-president van de Hoge Raad der
Nederlanden, ingesteld. Ingevolge dit besluit kreeg de commissie onder meer als taak de
Minister van Justitie van advies te dienen over de volgende vraag: behoeft de regeling in
het Wetboek van Strafvordering inzake het gerechtelijk vooronderzoek wijziging, in het
bijzonder wat betreft het aantal gevallen waarin thans instelling daarvan voorwaarde is
voor toekenning aan het openbaar ministerie van de bevoegdheid om bepaalde handelingen
te verrichten? De commissie diende volgens deze taakopdracht, indien zij van oordeel zou
zijn dat het Wetboek van Strafvordering op een of meer van genoemde onderdelen moest
worden gewijzigd of aangevuld, voorstellen tot een dergelijke wijziging of aanvulling te
formuleren.
Bij besluit van 13 januari 1990 (Stcrt. 1990, 190) heb ik de taakomschrijving van de
commissie gewijzigd in die zin dat de commissie thans tot taak heeft de Minister van
Justitie van advies te dienen over de vraag of bepaalde, door de Minister van Justitie nader
aan te wijzen, onderdelen van het Wetboek van Strafvordering moeten worden herijkt.
Op 5 september 1990 heeft de commissie voorstellen gedaan over de herziening van het
gerechtelijk vooronderzoek. Uit haar rapport blijkt dat de commissie de haar gestelde vraag
diepgaand heeft bestudeerd en belangrijke voorstellen omtrent de herziening van het
gerechtelijk vooronderzoek heeft gedaan. Ik maak hier graag van de gelegenheid gebruik de
leden van de commissie nogmaals dank te zeggen voor de door hen verrichte
werkzaamheden. Het rapport van de commissie bevat dan ook belangrijke
achtergrondinformatie over het wetsvoorstel. Deze memorie van toelichting kan in
vergelijking met het advies van de commissie kort worden gehouden, al vereist een
deugdelijke motivering van de diverse bepalingen nog altijd vrij wat ruimte.
De voorstellen van de commissie zijn voor advies voorgelegd aan: de Hoge Raad der
Nederlanden, het Parket bij de Hoge Raad der Nederlanden, de Procureurs-Generaal bij de
Gerechtshoven, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de Nederlandse Orde van
Advocaten, de Centrale Politie Recherchecommissie en de Recherche Adviescommissie.
In april 1991 heeft de commissie nog een nader advies uitgebracht omtrent de regeling van
het onderzoek van telefoongesprekken in het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding
van de arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de mens van 24 april 1990 in
de zaken Kruslin en Huvig. Twee onderdelen van het gerechtelijk vooronderzoek blijven in
het onderhavige wetsvoorstel buiten beschouwing, omdat deze thans nog bij de commissie
in studie zijn, te weten het onderzoek aan het lichaam (art. 195 Sv) 1) en de bijstand van
de tolk (art. 191 Sv). In een later stadium zullen omtrent deze onderwerpen separate
wetsvoorstellen worden ingediend.
De voorstellen van de commissie tot wijziging van de artikelen 196 tot en met 198 en
509g Sv zijn opgenomen in een ander wetsvoorstel, houdende enkele wijzigingen van het
Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Beginselenwet
gevangeniswezen omtrent de terbeschikkingstelling of de observatie. Dit wetsvoorstel is
thans voor advies aan de Raad van State aangeboden.
Intussen is ook het onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en
Documentatiecentrum van mijn departement over het functioneren van het gerechtelijk
vooronderzoek gereed gekomen 2). Op verschillende plaatsen in deze memorie zal naar de
uitkomsten van dit onderzoek worden verwezen.

3. Handhaving of afschaffing van het gerechtelijk vooronderzoek: Het standpunt van de
commissie


De commissie heeft geopteerd voor handhaving van het gerechtelijk vooronderzoek en de
invoering van een tweetal mini-instructies die van het gerechtelijk vooronderzoek
losgekoppeld zijn, te weten een bijzondere mini-instructie op vordering van het openbaar
ministerie (het afluisteren of opnemen van telefoongesprekken), en een algemene mini-
instructie op verzoek van de verdachte.
De overwegingen van de commissie voor handhaving van het gerechtelijk vooronderzoek
zijn de volgende.
In de eerste plaats waarborgt een gerechtelijk vooronderzoek onder leiding van de rechter-
commissaris niet alleen een «fair» en onpartijdig vooronderzoek doch biedt voorts de
meeste garantie dat het onderzoek ter terechtzitting zijn verificatieve en tevens doelmatige
karakter kan behouden, zonder dat tegelijkertijd afbreuk wordt gedaan aan de «fairness»
van het onderzoek ter terechtzitting zelve.
In de tweede plaats kan het in bepaalde strafzaken gewenst zijn dat het vooronderzoek
deels onder leiding van een onafhankelijke rechter plaatsvindt gelet op mogelijk
verstrengelde belangen, zoals bij de vervolging van overheidsfunctionarissen.
In de derde plaats hecht de commissie eraan dat de tussenkomst van de rechter-
commissaris bij het toepassen van ingrijpende dwangmiddelen, zoals de huiszoeking, niet
beperkt blijft tot het verstrekken van een machtiging daarvoor. Bij dergelijke
dwangmiddelen gaat het er vooral om dat de uitvoering daarvan op rechtmatige wijze
geschiedt. Zulks vergroot het rechtsgehalte van inbreuken op fundamentele rechten van
individuele burgers. Waar de rechter-commissaris zelf rechtstreeks onderzoekshandelingen
verricht, geschiedt dat met het oogmerk een aan zijn rechtersambt ontleende extra
waarborg van zorgvuldigheid en onkreukbaarheid te verkrijgen.
In de vierde plaats is, gegeven de noodzaak van een rechterlijke tussenkomst als hiervoor
vermeld bij de toepassing van ingrijpende dwangmiddelen, een centralisering van het
onderzoek om redenen van efficiency gewenst. Behalve dat het belasten van één instantie
met de toepassing van ingrijpende dwangmiddelen efficiënt en tijdsbesparend is, is van
belang dat deze instantie het overzicht over het gehele onderzoek behoudt en ervoor kan
waken dat bij de toepassing van dwangmiddelen algemene beginselen van strafprocesrecht
in acht genomen worden.
In de vijfde plaats acht de commissie handhaving van het gerechtelijk vooronderzoek
verantwoord, omdat een aantal belangrijke knelpunten inzake het functioneren van het
gerechtelijk vooronderzoek, te weten de sluitingsprocedure, de koppeling van de
uitoefening van bepaalde bevoegdheden van de officier van justitie aan de voorwaarde dat
een gerechtelijk vooronderzoek wordt ingesteld en het vereiste van verlof of machtiging
door de rechtbank voor toepassing van bepaalde dwangmiddelen door de rechter-
commissaris, in de voorstellen van de commissie wordt weggenomen.
Deze overwegingen geven deels ook de bezwaren weer die de commissie aanvoert tegen
een stelsel van mini-instructies. De argumenten pro handhaving van het gerechtelijk
vooronderzoek zijn deels dezelfde argumenten contra invoering van een stelsel van mini-
instructies.


4. De mini-instructie op verzoek van de verdachte

4.1. Het voorstel van de commissie

De verdachte, jegens wie door of vanwege de Staat een handeling is verricht, waaraan hij
in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald feit in
Nederland een vervolging zal worden ingesteld, wordt in het door de commissie
voorgestelde artikel 36a het recht verleend de rechter-commissaris te verzoeken bepaalde
onderzoekshandelingen te verrichten.
Kort samengevat voert de commissie met betrekking tot haar voorstel de volgende
argumenten aan:
a. het is voor iedere zich in voorlopige hechtenis bevindende verdachte van belang om
wijziging te brengen in de feitelijke grondslag van de «ernstige bezwaren» ten einde aldus
zijn invrijheidstelling te bespoedigen;
b. de blijkens de geschiedenis van de totstandkoming aangevoerde argumenten om aan
de zich in voorlopige hechtenis bevindende verdachten het recht te verlenen de rechter-
commissaris te verzoeken een gerechtelijk vooronderzoek in te stellen gelden evenzeer voor
de zich niet in voorlopige hechtenis bevindende verdachte, al kunnen ze vanwege de
voorlopige hechtenis wet dwingender zijn;
c. een weigering van de officier van justitie om een gerechtelijk vooronderzoek te
vorderen en daarmede de verdachte in de gelegenheid te stellen met behulp van de rechter-
commissaris ontlastend materiaal te verzamelen kan onder omstandigheden tot gevolg
hebben dat niet voldaan is aan het in artikel 6 EVRM gestelde vereiste van een eerlijk
proces;
d. een wettelijke regeling die ook de verdachte de mogelijkheid geeft een gerechtelijk
vooronderzoek uit te lokken, geeft het gerechtelijk vooronderzoek een meer contradictoir
karakter en komt ten goede aan de onpartijdige positie van de rechter-commissaris.

4.2. De tegen de voorstellen naar voren gebrachte bezwaren

Tegen genoemd voorstel, dat betrekking heeft op de fase van het opsporingsonderzoek zijn
in het bijzonder door de Centrale Politie Recherche Commissie, de Recherche
Adviescommissie en de Vergadering van Procureurs-Generaal zwaarwegende bezwaren
aangevoerd. Zo is de Vergadering van Procureurs-Generaal bij de Gerechtshoven van
mening dat de voorgestelde artikelen 36a-36f niet zouden behoren te worden ingevoerd,
ook niet in een aangepaste vorm. Door de introductie van het nieuwe artikel 36a wordt - zo
stelt de Vergadering - vooral de opsporing in zaken tegen professionele, zich op hun
zwijgrecht beroepende wetsovertreders (vaak reeds ook tevoren al bijgestaan door diverse
(juridische) adviseurs) bemoeilijkt. Per jaar worden er wellicht een paar honderd grote en
mogelijk geruchtmakende zaken behandeld. Juist in die zaken zal volgens de Vergadering
een maximaal beroep op toegekende rechten worden gedaan. De Vergadering is van
oordeel dat, anders dan beoogd, de voorgestelde regeling de kans op complicaties niet
heeft verminderd, eerder heeft vergroot. De Centrale Politie Recherchecommissie en de
Rechercheadviescommissie wijzen erop dat de politie ten gevolge van het voorstel van de
commissie genoodzaakt kan worden om in een te vroeg stadium onderzoeksresultaten prijs
te geven, hetgeen zeer nadelig voor het verdere onderzoek kan zijn. Het bestuur van de
Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak onderschrijft nadrukkelijk de vrees van de
werkgroep, die het advies van de Vereniging heeft voorbereid, dat de voorgestelde regeling
van artikel 36a Sv in zich bergt dat het misbruik dat werd gemaakt van de vroegere
procedure inzake het bezwaarschrift tegen de dagvaarding in een nieuwe gedaante kan
herleven. De regeling van het onderzoek, voorgesteld in het nieuwe artikel 36a e.v., doet
volgens de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad en de Strafkamer van de Hoge Raad
vrezen dat zij aanleiding zal geven tot verzwaring van de werklast van de rechter-
commissaris en tot andere praktische problemen.

4.3. Geen invoering van een mini-instructie op verzoek van de verdachte

Zoals de commissie zelf in haar rapport erkent (blz. 69), past de door de commissie
voorgestelde regeling, zoals vervat in de artikelen 36a tot en met 36f, niet in het bestaande
systeem van het Wetboek van Strafvordering in die zin dat de rechter-commissaris
onderzoekshandelingen kan verrichten zonder dat er sprake is van een formele
inbeschuldigingstelling. Pas door een formele inbeschuldigingstelling (i.c. de vordering tot
inbewaringstelling of de vordering tot instelling van een gerechtelijk vooronderzoek) vangt
in ons recht de vervolging aan.
Dit voorstel van de commissie raakt een kerntaak van het openbaar ministerie, te weten
het nemen van de beslissing op welk moment en ter zake van welk feit en tegen welke
verdachte een vervolging zal worden ingesteld, en brengt een wezenlijke verandering in de
verhouding tussen de officier van justitie en de rechter-commissaris teweeg. Volgens ons
strafvorderlijk systeem is de rechter-commissaris immers alleen bevoegd
onderzoekshandelingen te verrichten binnen het kader van de door het openbaar ministerie
opgestelde inbeschuldigingstelling. Hij verricht onderzoek ter zake van feiten die het
openbaar ministerie in een formele inbeschuldigingstelling heeft omschreven.
De formele inbeschuldigingstelling vervult in ons recht een tweetal functies. In de eerste
plaats geeft de inbeschuldigingstelling het kader aan waarbinnen het onderzoek door de
rechter naar de objectieve waarheid - het gerechtelijk vooronderzoek door de rechter-
commissaris en het onderzoek op de terechtzitting - mag plaatsvinden. Het
opportuniteitsbeginsel (het beginsel dat op gronden aan het algemeen belang ontleend van
vervolging kan worden afgezien) en het monopoliebeginsel (het beginsel dat de vervolging
van strafbare feiten uitsluitend is voorbehouden aan organen van de staat) kunnen ieder als
een uitvloeisel van de centrale plaats die het openbaar ministerie bij de strafrechtelijke
rechtshandhaving speelt worden beschouwd. De formele inbeschuldigingstelling markeert
dus het object van onderzoek. In de tweede plaats heeft de inbeschuldigingstelling een
burgerbeschermende functie in die zin dat zij de verdachte kenbaar maakt waarop hij zijn
verdediging dient te richten. Door de formele inbeschuldigingstelling wordt het openbaar
ministerie partij in het strafproces 3) en is de verdachte diegene die object van vervolging is
(zie art. 27, tweede lid, Sv).
In het voorstel van de commissie mist de rechter-commissaris het houvast van de formele
inbeschuldigingstelling en dient de rechter-commissaris uit de hem ter beschikking staande
feiten en omstandigheden zelf eerst een inbeschuldigingstelling te construeren alvorens te
kunnen beoordelen of de door de verdachte verzochte onderzoekshandeling met het oog op
een behoorlijke verdediging tegen die inbeschuldigingstelling noodzakelijk is. Zoals de
commissie reeds in haar rapport heeft aangegeven, bestaat tussen de officier van justitie
enerzijds en de rechter-commissaris anderzijds geen gezagsrelatie en wordt van hen
verwacht dat zij met respect voor elkaars verantwoordelijkheden hun taken uitoefenen (blz.
79). Het gevaar dreigt dat er tussen de officier van justitie en de rechter-commissaris
regelmatig conflicten ontstaan. Het openbaar ministerie is immers vanuit zijn
rechtshandhavende taak primair zaaksgericht bezig en legt zijn kaarten pas op tafel
wanneer de vervolging als rechtshandhavingsinstrument voor gebruik geschikt is, terwijl de
rechter-commissaris vanuit een door hem geconstrueerde inbeschuldigingstelling primair
persoonsgericht bezig is en onderzoekt of de verdedigingsbelangen van de verdachte tot
een ingrijpen van zijn kant nopen en zodoende bewust of onbewust het onderzoek in de
zaak kan belemmeren. Het gevaar bestaat dat sommige verdachten de door de commissie
voorgestelde verzoekschriftprocedure uitsluitend of in hoofdzaak zullen gebruiken om
informatie te verkrijgen omtrent een tegen hem of zijn medeverdachten lopend
opsporingsonderzoek. De kans op een oneigenlijk gebruik van de verzoekschriftprocedure
en de negatieve effecten daarvan op het opsporingsonderzoek acht ik te groot.
Ik ben voorts van oordeel dat het door de commissie voorgestelde criterium in de praktijk
tot allerlei discussies met de rechter-commissaris aanleiding kan geven omtrent de vraag of
de verzoeker als een verdachte kan worden aangemerkt en of hij voorts voldoende feiten
en omstandigheden heeft aangedragen, waaruit kan worden afgeleid dat door of vanwege
de Staat een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kan ontlenen
dat tegen hem ter zake van een bepaald feit een vervolging zal worden ingesteld.
Voorkomen moet voorts worden dat iedere potentiële verdachte maar in het wilde weg
verzoeken indient ten einde te achterhalen of tegen hem een opsporingsonderzoek gaande
is. Hierdoor kan niet alleen het opsporingsonderzoek in de zaak tegen betrokkene doch ook
het opsporingsonderzoek in de andere zaken in gevaar worden gebracht. Het een en ander
kan ten slotte tot een onaanvaardbare verzwaring van de werklast van de rechter-
commissaris leiden.
Ik ben mij ervan bewust dat volgens de vaste rechtspraak van het EHRM 4) sprake is van
een «criminal charge» als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM vanaf het moment waarop
de situatie van de betrokkene in wezenlijk wordt beïnvloed door de expliciete of impliciete
beschuldiging van een strafbaar feit. Het EHRM hanteert derhalve een materieel
vervolgingsbegrip. Ik stel evenwel tevens vast dat deze rechtspraak vooral met betrekking
tot het beginpunt van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM tot
ontwikkeling is gekomen. Uit de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot artikel 6
EVRM valt geenszins af te leiden dat de verdachte vanaf het moment dat er sprake is van
een «criminal charge» het recht zou moeten worden verleend om aan een rechterlijke
instantie te verzoeken ten behoeve van de verdediging onderzoekshandelingen te
verrichten.
Men mag er - gelet op de positie die de officier van justitie in ons strafvorderlijk bestel
bekleedt - van uitgaan dat de officier van justitie, indien hem een met redenen omkleed
verzoek van de verdachte of diens raadsman om een vordering tot instelling van een
gerechtelijk vooronderzoek te doen ten einde door de rechter-commissaris ten behoeve van
de verdediging een onderzoekshandeling te verrichten bereikt, na een zorgvuldige afweging
van alle in aanmerking komende belangen - het opsporingsbelang, het verdedigingsbelang
en het belang van de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn - daarop zal
beslissen. Een onredelijke weigering van de officier van justitie om aan een dergelijk
verzoek te voldoen kan later tijdens het onderzoek op de terechtzitting ter toetsing komen
voor zover ten minste de verdediging stelt dat de verdachte ten gevolge van deze
weigering geen eerlijk proces heeft gehad.
Gelet op het vorenstaande ben ik van oordeel dat de verdachte zich pas in het geval dat er
sprake is van een formele inbeschuldigingstelling tot de rechter-commissaris moet kunnen
wenden met het verzoek ten behoeve van de verdediging een onderzoekshandeling te
(doen) verrichten. Ik stel mitsdien voor artikel 184, tweede lid, in zoverre te wijzigen dat de
rechter-commissaris, indien ten aanzien van de verdachte een bevel tot voorlopige
hechtenis is gegeven, ambtshalve of op het verzoek van de verdachte een gerechtelijk
vooronderzoek kan instellen ten aanzien van het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is
bevolen, zolang ten minste het bevel tot voorlopige hechtenis niet is opgeheven en de
officier van justitie nog geen dagvaarding of, indien deze is ingetrokken, geen nieuwe
dagvaarding ter betekening aan de verdachte heeft doen uitgaan.

5. De regeling van de parallelle en opgedragen opsporing

Van de zijde van de politie en het openbaar ministerie zijn soortgelijke bezwaren naar voren
gebracht ter zake van de door de commissie voorgestelde regeling van de parallelle
opsporing.
De commissie stelt een nieuw artikel 177a voor waarin de officier van justitie wordt
verplicht om, ingeval ter zake van een feit waarop een gerechtelijk vooronderzoek
betrekking heeft, zorg te dragen dat de rechter-commissaris hieromtrent ten spoedigste
wordt ingelicht en aan hem de desbetreffende processtukken worden toegezonden. Ingeval
ter zake van een feit waarop een gerechtelijk vooronderzoek betrekking heeft, de verdachte
of een andere persoon door de politie wordt verhoord, dient krachtens het door de
commissie voorgestelde artikel 177b het verhoor van de verdachte of een andere persoon
zoveel mogelijk onder dezelfde condities plaats te vinden als het verhoor door de rechter-
commissaris.
Kort samengevat voert de commissie met betrekking tot haar voorstel de volgende
argumenten aan. Naar het oordeel van de commissie valt thans een tendens waar te nemen
waarbij met betrekking tot strafbare feiten ter zake waarvan een gerechtelijk vooronderzoek
is ingesteld het accent tijdens het gerechtelijk vooronderzoek steeds meer verschuift naar
de parallelle opsporing. In de zienswijze van de commissie is deze praktijk alleen dan
aanvaardbaar zolang zulks niet ten koste gaat van de leidinggevende positie van de rechter-
commissaris en de rechtspositie van de verdachte en diens raadsman tijdens het
gerechtelijk vooronderzoek. De rechter-commissaris dient volledig op de hoogte te zijn van
de gang van zaken tijdens de parallelle opsporing. De commissie stelt zich voorts op het
standpunt dat, ingeval verdachten of andere personen door opsporingsambtenaren ter zake
van een feit waarop een gerechtelijk vooronderzoek betrekking heeft worden verhoord,
deze personen in dezelfde positie dienen te verkeren als zij zouden zijn indien zij door de
rechter-commissaris zouden zijn verhoord. De continuering van het opsporingsonderzoek
tijdens het gerechtelijk vooronderzoek mag er niet toe leiden dat de rechtspositie van de
betrokkenen tijdens het verhoor wordt verzwakt.
De zelfstandige voortzetting van het opsporingsonderzoek onder leiding van de officier van
justitie tijdens het gerechtelijk vooronderzoek is langzamerhand in de praktijk gegroeid en is
thans algemeen aanvaard 5).
Het Wetboek van Strafvordering bevat geen verplichting van de officier van justitie om de
rechter-commissaris in te lichten over de resultaten van het opsporingsonderzoek tijdens
het gerechtelijk vooronderzoek en hem de daarbij behorende bescheiden over te leggen.
Van de officier van justitie wordt verwacht dat hij met respect voor de
verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris het parallelle opsporingsonderzoek
verricht en de rechter-commissaris zo spoedig als het belang van het onderzoek dat toelaat
op de hoogte stelt van de resultaten daarvan en hem de desbetreffende stukken
overhandigt. Het voorgestelde artikel 177a verplicht de officier van justitie hiertoe. Het
door de commissie voorgestelde artikel 177b heb ik echter niet overgenomen. Dit artikel
noemt behalve de verdachte nog «andere personen», waaronder behalve getuigen ook
medeverdachten tevens getuigen in dezelfde zaak moeten worden begrepen. Gegronde
vrees bestaat dat bij voorbeeld in het geval dat medeverdachten als getuigen worden
verhoord deze verhoren ernstig bemoeilijkt zullen worden door de aanwezigheid van een of
meer in beginsel tot deze verhoren toe te laten raadslieden van de verdachten. De naleving
van het voorgestelde artikel 177b kan naderhand op de terechtzitting tot allerlei discussies
aanleiding geven, waarbij de betrokken politiefunctionarissen eventueel ter zitting als
getuigen moeten worden verhoord, hetgeen weer tot aanzienlijke vertraging van het
onderzoek op de terechtzitting kan leiden. Voorts vraag ik mij af of van de politie tijdens de
parallelle opsporing in redelijkheid kan worden gevergd dat zij zich steeds realiseert of er bij
een bepaald verhoor sprake is van een feit waarop een gerechtelijk vooronderzoek
betrekking heeft en welke handelwijze vervolgens van haar wordt verwacht. Deze
formulering biedt de politie te weinig houvast. De Raad van State deelt mijn bezwaren
terzake. Voorts ben ik van oordeel dat in dezen aan de verdachte geen verdere
bescherming behoeft te worden geboden dan thans door de Hoge Raad wordt geëist. De
vraag of en wanneer de officier van justitie bevoegd is het opsporingsonderzoek zelfstandig
voort te zetten zonder de rechter-commissaris erbij te betrekken kan in de regel pas
achteraf na kennisneming van de omstandigheden van het geval goed worden beoordeeld.
De toetsing door de rechter achteraf aan de hand van ongeschreven beginselen van een
behoorlijke procesvoering acht ik met het oog op de bescherming van de verdachte
toereikend. Blijkens HR 2 juni 1987, NJ 1988, 180 was de Hoge Raad van oordeel dat het
Hof, oordelende dat nu er in casu geen sprake was van een bewust vermijden door de
officier van justitie van het gerechtelijk vooronderzoek met betrekking tot feiten waarvan
na het verhoor door de rechter-commissaris aangifte was gedaan, een juiste maatstaf had
aangelegd. Bij de parallelle opsporing is er ten aanzien van de verdachte - anders dan in
geval van toepassing van de door de commissie voorgestelde artikelen 36a-36f - weliswaar
sprake van een formele inbeschuldigingstelling doch deze ontbreekt nu juist ten aanzien
van de andere bij het desbetreffende strafbare feit betrokken personen.
Als zou komen vast te staan dat de verdediging door de wijze waarop de officier van
justitie tijdens de parallelle opsporing bepaald bewijsmateriaal heeft verzameld of het
tijdstip waarop hij deze informatie aan de rechter-commissaris heeft verstrekt in haar
belangen is geschaad, doen zich twee mogelijkheden voor. Of de rechter-commissaris
herstelt het verzuim, zoals artikel 199, eerste lid, Sv voorschrijft, hetzij door gebruikmaking
van de hem krachtens het bepaalde in artikel 177, eerste lid, Sv toekomende bevoegdheid,
hetzij door de desbetreffende onderzoekshandeling zelf opnieuw te verrichten. Of op de
terechtzitting wordt onderzocht of en zo ja welke processuele gevolgen daaraan dienen te
worden verbonden.
Het voorgaande heeft geen betrekking op de opgedragen opsporing, dat is het
opsporingsonderzoek dat op de voet van het bepaalde in artikel 177, eerste lid, Sv door de
politie wordt verricht. Een wettelijke regeling van de aanwezigheid van de raadsman bij de
door de rechter-commissaris opgedragen politieverhoren acht ik niet opportuun. Genoemd
artikel bevat de bevoegdheid de politie «bevelen te geven». Deze bevelen kunnen ook
betrekking hebben op de aanwezigheid van de raadsman tijdens de opgedragen verhoren.
Als de rechter-commissaris reden heeft om aan te nemen dat het opgedragen verhoor
zonder de vereiste processuele waarborgen zal plaatsvinden, zal hij het desbetreffende
verhoor aan zich moeten houden.
Gelet op het vorenstaande ben ik van oordeel dat het door de commissie voorgestelde
artikel 177b niet in het Wetboek van Strafvordering moet worden opgenomen.

