|
MEMORIE VAN
TOELICHTING |
LET OP: U kunt zoeken in onderstaande tekst door eest met de cursor te klikken in deze tekst en vervolgens gelijktijdig de knoppen Ctrl + F in te toetsen!
Partiële wijziging van het Wetboek van Strafvordering (herziening van het
gerechtelijk vooronderzoek)
Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING
INHOUDSOPGAVE
1. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
Het wetsvoorstel strekt ertoe het gerechtelijk vooronderzoek te stroomlijnen
en te
moderniseren en in overeenstemming te brengen met de eisen die vanuit de
praktijk en
door het bepaalde in de Grondwet en de internationale verdragen op het gebied
van de
rechten van de mens worden gesteld. Overeenkomstig het voorstel van de Commissie
herijking Wetboek van Strafvordering (Commissie-Moons) blijft de opzet van het gerechtelijk vooronderzoek ongewijzigd. De kern van het wetsvoorstel wordt hier
in het kort weergegeven.
Inbeslagneming en doorzoeking
De wettelijke regeling van de bevoegdheden ter inbeslagneming van de politie,
de officier van justitie en de rechter-commissaris wordt in het voorstel grotendeels
herzien.
Aan de opsporingsambtenaar wordt een algemene bevoegdheid tot het betreden van plaatsen alsmede een algemene inbeslagnemingsbevoegdheid verschaft. De term
huiszoeking wordt vervangen door de term «doorzoeking». In geval van het
doorzoeken
van een woning of het kantoor van een geheimhouder is de rechter-commissaris de
centrale autoriteit. De doorzoeking is niet losgekoppeld van het gerechtelijk
vooronderzoek.
De officier van justitie of de hulpofficier kan in geval van spoed een
doorzoeking verrichten.
Hiervoor is de machtiging van de rechter-commissaris vereist. Er bestaat geen
onderscheid
meer tussen de regeling van de spoeddoorzoeking tijdens het gerechtelijk
vooronderzoek en
buiten het gerechtelijk vooronderzoek. Bij het doorzoeken van andere plaatsen
dan een
woning, waaronder ook banken, kantoren en bedrijven, is de officier van justitie
de centrale
autoriteit. De hulpofficier kan in geval van spoed een doorzoeking van deze
plaatsen
verrichten. Hij heeft daartoe de machtiging van de officier van justitie nodig.
De
opsporingsambtenaar kan in afwachting van de rechter-commissaris of de
(hulp)officier van
justitie de situatie «bevriezen».
Een gewone opsporingsambtenaar kan een vervoermiddel doorzoeken alsmede bevelen
dat
een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp aan hem wordt uitgeleverd.
De bevoegdheden van de officier van justitie, de hulpofficier en de gewone
opsporingsambtenaar ter inbeslagneming kunnen alleen uitgeoefend worden in geval
van
ontdekking op heterdaad of in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor
voorlopige
hechtenis is toegelaten.
Telefoontap
De telefoontap is losgekoppeld van het gerechtelijk vooronderzoek. De
geldigheidsduur van
de door de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie bevolen
telefoontap
is aan een maximum van vier weken gebonden. Het bevel kan met eenzelfde periode
worden verlengd. De in de wet ten aanzien van een telefoontap gestelde
voorwaarden zijn
aangescherpt. Na de beëindiging van de telefoontap moet aan de houder van een
niet voor
het publiek toegankelijke telefoonaansluiting en aan de verdachte, zodra het
belang van het
strafrechtelijk onderzoek dat toelaat, worden medegedeeld dat en over welke
periode is
afgeluisterd. De processen-verbaal en de geluidsbanden die door de officier van
justitie niet
bij de processtukken zijn gevoegd, omdat hij deze niet voor het onderzoek in de
zaak van
betekenis acht, dienen door de rechter-commissaris te worden bewaard en ter
beschikking
van het onderzoek gehouden. De officier van justitie kan naderhand altijd nog
van deze
processen-verbaal en geluidsbanden kennis nemen. Deze bevoegdheid komt noch de
verdachte noch diens raadsman toe. Zij kunnen wel de rechter-commissaris
verzoeken na
te gaan of bepaalde processen-verbaal of geluidsbanden niet met het oog op een
behoorlijke verdediging van de verdachte bij de processtukken moeten worden
gevoegd. De
rechter-commissaris dient dit verzoek in te willigen, indien hij alsnog tot het
oordeel is
gekomen dat de desbetreffende processen-verbaal of geluidsbanden voor het
onderzoek in
de zaak, waarbij ook het verdedigingsbelang in ogenschouw moet worden genomen,
van
betekenis zijn.