6. De herijking van de aan de rechter-commissaris toekomende strafvorderlijke
bevoegdheden

De hoofdlijnen van het door de commissie ontworpen stelsel van bevoegdheden ter
inbeslagneming en ter betreding van plaatsen in het Wetboek van Strafvordering neem ik
graag over. Ik wijs hierbij op de toebedeling aan de opsporingsambtenaar van een
zelfstandige algemene bevoegdheid ter inbeslagneming en het voor dat doel betreden van
plaatsen, onder de beperking dat er buiten heterdaad sprake dient te zijn van een misdrijf
als omschreven in artikel 87, eerste lid, Sv. Voorts wijs ik op de voorgestelde regeling van
de doorzoeking en het met het oog op de toebedeling van de bevoegdheid tot doorzoeking
gemaakte onderscheid tussen de doorzoeking van woningen en andere plaatsen. In geval
van het doorzoeken van een woning, waarvan de toegang door de bewoner wordt
geweigerd, is de rechter-commissaris de centrale autoriteit. Bij het doorzoeken van andere
plaatsen dan een woning, waarvan de toegang door de bewoner wordt geweigerd, is de
officier van justitie de centrale autoriteit. Het doorzoeken van vervoermiddelen wordt aan
een gewone opsporingsambtenaar opgedragen. In geval van een misdrijf als omschreven in
artikel 67, eerste lid, Sv bezit een gewone opsporingsambtenaar de zelfstandige
bevoegdheid een persoon, die redelijkerwijs moet worden vermoed houder te zijn van een
voor inbeslagneming vatbaar voorwerp, te bevelen dat hij dit ter inbeslagneming zal
uitleveren. Ten aanzien van de voorstellen van de commissie met betrekking tot de
spoeddoorzoeking van woningen en de doorzoeking ter aanhouding stel ik enkele
wijzigingen voor. Voorts stel ik voor ten aanzien van de kantoren van
verschoningsgerechtigden als bedoeld in artikel 218 Sv de voorschriften inzake de
doorzoeking van woning van overeenkomstige toepassing te verklaren. De voorstellen
zullen in paragraaf 8 per onderwerp worden toegelicht.

7. Geen koppeling van een vordering tot gerechtelijk vooronderzoek aan de uitoefening van
bepaalde bevoegdheden door de (hulp)officier van justitie

De wetgever heeft de bevoegdheid van de officier van justitie of hulpofficier om onder
omstandigheden, in afwachting van het optreden van de rechter-commissaris en bij
dringende noodzakelijkheid, bepaalde dwangmiddelen toe te passen of bepaalde
onderzoekshandelingen te verrichten gekoppeld aan de voorwaarde dat de officier van
justitie een gerechtelijk vooronderzoek vordert. Te wijzen valt op de volgende
dwangmiddelen of onderzoekshandelingen:
- het bevel tot uitlevering van de pakketten, brieven, stukken en andere berichten
welke aan de post, de telegrafie of een andere instelling zijn toevertrouwd (art. 100, eerste
lid, Sv);
- het doen van huiszoeking ter inbeslagneming op elke plaats waar het feit is begaan
of sporen heeft achtergelaten, in de woning en in de verblijfplaats van de verdachte en in
herbergen, koffiehuizen en openbare plaatsen (art. 97, eerste lid, aanhef en onder 1 , Sv);
- het ter gelegenheid van een schouw elders, voor inbeslagneming vatbare
voorwerpen, voor zover deze voor de hand worden aangetroffen, in beslag nemen (art. 97,
eerste lid, aanhef en onder 2 , Sv);
- het beslag leggen op vorderingen die voor verbeurdverklaring in aanmerking komen
(art. 94 Sv);
- het betreden van elke plaats waar de daad is begaan of sporen heeft achtergelaten
ten einde een plaatselijke toestand of een voorwerp te schouwen (art. 151, aanhef en
onder 1 , Sv);
- het benoemen van een of meer deskundigen (art. 151, aanhef en onder 2 , Sv).
Voormelde bevoegdheden zijn van de rechter-commissaris afgeleide bevoegdheden die
onder een aantal stringente voorwaarden door de (hulp)officier van justitie kunnen worden
uitgeoefend. Een van die voorwaarden is de vordering tot het instellen van een gerechtelijk
vooronderzoek. Deze voorwaarde moet allereerst worden bezien in het licht van een andere
in de wet gestelde voorwaarde, te weten de uitoefening van de bevoegdheid in afwachting
van de komst van de rechter-commissaris. De wetgever veronderstelde kennelijk dat de
betreffende onderzoekshandeling in de regel nog niet zou zijn voltooid bij de komst van de
rechter-commissaris en de rechter-commissaris de leiding over die onderzoekshandeling zou
overnemen. De uitoefening van deze bevoegdheden werd voorts door de wetgever als een
inleiding tot het gerechtelijk vooronderzoek gezien 6). De praktijk heeft zich echter in een
andere richting ontwikkeld. De vereiste spoed is meestentijds zodanig dat de komst van de
rechter-commissaris niet kan worden afgewacht. De noodzaak tot het verrichten van
andere onderzoekshandelingen in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek ontbreekt in
vele gevallen.
De praktijk leert dat een groot aantal huiszoekingen buiten aanwezigheid van de rechter-
commissaris geschiedt. Aan een effectieve controle op de rechtmatigheid van de
huiszoeking door de rechter-commissaris draagt het indienen van een vordering tot
gerechtelijk vooronderzoek na afloop van de huiszoeking, naast het ambtsedig proces-
verbaal als verantwoordings- en toetsingsinstrument van de rechter-commissaris, weinig
bij. De rechter-commissaris zal hierbij immers niet op eigen waarneming kunnen steunen.
Hooguit zal hij een nader onderzoek kunnen instellen naar beweerde onregelmatigheden en
van zijn bevindingen verslag kunnen neerleggen in het dossier. Heeft de huiszoeking tot
inbeslagneming geleid, dan kan de belanghebbende in het kader van een beklag hierover op
de voet van artikel 552a Sv de onrechtmatigheid van de huiszoeking aan de orde stellen.
Het is voorts niet uitgesloten dat de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek door de
rechter-commissaris wordt afgewezen, omdat het betreffende dwangmiddel reeds is
toegepast of de onderzoekshandeling is voltooid, terwijl geen andere grond voor het
instellen van het gerechtelijk vooronderzoek meer aanwezig is. De met de indiening van de
vordering door de officier van justitie en de toetsing van die vordering door de rechter-
commissaris gemoeide tijd had in dat geval nuttiger besteed kunnen worden. Een afwijzing
van de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek invalideert de eerder gehouden huiszoeking
niet.
Een officier van justitie die in het buitenland door middel van een verzoek om rechtshulp
een huiszoeking ter inbeslagneming bewerkstelligt, blijft gebonden aan het bepaalde in
artikel 97 Sv 7). Hij moet dus de instelling van een gerechtelijk vooronderzoek vorderen.
Een huiszoeking ter inbeslagneming, hoe correct ook volgens de regels van het
buitenlandse recht uitgevoerd, is onrechtmatig, als de officier van justitie nalaat de
instelling van een gerechtelijk vooronderzoek te vorderen. Dit is ook het geval als de
officier van justitie redelijkerwijs mag aannemen dat in het kader van het door hem
gevorderde gerechtelijk vooronderzoek geen andere onderzoekshandeling behoeft te
worden verricht. Genoemde wettelijke voorwaarde dient alsdan geen enkel redelijk doel
meer. In navolging van de commissie stel ik voor in voorkomende gevallen deze koppeling
uit het Wetboek van Strafvordering te halen en hetzij de uitoefening van een bepaalde
strafvorderlijke bevoegdheid door de (hulp)officier van justitie te verbinden aan een
voorafgaand verlof (machtiging) van de rechter-commissaris hetzij deze bevoegdheid te
verzelfstandigen.
In de gevallen waarin een afgeleide bevoegdheid aan een voorafgaand verlof is verbonden,
is er sprake van een situatie waarin de autoriteit aan wie de algemene bevoegdheid
toekomt (de rechter-commissaris of de officier van justitie) niet in staat is om de
desbetreffende bevoegdheid terstond uit te oefenen. De spoedeisendheid brengt in
dergelijke gevallen mede dat de desbetreffende bevoegdheid door de lagere autoriteit kan
worden uitgeoefend. Zie bijv. de voorgestelde artikelen 55a, 96c, 97 en 125a. Is de
spoedeisendheid zo groot dat ook het vragen van verlof niet kan worden afgewacht of is
de bevoegde hogere autoriteit niet bereikbaar, dan dient de lagere autoriteit óf het
voorgeschreven verlof na afloop van het onderzoek te vragen (zie de artt. 96c en 97) óf de
hogere autoriteit van het verrichte onderzoek op de hoogte te stellen (art. 55a).

8. Afschaffing van het verlof of de machtiging van de rechtbank vooraf

De toepassing van een aantal ingrijpende dwangmiddelen door de rechter-commissaris is
gekoppeld aan een voorafgaand verlof of een voorafgaande machtiging van de rechtbank.
Te wijzen valt op de huiszoeking ter inbeslagneming (art. 111, eerste lid, Sv), de
huiszoeking ter inbeslagneming van brieven of andere geschriften die niet het voorwerp van
het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend (art. 113, eerste lid,
Sv) alsmede het onderzoek aan de persoon bij gebleken bezwaar van de betrokkenen (art.
195, tweede lid, Sv).
De indruk bestaat dat een verlof of machtiging door de rechtbank vaak na een summier
onderzoek, grotendeels aan de hand van door de rechter-commissaris verstrekte
inlichtingen, wordt verleend en dientengevolge als extra waarborg bij de toepassing van
ingrijpende dwangmiddelen aan betekenis heeft ingeboet. Voorts wordt het verlof tot
huiszoeking in de praktijk in zeer algemene bewoordingen omschreven. Zulks hangt in de
eerste plaats samen met de steeds toenemende werklast van de rechtbanken. Het karakter
van de betreffende dwangmiddelen brengt mede dat het veelal gaat om gecompliceerde
strafzaken en omvangrijke dossiers. Voorts wordt van de rechtbank verwacht dat zij binnen
korte tijd een beslissing neemt over de aanvraag van het verlof of de machtiging. De
rechtbank gaat er voorts in de praktijk van uit dat de rechter-commissaris, die volledig op
de hoogte is van alle merites van de betreffende strafzaak, niet zonder geldige reden een
verlof of machtiging zal aanvragen. Daarmede is deze waarborg gereduceerd tot een
formaliteit die vanwege haar vertragend effect op het verloop van het voorbereidend
onderzoek beter kan komen te vervallen.
De regeling van het verlof van de rechtbank ter zake van een huiszoeking door de rechter-
commissaris is bovendien niet erg consistent. Het is op zichzelf merkwaardig dat de
rechter-commissaris wel het uiteindelijk oordeel over de opportuniteit van de huiszoeking is
toevertrouwd, maar niet de zelfstandige beslissing over de noodzaak van dat onderzoek.
Ten slotte dient te worden opgemerkt op dat bij een vergelijkbaar ingrijpend dwangmiddel
als het afluisteren of opnemen van telefoongesprekken door de wetgever geen voorafgaand
verlof van de rechtbank is voorgeschreven.
Het voorstel van de commissie om het verlof of de machtiging van de rechtbank met het
oog op het verrichten van onderzoekshandelingen door de rechter-commissaris te laten
vervallen neem ik daarom graag over. Een uitzondering dient te worden gemaakt voor het
in artikel 552p Sv voorgeschreven verlof. Het verlof van de rechtbank betreft hier vooral de
inachtneming van de bepalingen van het toepasselijke rechtshulpverdrag.

9. Toelichting per onderwerp

9.1. Inleidende opmerkingen

Na de vorenstaande toelichting op uitgangspunten en hoofdpunten van het wetsvoorstel
kan de toelichting op de door mij voorgestelde artikelen betrekkelijk kort zijn. Op die
plaatsen waar van de voorstellen van de commissie wordt afgeweken, zal de toelichting
daarop uitdrukkelijk ingaan. In deze paragraaf worden de artikelen besproken die per
onderwerp kunnen worden gegroepeerd. De overige artikelen worden, waar nodig, in
paragraaf 10 van een toelichting voorzien.

9.2. De uitbreiding van de territoriale bevoegdheden van de officier van justitie en de
rechter-commissaris (artikelen 10 en 178a)

Het wetboek bevat verschillende voorschriften die het mogelijk maken dat een
onderzoekshandeling buiten het arrondissement wordt verricht. Krachtens de artikelen 201,
tweede lid, 211, eerste lid, en 227, derde lid, Sv kan de rechter-commissaris het verhoor
van de verdachte, een getuige of een deskundige overdragen aan een ambtgenoot in een
ander arrondissement. De overdracht is hier facultatief. Artikel 112, derde lid, bepaalt dat,
ingeval de huiszoeking moet geschieden buiten het arrondissement, de rechtbank haar
opdraagt aan de rechter-commissaris bij de rechtbank binnen welker rechtsgebied zij moet
plaats hebben. Artikel 194 Sv schrijft voor dat, ingeval de schouw moet geschieden buiten
het arrondissement, de rechter-commissaris haar overdraagt aan de rechter-commissaris bij
de rechtbank binnen welker rechtsgebied zij moet plaatshebben. De overdracht is hier
imperatief.
Het door de commissie voorgestelde en door mij overgenomen artikel 178a schrijft voor dat
de rechter-commissaris, indien hij bevoegd is enig onderzoek te doen, zelf binnen het
rechtsgebied van een andere rechtbank de gewenste onderzoekshandeling kan verrichten.
Als regel dient de rechter-commissaris in de gerechtelijke vooronderzoeken waarover hij de
leiding heeft, zelf alle onderzoekshandelingen te verrichten. De overdracht van
onderzoekshandelingen dient uitzondering te blijven. Alleen bij dringende noodzakelijkheid
kan de rechter-commissaris een bepaalde onderzoekshandeling aan een collega in een
ander arrondissement overdragen. De dringende noodzakelijkheid kan bijv. gelegen zijn in
de afstand tussen het kabinet van de rechter-commissaris en de plaats waar de
onderzoekshandeling moet worden verricht of in een tekort aan rechter-commissarissen op
een bepaald moment of in de spoed waarmee de onderzoekshandeling dient te worden
verricht. Vooral in geval van het doorzoeken van meer woningen op één en hetzelfde
moment is soms spoed geboden. De overdracht kan in dat geval later bij beschikking
worden vastgelegd. De eis van dringende noodzakelijkheid noopt ook tot overleg tussen de
betrokken rechters-commissarissen alvorens een overdracht plaatsvindt. Onder het begrip
onderzoekshandeling valt bijv. het doorzoeken van plaatsen, waaronder een woning, een
schouw, een verhoor van de verdachte, een getuige of deskundige en het onderzoek aan
de persoon. De artikelen 112, derde lid, 194, 201 en 211, voor wat betreft het verhoor
van een getuige in een ander kanton of arrondissement, kunnen alsdan komen te vervallen.
Aldus wordt tevens tegemoet gekomen aan de wens van de rechters-commissarissen om
bij het doorzoeken van een woning overal hier te lande te kunnen optreden. Ten einde dit
mogelijk te maken is men er recent toe overgegaan rechters-commissarissen in naburige
arrondissementen tot rechter-plaatsvervanger te benoemen. Op de voet van artikel 170
kunnen zij dan als rechter-commissaris optreden. Deze constructie is thans niet meer nodig.
Het door mij voorgestelde eerste lid van artikel 178a wijkt in zoverre af van de
overeenkomstige, door de commissie voorgestelde, bepaling dat na het woord «verrichten»
zijn toegevoegd de woorden: of doen verrichten. Ik wil hiermede tot uitdrukking brengen
dat het hier niet uitsluitend gaat om onderzoekshandelingen die de rechter-commissaris
persoonlijk verricht. De voorgestelde bepaling heeft ook betrekking op
onderzoekshandelingen die door de politie in opdracht van de rechter-commissaris
overeenkomstig het bepaalde in artikel 177, eerste lid, Sv worden verricht. Het
voorgestelde eerste lid van artikel 178a stelt als voorwaarde dat de rechter-commissaris
bevoegd moet zijn tot het doen van enig onderzoek. Gezien de samenhang tussen de
artikelen 148, 149 en 168 Sv is tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek alleen
bevoegd de rechter-commissaris in de rechtbank die van het strafbare feit kennis moet
nemen. Deze voorwaarde tracht te voorkomen dat rechters-commissarissen in andere
arrondissementen met betrekking tot zaken die niet door hen in behandeling genomen zijn
8), onderzoekshandelingen verrichten. Blijkt achteraf dat de rechter-commissaris
onbevoegd was enig onderzoek te verrichten, dan blijft het gevoerde onderzoek van kracht
op grond van het bepaalde in artikel 179 Sv. Deze bepaling vindt ook toepassing in geval
van verzoeken om internationale rechtshulp.
In het voorgestelde artikel 10 worden in dezelfde zin de territoriale bevoegdheden van de
officier van justitie uitgebreid. Als de rechter-commissaris immers buiten zijn eigen
arrondissement moet kunnen optreden, dan moet de officier van justitie daartoe ook in
staat gesteld kunnen worden. Het eerste lid bepaalt dat de officier van justitie, bevoegd tot
het doen van enig onderzoek, een bepaalde onderzoekshandeling ook binnen het
rechtsgebied van een andere rechtbank dan die waarbij hij is geplaatst kan verrichten of
doen verrichten. Ook hier geldt dat de desbetreffende onderzoekshandeling niet door de
officier van justitie persoonlijk behoeft te worden verricht. Hij kan ook overeenkomstig het
bepaalde in artikel 148, tweede lid, Sv aan de politie bevelen de nodige
onderzoekshandeling te verrichten. Bij dringende noodzakelijkheid kan de officier van
justitie een bepaalde onderzoekshandeling overdragen aan zijn ambtgenoot die is geplaatst
bij de rechtbank binnen welker rechtsgebied de onderzoekshandeling moet plaats hebben.
De officier van justitie, bevoegd tot het bijwonen van enig onderzoek door een rechterlijke
instantie, kan als zodanig ook binnen het rechtsgebied van een andere rechtbank dan die
waarbij hij is geplaatst optreden, indien dit onderzoek aldaar plaatsvindt. Te wijzen valt bij
voorbeeld op de huiszoeking en de schouw.

9.3 De toevoeging van een vervangende raadsman in geval van een beperking van het
verkeer tussen raadsman en verdachte (artikel 50a)

Zodra de officier van justitie of de rechter-commissaris een bevel bedoeld in artikel 50 heeft
gegeven, dient hij dit krachtens het door de commissie voorgestelde en door mij
overgenomen artikel 50a, eerste lid, onverwijld ter kennis van de voorzitter van de
rechtbank te brengen. Deze dient vervolgens onverwijld een andere raadsman aan de
verdachte toe te voegen. Ik neem als vanzelfsprekend aan dat de voorzitter van de
rechtbank geen kantoorgenoot van de betrokken raadsman zal toevoegen. Het lijkt mij niet
nodig zulks uitdrukkelijk in de wet voor te schrijven. De werkzaamheid van de ingevolge
het voorgestelde artikel 50a, eerste lid, toegevoegde raadsman strekt er alleen toe de
belemmeringen die verdachte ondervindt in het contact met zijn raadsman, te
minimaliseren. Is er sprake van een bezoekverbod, dan bezoekt de toegevoegde raadsman
de verdachte. Zijn er ten aanzien van de correspondentie tussen raadsman en verdachte
beperkingen opgelegd, dan loopt die correspondentie eveneens via de toegevoegde
raadsman. De werkzaamheid van de toegevoegde raadsman neemt een einde zodra de
beperkingen zijn opgeheven.
De verdachte kan gedurende de periode dat een bevel bedoeld in artikel 50 Sv van kracht
is, een andere raadsman kiezen. Op het moment dat door de griffier van de door deze
raadsman gedane kennisgeving aan de in artikel 39, derde lid, Sv genoemde personen
mededeling is gedaan, neemt de werkzaamheid van de toegevoegde raadsman eveneens
een einde.

9.4. De doorzoeking van plaatsen ter aanhouding (artikelen 55a, 547 en 565)

Ik stel voor de bevoegdheid tot het doorzoeken van plaatsen ter aanhouding in geval van
ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf
als omschreven in artikel 67, eerste lid, te verlenen aan iedere opsporingsambtenaar.
Behoudens in geval van dringende noodzakelijkheid behoeft hij daartoe een machtiging van
de officier van justitie. Een dergelijke regeling stelt de opsporingsambtenaar in staat om in
spoedgevallen de aanhouding van de verdachte te realiseren. In de overige gevallen
handhaaf ik de voorafgaande machtiging van de officier van justitie. Het doorzoeken van
plaatsen is een zó ingrijpend dwangmiddel dat het openbaar ministerie op de toepassing
daarvan door de politie controle behoort uit te oefenen. Indien het voorafgaand verlof
vanwege de spoedeisendheid niet kan worden gevraagd, dient de politie na afloop van de
doorzoeking onverwijld het openbaar ministerie hieromtrent in te lichten. De artikelen 120
tot en met 123 zijn van toepassing. Zie artikel 55, tweede lid.
Een voorafgaande machtiging van de officier van justitie acht ik niet nodig bij aanhouding
ter tenuitvoerlegging van rechterlijke bevelen en veroordelende vonnissen of arresten. Zie
daartoe mijn voorstellen tot wijziging van de artikelen 547, eerste lid, en 565 Sv.
De bevoegdheid tot doorzoeking mag zich niet verder uitstrekken dan voor de aanhouding
van de betrokkene noodzakelijk is. De doorzoeking dient te eindigen als de aanhouding van
de betrokkene is voltooid.

9.5 De inbeslagneming en het betreden van plaatsen (artikel 96)

Onverminderd het bepaalde in artikel 95 Sv verschaft het voorgestelde artikel 96 de
opsporingsambtenaar in geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in
geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv een
algemene inbeslagnemingsbevoegdheid, gekoppeld aan een bevoegdheid tot het betreden
van plaatsen.
In de praktijk bestaat aan een verruiming van de inbeslagnemingsbevoegdheid van gewone
opsporingsambtenaren grote behoefte. Inbeslagneming is een bevoegdheid die met het oog
op gevaar voor wegmaking, onbruikbaarmaking, onklaarmaking of beschadiging van het in
beslag te nemen voorwerp vrijwel onmiddellijk moet kunnen worden uitgeoefend. Een
algemene inbeslagnemingsbevoegdheid die uitsluitend aan de rechter-commissaris toekomt
(zie art. 104 Sv) past niet meer in een bijdetijds arsenaal van strafvorderlijke
bevoegdheden. In vele bijzondere wetten is thans aan gewone opsporingsambtenaren een
algemene inbeslagnemingsbevoegdheid toegekend. Zie blz. 90 van het rapport van de
commissie. De centrale rol van het wetboek met betrekking tot de wettelijke regeling van
de inbeslagnemingsbevoegdheid dient te worden hersteld en wel op een zodanige wijze dat
daaraan een zorgvuldige afweging van de door de opsporingspraktijk en de bescherming
van de rechten van diegene bij wie het voorwerp inbeslaggenomen is, gestelde eisen tegen
elkaar ten grondslag ligt. Gelet op de aard van het recht waarop door de inbeslagneming
inbreuk wordt gemaakt - namelijk alle rechten die een gebruik van het inbeslaggenomen
voorwerp inhouden - alsmede op het stelsel van waarborgen waarmee de inbeslagneming is
omgeven (zie de artt. 116-118 en 552a Sv) acht ik een verruiming van de
inbeslagnemingsbevoegdheid van gewone opsporingsambtenaren, onder de door mij
voorgestelde beperkende voorwaarde, verantwoord.
De algemene inbeslagnemingsbevoegdheid kan door een gewone opsporingsambtenaar
worden uitgeoefend in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67,
eerste lid, Sv. Dat wil zeggen dat er sprake moet zijn van een op feiten en omstandigheden
gebaseerd redelijk vermoeden dat een dergelijk misdrijf is begaan. Pas als aan die
voorwaarde is voldaan, kan de inbeslagneming plaatsvinden. Er hoeft nog geen sprake te
zijn van een bepaalde verdachte. Deze kan in een later stadium worden geïdentificeerd.
In het voorgestelde artikel 96 is aan de algemene inbeslagnemingsbevoegdheid van de
gewone opsporingsambtenaar gekoppeld de bevoegdheid ter inbeslagneming elke plaats te
betreden. Het doel van het betreden van de desbetreffende plaats moet zijn een voor
inbeslagneming vatbaar voorwerp (zie art. 94 Sv) in beslag te nemen. Ter inbeslagneming
kan ook een woning waarvan de toegang door de bewoner wordt geweigerd, worden
binnengetreden. De opsporingsambtenaar mag enkel en alleen zoekend rondkijken en de
voor de hand liggende voorwerpen in beslag nemen. Een verdergaand onderzoek is
krachtens deze bepaling niet geoorloofd. Dit zoekend rondkijken kan in alle vertrekken van
de woning, voor zover deze niet zijn afgesloten, plaatsvinden. De voor inbeslagneming
vatbare voorwerpen moeten met het oog zijn waar te nemen. Zo valt het openen van een
niet afgesloten slaapkamer onder zoekend rondkijken, terwijl het openen van een niet
afgesloten muurkast als doorzoeken moet worden aangemerkt. De precieze grenzen tussen
het «zoekend rondkijken» en de «doorzoeking» zullen aan de hand van de concrete feiten
en omstandigheden door de rechtspraak bepaald moeten worden.
Ten aanzien van de aan de binnentreding van een woning verbonden voorschriften zijn
thans de artikelen 120-123 Sv van toepassing. Onder «plaats» kan iedere denkbare plaats
worden verstaan: een pakhuis, een schuurtje, een woning, een postkantoor, een
bankgebouw, een tuin, een balkon of een vervoermiddel.
Bij de regeling van het binnentreden ter inbeslagneming van een woning door een gewone
opsporingsambtenaar gaat het om een evenwichtige afweging van twee fundamentele
belangen, te weten de inbreuk op het huisrecht en de privacy van de bewoner enerzijds en
de effectiviteit van de algemene inbeslagnemingsbevoegdheid van de gewone
opsporingsambtenaar en de veiligstelling van het in beslag te nemen voorwerp anderzijds.
Ik ben met de commissie van oordeel dat de artikelen 120-123 Sv ter zake van de
bescherming van het huisrecht en de privacy van de bewoner voldoende bescherming
bieden, zolang de inbreuk beperkt blijft tot het in de woning zoekend rondkijken. Onder de
door mij voorgestelde beperkende voorwaarden acht ik de inbreuk op genoemde rechten
proportioneel ten opzichte van het beoogde en legitieme doel van de inbeslagneming.
De vraag rijst vervolgens welke bevoegdheden de opsporingsambtenaar toekomen als het
voor inbeslagneming vatbare voorwerp dreigt te worden weggemaakt. Alvorens bij
voorbeeld tot het doorzoeken van een woning kan worden overgegaan, dienen
verschillende formaliteiten te worden vervuld, waaronder het verkrijgen van een machtiging
van de tot het doorzoeken van een woning bevoegde autoriteit. Dit kost tijd. In de praktijk
wordt de situatie dan «bevroren» totdat de bevoegde autoriteit ter plaatse is gearriveerd.
Het gaat hier om het treffen van ordemaatregelen, zoals die welke zijn omschreven in de
artikelen 124 en 125 Sv.
Een dergelijke bevoegdheid zou kunnen worden afgeleid uit de algemene opdracht van de
opsporingsambtenaar tot het opsporen van strafbare feiten en zou dus kunnen worden
gebaseerd op de taakomschrijving ontleend aan de artikelen 141 e.v. Sv. Anderzijds geldt
ook hier dat een inbreuk op het privé-leven van de betrokkene «by law» moet geschieden
en een uitdrukkelijke wettelijke grondslag vergt (zie artikel 8, tweede lid, EVRM). De
maatregelen kunnen onder omstandigheden een ingrijpend karakter hebben. Zo zou een
opsporingsambtenaar genoodzaakt kunnen zijn, in afwachting van het doorzoeken van een
woning, de bewoner de toegang tot bepaalde gedeelten van die woning te ontzeggen. De
maatregelen moeten «redelijkerwijs nodig» zijn om wegmaking, onbruikbaarmaking,
onklaarmaking en beschadiging van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen te
voorkomen. Bij het nemen van bedoelde ordemaatregelen dient de opsporingsambtenaar de
subsidiariteits- en proportionaliteitseis in acht te nemen.

9.6. De uitlevering ter inbeslagneming (artikelen 969, 100 en 105 tot en met 107)

Iedere opsporingsambtenaar kan krachtens het voorgestelde artikel 96a bevelen dat een
persoon die redelijkerwijs moet worden vermoed houder te zijn van een voor
inbeslagneming vatbaar voorwerp dit ter inbeslagneming aan hem zal uitleveren. Er dient in
dat geval sprake te zijn van een op feiten en omstandigheden gebaseerd redelijk vermoeden
dat een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, is begaan.
Bij de totstandkoming van het huidige wetboek plaatste de wetgever het bevel tot
uitlevering vooral in het licht van de huiszoeking. Door het creëren van een
keuzemogelijkheid voor de rechter-commissaris tussen deze twee bevoegdheden kon recht
worden gedaan aan beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Door toepassing van
het bevel tot uitlevering zou de meer ingrijpende huiszoeking vaak vermeden kunnen
worden. Evenals de commissie ten ik van oordeel dat deze doelstelling met meer kans op
succes gerealiseerd zou kunnen worden, als die keuzemogelijkheid niet bij de rechter-
commissaris doch bij de opsporingsambtenaar gelegd wordt. Als een opsporingsambtenaar
ervan overtuigd is dat een bepaald persoon een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp in
zijn bezit heeft, dan is hij de eerst aangewezene om te beoordelen welke bevoegdheid het
meest geschikt is om de beschikking over dit voorwerp te verkrijgen. Is hij bevoegd om
uitlevering van dit voorwerp te bevelen, dan stelt deze bevoegdheid hem in staat zulks op
eenvoudige wijze te realiseren. Hij behoeft dan niet zijn toevlucht te nemen tot het initiëren
van het doorzoeken van een woning, een veel ingrijpender dwangmiddel, welker toepassing
bovendien is voorbehouden aan een justitiële autoriteit: de rechter-commissaris of, in geval
van spoed, de (hulp)officier van justitie. Het doorzoeken van een woning is voorts
gekoppeld aan de instelling van een gerechtelijk vooronderzoek.
De keuze tussen het verlenen van een bevel tot uitlevering of het initiëren van het
doorzoeken van een woning zal zich bij uitstek in de opsporingsfase voordoen. Er zal dan
onmiddellijk een keuze gemaakt moeten worden. Weigert de betrokkene aan het bevel tot
uitlevering te voldoen, dan moet onmiddellijk tot het doorzoeken van een woning kunnen
worden overgegaan. Dit zal dan meestal wel op de voet van artikel 97 Sv geschieden. Door
de opsporingsambtenaar kan dan de situatie worden bevroren, totdat de (hulp)officier van
justitie ter plaatse is. Het voorleggen van deze keuze aan de rechter-commissaris heeft een
vertragend effect en bevordert dat om veiligheidsredenen op voorhand al de keuze op het
doorzoeken van de woning wordt bepaald. Evenals de commissie ben ik van oordeel dat de
overdracht van de bevoegdheid de uitlevering van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen
te vorderen een remmend effect op het aantal doorzoekingen zal hebben.
Door een bevel tot uitlevering wordt de betrokkene beperkt in zijn vrijheid om al dan niet
over een bepaald voorwerp te blijven beschikken. Naar mijn oordeel is hier geen sprake is
van een zodanig inbreuk op de «privacy» en enig recht van de burger met betrekking tot
dat voorwerp dat de toepassing van dit dwangmiddel aan een justitiële of rechterlijke
autoriteit moet worden overgelaten. Ik laat voorts meewegen dat vele bijzondere wetten
deze bevoegdheid reeds aan de gewone opsporingsambtenaar verschaffen.
Het bevel tot uitlevering ter inbeslagneming kan mondeling of schriftelijk worden gegeven.
Een betekening is niet voorgeschreven. Ingeval het bevel mondeling is gegeven, dient
krachtens het bepaalde in artikel 152 Sv daarvan proces-verbaal te worden opgemaakt. Bij
een weigering om aan het bevel te voldoen maakt de betrokkene zich schuldig aan
overtreding van artikel 184 of artikel 193 Sr.
Het belang van de eis dat alleen uitlevering kan worden verlangd van een persoon die
redelijkerwijs moet worden vermoed houder te zijn van een voor inbeslagneming vatbaar
voorwerp, is gelegen in het feit dat een bevel op grond van enkel vage vermoedens niet
past in het systeem van de voorschriften betreffende de dwangmiddelen ter opsporing.
Blijkt achteraf dat degene tot wie de vordering is gericht, van het voorwerp geen houder is
geweest, dan is een vervolging ter zake van overtreding van de artikelen 184 of 193 Sr
kansloos. De inbeslagnemingsbevoegdheid van de opsporingsambtenaar berust op het
voorgestelde artikel 96.
Het begrip «houder» dient los van het civiele recht te worden gezien. Een bank bijv.
waaraan een bevel tot uitlevering van rekeningoverzichten en kredietdossiers is gericht, is
verplicht aan dit bevel te voldoen, ook al kan zij in civielrechtelijke zin als eigenaar van die
bescheiden aangemerkt worden, omdat aan de verdachte zijn eigen exemplaren ter
beschikking zijn gesteld. Houder is diegene die het feitelijk in zijn macht heeft aan het bevel
tot uitlevering te voldoen. Zodoende is ook een eigenaar die een voor inbeslagneming
vatbaar voorwerp heeft uitgeleend, gehouden dit voorwerp van de lener terug te vragen en
vervolgens uit te leveren.
Het voorgestelde tweede lid van artikel 96a heeft nagenoeg dezelfde inhoud als het eerste
lid van artikel 107 Sv. Dit artikellid belet niet dat door da opsporingsambtenaar aan de
verdachte een verzoek tot uitlevering wordt gedaan; een aan de verdachte gegeven bevel is
evenwel onrechtmatig.
Het voorgestelde derde lid van artikel 96a is praktisch gelijkluidend aan het tweede lid van
artikel 106 Sv.
Het voorgestelde vierde lid van artikel 96a stemt grotendeels overeen met het tweede lid
van artikel 107 Sv. Voorgesteld wordt de in dat artikellid voorkomende woorden «of andere
geschriften» te laten vervallen. Het woord «brieven» mag immers gelet op het in artikel 13,
eerste lid, van de Grondwet gegarandeerde briefgeheim niet te eng worden uitgelegd. In
het licht hiervan dienen de woorden «en andere geschriften» als te vaag en te onbepaald te
worden gekenschetst. In de praktijk is gebleken dat allerlei instellingen, zoals banken, met
een beroep op het bepaalde in artikel 107, tweede lid, Sv weigeren aan een bevel tot
uitlevering gevolg te geven zonder dat het gaat om geschriften die onder het
toepassingsbereik van genoemde grondwetsbepaling vallen. Aangezien ook de
toebehorenseis in de praktijk tot soortgelijke problemen aanleiding blijkt te geven, wordt
voorts voorgesteld de woorden «hem toebehoren» te vervangen door de woorden «op hem
betrekking hebben».
Het voorgestelde vijfde lid van artikel 96a bepaalt dat het eerste lid geen toepassing vindt
ten aanzien van pakketten, brieven, stukken en andere berichten, welke aan de houder van
de concessie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Postwet (Stb. 1988, 522), of de
houder van de concessie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de
telecommunicatievoorzieningen (Stb. 1988, 520) dan wel aan een andere instelling van
vervoer zijn toevertrouwd. Het bevel tot uitlevering als bedoeld in artikel 96a, eerste lid,
mag dus niet tot een van deze instellingen zijn gericht. Artikel 100 dient als een specialis
van artikel 96a te worden beschouwd.
Het huidige eerste lid van artikel 100 heeft zowel in de door de commissie voorgestelde als
in de huidige versie slechts betrekking op pakketten, brieven, stukken en andere berichten
voor zover zij klaarblijkelijk voor de verdachte bestemd of van hem afkomstig zijn. Deze
regeling verdient uitbreiding tot de pakketten, brieven etcetera voor zover zij klaarblijkelijk
op de verdachte betrekking hebben, of wel indien zij klaarblijkelijk het voorwerp van het
strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben. Zie ook het voorgestelde
artikel 96a, vierde lid.
De artikelen 108 en 109 zijn niet in de voorgestelde bepaling opgenomen. Zij hebben bij
uitstek betrekking op een door de rechter-commissaris gegeven bevel tot uitlevering of
overbrenging. Noch in artikel 551, eerste lid, Sv noch in de bijzondere wetten, voor zover
daarin aan opsporingsambtenaren de bevoegdheid is verleend tot het geven van een bevel
tot uitlevering van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen, is een dergelijke regeling
opgenomen. Aangenomen moet worden dat ook in geval van een bevel tot uitlevering
bedoeld in het voorgestelde artikel 96a in de geest van de artikelen 108 en 109 zal worden
gehandeld. Mocht dat niet zo zijn, dan staat beklag in de zin van de artikel 552a Sv open.
Met betrekking tot de bewaring van door opsporingsambtenaren in beslag genomen
voorwerpen zijn de artikelen 116-117a Sv van toepassing.

9.7. De inbeslagneming en de doorzoeking van vervoermiddelen (artikel 96b)

Krachtens het voorgestelde artikel 96 is iedere opsporingsambtenaar in geval van
ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf
als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv bevoegd zich de toegang tot een auto te
verschaffen en de voor de hand liggende voorwerpen in beslag te nemen.
Het voorgestelde artikel 96b verschaft de opsporingsambtenaar een extra
onderzoeksbevoegdheid ter opsporing. In de opsporingspraktijk bestaat hieraan een grote
behoefte. Hij mag het vervoermiddel geheel doorzoeken op de aanwezigheid van voor
inbeslagneming vatbare voorwerpen. Zo kan bijv. de kofferbak en het dashboardkastje van
een auto worden geopend. Er moet sprake zijn van hetzij een ontdekking op heterdaad van
een strafbaar feit hetzij een op feiten en omstandigheden gebaseerd redelijk vermoeden dat
een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv is begaan. Het gaat hier om een
ingrijpend dwangmiddel. Daarom is buiten het geval van ontdekking op heterdaad
voorgeschreven dat dit dwangmiddel alleen kan worden toegepast als er een verdenking
bestaat dat een ernstig strafbaar feit is begaan.
Een vervoermiddel is ieder middel dat bestemd is om personen of goederen te vervoeren, te
land, te water of in de lucht. Hierbij dient in het bijzonder te worden gedacht aan voer- en
vaartuigen. Zie artikel 51 Wet wapens en munitie.
Ten einde de bevoegdheid tot het doorzoeken van vervoermiddelen te kunnen uitoefenen
dient de opsporingsambtenaar tevens te beschikken over de bevoegdheid het betrokken
vervoermiddel tot stoppen te dwingen. Zoveel mogelijk dient te worden voorkomen dat de
opsporingsambtenaar daartoe gebruik maakt van de hem krachtens bijzondere wetten
toekomende controlebevoegdheden, in het bijzonder die toegekend krachtens artikel 33
WVW. Het wetboek zelf dient daarvoor een grondslag te bieden. Bovendien bieden de
controlebevoegdheden geen soelaas, indien het stopbevel uitsluitend ertoe strekt om het
vervoermiddel op niet verkeersrechtelijke gronden ter inbeslagneming te doorzoeken. Uit HR
24 mei 1988, NJ 1988, 918, kan worden afgeleid dat de bevoegdheid tot aanhouding
mede omvat de bevoegdheid tot geven van een stopbevel, als de aan te houden verdachte
zich in een rijdende auto bevindt. Onderdeel a van het voorgestelde tweede lid codificeert
deze rechtspraak. Onderdeel b van dit artikellid verschaft de opsporingsambtenaar voorts
de bevoegdheid het vervoermiddel naar een door hem aangewezen plaats over te brengen
of (door de bestuurder) te laten overbrengen. Aldus kan een inbeslagneming van het
vervoermiddel worden vermeden.
Het gaat hier dus om connexe bevoegdheden, welke pas mogen worden uitgeoefend als
zulks noodzakelijk is met het oog op het ter inbeslagneming doorzoeken van een
vervoermiddel. Het niet voldoen aan de vordering tot het tot stilstand brengen van het
vervoermiddel levert een overtreding van artikel 184 Sr op. Het begrip «bestuurder van een
vervoermiddel» is ontleend aan artikel 23, eerste lid, van de Wet op de economische
delicten. Daaronder valt ook bijv. de schipper van een vaartuig. De
inbeslagnemingsbevoegdheid berust óf op artikel 95 óf op het voorgestelde artikel 96.
In het voorgestelde eerste lid van artikel 96b is voor wat betreft de bevoegdheid van iedere
opsporingsambtenaar om vervoermiddelen te doorzoeken één uitzondering gemaakt. Deze
uitzondering betreft het woongedeelte van het vervoermiddel, bijv. van een woonwagen.
Voor de doorzoeking van het woongedeelte van een vervoermiddel is het voorgestelde
artikel 97 toepasselijk. De opsporingsambtenaar kan overeenkomstig het voorgestelde
artikel 96, tweede lid, de situatie bevriezen.
Ten aanzien van de doorzoeking van een vervoermiddel vindt artikel 98, tweede lid, Sv
toepassing. Een doorzoeking mag bij verschoningsgerechtigden als bedoeld in artikel 218
Sv, tenzij met hun toestemming, alleen plaatsvinden voor zover het zonder schending van
het stands-, beroeps- of ambtsgeheim kan geschieden, en mag zich niet uitstrekken tot
andere brieven of geschriften dan die welke het voorwerp van het strafbare feit uitmaken
of tot het begaan daarvan gediend hebben.

9.8. De doorzoeking door de officier van justitie van plaatsen, met uitzondering van
woningen en kantoren van geheimhouders (artikel 96c)

De bevoegdheid tot het doorzoeken van andere plaatsen dan een woning waarvan de
toegang door de bewoner wordt geweigerd en een kantoor van een
verschoningsgerechtigde als bedoeld in artikel 218 Sv komt krachtens het voorgestelde
artikel 96c toe aan de officier van justitie. Hierbij dient vooral te worden gedacht aan de
plaatsen genoemd in de artikelen 138 en 139 Sr, te weten beroeps- en bedrijfsruimten,
zoals winkels, kantoren, banken, cafés, koffiehuizen, en openbare gebouwen.
Het tegen de wil van de bewoner binnentreden van een woning geniet zowel in de
Grondwet (art. 12) als in de internationale verdragen op het gebied van de rechten van de
mens (art. 8, eerste lid, EVRM en art. 17, eerste lid, IVBPR) een bijzondere bescherming
met het oog op de huisvrede. Ook het voorstel inzake de Algemene wet op het
binnentreden bevat bijzondere voorschriften met betrekking tot het binnentreden in een
woning. Evenals de commissie ben ik van oordeel dat het doorzoeken van een woning
waarvan de toegang door de bewoner wordt geweigerd tot de algemene bevoegdheid van
de rechter-commissaris moet blijven behoren. Zijn optreden moet de betrokkenen
waarborgen dat de belangen van de strafvordering en de inbreuk op de huisvrede en andere
persoonlijke en zakelijke rechten op een zorgvuldige wijze tegen elkaar worden afgewogen.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad en de strafkamer van de Hoge Raad hebben de
vraag opgeworpen of het geen aanbeveling verdient te bepalen dat een doorzoeking in een
woning of de werkplaats (kantoor) van een geheimhouder steeds wordt verricht door de
rechter-commissaris. Dit voorstel neem ik graag over. Wat de doorzoeking betreft stel ik de
bescherming van de positie van de geheimhouder op één lijn met de bescherming van de
huisvrede.
Daarnaast stellen zij zich de vraag of de bevoegdheid tot doorzoeking bij privacy-gevoelige
instellingen, bij voorbeeld banken, belastingadviseurs, gemeenten, accountants e.d., aan de
officier van justitie als zelfstandige bevoegdheid moet toekomen. Ik ben mij ervan bewust
dat bij het betreden van andere, in de artikelen 138 en 139 Sr genoemde plaatsen, ook
fundamentele rechten van burgers, zoals het recht op eerbiediging van het privéleven, of
sociaal-economische belangen in het gedrang kunnen komen. Zulks geldt in het bijzonder
voor banken, kantoren en winkels en overheidsgebouwen. Evenals de commissie acht ik
het gerechtvaardigd dat de algemene bevoegdheid tot het doorzoeken van deze plaatsen
wordt toebedeeld aan de officier van justitie, nu het hier niet gaat om een recht dat
bijzondere bescherming vereist. Ik stel mij voor in overleg met de Vergadering van
procureurs-generaal een richtlijn op te stellen die inhoudt dat doorzoekingen van
privacygevoelige plaatsen indien maar enigszins mogelijk onder leiding van de officier van
justitie persoonlijk plaatsvindt.
Er moet sprake zijn van een verdenking dat een misdrijf zoals omschreven in artikel 67,
eerste lid, Sv is begaan.
Het doorzoeken van plaatsen overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van artikel 96c
geschiedt onder leiding van de officier van justitie of, in geval van toepassing van het
tweede lid, onder leiding van de hulpofficier. Zie hieromtrent het gestelde in paragraaf
8.10.
De bevoegdheid van de officier van justitie tot het doorzoeken van andere plaatsen dan een
woning waarvan de toegang door de bewoner wordt geweigerd, of een kantoor van een
verschoningsgerechtigde als bedoeld in artikel 218 Sv kan ook geheel of gedeeltelijk
worden uitgeoefend ter zake van een feit waarop een gerechtelijk vooronderzoek
betrekking heeft. Zulks zou de officier van justitie aanleiding kunnen geven deze
bevoegdheid niet zelf uit te oefenen doch te vorderen dat de rechter-commissaris op de
voet van het voorgestelde artikel 110 de betreffende plaats doorzoekt. Is het doorzoeken
van de desbetreffende plaats nog niet geschied, dan kan de leidinggevende positie van de
rechter-commissaris tijdens het gerechtelijk vooronderzoek medebrengen dat de rechter-
commissaris ambtshalve beslist dat het doorzoeken onder zijn leiding plaatsvindt, indien hij
zulks gewenst acht. Een goed overleg tussen officier van justitie en rechter-commissaris op
dit punt is noodzakelijk. Zie hiertoe het gestelde in paragraaf 9.