Op vordering van de officier van justitie kan de rechter-commissaris ten aanzien
van
bepaalde processen-verbaal of andere voorwerpen. die gegevens bevatten als
gevolg van
het onderzoek van telefoongesprekken vrijstelling van vernietiging verlenen ten
einde deze
processen-verbaal of andere voorwerpen tot het bewijs te kunnen doen medewerken
van
een ander begaan of nog te begaan ernstig misdrijf.
Overige voorstellen
De procedure inzake de sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek wordt
vereenvoudigd.
De koppeling van een vordering tot het instellen van een gerechtelijk
vooronderzoek aan de
uitoefening van bepaalde bevoegdheden door de (hulp)officier van justitie wordt
afgeschaft.
Ook het verlof of de machtiging van de rechtbank vooraf met het oog op de
toepassing van
bepaalde dwangmiddelen door de rechter-commissaris, zoals de doorzoeking, komt
te
vervallen. De mogelijkheden voor de rechter-commissaris om getuigen te beëdigen
worden
verruimd. Een beëdiging of aanmaning kan tevens plaatsvinden ingeval de
rechter-
commissaris deze in verband met de betrouwbaarheid van de verklaring van de
getuige
nodig acht. Ook indien gegrond vermoeden bestaat dat de gezondheidstoestand van
de
getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting ernstig in
gevaar wordt
gebracht. dient de rechter-commissaris de officier van justitie, de verdachte
(en diens
raadsman) tot bijwoning van het verhoor uit te nodigen. De verklaring van de
getuige zal in
dat geval, mits ter terechtzitting voorgelezen, als aldaar afgelegd kunnen
worden
aangemerkt. De officier van justitie en de hulpofficier krijgen een algemene
bevoegdheid tot
het houden van een schouw. Aan de (hulp)officier van justitie wordt voorts een
bevoegdheid tot het bevelen van een onderzoek door vaste gerechtelijke
deskundigen
verschaft. Dit onderzoek kan zowel een technisch onderzoek als een onderzoek
naar de
persoonlijkheid van de verdachte omvatten. De bevoegdheid van de hulpofficier
tot het
gelasten van een onderzoek door vaste gerechtelijke deskundigen blijft beperkt
tot de
zuiver technische onderzoeken.
2. Voorbereiding van het wetsvoorstel
In oktober 1987 hebben de Procureurs-Generaal bij de Gerechtshoven de
vergadering van
resac-voorzitters verzocht een onderzoek te verrichten naar knelpunten in de
praktische
toepassing van het Wetboek van Strafvordering. Het door de vergadering van resac-
voorzitters op 23 maart 1988 uitgebracht verslag bevat een reeks aanbevelingen,
met
name over de structuur en het functioneren van het gerechtelijk vooronderzoek.
De
vergadering constateert dat «het zaak is het gehele gerechtelijk vooronderzoek
en de taak
van de rechter-commissaris daarin, aan de eisen des tijds aan te passen». In
het bijzonder
wijst de vergadering op de regeling van de huiszoeking en de ingewikkelde
sluitingsprocedure. Gelet op de problemen waartoe de regeling van het
gerechtelijk
vooronderzoek aanleiding geeft, bepleit zij, behalve een vereenvoudiging van
deze regeling,
het aantal gevallen waarin het gerechtelijk vooronderzoek moet worden ingesteld,
drastisch
te beperken. Ook als we de literatuur van de afgelopen jaren bezien, moeten we
constateren dat het gerechtelijk vooronderzoek geen rustig bezit meer is en
openlijk twijfel
wordt geuit omtrent de wenselijkheid van het voortbestaan van een vooronderzoek
onder
leiding van een rechter-commissaris.
Bij besluit van 13 september 1988 (Stcrt. 1988, 199) heeft mijn ambtsvoorganger
de
Commissie herijking Wetboek van Strafvordering (verder te noemen: de commissie)
onder
het voorzitterschap van mr. Ch.M.J.A. Moons, oud-president van de Hoge Raad der
Nederlanden, ingesteld. Ingevolge dit besluit kreeg de commissie onder meer als
taak de
Minister van Justitie van advies te dienen over de volgende vraag: behoeft de
regeling in
het Wetboek van Strafvordering inzake het gerechtelijk vooronderzoek wijziging,
in het
bijzonder wat betreft het aantal gevallen waarin thans instelling daarvan
voorwaarde is
voor toekenning aan het openbaar ministerie van de bevoegdheid om bepaalde
handelingen
te verrichten? De commissie diende volgens deze taakopdracht, indien zij van
oordeel zou
zijn dat het Wetboek van Strafvordering op een of meer van genoemde onderdelen
moest
worden gewijzigd of aangevuld, voorstellen tot een dergelijke wijziging of
aanvulling te
formuleren.