9.9. De doorzoeking door de rechter-commissaris van plaatsen, met inbegrip van woningen
en kantoren van geheimhouders (artikel 110)

De rechter-commissaris heeft een algemene bevoegdheid tot het doorzoeken van plaatsen.
Deze bevoegdheid is ruimer dan die welke in het voorgestelde artikel 96c aan de
(hulp)officier van justitie is toegekend. De (hulp)officier van justitie is immers, behoudens
ingeval van toepassing van artikel 97 Sv, niet bevoegd een woning waarvan de toegang
door de bewoner wordt geweigerd of een kantoor van een verschoningsgerechtigde als
bedoeld in artikel 218 Sv te doorzoeken. Voorts is bij het doorzoeken van plaatsen door de
rechter-commissaris niet als eis gesteld dat er sprake moet zijn van een ontdekking op
heterdaad van een strafbaar feit of van verdenking van een misdrijf als omschreven in
artikel 67, eerste lid, Sv. Het vereiste van verlof van de rechtbank komt te vervallen. De
oorspronkelijke artikelen 110 en 111 Sv zijn aldus samengevoegd.
Het voorgestelde artikel 110 schrijft voor dat het doorzoeken van plaatsen onder leiding
van de rechter-commissaris geschiedt. Tot het doorzoeken van plaatsen kan de rechter-
commissaris uitsluitend bevoegd zijn. Het spreekt vanzelf dat de rechter-commissaris in dat
geval aan het doorzoeken van die plaats leiding geeft. Het betreft hier in het bijzonder
woningen, kantoren van geheimhouders en andere plaatsen, onder omstandigheden waarin
niet aan de in de artikelen 96b en 96c gestelde voorwaarden is voldaan. Het is ook
denkbaar dat de rechter-commissaris besluit zelf een plaats te doorzoeken,
niettegenstaande het feit dat daartoe ook een andere autoriteit, een (hulp)officier van
justitie of een opsporingsambtenaar, krachtens het Wetboek van Strafvordering of een
bijzondere wet bevoegd zou zijn. De rechter-commissaris is dan mede bevoegd tot het
doorzoeken van de betreffende plaats. Het ligt voor de hand dat de rechter-commissaris,
als hij tijdens een gerechtelijk vooronderzoek beslist deze bevoegdheid zelf uit te oefenen
en zulks niet aan de (hulp)officier van justitie of de opsporingsambtenaar wil overlaten, aan
het doorzoeken van de betreffende plaats leiding geeft. De zelfstandige bevoegdheid van
de opsporingsambtenaar of de (hulp)officier van justitie dient dan, indien en voorzover de
toepassing van het dwangmiddel geschiedt ter zake van een feit waarop een gerechtelijk
vooronderzoek betrekking heeft, voor de gelijkluidende bevoegdheid van de rechter-
commissaris te wijken. Zie hiertoe het gestelde in paragraaf 9.
Het geven van leiding aan het doorzoeken van plaatsen brengt mede dat de rechter-
commissaris zoveel mogelijk ter plaatse dient te zijn ten einde toezicht te houden op de met
het doorzoeken van de plaats gepaard gaande handelingen en de handhaving van de orde.
Er kunnen zich evenwel omstandigheden voordoen die de rechter-commissaris noodzaken
elders te zijn b.v. hij moet dringend andere onderzoekshandelingen verrichten. Het is ook
denkbaar dat hij meer onderzoekshandelingen tegelijk moet verrichten en niet onmiddellijk
een vervanger beschikbaar is. Zulks kan zich vóór of tijdens het doorzoeken van de woning
voordoen. De leidinggevende taak van de rechter-commissaris brengt mede dat hij, voor
zolang hij niet ter plaatse is, de met het oog op een behoorlijke uitoefening van die taak
vereiste maatregelen treft. Hierbij dient allereerst te worden gedacht aan maatregelen met
het oog op zijn bereikbaarheid. Hij zal ervoor zorg dienen te dragen dat hij via
communicatiemidelen contact blijft houden met de ter plaatse aanwezige personen ten
einde opdrachten te kunnen geven, geschillen te kunnen beslechten en de orde te kunnen
handhaven. Voorts dient hij de nodige maatregelen te treffen opdat het doorzoeken van de
plaats zonder stoornis kan verlopen (zie art. 124, tweede lid, Sv). Hij zal vervolgens de
nodige opdrachten moeten geven omtrent de wijze waarop de plaats dient te worden
doorzocht. Ten slotte zal hij moeten aangeven in welke gevallen tijdens het doorzoeken van
de plaats contact met hem opgenomen dient te worden. Inzake de getroffen maatregelen
dient de rechter-commissaris in het proces-verbaal rekenschap af te leggen.
Het in het huidige artikel 112, eerste en tweede lid, Sv opgenomen voorschrift dat het
doorzoeken van een woning door de rechter-commissaris geschiedt in tegenwoordigheid
van de officier van justitie of, in geval van diens verhindering van een hulpofficier, is in het
voorgestelde artikel 110, tweede lid, gehandhaafd.
Het toepasselijk verklaren van de artikelen 98, 99 en 99a Sv houdt verband met de huidige
artikelen 112, vijfde lid, en 113, tweede lid, Sv.

9.10. De spoeddoorzoeking van plaatsen door de officier van justitie of de hulpofficier
(artikelen 96c en 97)

In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van
een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv doet zich in de praktijk regelmatig
de situatie voor dat een woning waarvan de toegang door de bewoner wordt geweigerd,
dient te worden doorzocht, terwijl ter zake van dat feit geen gerechtelijk vooronderzoek is
ingesteld en de daarmede gepaard gaande procedure, te weten het opstellen van een
vordering waarin dat feit zo nauwkeurig als in deze stand der zaak mogelijk is door de
officier van justitie wordt omschreven (zie art. 181 Sv), de beslissing daarop van de
rechter-commissaris (zie art. 184, eerste lid, Sv) en de komst van de rechter-commissaris
ter plaatse (zie art. 111, tweede lid, Sv) niet kan worden afgewacht.
Ik stel voor in het eerste lid van artikel 97 de bevoegdheid van de officier van justitie om in
spoedgevallen een woning waarvan de toegang door de bewoner wordt geweigerd, te
doorzoeken te handhaven. De voorwaarde dat hij een vordering tot gerechtelijk
vooronderzoek moet doen dient echter naar mijn oordeel te vervallen. In de plaats daarvan
wordt een machtiging van de rechter-commissaris voorgeschreven. De officier van justitie
of de hulpofficier dient in het proces-verbaal van doorzoeking melding te maken van de
verkregen machtiging van de rechter-commissaris. De machtiging zal wel bijna altijd
mondeling (telefonisch) worden gevorderd onderscheidenlijk gevraagd. In het voorstel van
de commissie is met betrekking tot de spoeddoorzoeking van een woning altijd
voorafgaand verlof van de rechter-commissaris noodzakelijk (blz. 149). Het rechter-
commissariaat dient volgens de commissie zodanig georganiseerd te zijn dat steeds verlof
kan worden verleend. Deze bepaling levert volgens de Vergadering van procureurs-generaal
in de volgende situatie, moeilijkheden op. Een politieambtenaar, hulpofficier van justitie,
ziet een man op straat drugs dealen. Hij loopt op de verdachte af, die dat opmerkt, waarna
de verdachte zijn huis binnenvlucht en alle deuren op slot doet. Terwijl de politieambtenaar
via de officier van justitie het vereiste verlof van de rechter-commissaris tracht te krijgen,
spoelt de verdachte de in zijn huis aanwezige drugs door het toilet.
Ten einde aan dit bezwaar tegemoet te komen stel ik voor het tweede lid van artikel 97 aan
te vullen met het voorschrift dat, indien vanwege de vereiste spoed of de onbereikbaarheid
van de rechter-commissaris de machtiging niet tijdig kan worden gevorderd, dat verlof
binnen drie dagen na de doorzoeking door de rechter-commissaris alsnog kan worden
verleend. Het voorafgaand verlof kan dus onder bepaalde voorwaarden worden vervangen
door een machtiging achteraf. Weigert de rechter-commissaris die machtiging, dan dient de
officier van justitie zorg te dragen dat de gevolgen van de doorzoeking zoveel mogelijk
ongedaan worden gemaakt. Zo zal de officier van justitie bij voorbeeld de inbeslaggenomen
voorwerpen onverwijld dienen terug te geven aan degene bij wie zij inbeslaggenomen zijn.
Ik wijs erop dat dit voorstel de rechtspositie van de verdachte niet verzwakt. Volgens het
geldende artikel 97, eerste lid, beschikt de officier van justitie reeds over deze
bevoegdheid, zonder dat hij verplicht is voorafgaand verlof te vragen van de rechter-
commissaris.
Gelet op de leidinggevende positie van de officier van justitie tijdens het
opsporingsonderzoek dient in geval van het doorzoeken van plaatsen door een hulpofficier
de machtiging zo mogelijk door tussenkomst van de officier van justitie aan de rechter-
commissaris te worden gevraagd.
Het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 96, tweede lid, strekt ertoe de
gevallen waarin het optreden van de rechter-commissaris onderscheidenlijk de officier van
justitie niet kan worden afgewacht, te beperken.
Het huidige nr. 2 van artikel 97 Sv kan komen te vervallen, nu de (hulp)officier van justitie
de bevoegdheid om ter gelegenheid van een schouw voor inbeslagneming vatbare
voorwerpen, voor zover deze voor de hand worden aangetroffen, in beslag te nemen reeds
bezit krachtens het voorgestelde artikel 96.
Ook tijdens een gerechtelijk vooronderzoek kan het nodig zijn dat met spoed een woning
waarvan de toegang door de bewoner wordt geweigerd, dient te worden doorzocht. Indien
zulks tijdens de nachtelijke uren dient te geschieden of meer woningen tegelijk moeten
worden doorzocht, kan het voorkomen dat de komst van de rechter-commissaris niet kan
worden afgewacht. Het door de commissie voorgestelde artikel 111 voorziet in een
dergelijke situatie. De officier van justitie of, in geval van diens verhindering, de hulpofficier
kan met toestemming van de rechter-commissaris vast een begin maken met het
doorzoeken van de woning. De rechter-commissaris dient vervolgens ervoor te zorgen dat
hij zo spoedig mogelijk ter plaatse is. De door de commissie voorgestelde regeling beoogt in
geval van het doorzoeken van een woning waarvan de toegang door de bewoner wordt
geweigerd, tijdens een gerechtelijk vooronderzoek de rechter-commissaris zo snel mogelijk
ter plaatse te doen zijn. Een dergelijke verplichting acht de commissie uitvoerbaar, omdat
de formaliteiten met betrekking tot de instelling van een gerechtelijk vooronderzoek
achterwege kunnen blijven.
Anders dan de commissie ben ik van oordeel dat de wettelijke regeling van de
spoeddoorzoeking zowel buiten als binnen het gerechtelijk vooronderzoek gelijkluidend
dient te zijn. Niet valt in te zien waarom aan de rechter-commissaris voor wat betreft de
door hem te betrachten voortvarendheid strengere eisen gesteld moeten worden ingeval
met betrekking tot het desbetreffende feit een gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld. Ik
verwacht niet dat de rechter-commissaris ingeval de doorzoeking plaatsvindt ter zake van
een feit waarop een gerechtelijk vooronderzoek betrekking heeft sneller ter plaatse zal zijn.
De praktijk zal dan worden geconfronteerd worden met de vraag welke gevolgen hieraan
dienen te worden verbonden. Ik ben voorts bevreesd dat een afwijkende regeling in de
politiepraktijk tot grote problemen aanleiding kan geven. Het zal voor de politie alsmede
voor de dienstdoende officier van justitie en rechter-commissaris immers niet altijd
onmiddellijk duidelijk zijn of de doorzoeking geschiedt ter zake van een feit waarop een
gerechtelijk vooronderzoek betrekking heeft. Voorts kan de politie zich meer dan wenselijk
én noodzakelijk is in afwachting van de komst van de rechter-commissaris de doorzoeking
te bevriezen, waardoor het gevaar bestaat dat voor inbeslagneming vatbare voorwerpen
worden weggemaakt. Ik ben daarom van oordeel dat het door de commissie voorgestelde
artikel 111 ten aanzien van de spoeddoorzoeking van een woning waarvan de toegang
door de bewoner wordt geweigerd, niet moet worden overgenomen. Ten aanzien van een
dergelijke spoeddoorzoeking zijn de voorgestelde artikelen 97 en 96, tweede lid, van
toepassing. De redenen waarom thans nog wordt betwijfeld of artikel 97 ook tijdens het
gerechtelijk vooronderzoek toepassing kan vinden, namelijk de voorwaarde dat de officier
van justitie een vordering als bedoeld in artikel 181 doet, zijn thans vervallen. Deze
voorwaarde komt in het voorgestelde artikel 97 niet meer voor. Gezien de bestaande leer
omtrent de parallelle opsporing is een afzonderlijke regeling van de spoeddoorzoeking
tijdens het gerechtelijk vooronderzoek niet noodzakelijk.
De spoeddoorzoeking van andere plaatsen dan een woning waarvan de toegang door de
bewoner wordt geweigerd of een kantoor van een verschoningsgerechtigde als bedoeld in
artikel 218 Sv is geregeld in artikel 96c, tweede lid. Bij dringende noodzakelijkheid en
indien het optreden van de officier van justitie niet kan worden afgewacht, kan de
hulpofficier de bevoegdheid, toegekend in het eerste lid van artikel 96c, uitoefenen. De
hulpofficier heeft daartoe in de regel het verlof van de officier van justitie nodig. Het
voorschrijven van een verlof van de zijde van de officier van justitie strekt ertoe te
voorkomen dat deze bevoegdheid in de praktijk zonder medeweten van de officier van
justitie door de politie wordt uitgeoefend. Indien vanwege de vereiste spoed of de
onbereikbaarheid van de officier van justitie het verlof niet tijdig kan worden gevraagd, kan
het verlof binnen drie dagen na de doorzoeking door de officier van justitie worden
verleend. Weigert de officier van justitie dit verlof, dan draagt hij zorg dat de gevolgen van
de doorzoeking zoveel mogelijk ongedaan worden gemaakt. De hulpofficier dient in zijn
proces-verbaal melding te maken van het door de officier van justitie gegeven verlof.

9.11. Het onderzoek van telecommunicatie (artikelen 125a-125m en 552t)

De door de commissie in haar (nader) advies omtrent het onderzoek van
telefoongesprekken gedane voorstellen zijn door mij grotendeels overgenomen.
Krachtens het voorgestelde eerste lid van artikel 125b is een telefoontap alleen mogelijk op
vordering van de officier van justitie. Wijst de rechter-commissaris de vordering af, dan
staat voor de officier van justitie hoger beroep open (zie art. 446 Sv). De periode
gedurende welke door een opsporingsambtenaar kan worden afgeluisterd, is gesteld op
maximaal vier weken. Deze termijn sluit aan bij de in de Richtlijnen onderzoek van
telefoongesprekken 9) genoemde termijn. Deze periodieke toetsing van de telefoontap door
de rechter-commissaris is deels een gevolg van het feit dat de telefoontap uit het
gerechtelijk vooronderzoek is gelicht en vloeit deels voort uit de door artikel 8 EVRM ten
aanzien van de regeling van de telefoontap gestelde eisen.
Een bevel tot het afluisteren of opnemen van telecommunicatie kan worden gegeven,
indien:
a. blijkt van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, is
begaan, dat gezien zijn aard, of het georganiseerd verband waarin het is begaan, of de
samenhang met andere begane misdrijven, een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert,
en
b. het bevel redelijkerwijs nodig is voor het aan de dag brengen van de waarheid of
voor de aanhouding van de verdachte.
De eisen ten aanzien van de categorieën van strafbare feiten waarvoor een telefoontap
geoorloofd is, zijn aangescherpt. Onvoldoende is het enkele feit dat er sprake is van een
(verdenking van een) misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Het moet
bovendien gaan om een feit dat een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Deze
ernstige inbreuk op de rechtsorde kan berusten op de aard van het misdrijf, het
georganiseerd verband waarin het misdrijf is begaan of de samenhang van dat misdrijf met
andere door de verdachte begane misdrijven. Deze aanvullende eis sluit aan bij de reeds
genoemde Richtlijnen onderzoek van telefoongesprekken en artikel 1 onder c van paragraaf
1 van het CID-privacyreglement 10). Tot deze ernstige misdrijven behoort ook de
voorbereiding ervan, zodra deze ingevolge het op 16 september 1991 11) ingediende
wetsvoorstel strafbaar is gesteld.
De in artikel 125g Sv gestelde voorwaarde dat alleen telefoongesprekken mogen worden
afgeluisterd ten aanzien waarvan het vermoeden bestaat dat de verdachte eraan
deelneemt, komt te vervallen. Bij een telefoontap behoeft immers geen sprake te zijn van
een bepaalde verdachte. De opsporing van een - ernstig - misdrijf - staat centraal.
Ook als de verdachte aangehouden is, kan de waarheidsvinding een voortzetting van de
telefoontap vereisen. Is de verdachte bekend of wordt de verdachte later bekend, dan
bieden de hiervoor genoemde voorwaarden, ook gelet op de in artikel 8, tweede lid, EVRM
gestelde eisen, een duidelijk strafvorderlijk kader. Als de verdachte bekend is of wordt.
brengt de hiervoor onder b genoemde voorwaarde immers mede dat de voortzetting van de
telefoontap in het vervolg moet worden bezien in het licht van de waarheidsvinding ter
zake van het door de verdachte (reeds) gepleegde strafbare feit. Een telefoontap is alleen
gerechtvaardigd als deze redelijkerwijs nodig is om een ernstig misdrijf tot klaarheid te
brengen. Daartoe kan het onder omstandigheden vereist zijn telefoongesprekken, waaraan
de verdachte deelneemt, af te luisteren. Handhaving van deze voorwaarde zou er voorts
toe kunnen leiden dat in het belang van het onderzoek zolang mogelijk volgehouden zal
worden dat er nog geen sprake is van een bepaalde verdachte. In zijn arrest van 18
september 1989, NJ 1990, 59 m.nt. Th.W. van Veen heeft de Hoge Raad weliswaar
overwogen dat voormelde voorwaarde ertoe strekt het recht op bescherming van de
persoonlijke levenssfeer van anderen dan de verdachte zoveel mogelijk te waarborgen,
doch evenals de commissie ben ik van mening dat in de voorgestelde wetsbepalingen dit
recht ook in voldoende mate is gewaarborgd. Het bevel tot het afluisteren van
telecommunicatie dient redelijkerwijs nodig te zijn voor het aan de dag brengen van de
waarheid inzake het in de vordering omschreven misdrijf (en de dader(s)) daarvan. Het bij
de toepassing van dwangmiddelen geldende vereiste van proportionaliteit en subsidiariteit
is met betrekking tot dit zeer ingrijpende dwangmiddel uitdrukkelijk in de wet vastgelegd.
Zulks houdt verband met de eveneens vereiste motivering van het bevel door de rechter-
commissaris. Door de rechter-commissaris dient derhalve te worden vastgesteld dat de
waarheidsvinding niet op een andere, minder ingrijpende, wijze kan plaatsvinden.
Ik stel voor in het door de commissie voorgestelde en door mij overgenomen tweede lid
onder b van artikel 125b Sv tevens te bepalen dat het bevel tot afluisteren of opnemen van
telecommunicatie ook kan worden gegeven indien het bevel redelijkerwijs nodig is voor de
aanhouding van de verdachte. Denkbaar is het geval dat de waarheid omtrent het
desbetreffende strafbare feit is vastgesteld en de vermoedelijke dader is geïdentificeerd,
terwijl deze nog niet kon worden aangehouden. De voortzetting van de tap is gelegitimeerd
als deze ertoe strekt gegevens te verkrijgen die tot de aanhouding van de verdachte
kunnen leiden.
Ik heb er vanaf gezien voor te stellen de telefoontap slechts toe te laten in geval een
misdrijf waarop een hogere straf dan vier jaar gevangenisstraf is gesteld. Ook minder
ernstige misdrijven die in georganiseerd verband zijn gepleegd en grote maatschappelijke
onrust veroorzaken, kunnen een telefoontap rechtvaardigen. De gestelde voorwaarden
gunnen de rechter-commissaris weliswaar een zekere beoordelingsvrijheid, doch gezien zijn
positie in ons strafrechtelijk bestel acht ik zulks alleszins verantwoord en biedt de
voorgestelde regeling voldoende waarborgen tegen een willekeurige inmenging.
Wel stel ik voor de toepassingsmogelijkheden van de telefoontap te verruimen tot de
proactieve opsporingsfase. Dit voorstel was vervat in het wetsvoorstel tot wijziging van het
Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van het opnemen van gesprekken
met een technisch hulpmiddel zoals dat aan de Raad van State is aangeboden. Omdat de
regeling hiervan ten nauwste samenhangt met de onderhavige voorstellen inzake het
onderzoek van telecommunicatie, is besloten dit voorstel in dit wetsvoorstel op te nemen.
Gewezen wordt op artikel III, onderdeel 8.
Met betrekking tot de relatieve bevoegdheid van de rechter-commissaris vindt artikel 2 Sv
toepassing. Bevoegd tot kennisneming van de vordering van de officier van justitie zal in de
regel de rechter-commissaris zijn van de rechtbank binnen welker rechtsgebied het
vermoedelijke begane misdrijf is gepleegd. Het bevel tot het aftappen of opnemen van
telecommunicatie kan zich ook uitstrekken tot telefoonaansluitingen binnen het
rechtsgebied van een andere rechtbank. Zie daartoe paragraaf 8.2.
De voorgestelde procedure vindt los van het gerechtelijk vooronderzoek plaats. Indien naar
aanleiding van een telefoontap met spoed een woning dient te worden doorzocht, vindt het
voorgestelde artikel 97 Sv toepassing.
Het voorgestelde eerste lid van artikel 125c schrijft voor dat de vordering van de officier
van justitie zo nauwkeurig mogelijk de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de in
artikel 125b, tweede lid, gestelde voorwaarden zijn vervuld, omschrijft. De vordering dient
feiten of omstandigheden te vermelden waaruit het bestaan van een verdenking van een
misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv kan worden afgeleid. Tevens dient de
officier van justitie in zijn vordering aan te geven in welke opzicht het vermoedelijke begane
misdrijf een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert: door de aard daarvan of door het
georganiseerd verband waarin het is begaan of door de samenhang van dat misdrijf met
andere door de verdachte begane misdrijven. Voorts dient de officier van justitie in zijn
vordering te motiveren waarom het bevel tot het aftappen of opnemen van
telecommunicatie redelijkerwijs nodig is voor het aan de dag brengen van de waarheid of
de aanhouding van de verdachte. De aanwijzing van de verdachte in de vordering is niet
uitdrukkelijk voorgeschreven. Een telefoontap betreft immers vaak een onbekende
verdachte. Als de verdachte bekend is, leidt de in het tweede lid onder b van artikel 125b
gestelde voorwaarde ertoe dat de officier van justitie bij zijn vordering zal moeten
motiveren waarom het bevel van de rechter-commissaris redelijkerwijs nodig is hetzij voor
het aan de dag brengen van de waarheid ter zake van het in de vordering omschreven
misdrijf, dat vermoedelijk is gepleegd door de inmiddels bekend geworden verdachte hetzij
voor de aanhouding van de inmiddels bekend geworden verdachte. De bekendwording van
de verdachte is immers één van die aspecten van de desbetreffende strafzaak waarvan de
waarheid door het bevel van de rechter-commissaris aan het licht kan worden gebracht.
Zulks brengt mede dat de verdachte in de vordering dient te worden aangewezen.
Datzelfde geldt als het bevel redelijkerwijs nodig is om de verdachte aan te houden.
Krachtens het voorgestelde tweede lid van artikel 125c kan het bevel door de rechter-
commissaris op vordering van de officier van justitie telkens voor een periode van vier
weken worden verlengd. Aan de inhoud van de vordering zijn geen bijzondere eisen
gesteld. De officier van justitie zal in ieder geval bij de vordering tot verlenging dienen aan
te geven dat ook thans nog de in het tweede lid van artikel 125b gestelde voorwaarden
kunnen worden vervuld. Is de verdachte inmiddels bekend geworden, dan zal de verdachte
gelet op het bepaalde in het voorgestelde artikel 125b, tweede lid onder b, moeten worden
aangewezen.
Zodra de officier van justitie of de rechter-commissaris van oordeel is dat de gronden
waarop het bevel tot aftappen is verleend of is verlengd, zijn vervallen, dient de rechter-
commissaris of de officier van justitie ingevolge het voorgestelde derde lid te bepalen dat
het opnemen of aftappen van telecommunicatie wordt beëindigd. De rechter-commissaris
en de officier van justitie dienen elkaar van een dergelijke beëindiging onverwijld op de
hoogte te stellen. Stuit een beëindiging van het bevel door de rechter-commissaris op
bezwaren van de kant van de officier van justitie, dan zal deze een - herhaalde - vordering
tot het geven een bevel als bedoeld in het voorgestelde artikel 125b, eerste lid, moeten
doen en tegen de afwijzing van die vordering hoger beroep moeten instellen.
Het voorgestelde vierde lid van artikel 125b schrijft voor dat de beschikking met redenen is
omkleed. De rechter-commissaris zal mitsdien in het bevel dienen te motiveren waarom in
het desbetreffende geval aan de in het voorgestelde artikel 125b, tweede lid, gestelde
voorwaarden is voldaan. Ook de verlengingsbeschikking dient te worden gemotiveerd. Dit
artikellid bepaalt voorts dat de beschikking het nummer van de aansluiting alsmede de
naam en het adres van de houder van de aansluiting moet vermelden. Het vierde lid biedt
ten slotte de rechter-commissaris de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen de
beschikking mondeling te geven. In dat geval dient de rechter-commissaris de beschikking
binnen drie dagen schriftelijk te bevestigen. Ook volgens de bestaande jurisprudentie kan
een tapbeschikking mondeling worden gegeven 12).
Het voorgestelde vijfde lid van artikel 125c stemt overeen met de laatste volzin van het
huidige artikel 125g Sv, met dien verstande dat in verband met het feit dat tussen het
afluisteren of opnemen en het opmaken van het proces-verbaal een weekeinde kan liggen
de termijn van tweemaal vierentwintig uren is verlengd tot drie dagen.
De bestaande regeling stelt de vernietiging van de processen-verbaal of andere
voorwerpen, waaraan een gegeven kan worden ontleend, dat is verkregen als gevolg van
de inlichtingen, bedoeld in artikel 125f, of door afluisteren of opnemen, bedoeld in de
artikelen 125g en 125h, en die van geen betekenis zijn voor het onderzoek, voorop. De
overige processen-verbaal en andere voorwerpen dienen volgens die regeling bij de
processtukken te worden gevoegd. Thans wordt in de voorgestelde artikelen 125e en 125f
de voeging van de processen-verbaal en andere voorwerpen, zoals hiervoor omschreven,
voor zover die door de rechter-commissaris of de officier van justitie voor het onderzoek
van betekenis worden geacht, voorop gesteld. De overige processen-verbaal en andere
voorwerpen worden eerst bewaard en vervolgens, niet eerder dan een maand nadat de
zaak in Nederland geëindigd is (zie het voorgestelde artikel 125k, eerste lid), vernietigd.
De rechter-commissaris vormt zich dus als eerste een oordeel over de betekenis van de
processen-verbaal en andere voorwerpen voor het onderzoek in de zaak. De rechter-
commissaris is immers belast met de leiding van deze mini-instructie. De tapgegevens
worden op zijn bevel door een opsporingsambtenaar verzameld.
De woorden «de inlichtingen, bedoeld in artikel 125f, of door afluisteren of opnemen,
bedoeld in de artikelen 125g en 125h» zijn overeenkomstig het opschrift van de achtste
afdeling van Titel IV van Boek 1 van het Wetboek van Strafvordering vervangen door de
woorden: onderzoek van telecommunicatie. Ter onderscheiding hiervan worden de
woorden «het onderzoek» vervangen door de woorden: het onderzoek in de zaak. Onder
«het onderzoek» dient te worden verstaan: het onderzoek naar de objectieve waarheid. De
resultaten van dit onderzoek kunnen voor de verdachte zowel belastend als ontlastend zijn.
Een effectieve controle van de rechter-commissaris met betrekking tot de rechtmatigheid
van de tapprocedure brengt mede dat de rechter-commissaris moet bevorderen dat ook de
gegevens die uit de tap voortkomen en voor de verdachte ontlastend kunnen zijn of in de
richting van onrechtmatige bewijsgaring wijzen, in het strafdossier terecht komen. Zie
daartoe ook het voorgestelde artikel 125i.
Het voorgestelde artikel 125d bepaalt dat de rechter-commissaris de processen-verbaal en
andere voorwerpen, waaraan een gegeven kan worden ontleend dat is verkregen als gevolg
van onderzoek van telecommunicatie, voor zover hij die voor het onderzoek in de zaak van
betekenis acht, zo spoedig mogelijk nadat het onderzoek van telecommunicatie is
geëindigd, naar de officier van justitie dient te zenden. De naar zijn oordeel voor het
onderzoek in de zaak relevante tapgegevens dient de rechter-commissaris dus zo spoedig
mogelijk ter beschikking te stellen van de officier van justitie. Hij dient dit in ieder geval te
doen zodra het onderzoek van telecommunicatie is geëindigd. Deze regeling staat er niet
aan in de weg dat tapgegevens eerst via de officier van justitie naar de rechter-commissaris
worden gestuurd. In verband met zijn taak om strafbare feiten op te sporen dient de officier
van justitie direct geïnformeerd te worden over de inhoud van de uit de telefoontap
verkregen gegevens, die voor het onderzoek in de zaak of voor de opsporing van enig
ander feit van betekenis zijn.
Het voorgestelde artikel 125e breekt met het stelsel dat de officier van justitie de
processen-verbaal en andere voorwerpen, die hij heeft verkregen als gevolg van de
inlichtingen, bedoeld in artikel 125a, dient te vernietigen, tenzij hij binnen een maand door
de rechter-commissaris is gemachtigd van vernietiging af te zien. Het is denkbaar dat de
door de officier van justitie verkregen inlichtingen ook voor de verdachte ontlastende
gegevens bevat. In geval van een verplichte vernietiging kan de verdediging niet meer van
deze inlichtingen kennisnemen. Het voorgestelde artikel 125e waarborgt onder meer dat de
verdachte en diens raadsman de rechter-commissaris kunnen verzoeken bepaalde
processen-verbaal of andere voorwerpen alsnog bij de processtukken te voegen. Zie
daartoe het voorgestelde artikel 125i. Een dergelijk voorstel spoort ook met de huidige
regeling volgens welke de officier van justitie, ingeval hij van vernietiging wil afzien, een
gerechtelijk vooronderzoek dient te vorderen. De instelling van een gerechtelijk
vooronderzoek heeft tot gevolg dat alsdan het huidige artikel 125h, eerste en derde lid, Sv
toepassing vindt. De rechter-commissaris dient op grond van deze bepalingen de
processen-verbaal en andere voorwerpen, verkregen als gevolg van de inlichtingen, bedoeld
in artikel 125f, en die niet zijn vernietigd, bij de processtukken te voegen, voor zover hij die
voor het onderzoek in de zaak van betekenis acht.
Het eerste lid van artikel 125e heeft betrekking op de situatie waarin na beëindiging van
het onderzoek van telecommunicatie de zaak verder wordt vervolgd. Alsdan dient de
officier van justitie, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat doch uiterlijk op het
tijdstip dat hij de kennisgeving van verdere vervolging of de dagvaarding ter terechtzitting
in eerste aanleg ter betekening aan de verdachte heeft doen uitgaan, de processen-verbaal
of andere voorwerpen, bedoeld in artikel 125d, voor zover hij die voor het onderzoek in de
zaak van betekenis acht, bij de processtukken te voegen.
De officier van justitie maakt dus aan de hand van de hem door de rechter-commissaris
toegezonden processen-verbaal en andere voorwerpen een tweede selectie voor wat
betreft de betekenis hiervan voor het onderzoek in de zaak. Hij kan zijn oordeel in de plaats
stellen van dat van de rechter-commissaris. Hij kan immers processen-verbaal en andere
voorwerpen, die hij voor het onderzoek in de zaak van geen betekenis acht, ter bewaring
retourneren aan de rechter-commissaris. Bovendien kan hij krachtens het bepaalde in het
voorgestelde artikel 125h bewerkstelligen dat processen-verbaal en andere voorwerpen, die
de rechter-commissaris voor het onderzoek in de zaak van geen betekenis heeft geacht,
alsnog bij de processtukken doen voegen. Deze bevoegdheid doet recht aan de positie van
de officier van justitie als «dominus litis». Hij bepaalt het onderwerp van de vervolging en
dient derhalve, bij voorbeeld ingeval de officier van justitie de verdachte ten aanzien van
bepaalde feiten niet verder wil vervolgen of de verdachte slechts ten aanzien van een
minder ernstig feit wil vervolgen, de daarop betrekking hebbende processen-verbaal of
andere voorwerpen buiten de processtukken te houden. Van de officier van justitie mag in
redelijkheid worden verwacht dat hij de overige processen-verbaal en andere voorwerpen,
die de rechter-commissaris voor het onderzoek in de zaak van betekenis acht, en in het
bijzonder die stukken die de rechter-commissaris noodzakelijk acht voor een behoorlijke
verdediging tegen de verdere vervolging door de officier van justitie, bij de processtukken
zal voegen. Eventueel kan de officier van justitie ter terechtzitting worden gevraagd of, en
zo ja waarom, hij ervan heeft afgezien om bepaalde processen-verbaal en andere
voorwerpen, die de rechter-commissaris voor het onderzoek in de zaak van betekenis heeft
geacht, niet bij de processtukken te voegen.
Het tweede lid van artikel 125e heeft betrekking op de situatie waarin na beëindiging van
het onderzoek van telecommunicatie de zaak niet verder wordt vervolgd, terwijl tegen de
verdachte reeds een vervolging is ingesteld. Indien bij voorbeeld ten aanzien van een
bepaalde verdachte voorlopige hechtenis of een gerechtelijk vooronderzoek is gevorderd,
voegt de officier van justitie uiterlijk op het tijdstip dat hij de kennisgeving van niet verdere
vervolging ter betekening aan de verdachte heeft doen uitgaan, de processen-verbaal of
andere voorwerpen, bedoeld in artikel 125d, voor zover hij die van betekenis acht voor het
onderzoek indien dit zou worden voortgezet, bij de processtukken. Verwacht mag worden
dat de officier van justitie hierbij ook oog heeft voor de verdedigingspositie van de
verdachte. Gelet op het bepaalde in artikel 246, eerste lid, eindigt de zaak weliswaar door
een kennisgeving van niet verdere vervolging, doch ingevolge het voorschrift van artikel
255 Sv kan de verdachte bij het bekend worden van nieuwe bezwaren ter zake van
hetzelfde feit opnieuw in rechte worden betrokken. Bij de processtukken dienen dus de
processen-verbaal en andere voorwerpen te worden gevoegd die de officier van justitie van
betekenis acht voor het onderzoek in de zaak indien genoemd voorschrift toepassing zou
vinden. Voortzetting van het onderzoek in de zaak kan voorts geschieden op de voet van
het bepaalde in artikel 246, tweede lid.
Het derde lid van artikel 125e heeft betrekking op de situatie waarin na beëindiging van het
onderzoek van telecommunicatie de zaak niet verder wordt vervolgd, terwijl nog geen
verdachte bekend is of tegen de verdachte nog geen vervolging is ingesteld. Voor wat
betreft het laatste geval kan men bij voorbeeld denken aan de situatie waarin ten aanzien
van een bepaalde verdachte de inverzekeringstelling is gelast. Alsdan voegt de officier van
justitie zo spoedig mogelijk de processen-verbaal of andere voorwerpen, bedoeld in artikel
125d, voor zover hij die van betekenis acht voor het onderzoek indien dit zou worden
voortgezet, bij de processtukken.
De processen-verbaal en andere voorwerpen die niet bij de processtukken zijn gevoegd
zendt de officier van justitie te zelfder tijd ter bewaring aan de rechter-commissaris.
Indien de zaak geëindigd is, vindt het voorgestelde artikel 125k toepassing.
In het voorgestelde artikel 125e wordt een onderscheid gemaakt tussen de vervolging van
de zaak en de vervolging van de verdachte. Een vervolging van de zaak doet zich voor als
de zaak door een vordering van het openbaar ministerie aan de kennisneming van een
rechterlijke instantie wordt onderworpen. Een vervolging van de verdachte doet zich voor
als in de desbetreffende zaak de verdachte in die vordering wordt aangewezen. In het
voorgestelde tweede lid wordt gedoeld op de situatie waarin tegen de verdachte reeds een
vervolging is ingesteld. In het voorgestelde derde lid wordt onder meer gedoeld op de
situatie waarin de verdachte wel bekend is doch nog geen vervolging tegen hem is
ingesteld.
Ook ingeval een bepaalde zaak wordt vervolgd, terwijl nog geen verdachte bekend is (een
NN-zaak), worden processtukken gevormd. Ten aanzien van deze processtukken, waarbij
zich ook de stukken bedoeld in het voorgestelde derde lid van artikel 125e kunnen
bevinden, vindt de regeling neergelegd in de artikelen 30-33 en 51 Sv pas toepassing,
indien er sprake is van een verdachte en voorts de desbetreffende stukken betrekking
hebben op het onderzoek in de zaak tegen die verdachte. Het recht op kennisneming van
stukken kan dus pas worden geëffectueerd (a) indien er een verdachte is en (b) indien de
stukken als processtukken in de zaak tegen die verdachte kunnen worden aangemerkt.
De tekst van artikel 125f, tweede lid, is aangepast aan het thans voorgestelde artikel
125d. Indien een gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld, behoeft de rechter-commissaris
de processen-verbaal en andere voorwerpen, waaraan een gegeven kan worden ontleend,
dat is verkregen als gevolg van onderzoek van telecommunicatie, voor zover hij die voor
het onderzoek in de zaak van betekenis acht, niet overeenkomstig het voorgestelde artikel
125i aan de officier van justitie te zenden. Hij dient deze stukken zelf bij de processtukken
te voegen en wel uiterlijk op het tijdstip van sluiting of beëindiging van het gerechtelijk
vooronderzoek. Zie daartoe het thans van kracht zijnde artikel 125h, derde lid. De overige
processen-verbaal en andere voorwerpen, voor zover de rechter-commissaris die ten minste
voor het onderzoek van geen betekenis acht, dient hij te bewaren. Zie daartoe het
voorgestelde artikel 125g.
De voorgestelde regeling staat er niet aan de weg dat, overeenkomstig de bestaande
praktijk, tijdens een gerechtelijk vooronderzoek tapgegevens via de officier van justitie naar
de rechter-commissaris worden gestuurd. Zie daartoe het gestelde in de toelichting op
artikel 125d. Een dergelijke gang van zaken stelt de officier van justitie voorts in staat zo
spoedig mogelijk een nadere vordering als bedoeld in de artikelen 181, derde lid, of 182,
eerste lid, Sv in te dienen.
De rechter-commissaris dient ingevolge de voorgestelde bepaling, zolang de zaak in
Nederland (zie hieromtrent de toelichting op de artikelen 125k en 552t, zesde lid) niet is
geëindigd, de processen-verbaal en andere voorwerpen, bedoeld in artikel 125d, voor zover
die niet bij de processtukken zijn gevoegd, te bewaren en ter beschikking van het
onderzoek te houden.
De processen-verbaal en andere voorwerpen worden dus óf bij de processtukken gevoegd
óf bewaard en ter beschikking van het onderzoek gehouden.
De officier van justitie is ingevolge het voorgestelde artikel 125h te allen tijde bevoegd
kennis te nemen van de inhoud van de processen-verbaal en andere voorwerpen die van
geen betekenis zijn voor het onderzoek. Indien de officier van justitie zulks vordert, dient de
rechter-commissaris ingevolge dit artikel bepaalde processen-verbaal of andere voorwerpen
bij de processtukken te voegen. Op deze wijze kan de officier van justitie, indien hij van
oordeel is dat de rechter-commissaris ten onrechte bepaalde processen-verbaal of andere
voorwerpen voor het onderzoek van geen betekenis heeft geacht, bewerkstelligen dat deze
processen-verbaal of andere voorwerpen alsnog bij de processtukken worden gevoegd.
Zodra het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten of geëindigd of, indien een gerechtelijk
vooronderzoek niet heeft plaatsgehad, zodra de kennisgeving van verdere vervolging of de
dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg aan de verdachte is betekend, kan de
rechter-commissaris op een door de verdachte of diens raadsman met redenen omkleed en
schriftelijk gedaan verzoek bepaalde, door de verdachte of diens raadsman aangeduide,
processen-verbaal of andere voorwerpen, bedoeld in artikel 125g, alsnog bij de
processtukken voegen.
In de eerste plaats moeten de verdachte en diens raadsman kunnen controleren of de
processen-verbaal een juiste weergave bevatten van de afgetapte telecommunicatie. In de
regel worden door de rechter-commissaris immers alleen de processen-verbaal met
betrekking tot de afgeluisterde of opgenomen telefoongesprekken en niet de daarbij
behorende geluidsbanden of gegevensdragers bij de processtukken gevoegd. Zulks geldt in
het bijzonder ingeval de gesprekken in een vreemde taal zijn gevoerd. De verdachte en
diens raadsman moeten mitsdien de rechter-commissaris kunnen verzoeken de bij de
desbetreffende processen-verbaal behorende geluidsbanden bij de processtukken te
voegen, opdat deze controle naderhand kan plaatsvinden.
In de tweede plaats moeten de verdachte en diens raadsman aan de rechter-commissaris
kunnen verzoeken het proces-verbaal van een bepaald gesprek, een bepaalde geluidsband
of een bepaalde gegevensdrager bij de processtukken te voegen, opdat zij daarvan kennis
kunnen nemen. De verdediging kan er bij voorbeeld belang bij hebben dat zij kennis kan
nemen van het gehele telefoongesprek en niet slechts van een, in het bij de processtukken
gevoegde proces-verbaal weergegeven, gedeelte van dat telefoongesprek.
De verdachte of de raadsman dient in zijn verzoekschrift de processen-verbaal en andere
voorwerpen, die hij bij de processtukken gevoegd wil zien, te specificeren en het verzoek
met redenen te omkleden. Het recht op bescherming van het privéleven, zoals gewaarborgd
in artikel 8 EVRM, van andere gespreksdeelnemers dan de verdachte (aan gesprekken met
de verdachte neemt immers steeds ook een ander dan de verdachte deel) vereist een
dergelijke specificatie en motivering van het verzoek.
Het verzoek zal in de regel betrekking hebben op de communicatie, waaraan de verdachte
zelf heeft deelgenomen, omdat de verdachte veelal slechts van de inhoud van deze
telecommunicatie op de hoogte zal zijn. Ingevolge het voorgestelde artikel 125l, tweede lid,
komt de verdachte het recht toe kennis te nemen van alle in het kader van de telefoontap
gegeven beschikkingen van de rechter-commissaris. Aldus komt de verdachte gezien het
bepaalde in het voorgestelde artikel 125m, vierde lid, ook op de hoogte van de, in verband
met de opsporing van de in de vordering van de officier van justitie omschreven strafbare
feiten afgetapte telecommunicatie. Over het algemeen zal de verdachte geen kennis dragen
van de inhoud van de afgeluisterde of opgenomen communicatie en zal hij dus ook geen
feiten of omstandigheden kunnen stellen die aannemelijk maken dat de rechter-commissaris
of de officier van justitie met betrekking tot bepaalde processen-verbaal of andere
voorwerpen een onjuiste selectie heeft toegepast. Het is evenwel denkbaar dat de
verdachte, bijv. door de betreffende gespreksdeelnemers of één van hen, op de hoogte
wordt gebracht van de inhoud van een bepaald afgeluisterd telefoongesprek en aldus in
staat gesteld wordt aan de in het voorgestelde eerste lid van artikel 125g gestelde
vereisten te voldoen.
Het voorgestelde artikel 125i, eerste lid, bepaalt dat de rechter-commissaris niet tot
voeging van door de verdachte of diens raadsman aangeduide processen-verbaal of andere
voorwerpen overgaat dan nadat hij de officier van justitie daaromtrent heeft gehoord. De
officier van justitie wordt aldus in de gelegenheid gesteld de rechter-commissaris op de
hoogte te stellen van hem nog niet bekende resultaten van het opsporingsonderzoek die bij
de besluitvorming van de rechter-commissaris van belang kunnen zijn.
De voorgestelde regeling voorziet niet in de bevoegdheid van de verdachte of diens
raadsman om zelf kennis te nemen van de geluidsbanden of gegevensdragers, die niet bij
de processtukken zijn gevoegd. Een zorgvuldige afweging van alle in het geding zijnde
belangen, te weten het opsporingsbelang (ook in algemene zin), het verdedigingsbelang en
de bescherming van het privéleven van derden, brengt mede dat alleen de rechter-
commissaris de door de verdachte of diens raadsman aangeduide processen-verbaal of
andere voorwerpen dient te inspecteren met het oog op de vraag of bepaalde processen-
verbaal of andere voorwerpen niet alsnog als zijnde van betekenis voor het onderzoek in de
zaak bij de processtukken moeten worden gevoegd. Indien de rechter-commissaris na de
verdachte of diens raadsman in het verzoek ontvankelijk te hebben geacht in aanwezigheid
van de verdachte of diens raadsman kennis zou nemen van de desbetreffende processen-
verbaal of andere voorwerpen (in het bijzonder geluidsbanden en gegevensdragers), zouden
tegelijkertijd ook de verdachte en diens raadsman kennis kunnen nemen van processen-
verbaal of andere voorwerpen, waarvan achteraf door de rechter-commissaris vastgesteld
zou kunnen worden dat zij van geen betekenis voor het onderzoek in de zaak zijn. De
verdachte en diens raadsman hebben geen recht op kennisneming van gegevens, die met
het oog op te voeren verdediging irrelevant zijn. Een dergelijk recht kan ook niet aan het
bepaalde in artikel 8 EVRM worden ontleend. De hiervoor aangehaalde rechtsoverweging
van het EHRM in de zaken Kruslin en Huvig, voor zover inhoudende dat «precautions to be
taken in order to communicate the recordings intact and in their entirety for possible
inspection by the judge (...) and by the defence», ziet op de processen-verbaal en andere
voorwerpen die van belang zijn voor het onderzoek en die dus bij de processtukken dienen
te worden gevoegd. De inspectie van de door de verdachte of diens raadsman in het
verzoekschrift aangeduide processen-verbaal of andere voorwerpen en de daarop volgende
selectie met het oog op de voeging van deze processen-verbaal of andere voorwerpen bij
de processtukken dient derhalve uitsluitend door de rechter-commissaris te geschieden.
Zoals uit het voorgestelde artikel 125h blijkt, komt het recht op kennisneming van de
processen-verbaal of andere voorwerpen, die niet bij de processtukken zijn gevoegd, de
officier van justitie in het onderhavige voorstel wèl toe. Wil de officier van justitie zijn taak
om strafbare feiten op te sporen (zie art. 148 Sv) op een verantwoorde wijze kunnen
uitoefenen, dan moet hij kennis kunnen nemen van alle gegevens die ter opsporing van
enig strafbaar feit zijn verzameld. Uit een tap kunnen allerlei gegevens worden verkregen
die op zichzelf weer aanleiding kunnen geven tot een nieuw opsporingsonderzoek, omdat
deze gegevens een verdenking van een nieuw strafbaar feit opleveren, of die leiden naar
nieuwe of andere verdachten ter zake van het desbetreffende strafbare feit. Voorts mag in
redelijkheid van de officier van justitie worden verwacht dat hij daarbij ook oog heeft voor
de verdedigingspositie van de verdachte.
De verplichting tot specificatie en motivering van het verzoek dwingt de verdachte of diens
raadsman het belang van de verdediging bij de voeging van de door hem aangeduide
processen-verbaal of andere voorwerpen te concretiseren. Zo zou de verdediging feiten of
omstandigheden kunnen stellen die aannemelijk maken dat het desbetreffende proces-
verbaal geen juiste weergave of vertaling bevat van het opgenomen gesprek. Ook zou de
verdediging feiten of omstandigheden kunnen stellen die aannemelijk maken dat een
bepaalde passage of zinsnede in het proces-verbaal een andere betekenis krijgt als deze
wordt bezien in het licht van een ander opgenomen gesprek. De rechter-commissaris dient
het verzoek van de raadsman van de verdachte in te willigen, indien hij alsnog tot het
oordeel komt dat de voeging van de desbetreffende processen-verbaal of andere
voorwerpen voor het onderzoek in de zaak van betekenis zijn en deswege bij de
processtukken dienen te worden gevoegd. Tegen de gemotiveerde en schriftelijke ter
kennis vaal de officier van justitie, de verdachte en diens raadsman (zie artikel 51, tweede
volzin, Sv) gebrachte beschikking van de rechter-commissaris staat voor de verdachte of
diens raadsman geen rechtsmiddel open. Deze processuele ongelijkheid - de rechter-
commissaris is verplicht om aan de vordering als bedoeld in het voorgestelde artikel 125h,
tweede volzin, te voldoen - valt te billijken. De vervolging van de zaak zou anders te zeer
worden vertraagd. Bovendien kan de verdachte of diens raadsman zich altijd nog op de
terechtzitting met een verzoek tot de rechtbank of het gerechtshof richten om
overeenkomstig het bepaalde in artikel 315 juncto artikel 415 Sv te bevelen dat alsnog
bepaalde processen-verbaal of andere voorwerpen ter terechtzitting worden overgelegd.
Overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 33 en 51 Sv dient de verdachte of diens
raadsman een verzoek als bedoeld in het voorgestelde eerste lid van artikel 125i in ieder
geval te kunnen indienen, zodra het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten of geëindigd of,
indien een gerechtelijk vooronderzoek niet heeft plaatsgehad, zodra de kennisgeving van
verdere vervolging of de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg aan de verdachte is
betekend. Het spreekt vanzelf dat ingeval in een eerder stadium processen-verbaal of
andere voorwerpen, waaraan een gegeven kan worden ontleend, dat is verkregen als
gevolg van het onderzoek van telecommunicatie, bij de processtukken zijn gevoegd, terwijl
voorts de verdachte of diens raadsman de kennisneming van die processtukken niet wordt
onthouden, zij reeds dan ten einde onnodige vertraging te vermijden een verzoek als
bedoeld in het voorgestelde artikel 125i, eerste lid, kunnen indienen.
Nu het onderhavige voorstel voorziet in de verplichting om de processen-verbaal en andere
voorwerpen, die naar het aanvankelijk oordeel van de rechter-commissaris van geen
betekenis voor het onderzoek in de zaak zijn, te bewaren, dringt zich de vraag op of de
wettelijke regeling inzake het aftappen van telecommunicatie niet tevens de mogelijkheid
behoort te bieden om de processen-verbaal en andere voorwerpen, voor zover zij
mededelingen behelzen, gedaan door of aan een persoon die zich op grond van artikel 218
Sv zou kunnen verschonen indien hem als getuige naar de inhoud van die mededelingen
zou kunnen worden gevraagd, bij de processtukken te kunnen voegen. De belangen van de
verschoningsgerechtigden als bedoeld in artikel 218 Sv worden immers voldoende
beschermd, indien in de wet zou worden vastgelegd dat de desbetreffende processen-
verbaal of andere voorwerpen alleen met diens schriftelijke toestemming door de rechter-
commissaris bij de processtukken kunnen worden gevoegd. Zie hiertoe het bepaalde in het
tweede lid van artikel 98 Sv. Ingeval de verschoningsgerechtigde door zijn cliënt of patiënt
van zijn geheimhoudingsplicht is ontslagen en hij zich ook overigens, na afweging van alle
in aanmerking komende belangen, daartoe vrij acht of genoopt voelt, kan zich een situatie
voordoen, waarin de verschoningsgerechtigde afstand doet van zijn verschoningsrecht en
aldus een voeging van de desbetreffende processen-verbaal of andere voorwerpen bij de
processtukken mogelijk maakt.
Is de zaak in Nederland geëindigd, dan dienen de processen-verbaal en andere voorwerpen,
die niet bij de processtukken zijn gevoegd, ten overstaan van de rechter-commissaris te
worden vernietigd.
Een zaak kan op verschillende wijzen eindigen. Een zaak eindigt in de eerste plaats doordat
bij onherroepelijk gewijsde over de zaak is beslist. Voorts bepaalt artikel 246, eerste lid, Sv
dat de zaak eindigt door een kennisgeving van niet verdere vervolging. Een zaak kan ook
eindigen door een verklaring van het gerecht in feitelijk aanleg, voor hetwelk de zaak het
laatst werd vervolgd, dat de zaak geëindigd is (art. 36, eerste lid, Sv) of door een
buitenvervolgingstelling van de verdachte (art. 250, vijfde lid, Sv). In laatstbedoelde
gevallen behoeft de zaak niet onherroepelijk te zijn geëindigd. Immers in geval van nieuwe
bezwaren kan onder bepaalde voorwaarden de zaak verder worden vervolgd (zie art. 255
Sv). Ten einde te voorkomen dat processen-verbaal en andere voorwerpen, die de officier
van justitie, de verdachte of diens raadsman verdachte van betekenis achten voor het
onderzoek, voortijdig worden vernietigd, is in het voorgestelde artikel 125k voorgeschreven
dat de vernietiging niet eerder dan een maand nadat de zaak geëindigd is, mag
plaatsvinden. De officier van justitie, de verdachte en diens raadsman kunnen gedurende
die maand nog vorderen onderscheidenlijk verzoeken dat bepaalde processen-verbaal of
andere voorwerpen bij de processtukken worden gevoegd. Zie daartoe de voorgestelde
artikelen 125h, tweede volzin, en 125i, eerste lid.
De zaak moet «in Nederland» zijn geëindigd. In geval van een overdracht van
strafvervolging eindigt de zaak in Nederland op het moment dat de bevoegde autoriteiten
van de vreemde Staat op de bij het van toepassing zijnde Verdrag voorgeschreven wijze
onherroepelijk hebben ingestemd met de overdracht van de strafvervolging.
Ingeval een gerechtelijk vooronderzoek tegen een onbekende verdachte is ingesteld, eindigt
de zaak op het moment dat het gerechtelijk vooronderzoek door de rechter-commissaris
wordt gesloten. De processen-verbaal en andere voorwerpen, die niet bij de processtukken
zijn gevoegd, worden dan na een maand vernietigd. Indien de officier van justitie de
mogelijkheid wil openhouden dat bepaalde processen-verbaal of andere voorwerpen in de
desbetreffende zaak tegen een later bekend geworden verdachte tot het bewijs gebezigd
kunnen worden, dan zal hij er overeenkomstig het voorgestelde artikel 125h, tweede
volzin, voor dienen zorg te dragen dat ook de mogelijk voor de verdediging relevante
processen-verbaal en andere voorwerpen, waaronder de geluidsbanden waarop de
gesprekken geregistreerd zijn, bij de processtukken worden gevoegd, opdat de verdediging
alsnog in een later stadium in de gelegenheid zal zijn om hiervan kennis te nemen. Doet de
officier van justitie dat niet, dan loopt hij het risico dat bepaald bewijsmateriaal niet meer
bruikbaar is. Ook indien de tap wordt beëindigd op een moment dat nog geen verdachte
bekend is, eindigt de zaak. Ook in dat geval zal de officier van justitie er voor dienen zorg
te dragen dat alle, mogelijk voor de verdediging, relevante processen-verbaal en andere
voorwerpen bij de processtukken worden gevoegd. Indien de tap is geëindigd, dient de
officier van justitie de rechter-commissaris hiervan onverwijld op de hoogte te stellen. Zie
het voorgestelde derde lid van artikel 125c. Als op dat moment geen bepaalde verdachte
wordt vervolgd, dient de rechter-commissaris de processen-verbaal en andere voorwerpen
die niet bij de processtukken zijn gevoegd overeenkomstig het voorgestelde artikel 125k,
eerste lid, zo spoedig mogelijk doch niet eerder dan een maand te vernietigen.
Het voorgestelde tweede lid van artikel 125k wijkt af van het in het rapport van de
commissie voorgestelde artikel 125i, vijfde lid. De thans voorgestelde bepaling beoogt een
wettelijke grondslag te bieden voor de vrijstelling van vernietiging van bepaalde processen-
verbaal of andere voorwerpen ten einde deze tot het bewijs van een ander begaan of nog
te begaan misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, dat gezien zijn aard, of het
georganiseerd verband waarin het is begaan, of de samenhang met andere begane
misdrijven, een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert of zal opleveren, te kunnen doen
medewerken. Deze regeling bevat derhalve een uitzondering op de verplichting van de
rechter-commissaris om de processen-verbaal of andere voorwerpen, die niet bij de
processtukken zijn gevoegd, na beëindiging van de zaak te vernietigen. De voorgestelde
regeling heeft geen betrekking op de opslag van gegevens, die aan deze processen-verbaal
of andere voorwerpen kunnen worden ontleend, in een politieregister (zie paragraaf 8.8.4
van het rapport van de commissie). Deze kwestie, die een wijziging van de Wet
politieregisters (Stb. 1990, 414) met zich zal brengen, zal in een apart wetsvoorstel
worden geregeld.
Nu volgens de voorgestelde regeling de processen-verbaal en andere voorwerpen, bedoeld
in het voorgestelde artikel 125d, voor zover die niet bij de processtukken zijn gevoegd,
eerst door de rechter-commissaris worden bewaard alvorens zij na beëindiging van de zaak
worden vernietigd, beslist de rechter-commissaris na een daartoe strekkende vordering van
de officier van justitie of vrijstelling van vernietiging dient te worden verleend. Tegen een
afwijzing van de vordering door de rechter-commissaris kan de officier van justitie hoger
beroep en daarna eventueel beroep in cassatie instellen. De rechter-commissaris zal,
rekening houdende met de afloop van de strafzaak in het kader waarvan de tap heeft
plaatsgevonden, het belang dat genoemde processen-verbaal of andere voorwerpen voor
de bewijslevering van dat andere, ernstige strafbare feit hebben of kunnen hebben alsmede
het recht van de verdachte en anderen op eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer bij
zijn beslissing op de vordering tot vrijstelling van vernietiging moeten afwegen.
Het voorgestelde derde lid van artikel 125k waarborgt dat ten aanzien van processen-
verbaal of andere voorwerpen, die mededelingen gedaan door of aan
verschoningsgerechtigden als bedoeld in artikel 218 Sv behelzen, geen vrijstelling van
vernietiging kan worden verleend.
Het voorgestelde artikel 125l is praktisch gelijkluidend aan het in het rapport van de
commissie voorgestelde artikel 125k.
De wijze waarop voeging, bewaring en vernietiging van de processen-verbaal en andere
voorwerpen, bedoeld in artikel 125d, plaatsvindt, dient nader bij algemene maatregel van
bestuur te worden geregeld. Zie daartoe het bepaalde in artikel 117a Sv. Daarin zal ook de
mogelijkheid moeten worden geopend om de voeging van «andere voorwerpen» bij de
processtukken te laten geschieden door deponering daarvan ter griffie. Dit is in het
bijzonder gewenst wanneer een zaak meerdere verdachten betreft.
Het zesde lid van artikel 552t regelt overeenkomstig het bepaalde in het voorgestelde
artikel 125e de voeging van de processen-verbaal en andere voorwerpen, bedoeld in artikel
125d, voor zover de officier van justitie die voor het onderzoek in de zaak van betekenis
acht, bij de processtukken alsmede de bewaring van de overige processen-verbaal en
andere voorwerpen door de rechter-commissaris in geval van een voorgenomen overdracht
van strafvervolging.

9.12. Het deskundigenonderzoek op last van de (hulp)officier van justitie (artikel 151)

Het voorgestelde artikel 151 strekt ertoe de officier van justitie een bevoegdheid tot het
benoemen van vaste gerechtelijke deskundigen als bedoeld in artikel 228, tweede lid, Sv te
verschaffen. Deze deskundigen hebben tot taak de officier van justitie voor te lichten of bij
te staan, alsmede, indien de officier van justitie dat nodig acht, een onderzoek, een
onderzoek omtrent de persoonlijkheid van de verdachte daaronder begrepen, in te stellen
en daarover een schriftelijk verslag uit te brengen. De in artikel 151 aanhef te dien aanzien
gestelde beperkingen komen te vervallen. Bij de benoeming worden vermeld de opdracht
die moet worden vervuld en de termijn binnen welke de deskundige het schriftelijk verslag
uitbrengt.
De vaste gerechtelijke deskundige kan zowel een technisch onderzoek als een onderzoek
naar de persoonlijkheid van de verdachte verrichten. Van de bevoegdheid om
laatstgenoemd onderzoek in te stellen wordt door de officier van justitie (en de hulpofficier)
thans zelden gebruik gemaakt, omdat artikel 151 aanhef Sv als eis toevoegt dat er in
afwachting van het optreden van de rechter-commissaris sprake moet zijn van dringende
noodzakelijkheid. Dat is voor een dergelijk onderzoek in het algemeen niet het geval. In de
regel vindt rapportage over de persoonlijkheid van de verdachte plaats op last van de
rechter-commissaris in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek. Deze deskundigen zijn
veelal als vaste gerechtelijke deskundigen beëdigd. Uit het onderzoek van het WODC blijkt
dat de door de rechter-commissaris benoemde deskundige in vrijwel alle gevallen een
psychiater is 13). Het een en ander betekent dat de officier van justitie de instelling van
een gerechtelijk vooronderzoek zal moeten vorderen, indien hij rapportage over de
persoonlijkheid van de verdachte gewenst acht. Aldus ontstaat een categorie van
gerechtelijke vooronderzoeken die uitsluitend en alleen worden ingesteld ten einde
rapportage over de persoonlijkheid van de verdachte mogelijk te maken. Nu in de artikelen
37, 37b en 38c Sr is vastgelegd dat de rechter ter terechtzitting over een
deskundigenadvies moet beschikken wanneer hij een vrijheidsbenemende maatregel wil
opleggen, is de rechter-commissaris meer dan vroeger gehouden tot het inschakelen van
dergelijke deskundigen. Deze omslachtige procedure kan worden vermeden, indien ook de
officier van justitie de bevoegdheid toekomt een vaste gerechtelijke deskundige te
benoemen die tot taak heeft psychologische of psychiatrische onderzoeken te verrichten en
daarover te rapporteren. Vooral wanneer de verdachte en diens raadsman tegen de
benoemde deskundige geen bezwaar hebben, ontbreekt aan de instelling van een
gerechtelijk vooronderzoek enkel en alleen om die reden iedere zin. De bevoegdheid van de
officier van justitie tot benoeming van deskundigen is beperkt tot vaste gerechtelijke
deskundigen. De beëdiging van deze deskundigen als zodanig door het gerechtshof biedt
een zekere garantie voor de deskundigheid en betrouwbaarheid van de deskundige.
De regeling met betrekking tot de aanvrage van forensische rapportage en
voorlichtingsrapportage wordt op deze wijze geüniformeerd. Krachtens de artikelen 147 en
177, tweede lid, Sv hebben de officier van justitie en de rechter-commissaris een gelijke
bevoegdheid voor wat betreft het opmaken van een voorlichtingsrapport door de
reclassering. De toekenning van een algemene bevoegdheid aan de officier van justitie om
gedragsdeskundigen te benoemen maakt het voorts mogelijk dat richtlijnen op dit punt tot
stand komen en inhoudelijke criteria worden ontwikkeld met betrekking tot forensische
rapportage. Aldus ontstaat landelijk meer eenheid bij de benoeming van
gedragsdeskundigen.
De artikelen 227-236 Sv worden in het voorgestelde artikel niet van overeenkomstige
toepassing verklaard. De verdachte of diens raadsman kan, ingeval hij toepassing van een
van deze bepalingen gewenst acht, de officier van justitie verzoeken een vordering tot een
gerechtelijk vooronderzoek in te stellen. De rechter-commissaris kan vervolgens gebruik
maken van de hem in de artikelen 227-236 toekomende bevoegdheden. Artikel 227,
tweede lid, Sv geeft de verdachte het recht de rechter-commissaris te verzoeken dat een of
meer door hem aanbevolen personen als deskundigen zullen worden benoemd. Artikel 232
Sv geeft de verdachte het recht zijnerzijds een deskundige aan te wijzen die het recht heeft
bij het onderzoek van de door de rechter-commissaris benoemde deskundige tegenwoordig
te zijn. Artikel 233, eerste lid, Sv geeft de verdachte het recht een deskundige aan te
wijzen die het recht heeft het verslag van de door de rechter-commissaris benoemde
deskundige te onderzoeken. Artikel 235 Sv ten slotte geeft de verdachte, ingeval, hetzij de
wijze waarop het onderzoek door de deskundigen is geschied, hetzij het verschil van de
deskundigen omtrent de feiten, hetzij het verschil in oordeelvelling, daartoe aanleiding
geeft, het recht de rechter-commissaris te verzoeken het onderzoek aan andere
deskundigen op te dragen. Is eenmaal een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld, dan dient
de officier van justitie, gelet op de leidinggevende taak van de rechter-commissaris,
terughoudendheid te betrachten bij de benoeming van deskundigen. In dat geval staat hem
de mogelijkheid open een vordering bedoeld in artikel 227, eerste lid, te doen. Indien geen
gerechtelijk vooronderzoek wordt ingesteld, dan zal de verdachte of diens raadsman met de
indiening van het verzoek moeten wachten tot de aanvang van het onderzoek op de
terechtzitting.
De door de hulpofficier benoemde vaste gerechtelijke deskundigen hebben, zo schrijft het
voorgestelde tweede lid van artikel 151 voor, niet tot taak een onderzoek omtrent de
persoonlijkheid van de verdachte in te stellen en daarover schriftelijk verslag uit te brengen.
De taak van deze deskundigen dient beperkt te blijven tot het verrichten van de zuiver
technische onderzoeken, bijv. een onderzoek van het Gerechtelijk Laboratorium. Het
merendeel van de onderzoeken van het Gerechtelijk Laboratorium wordt door de politie of
andere opsporingsinstanties aangebracht, zij het dat in veel gevallen toch meestal de
officier van justitie formeel opdrachtgever is.
Volgens de bestaande rechtspraak van de Hoge Raad kunnen in opdracht van de politie
totstandgekomen rapporten, waaronder rapporten van vaste gerechtelijke deskundigen
zoals die welke verbonden zijn aan het Gerechtelijk Laboratorium, ook indien deze door de
verdachte zijn betwist, als een schriftelijk verslag van een deskundige in de zin van artikel
344, eerste lid onder 4, Sv aangemerkt worden 14).
Betwiste verslagen van de door de rechter-commissaris benoemde deskundigen mogen
evenwel niet tot het bewijs worden gebezigd, als de verdachte niet de mogelijkheid heeft
gehad om van de hem door de artikelen 231, tweede en derde lid, en 232, eerste lid, Sv
toegekende bevoegdheden uit te oefenen 15). De artikelen 151 en 158 Sv vinden gezien
deze rechtspraak kennelijk alleen dan toepassing, indien er sprake is van een uitdrukkelijke
benoeming van een persoon tot deskundige door een in dat artikel aangewezen autoriteit,
te weten de officier van justitie of de hulpofficier 16). Alleen in dat geval zijn de artikelen
230 e.v. van overeenkomstige toepassing. Toepassing van artikel 151 is dus geen
voorwaarde voor het gebruik als bewijsmiddel van een in opdracht van de (hulp)officier van
justitie totstandgekomen rapport van een (vaste gerechtelijke) deskundige. Hooguit
verhoogt zij de waarde daarvan als bewijsmiddel.
De tekst van artikel 227, eerste lid, is overeenkomstig de voorgestelde wijziging van artikel
151 aangepast.

9.13. De positie van de getuige in het gerechtelijk vooronderzoek (artikelen 185-187c, 216
en 295)

De regeling van het getuigenverhoor dient op onderdelen te worden gewijzigd.
Krachtens het voorgestelde artikel 186, eerste lid, kan de officier van justitie de verhoren
van de rechter-commissaris altijd bijwonen. De in het huidige artikel 185, tweede lid, Sv te
dien aanzien gestelde beperkende voorwaarde komt te vervallen. De officier van justitie kan
voorts de vragen opgeven die hij gesteld wenst te zien. Als de officier van justitie het
verhoor niet bijwoont, kan hij zulks schriftelijk doen. De rechter-commissaris stelt de
officier van justitie in de gelegenheid bij de verhoren tegenwoordig te zijn, zonder dat het
onderzoek mag worden opgehouden. Dit voorschrift legt de rechter-commissaris de
verplichting op om de officier van justitie zo tijdig mogelijk op de hoogte te stellen van een
aanstaand verhoor. Het staat de officier van justitie vervolgens vrij het verhoor al dan niet
bij te wonen. De rechter-commissaris behoeft niet met de aanvang van het verhoor te
wachten totdat de officier van justitie zich ter plaatse bevindt.
Een algemene bevoegdheid tot het bijwonen van verhoren van de rechter-commissaris
komt de raadsman niet toe. Hoofdregel is weliswaar dat de raadsman deze verhoren kan
bijwonen, doch deze regel lijdt uitzondering, indien het belang van het onderzoek dit
verbiedt. De raadsman bezit wel een algemene bevoegdheid tot het opgeven van vragen
die hij gesteld wenst te zien. Hij kan zulks vóór of tijdens het verhoor doen. Als hem de
toegang tot het verhoor door de rechter-commissaris is geweigerd, kan hij uitsluitend
schriftelijk de vragen opgeven die hij gesteld wenst te zien. Onder omstandigheden zal de
rechter-commissaris in dat geval genoodzaakt zijn de getuige ten tweede male te verhoren.
De raadsman is immers pas na lezing van de door de getuige buiten zijn aanwezigheid
afgelegde verklaring in staat in volle omvang te beoordelen welke vragen hij aan die getuige
gesteld wenst te zien. De raadsman komt immers de bevoegdheid toe «to challenge and
question» 17). Een dergelijk verbod behoeft er niet toe te leiden dat de officier van justitie
in dat geval niet meer bevoegd zou zijn het verhoor bij te wonen.
Krachtens het voorgestelde tweede lid van artikel 186a kan de rechter-commissaris, indien
hij dit in het belang van het onderzoek wenselijk acht, ook de verdachte in de gelegenheid
stellen het verhoor van een getuige of deskundige bij te wonen. De huidige wettelijke
regeling biedt hiervoor geen basis. De verdachte kan de vragen opgeven die hij gesteld
wenst te zien.
De instelling van een gerechtelijk vooronderzoek leidt niet tot een ambtshalve toevoeging
van een raadsman aan de verdachte. Zie de artikelen 41 en 42 Sv. Indien tijdens een
gerechtelijk vooronderzoek de verdachte geen raadsman heeft, dient hem ingevolge het
voorgestelde artikel 187a op last van de rechter-commissaris onverwijld een raadsman te
worden toegevoegd, indien die raadsman krachtens het bepaalde in artikel 186a, eerste lid,
of 187 bevoegd zou zijn enig verhoor bij te wonen.
Artikel 187 kan als een uitwerking worden beschouwd van de gedachte dat verhoor van
een getuige of deskundige ten aanzien van wie een gegrond vermoeden bestaat dat hij niet
ter terechtzitting zal kunnen verschijnen, behoort plaats te vinden overeenkomstig de
voorschriften die gelden voor het verhoor van getuigen of deskundigen ter terechtzitting.
Krachtens artikel 292, eerste lid, Sv kan de voorzitter van de rechtbank bevelen dat een of
meer verdachten de gehoorzaal zullen verlaten, opdat een getuige buiten hun aanwezigheid
zal worden ondervraagd. Deze bepaling wordt vooral toegepast bij verhoren van
slachtoffers van seksuele delicten. Ter bescherming van de getuige kan diens verhoor
alleen in aanwezigheid van de raadsman plaatsvinden. Het voorgestelde tweede lid van
artikel 187 beoogt het verhoor van een getuige, ten aanzien van wie een gegrond
vermoeden bestaat dat hij niet ter terechtzitting zal kunnen verschijnen, bijv. omdat hij
daartoe psychisch niet in staat geacht moet worden, tijdens het gerechtelijk vooronderzoek
alleen in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte te kunnen doen plaatsvinden. Na
afloop van het verhoor dient de rechter-commissaris de verdachte onmiddellijk te
informeren over hetgeen de getuige heeft verklaard.
Het voorgestelde tweede lid van artikel 187 heeft gelet op het bepaalde in artikel 296 Sv
ook betrekking op deskundigen. Ook de rechter-commissaris dient in de gelegenheid te
worden gesteld bijv. een gedragsdeskundige die omtrent de persoonlijkheid van de
verdachte heeft gerapporteerd en voor langere tijd naar het buitenland vertrekt, buiten
aanwezigheid van de verdachte te ondervragen. Het belang van het onderzoek kan
meebrengen dat de deskundige vrijuit moet kunnen spreken. Zie daartoe ook het bepaalde
in artikel 304 Sv. De rechter-commissaris kan vervolgens hetgeen door de deskundige is
verklaard aan de verdachte mededelen.
De wet biedt de rechter in artikel 288 Sv de bevoegdheid te beletten dat aan een bepaalde
vraag gevolg wordt gegeven. Sinds enkele jaren wordt van deze bevoegdheid gebruik
gemaakt in het geval dat een getuige geen beroep op een verschoningsrecht toekomt maar
wel zwaarwegende belangen heeft om te zwijgen. Ook de rechter-commissaris dient de
bevoegdheid te bezitten te beletten dat aan enige vraag gevolg wordt gegeven. De redactie
van artikel 288, eerste volzin, Sv is in het voorgestelde artikel 187b gevolgd.
Ten aanzien van de anonieme getuigen is een afzonderlijk wetsvoorstel bij de Tweede
Kamer in behandeling.
Niet alleen anonieme getuigen kunnen bedreigde getuigen zijn. Ook slachtoffers en
minderjarigen kunnen zich bij het afleggen van getuigenis redelijkerwijs bedreigd achten en
behoefte hebben aan een bijzondere bescherming. De laatste tijd staat vooral de positie van
de slachtoffer-getuige ter discussie. Donker en Smit bepleiten meer bescherming van
getuigen die slachtoffer zijn van ernstige criminaliteit 18). Zij betogen dat in een zaak,
waarin de getuigen mede slachtoffer zijn van ernstige criminaliteit, het belang van een
goede rechtspraak eist dat het recht van de verdachte op een openbare behandeling wordt
beperkt. Deze beperking kan worden gevonden in een verhoor van deze getuigen bij de
rechter-commissaris en daarna niet meer op een openbare zitting. «Een herhalingsverhoor
ter terechtzitting is niet maatschappelijk dringend noodzakelijk, terwijl voorts deze
inmenging op het privé-leven van het slachtoffer niet meer evenredig is aan het beoogde
doel van een fair trial». Het verhoren van slachtoffers als getuigen op de terechtzitting kan
volgens het geldende recht alleen worden voorkomen als de getuige tijdens het gerechtelijk
vooronderzoek beëdigd of aangemaand naar het oordeel van de rechtbank niet op de
terechtzitting heeft kunnen verschijnen (art. 295 Sv). Zij bepleiten voorts een verbetering
van de slachtofferzorg. Voor wat betreft het gerechtelijk vooronderzoek denken zij in het
bijzonder aan de mogelijkheid voor de getuige om zich te laten vergezellen door een
vertrouwenspersoon of advocaat. De huidige wettelijke bepalingen verschaffen de rechter-
commissaris niet uitdrukkelijk de bevoegdheid om andere personen bijzondere toegang tot
het verhoor van de getuige te verlenen.
Ter bescherming van de slachtoffers die als getuigen worden verhoord stel ik voor de
artikelen 187, 216 en 295 aan te passen. Het toepassingsbereik van artikel 187 dient naar
mijn oordeel te worden uitgebreid tot het geval dat gegrond vermoeden bestaat dat de
gezondheidstoestand van de getuige (of deskundige) door het afleggen van een verklaring
ter terechtzitting ernstig in gevaar wordt gebracht. Ook in dat geval dient de rechter-
commissaris de officier van justitie, de verdachte en de raadsman tot bijwoning van het
verhoor uit te nodigen. Dit gegronde vermoeden zal de rechter-commissaris kunnen afleiden
uit een daartoe opgemaakte medische verklaring. Ik stel vervolgens voor artikel 216 Sv in
die zin te wijzigen dat in een geval als bedoeld in de vorige volzin de getuige of deskundige
wordt beëdigd. Ik stel ten slotte voor artikel 295 aldus te wijzigen dat de beëdigde
verklaring van de getuige, mits ter terechtzitting voorgelezen, als aldaar afgelegd zal
worden aangemerkt. De rechter-commissaris zal ervoor dienen te waken dat de verdediging
haar ondervragingsrecht tijdens het verhoor ten volle kan uitoefenen, wil de beëdigde
verklaring als doorslaggevend bewijs gebruikt kunnen worden. De rechter-commissaris zal
bij het verhoor ook nieuwe technische ontwikkelingen kunnen benutten. Zo kan hij het
verhoor met behulp van video-apparatuur opnemen 19). Ook kan hij onder omstandigheden
de getuige zodanig verhoren dat daarbij geen oogcontact mogelijk is tussen de getuige en
de verdachte 20).
Ingevolge het voorgestelde artikel 187c kan de rechter-commissaris tot bijwoning van het
verhoor van een getuige of deskundige bijzondere toegang verlenen. Deze bepaling biedt de
rechter-commissaris de mogelijkheid toegang te verlenen aan een vertrouwenspersoon van
een slachtoffer die als getuige wordt verhoord. De reikwijdte van deze bepaling is evenwel
ruimer. In verband met het lopende onderzoek kan het gewenst zijn dat ook
politiefunctionarissen in staat gesteld worden een verhoor bij te wonen.
Op voorstel van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak 21) stel ik voor de
mogelijkheden tot beëdiging van een getuige door de rechter-commissaris te verruimen.
Ingevolge het voorgestelde tweede lid van artikel 216 vindt een beëdiging tevens plaats
ingeval de rechter-commissaris deze in verband met de betrouwbaarheid van de verklaring
van de getuige of deskundige nodig acht. Door de beëdiging zal de getuige ervan
doordrongen zijn dat hij de waarheid dient te vertellen. Doet hij niet, dan maakt hij zich
schuldig aan meineed. De verruiming kan voorts onder omstandigheden een verschijning
van een getuige ter terechtzitting, omdat de getuige tijdens het gerechtelijk vooronderzoek
geen beëdigde verklaring heeft afgelegd, voorkomen. Tevens zullen gevallen van meineed
zich reeds in het voorbereidend onderzoek openbaren en kunnen aldaar worden
afgehandeld. Een eventuele verstoring van het onderzoek op de terechtzitting kan daardoor
worden vermeden.

9.14. De schouw (artikelen 150 en 192)

Een algemene bevoegdheid tot het houden van een schouw, vaak met het oog een
reconstructie van de zaak, komt thans alleen de rechter-commissaris toe (art. 192, eerste
lid, Sv). Voor het houden van een schouw in een woning, waarvan de toegang door de
bewoner wordt geweigerd, is verlof van de rechtbank vereist (art. 192, tweede lid). Alleen
in dringende gevallen is de (hulp)officier van justitie bevoegd dit dwangmiddel toe te
passen (artt. 150 en 158 Sv). Thans wordt voorgesteld de officier van justitie en de
hulpofficier een algemene zelfstandige bevoegdheid tot het houden van een schouw te
verschaffen en artikel 150 aldus te wijzigen. Het houden van een schouw in een woning
gaat bepaald minder ver dan het doorzoeken van een woning. Het is dan ook alleszins
verdedigbaar de algemene bevoegdheid tot toepassing van dit dwangmiddel over te dragen
aan de officier van justitie en de hulpofficier. Voorts kan op deze manier vermeden worden
dat een gerechtelijk vooronderzoek wordt gevorderd enkel en alleen om de rechter-
commissaris in staat te stellen een schouw te houden.
Tijdens een gerechtelijk vooronderzoek moet de rechter-commissaris in verband met zijn
leidinggevende taak deze bevoegdheid ook kunnen uitoefenen. Het voorgestelde artikel
192, eerste lid, voorziet daarin. Het verlof van de rechtbank dienaangaande is komen te
vervallen. In deze bepaling is, ondanks het feit dat de officier van justitie krachtens het
voorgestelde artikel 150 een zelfstandige bevoegdheid tot het houden van een schouw
bezit, de bevoegdheid van de officier van justitie tot vordering van een schouw
gehandhaafd. Als eenmaal een gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld, kan een wederzijds
respect voor elkaars verantwoordelijkheden tussen de officier van justitie en de rechter-
commissaris medebrengen dat de officier van justitie een vordering tot het houden van een
schouw doet in plaats van gebruik te maken van zijn eigen wettelijke bevoegdheid. Dit
komt ook de verdediging ten goede. Zie hiertoe het gestelde in paragraaf 9.

9.15. De vereenvoudiging van de sluitingsprocedure (artikelen 237 en 238)

In het rapport van de commissie is uitvoerig uiteengezet waarom de procedure inzake de
sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek vereenvoudigd dient te worden (blz. 70-76). De
voorstellen van de commissie op dit punt vinden alom instemming en worden door mij
overgenomen.
De te volgen sluitingsprocedure wordt in hoofdzaak aan de rechter-commissaris
overgelaten. Het gaat hier ten slotte om het voorbereidend onderzoek. Een betrekkelijk
vormloze sluitingsprocedure heeft het voordeel dat voorkomen kan worden dat de niet-
nakoming van vormvoorschriften tot allerlei incidenten aanleiding geven die een vertragend
effect kunnen hebben op de voortgang van de strafrechtelijke procedure.
De voorgestelde regeling houdt in dat de sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek door
de rechter-commissaris op de voet van artikel 237, eerste lid, Sv zowel voor de officier van
justitie als voor de verdachte onherroepelijk is. De thans in de wet aan de sluiting gestelde
eisen worden gehandhaafd. Het is voorbehouden aan de rechter-commissaris om te
beoordelen wanneer het gerechtelijk vooronderzoek dient te worden gesloten. De redenen
voor de sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek zijn ongewijzigd gebleven. Indien de
rechter-commissaris oordeelt dat het gerechtelijk vooronderzoek is voltooid of dat tot
voortzetting daarvan geen grond bestaat, sluit hij het onderzoek bij een beschikking waarin
de reden der sluiting is vermeld. Gelet op de rechtsgevolgen die aan het moment van de
sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek zijn verbonden, zoals het recht van de
verdachte en diens raadsman op inzage in de processtukken (artt. 33 en 51 Sv) alsmede de
aanvang van de termijn waarbinnen de officier van justitie een beslissing moet nemen over
het al dan niet verder vervolgen van de verdachte (art. 244 Sv), dient het moment van
sluiting op duidelijke wijze te worden vastgelegd en aan de procespartijen te worden
kenbaar gemaakt.
Artikel 237, eerste lid, Sv bepaalt dat de rechter-commissaris pas het gerechtelijk
vooronderzoek mag sluiten, als hij van oordeel is dat het voltooid is. Deze eis veronderstelt
dat de rechter-commissaris nagaat of bij een van beide procespartijen de behoefte bestaat
om nog nadere onderzoekshandelingen te laten plaatsvinden 22).
Artikel 237, tweede lid, schrijft voor dat de rechter-commissaris de beschikking houdende
sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek doet toekomen aan de officier van justitie en,
indien deze bekend is, aan de verdachte. De raadsman ontvangt een afschrift van deze
beschikking ingevolge artikel 51 Sv. Een betekening acht ik niet nodig. In de regel zal een
gerechtelijk vooronderzoek tegen een bekende verdachte niet worden gesloten voordat hij
is gehoord. Bij die gelegenheid zal de rechter-commissaris trachten te achterhalen naar
welk adres de sluitingsbeschikking moet worden toegezonden. Bij betekeningen worden
regelmatig fouten gemaakt. Alsdan rijst weer de vraag welk rechtsgevolg aan een foutieve
betekening moet worden verbonden. Laat de rechter-commissaris de toezending van de
sluitingsbeschikking achterwege, dan kan dit verzuim op de voet van de artikelen 199 en
256 Sv worden hersteld.
Door een mededeling van de officier van justitie dat van verdere vervolging wordt afgezien,
eindigt het gerechtelijk vooronderzoek. De rechter-commissaris behoeft alsdan niet meer tot
sluiting over te gaan, zoals dat in de bestaande regeling nog is voorgeschreven.

10. Een samenloop van bevoegdheden: de parallelle opsporing tijdens het gerechtelijk
vooronderzoek

In paragraaf 4 heb ik reeds gesteld dat de zelfstandige voortzetting van het
opsporingsonderzoek onder leiding van de officier van justitie tijdens het gerechtelijk
vooronderzoek langzamerhand in de praktijk is gegroeid en thans algemeen is aanvaard.
Het gerechtelijk vooronderzoek en het opsporingsonderzoek zijn geen van elkaar
gescheiden onderzoeken doch kunnen naast elkaar worden verricht.
In het onderhavige wetsvoorstel is het aantal bevoegdheden dat uitsluitend door de rechter-
commissaris kan worden uitgeoefend verder beperkt. De procureur-generaal bij de Hoge
Raad en de strafkamer van de Hoge Raad hebben onder meer de vraag gesteld of naast de
bevoegdheid van de rechter-commissaris tot doorzoeking ter inbeslagneming van elke
plaats in het kader van de parallelle opsporing onderscheidenlijk de opgedragen opsporing
ter zake van het feit waarop het gerechtelijk vooronderzoek betrekking heeft ook de
bevoegdheden van de (hulp)officier van justitie tot doorzoeking blijven bestaan. Voorts
hebben zij zich afgevraagd hoe de door de commissie voorgestelde artikelen 96c en 97
enerzijds en 111 anderzijds zich tot elkaar verhouden. Deze vragen hebben betrekking op
de onderliggende vraag of andere autoriteiten dan de rechter-commissaris, indien een
gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld, bevoegd zijn de hun toekomende strafvorderlijke
bevoegdheden uit te oefenen ter zake van het feit waarop het gerechtelijk vooronderzoek
betrekking heeft.
De hiervoor genoemde vraag, die thans vooral actueel is bij de spoedhuiszoeking,
beantwoord ik bevestigend. De instelling van een gerechtelijk vooronderzoek heeft naar
mijn opvatting geen gevolgen voor de uitoefening van bevoegdheden van de officier van
justitie, de hulpofficier van justitie en de overige opsporingsambtenaren ter zake van een
feit waarop een gerechtelijk vooronderzoek betrekking heeft. Een dergelijke bepaling
beschouw ik als een logisch uitvloeisel van de in de rechtspraak aanvaarde praktijk dat
tijdens het gerechtelijk vooronderzoek de - parallelle - opsporing mag worden voortgezet.
Het betreft hier niet alleen de uitoefening van de bevoegdheden krachtens het Wetboek van
Strafvordering doch ook de strafvorderlijke bevoegdheden krachtens afzonderlijke wetten.
Dit betekent onder meer dat de voorgestelde artikelen 96 tot en met 97, 150 en 151 ook
ter zake van een feit waarop een gerechtelijk vooronderzoek betrekking heeft kunnen
worden uitgeoefend.
Voorkomen moet worden dat tussen de rechter-commissaris enerzijds en de officier van
justitie, de hulpofficier van justitie en de overige opsporingsambtenaren anderzijds omtrent
de uitoefening van gelijke bevoegdheden meningsverschillen ontstaan. Geen twee kapiteins
op één schip! Ten einde deze geschillen zoveel mogelijk te beperken zal ik de Vergadering
van Procureurs-Generaal voorstellen een richtlijn op te stellen die inhoudt dat de uitoefening
van bevoegdheden door de hulpofficieren en de overige opsporingsambtenaren ter zake van
een feit waarop een gerechtelijk vooronderzoek betrekking heeft zoveel mogelijk als het
belang van het opsporingsonderzoek dat toelaat in overleg met de officier van justitie
geschiedt. Voorts stel ik voor waar mogelijk bij de wettelijke regeling van een bevoegdheid
die de rechter-commissaris en de officier van justitie ter zake van een feit waarop een
gerechtelijk vooronderzoek betrekking heeft gelijkelijk toekomt, te bepalen dat de officier
van justitie kan vorderen dat de rechter-commissaris de desbetreffende bevoegdheid
uitoefent. Ik wijs bij voorbeeld op de voorgestelde artikelen 110, eerste lid, 125f, eerste lid,
en artikel 192, eerste lid. Als vuistregel kan gelden dat de officier van justitie alleen van
zijn zelfstandige bevoegdheid gebruik maakt als het belang van het (opsporings)onderzoek,
waaronder begrepen de spoedeisendheid van de desbetreffende onderzoekshandeling, dat
bepaaldelijk vordert. Is dat niet het geval, dan brengt de leidinggevende positie van de
rechter-commissaris tijdens het gerechtelijk vooronderzoek mede dat de officier van justitie
vooraf omtrent de uitvoering van de gewenste onderzoekshandeling met de rechter-
commissaris in overleg treedt en eventueel overgaat tot de indiening van een vordering. De
uitoefening van zelfstandige bevoegdheden door de hulpofficier van justitie en de overige
opsporingsambtenaren kan de rechter-commissaris eventueel op de voet van de hem in
artikel 177, eerste lid, verleende bevelsbevoegdheid sturen.

11. Artikelsgewijze toelichting

De meeste artikelen zijn toegelicht in het algemeen deel. In de inhoudsopgave staat steeds
per onderwerp vermeld om welke artikelen het gaat. Hier wordt volstaan met daarnaar te
verwijzen.

Artikel 12k
Deze wijziging houdt primair verband met de vereenvoudiging van de sluitingsprocedure.
Het is voorts wenselijk dat het gerechtshof, ingeval het gerechtelijk vooronderzoek is
gesloten of geëindigd en het onderzoek ter terechtzitting nog niet is aangevangen, bij een
gegrondbevinding van het beklag in de gelegenheid moet zijn een specifieke last tot het
verrichten van bepaalde handelingen van nader onderzoek te geven. Om die reden is in de
eerste volzin van het derde lid bepaald dat het bevel tot voortzetting van de vervolging ter
zake van het feit waarop het beklag betrekking heeft, de last kan bevatten dat door de
officier van justitie de vordering zal worden gedaan, bedoeld in artikel 241, eerste lid.

Artikel 99a
Een huiszoeking kan in de bestaande regeling ook op andere plaatsen dan een woning
plaatsvinden. Voorgesteld wordt daarom de woorden «tijdens een huiszoeking» te
vervangen door de woorden: tijdens het doorzoeken van plaatsen. De verdachte is dus
bevoegd zich bij het doorzoeken van elke plaats, een woning, een kantoor, een winkelpand,
een vervoermiddel, door zijn raadsman te doen bijstaan. Hem moet in beginsel de
mogelijkheid worden geboden met zijn raadsman te telefoneren ten einde te
bewerkstelligen dat de raadsman onmiddellijk ter plaatse arriveert. Zulks betekent evenwel
niet dat met het doorzoeken van de plaats kan worden gewacht totdat de raadsman is
gearriveerd.
In verband met het feit dat het eerste en tweede lid van artikel 99 betrekking hebben op
het doorzoeken van een woning is het derde lid van deze bepaling in een apart artikel
ondergebracht.

Artikel 101
Nu het hier de enkele verstrekking van een machtiging door de rechter-commissaris betreft,
behoeft geen gerechtelijk vooronderzoek te worden ingesteld. De wettelijk voorgeschreven
koppeling kan komen te vervallen. De in het huidige tweede lid van artikel 101
voorkomende term «gemachtigd» is gehandhaafd. De term «machtiging» komt ook op
andere plaatsen in het Wetboek van Strafvordering voor. Zie artikel 118a. De vereiste
machtiging is noodzakelijk gelet op het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van de Grondwet.

Artikel 102a
Het voorgestelde artikel 102a treft een voorziening voor het geval door een
opsporingsambtenaar of een hulpofficier van justitie brieven in beslag genomen zijn.
Krachtens het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van de Grondwet mogen deze brieven
alleen op last van de rechter worden geopend. Het begrip «brief» heeft dezelfde betekenis
als het overeenkomstige begrip in artikel 13, eerste lid, van de Grondwet. De reikwijdte van
dit begrip is niet exact te bepalen en zal aan de rechtspraak worden overgelaten 23).
De opsporingsambtenaar of hulpofficier van justitie, krachtens enige wettelijke bepaling
bevoegd tot inbeslagneming van brieven, dient ingevolge het eerste lid van artikel 102a
deze brieven, voorzover zij gesloten zijn, onverwijld ter beschikking van de officier van
justitie te stellen. Ingevolge het tweede lid dient de officier van justitie de brieven, welker
inbeslagneming niet worden gehandhaafd, onverwijld terug te geven aan degene bij wie zij
inbeslaggenomen zijn. De artikelen 101, tweede tot en met vierde lid, en 102 zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de brieven die niet bij de
processtukken of de stukken van overtuiging worden gevoegd, worden teruggegeven aan
degene bij wie zij inbeslaggenomen zijn.

Artikel 109
De voorgestelde invoeging verleent de rechter-commissaris de bevoegdheid overbrenging
van het register te bevelen voor het maken van een afschrift daarvan.

Artikel 125
De invoeging van de woorden «of doen nemen» beoogt de rechter-commissaris in staat te
stellen, indien hij bij het doorzoeken van plaatsen niet zelf aanwezig is, de aanwezige
opsporingsambtenaren de nodige maatregelen tot bewaking of afsluiting te doen nemen. Ik
stel vervolgens voor in artikel 125 als ordemaatregel op te nemen dat de bevoegde rechter
of ambtenaar kan bevelen dat niemand, zonder zijn uitdrukkelijke bewilliging, gebruik zal
maken van de zich op de plaats van onderzoek bevindende telecommunicatievoorzieningen
zolang het onderzoek aldaar niet is afgelopen.

Artikel 177
Opdrachten en bevelen als bedoeld in artikel 177 dienen zoveel mogelijk door tussenkomst
van de officier van justitie te worden gegeven. Alleen bij verschil van mening tussen
officier van justitie en rechter-commissaris of in geval van spoed dient voor de rechter-
commissaris de mogelijkheid te bestaan om direct aan de politie de nodige opdrachten en
bevelen te geven.

Artikel 184
Ik stel voor het toepassingsbereik van het tweede lid van artikel 184 te verruimen tot de
gevallen waarin ten aanzien van de verdachte een bevel tot voorlopige hechtenis is
gegeven doch de verdachte zich intussen niet meer in voorlopige hechtenis bevindt, omdat
dit bevel is opgeschort of geschorst. Nu er sprake is van een formele
inbeschuldigingstelling in de vorm van een vordering tot voorlopige hechtenis, vereist de
verdedigingspositie van de verdachte tegen wie een bevel tot voorlopige hechtenis is
gegeven dat hij de rechter-commissaris moet kunnen verzoeken ten behoeve van de
verdediging een gerechtelijk vooronderzoek in te stellen. De blijkens de geschiedenis van de
totstandkoming van het tweede lid van artikel 184 aangevoerde argumenten om aan de
zich in voorlopige hechtenis bevindende verdachten het recht te verlenen de rechter-
commissaris te verzoeken een gerechtelijk vooronderzoek in te stellen gelden evenzeer voor
de zich niet in voorlopige hechtenis bevindende verdachte, al kunnen ze vanwege de
voorlopige hechtenis wel dwingender zijn. Zolang het bevel tot voorlopige hechtenis niet is
opgeheven en de officier van justitie nog geen dagvaarding of, indien deze is ingetrokken,
geen nieuwe dagvaarding ter betekening aan de verdachte heeft doen uitgaan, kan de
rechter-commissaris ingevolge het voorgestelde tweede lid ambtshalve of op het verzoek
van de verdachte een gerechtelijk vooronderzoek instellen ten aanzien van het feit
waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen. Ik stel voor de instelling van een gerechtelijk
vooronderzoek niet te vervangen door het verrichten van enig onderzoek. De instelling van
een gerechtelijk vooronderzoek geeft hem de vrijheid de door hem gewenste
onderzoekshandelingen in de door hem gewenste volgorde te verrichten. De rechter-
commissaris moet er tijdens een gerechtelijk vooronderzoek op kunnen toezien dat de voor
een behoorlijke berechting nodige gegevens worden verzameld.
De bevoegdheid van het huidige artikel 184, tweede lid, Sv is aan de rechter-commissaris
toegekend om hem in staat te stellen het door hem noodzakelijk geachte onderzoek voor
het beoordelen van de vorderingen tot voorlopige hechtenis te verrichten. Deze doelstelling
blijft onverminderd van kracht. Zo dient de rechter-commissaris een psychiatrisch rapport
te kunnen aanvragen of een bevel tot observatie als bedoeld in artikel 196 Sv te kunnen
geven. Deze bevoegdheid behoeft niet tot de periode van de bewaring te worden beperkt.
In geval van gevangenhouding of gevangenneming kan de raadkamer voorts krachtens het
bepaalde in artikel 23, eerste lid, Sv de rechter-commissaris bevelen deze
onderzoekshandelingen te verrichten.
Het voorgestelde artikel 241b waarborgt dat ook de raadsman van de verdachte een
verzoek als bedoeld in het tweede lid kan indienen.
In het voorgestelde derde lid wordt uitdrukkelijk voorgeschreven dat de rechter-
commissaris alvorens tot instelling het gerechtelijk vooronderzoek over te gaan de officier
van justitie dient te horen.

Artikel 201
In paragraaf 8.2 heb ik uiteengezet waarom het tweede lid van artikel 201 kan komen te
vervallen. Ook het eerste lid van dit wetsartikel kan worden geschrapt. Het betreft hier een
bepaling die zeiden of nooit wordt toegepast en niet meer past in de bestaande organisatie
van het rechter-commissariaat. Zulks heeft tot gevolg dat het derde lid van artikel 201
geen betekenis meer heeft.

Artikel 208
De voorgestelde wijziging van de eerste volzin van het eerste lid strekt er toe de verdachte
de mogelijkheid te bieden ook schriftelijk getuigen en deskundigen alsmede feiten van
onderzoek op te geven. Hiermede hangt samen het voorschrift dat de rechter-commissaris
een weigering in een gemotiveerde beschikking dient vast te leggen en deze beschikking
aan de verdachte en de officier van justitie dient toe te zenden. Zulks is in het tweede lid
vastgelegd. Deze bevoegdheden kunnen krachtens het voorgestelde artikel 241b ook door
de raadsman van de verdachte worden uitgeoefend.

Artikel 211
In paragraaf 8.2 heb ik uiteengezet waarom artikel 211 voor wat betreft het verhoor van
een getuige in een ander kanton of arrondissement kan komen te vervallen. Het tweede lid
dateert nog uit een tijd dat de reismogelijkheden van getuigen aanzienlijk beperkter waren
dan thans het geval is en kan eveneens beter vervallen.

Artikel 231
Ik stel voor de laatste volzin van artikel 231 te laten vervallen. Het gaat hier om bijstand
van een raadsman ten behoeve van een verdachte die partner in het onderhoud is. De
toepasselijkverklaring van artikel 193, tweede lid, betekent dat de mogelijkheid tot
rechtsbijstand op gronden die onduidelijk zijn, is beperkt. Ik stel voor deze bepaling aldus te
wijzigen dat de officier van justitie bevoegd is bij dat onderhoud tegenwoordig te zijn.

Artikel 241
Ik stel voor artikel 241 in die zin te wijzigen dat de officier van justitie en de verdachte zich
na de sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek direct tot de rechter-commissaris kunnen
wenden met het verzoek nog vóór de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting een
bepaalde onderzoekshandeling te verrichten. Een daaraan voorafgaande opdracht van de
rechtbank aan de rechter-commissaris acht ik in het licht van de voorgestelde
vereenvoudiging van de sluitingsprocedure te omslachtig. De aldus gewijzigde
wetsbepaling biedt voldoende tegenwicht tegen de voorgestelde onherroepelijkheid van de
sluiting. Beide procespartijen kunnen langs deze weg bewerkstelligen dat na de sluiting van
het gerechtelijk vooronderzoek nog nader onderzoek door de rechter-commissaris kan
worden verricht.
Indien een gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld, kan de verdachte alleen in het kader van
dat onderzoek aan de rechter-commissaris verzoeken bepaalde onderzoekshandelingen te
verrichten. Hetzelfde geldt voor de officier van justitie. Artikel 241 treft een regeling voor
die gevallen, waarin het gerechtelijk vooronderzoek weliswaar is gesloten of geëindigd
doch niettemin nog bepaalde onderzoekshandelingen dienen te worden verricht. Mede
gezien het feit dat het gaat om onderzoekshandelingen die kennelijk nog vóór de aanvang
van het onderzoek op de terechtzitting verricht moeten kunnen worden, is de thans
voorziene raadkamerprocedure te omslachtig. Nu wordt voorgesteld de sluitingsprocedure
aanzienlijk te vereenvoudigen, kan bij beide procespartijen behoefte ontstaan om nog voor
de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting een bepaalde onderzoekshandeling, bijv.
het horen van een bepaalde getuige, te laten verrichten.
De rechter-commissaris kan nader onderzoek verrichten zolang het onderzoek ter
terechtzitting nog niet is aangevangen. Door de aanvang van het onderzoek ter
terechtzitting vervalt deze bevoegdheid van de rechter-commissaris. Wel kan de rechter ter
terechtzitting door middel van de bevoegdheid van artikel 316 Sv, onder schorsing van de
zaak, de stukken (wederom) in handen van de rechter-commissaris stellen ten einde het
nadere onderzoek te verrichten. Als het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen heeft
de rechtbank de leiding over het onderzoek en is het aan de rechtbank voorbehouden te
bepalen welke onderzoekshandelingen eventueel nog door de rechter-commissaris moeten
worden verricht.
De vordering van de officier van justitie of het verzoek van de verdachte dient ingevolge
het voorgestelde tweede lid een opgave te behelzen van de handelingen van onderzoek die
door de rechter-commissaris moeten worden verricht en dient gemotiveerd te worden
gedaan. De officier van justitie en de verdachte zullen aannemelijk moeten maken dat zij
belang hebben bij het gewenste onderzoek van de rechter-commissaris. Dit brengt mede
dat zij zo nauwkeurig mogelijk moeten omschrijven welke onderzoekshandelingen hun voor
ogen staan. Hierbij zal in vooral moeten worden gedacht aan het verhoor van een bepaalde
getuige of de benoeming van een bepaalde deskundige, bijv. een psychiater. In de
vordering of het verzoek zal voorts de identiteit van die getuige of deskundige zo
nauwkeurig mogelijk moeten zijn omschreven.
Ingevolge het voorgestelde derde lid dient de rechter-commissaris zo spoedig mogelijk op
de vordering of het verzoek te beslissen. De beschikking dient in geval van afwijzing van de
vordering of het verzoek met redenen te zijn omkleed en schriftelijk ter kennis van de
officier van justitie en de verdachte te worden gebracht. Het derde lid bevat geen specifiek
toetsingscriterium. De toe- of afwijzing van het verzoek staat ter discretie van de rechter-
commissaris. Hij zal alle relevante omstandigheden in aanmerking nemend, waaronder het
verloop van het gerechtelijk vooronderzoek en het belang van het openbaar ministerie of de
verdachte bij het verrichten van de betreffende onderzoekshandeling, dienen te beoordelen
of het verzoek voor inwilliging vatbaar is.
Krachtens het voorgestelde vierde lid staat tegen de beslissing van de rechter-commissaris
op de vordering van het openbaar ministerie of het verzoek van de verdachte staat geen
rechtsmiddel open. De belangen van het openbaar ministerie en de verdachte zijn
voldoende beschermd door de mogelijkheid de vordering respectievelijk het verzoek ter
terechtzitting te herhalen.
Het voorgestelde artikel 241b waarborgt dat ook de raadsman van de verdachte een
verzoek als bedoeld in het eerste lid kan indienen.


Artikel 241a
Het voorgestelde eerste lid van artikel 241a schrijft voor dat de rechter-commissaris in
geval van toewijzing van de vordering of het verzoek tot het verrichten van nader
onderzoek zo spoedig mogelijk dit onderzoek instelt of doet instellen. Deze formulering laat
de rechter-commissaris enige beleidsruimte voor wat betreft het tijdstip waarop het
onderzoek wordt verricht.
De rechter-commissaris kan het onderzoek ook met toepassing van artikel 177 Sv door de
politie doen verrichten. Dit zal zich in het bijzonder voordoen bij technische onderzoeken.
De inhoud van het tweede en het derde lid is gelijk aan die van het tweede en het derde lid
van het huidige artikel 241.

Artikel 241b
Het voorgestelde artikel 241b waarborgt dat de bevoegdheden van de verdachte in het
kader van een gerechtelijk vooronderzoek ook door diens raadsman kunnen worden
uitgeoefend. Aldus kan in de eerste plaats worden vermeden dat in verschillende
bepalingen uitdrukkelijk dient te worden geregeld dat deze bevoegdheid ook aan de
raadsman toekomt. Zie de huidige artikelen 184, tweede lid, 189, tweede lid, 192, eerste
lid, 196, eerste lid, 198, tweede lid, en 199, eerste lid, Sv. In de tweede plaats wordt op
deze wijze zeker gesteld dat ook andere bevoegdheden die volgens de huidige bepalingen
uitsluitend aan de verdachte toekomen, ook door diens raadsman kunnen worden
uitgeoefend. Zie bijv. de artikelen 182, tweede lid, 208, eerste lid, 221, eerste lid, 227,
eerste en tweede lid, 232, eerste lid, 233, eerste lid, en 235 Sv.
De bevoegdheden van de verdachte vervat in de artikelen 187, 193, 196 tot en met 199,
230 en 231 kunnen op grond van het voorgestelde artikel 241b ook door diens raadsman
uitgeoefend worden. Ten aanzien van de bevoegdheid tot het instellen van een
rechtsmiddel (zie de artikelen 208, derde lid, en 197, derde lid) vindt artikel 450, onder a,
Sv toepassing. Deze regeling moet als een specialis ten aanzien van het voorgestelde
artikel 241a worden beschouwd. Hetzelfde geldt voor artikel 51 Sv dat een specifieke
regeling betreffende de kennisneming van processtukken door de raadsman en het
verkrijgen van afschriften daarvan bevat.
Soortgelijke bepalingen zijn opgenomen in de artikelen 331 en 509d, derde lid, Sv. Zie ook
het in het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van
Strafvordering en andere wetten in verband met de herziening van het strafrecht voor
jeugdigen 24) opgenomen artikel 503, eerste lid, Sv.

Artikel 241c
In afwijking van artikel 446, tweede lid, staat ingevolge het voorgestelde artikel 241c voor
het openbaar ministerie tegen een beschikking van de rechtbank, gegeven in hoger beroep
tegen een beschikking van de rechter-commissaris, waarbij een krachtens deze Titel
genomen vordering niet is toegewezen, geen beroep in cassatie open. Deze beslissingen
zijn in de regel van feitelijke aard en lenen zich niet voor toetsing in cassatie. Doet zich in
een voorkomend geval een rechtsvraag voor die met het oog op de toekomstige
rechtsontwikkeling aan de cassatierechter dient te worden voorgelegd, dan kan het
buitengewone rechtsmiddel van cassatie in het belang der wet uitkomst bieden. Het
voordeel van een uitspraak van de cassatierechter omtrent een tijdens het gerechtelijk
vooronderzoek gerezen geschilpunt, dat soms van principiële aard kan zijn, weegt niet op
tegen het nadeel van de door het instellen van dat rechtsmiddel veroorzaakte vertraging in
de rechtsgang. Gezien de ruime bevoegdheden van de rechter-commissaris en de betekenis
van het gerechtelijk vooronderzoek voor het resultaat van de strafrechtelijke procedure voor
beide procespartijen dient de mogelijkheid van toetsing achteraf door de raadkamer van de
rechtbank gehandhaafd te blijven.

Artikel 244
De voorgestelde wijziging van artikel 244, eerste lid, houdt verband met de
vereenvoudiging van de sluitingsprocedure. De sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek
door de rechter-commissaris is voor de verdachte in de voorgestelde sluitingsprocedure
steeds onherroepelijk.

Artikel 411a
De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak heeft de suggestie gedaan om in de periode
tussen de instelling van het hoger beroep en de behandeling van het hoger beroep de
mogelijkheid te scheppen de rechter-commissaris te vorderen onderscheidenlijk te
verzoeken bepaalde onderzoekshandelingen te verrichten. Het voorgestelde artikel 411a,
dat beoogt aan deze suggestie uitvoering te geven, sluit aan bij de voorgestelde artikelen
241 en 241a.

Artikel 486
In onderdeel L is reeds voorgesteld in artikel 100 Sv de zinsnede «die de in artikel 181,
eerste lid, bedoelde vordering doet, in afwachting van het optreden van den rechter-
commissaris, bij dringende noodzakelijkheid,» te laten vervallen.
Het eerste lid van artikel 486 Sv bepaalt onder meer dat in gevallen, waarin uit feiten of
omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit, dat een minderjarige beneden de
leeftijd van twaalf jaren een strafbaar feit heeft begaan, artikel 97 Sv toepasselijk is en dat
de OvJ de hem bij dit artikel verleende bevoegdheid kan uitoefenen zonder dat hij de in
artikel 181, eerste lid, bedoelde vordering doet. Het in het wetsontwerp houdende wijziging
van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en andere wetten in
verband met de herziening van het strafrecht voor jeugdigen voorgestelde artikel 487,
eerste lid, brengt hierin geen wijziging.
De voorgestelde wijziging van het eerste lid van artikel 486 beoogt in gevallen als
omschreven in dit artikellid de bevoegdheid tot het doorzoeken van een woning van de
(hulp)officier van justitie te koppelen aan een voorafgaande machtiging van de rechter-
commissaris. Door het overeenkomstig het voorgestelde artikel 97, eerste lid, Sv vragen
van machtiging door de officier van justitie aan de rechter-commissaris wordt de
minderjarige niet strafrechtelijk vervolgd in de zin van artikel 77a Sr 25).

Artikel 551
Het huidige artikel 551 kent iedere opsporingsambtenaar een - delictgebonden -
bevoegdheid toe uitlevering van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen te vorderen.
Deze bevoegdheid is beperkt tot voorwerpen die vatbaar zijn voor inbeslagneming in
verband met de in artikel 551 met name genoemde delicten: enkele misdrijven tegen de
veiligheid van de staat, alsmede sommige misdrijven en overtredingen tegen de zeden
(waaronder dierenmishandeling).
In het licht van het voorgestelde artikel 96a dient de betekenis van artikel 551 opnieuw te
worden overwogen. In paragraaf 8.6 heb ik reeds toegelicht dat op de regeling in artikel
96a, tweede tot en met vierde lid, alleen een uitzondering gemaakt mag worden, voor
zover het bevel of de vordering tot uitlevering ertoe strekt om de verbeurdverklaring of
onttrekking aan het verkeer van de voor inbeslagneming vatbare voorwerpen mogelijk te
maken. Ik stel daarom voor deze beperkingsclausule in artikel 551, eerste lid, op te nemen.
De betekenis van artikel 551, eerste lid, is thans naast het bepaalde in artikel 96a daarin
gelegen dat de in artikel 551 toegekende bevoegdheid uitlevering te vorderen om de
veiligstelling van gemeengevaarlijke voorwerpen met het oog op verbeurdverklaring of
onttrekking aan het verkeer daarvan beoogt in geval van verdenking van één van de in dat
artikel genoemde delicten. Het bevel kan dus voor dat doel ook worden gegeven aan de
verdachte 26) of een verschoningsgerechtigde. In zoverre heeft artikel 551 ook ten aanzien
van de delicten die onder artikel 67, eerste lid, vallen zelfstandige betekenis. Deze extra
bevoegdheid van iedere opsporingsambtenaar tot het vorderen van uitlevering van voor
inbeslagneming vatbare voorwerpen kan vooral van nut zijn met het oog op de
inbeslagneming van gevaarlijke honden (pitbullterriers) of pornografische geschriften.

Artikel 552o
In de Wet computercriminaliteit (Stb. 1993, 33) is opgenomen in onderdeel a van het
eerste lid van artikel 552o «het betreden van plaatsen, het verrichten van huiszoeking en
het in beslag nemen van stukken van overtuiging» te vervangen door: het bevelen van de
uitlevering of overbrenging van stukken van overtuiging, het betreden van plaatsen, het
verrichten van huiszoeking, het in beslag nemen van stukken van overtuiging en het
aftappen of opnemen van niet voor het publiek bestemd gegevensverkeer via de
telecommunicatie-infrastructuur.

 

De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin

 

1) Een uitzondering wordt gemaakt voor het doen vervallen van het voorgeschreven verlof
van de rechtbank in het tweede lid van artikel 195 Sv.
2) C. van der Werff en M.W. Bol, Het gerechtelijk vooronderzoek in woord en daad.
Reeks Onderzoek en Beleid nr. 110, Gouda Quint bv, 1991.
3) Zie HR 17 februari 1981, NJ 1981, 536 m.nt. G.E. Mulder, en 7 juni 1988, NJ 1988,
1041 m.nt. Th.W. van Veen.
4) Zie bijv. EHRM Zaak Öztürk, arrest van 21 februari 1984. Series A no. 73, NJ 1988,
937, Ars Aequi 34 (1985), blz. 145-154. m.nt. A.H.J. Swart. par. 55.
5) Zie HR 23 november 1990, NJ 1991. 184 m.nt. Th.W. van Veen (civiele kamer).
6) Kamerstukken II, 1913/14, 286, nr. 3. blz. 79.
7) Aldus HR 29 september 1987, NJ 1988, 302 m.nt. Th.W. van Veen.
8) Zie daartoe ook de in het gewijzigd voorstel van wet tot wijziging van enkele bepalingen
van het Wetboek van Strafvordering omtrent de voorlopige hechtenis en enige andere
onderwerpen (kamerstukken II, 1988/89. 19 774, nr. 8) voorgestelde aanvulling van artikel
168, eerste lid, Sv (artikel I onder F).
9) Richtlijn onderzoek van telefoongesprekken, modelbrief van de hoofdofficieren van
justitie aan de politie van 2 juli 1984, opgenomen in de bundel Richtlijnen Openbaar
Ministerie, Staatsuitgeverij (losbladig).
10) Stcrt 1986, 141.
11) Kamerstukken II, zitting 1990/91, 22 268, nr. 2.
12) Zie HR 14 januari 1986, DD 86 231. en HR 21 februari 1989, NJ 1989. 903.
13) Het gerechtelijk vooronderzoek in woord en daad, a.w., blz. 15.
14) Zie HR 8 november 1960, NJ 1961, 49 (en de daarbij behorende conclusie van AG
Jacob); de conclusie van AG Remmelink bij HR 21 maart 1978, NJ 1978, 386 m.nt. Th.W.
van Veen; HR 21 februari 1978, NJ 1978, 663; HR 24 mei 1988, NJ 1988, 898, m.nt.
Th.W. van Veen.
15) Zie HR 21 oktober 1986, NJ 1987, 607 m.nt. G.E. Mulder, Ars Aequi 36(1987), blz.
488-496 m.nt. C. Kelk.
16) Zo overweegt de cassatierechter in HR 21 februari 1978, NJ 1978, 663, dat de eis dat
deskundigenverslagen slechts voor het bewijs kunnen worden gebruikt indien de
deskundigen zijn benoemd door de rechter-commissaris of de officier van justitie en als
deskundige zijn beëdigd, geen steun vindt in de wet.
17) EHRM Zaak Kostovski, a.w., par. 41.
18) H.J. Donker en G. Smit, Slachtoffers vrouwenhandel verdienen meer bescherming.
Algemeen Politieblad 139 (1990), blz. 344-348. De opvatting van Donker en Smit is
bestreden door C.J. van Bavel en R.P.G.L.M. Verbunt, Slachtoffer/getuige in zedenzaken
en verhoor ter zitting, NJB 1990, blz. 1399-1404.
19) Zie J. Jans en J. Oost, Kinderen horen met video wordt landelijk ingevoerd, Algemeen
Politieblad 139 (1990), blz. 470-472, en A.D. Reiling en J. Westdorp, Anatomisch correcte
poppen zijn geen bewijsmiddel! NJB 1990, blz. 744-748.
20) Volgens HR 17 oktober 1989, DD 90 079 geeft een dergelijke beslissing geen blijk van
schending van enig beginsel van behoorlijke procesorde.
21) Zie Herziening van het gerechtelijk vooronderzoek. Commentaar van de NVvR-
werkgroep 'Herziening gerechtelijk vooronderzoek' op het rapport van de commissie-
Moons, Trema special 1991, nr. 3, blz. 29-30.
22) Uit het onderzoek van het WODC, Het gerechtelijk vooronderzoek in woord en daad,
blz. 52, blijkt dat alle rechters-commissarissen met de officier van justitie overleg plegen
alvorens tot sluiting over te gaan. In enkele arrondissementen gebeurt dit zelfs door middel
van een briefje. Met de raadsman wordt over de voorgenomen sluiting evenwel niet altijd
overleg gepleegd.
23) Zie hiertoe C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel Recht, 1990, blz. 394.
24) Kamerstukken II, zitting 1989/90, 21 327, nr. 2.
25) Zie daartoe HR 9 januari 1990, DD 90 182, Advocatenblad 70(1990), blz. 115-118.
26) Zie hiertoe HR 20 maart 1984, NJ 1984, 547 m.nt. Th.W. van Veen.