Bij besluit van 13 januari 1990 (Stcrt. 1990, 190) heb ik de taakomschrijving
van de
commissie gewijzigd in die zin dat de commissie thans tot taak heeft de Minister
van
Justitie van advies te dienen over de vraag of bepaalde, door de Minister van
Justitie nader
aan te wijzen, onderdelen van het Wetboek van Strafvordering moeten worden
herijkt.
Op 5 september 1990 heeft de commissie voorstellen gedaan over de herziening van
het
gerechtelijk vooronderzoek. Uit haar rapport blijkt dat de commissie de haar
gestelde vraag
diepgaand heeft bestudeerd en belangrijke voorstellen omtrent de herziening van
het
gerechtelijk vooronderzoek heeft gedaan. Ik maak hier graag van de gelegenheid
gebruik de
leden van de commissie nogmaals dank te zeggen voor de door hen verrichte
werkzaamheden. Het rapport van de commissie bevat dan ook belangrijke
achtergrondinformatie over het wetsvoorstel. Deze memorie van toelichting kan in
vergelijking met het advies van de commissie kort worden gehouden, al vereist
een
deugdelijke motivering van de diverse bepalingen nog altijd vrij wat ruimte.
De voorstellen van de commissie zijn voor advies voorgelegd aan: de Hoge Raad
der
Nederlanden, het Parket bij de Hoge Raad der Nederlanden, de Procureurs-Generaal
bij de
Gerechtshoven, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de Nederlandse Orde
van
Advocaten, de Centrale Politie Recherchecommissie en de Recherche
Adviescommissie.
In april 1991 heeft de commissie nog een nader advies uitgebracht omtrent de
regeling van
het onderzoek van telefoongesprekken in het Wetboek van Strafvordering naar
aanleiding
van de arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de mens van 24 april
1990 in
de zaken Kruslin en Huvig. Twee onderdelen van het gerechtelijk vooronderzoek
blijven in
het onderhavige wetsvoorstel buiten beschouwing, omdat deze thans nog bij de
commissie
in studie zijn, te weten het onderzoek aan het lichaam (art. 195 Sv) 1) en de
bijstand van
de tolk (art. 191 Sv). In een later stadium zullen omtrent deze onderwerpen
separate
wetsvoorstellen worden ingediend.
De voorstellen van de commissie tot wijziging van de artikelen 196 tot en met
198 en
509g Sv zijn opgenomen in een ander wetsvoorstel, houdende enkele wijzigingen
van het
Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Beginselenwet
gevangeniswezen omtrent de terbeschikkingstelling of de observatie. Dit
wetsvoorstel is
thans voor advies aan de Raad van State aangeboden.
Intussen is ook het onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en
Documentatiecentrum van mijn departement over het functioneren van het
gerechtelijk
vooronderzoek gereed gekomen 2). Op verschillende plaatsen in deze memorie zal
naar de
uitkomsten van dit onderzoek worden verwezen.
3. Handhaving of afschaffing van het gerechtelijk vooronderzoek: Het
standpunt van de
commissie
De commissie heeft geopteerd voor handhaving van het gerechtelijk vooronderzoek
en de
invoering van een tweetal mini-instructies die van het gerechtelijk
vooronderzoek
losgekoppeld zijn, te weten een bijzondere mini-instructie op vordering van het
openbaar
ministerie (het afluisteren of opnemen van telefoongesprekken), en een algemene
mini-
instructie op verzoek van de verdachte.
De overwegingen van de commissie voor handhaving van het gerechtelijk
vooronderzoek
zijn de volgende.
In de eerste plaats waarborgt een gerechtelijk vooronderzoek onder leiding van
de rechter-
commissaris niet alleen een «fair» en onpartijdig vooronderzoek doch biedt
voorts de
meeste garantie dat het onderzoek ter terechtzitting zijn verificatieve en
tevens doelmatige
karakter kan behouden, zonder dat tegelijkertijd afbreuk wordt gedaan aan de «fairness»
van het onderzoek ter terechtzitting zelve.
In de tweede plaats kan het in bepaalde strafzaken gewenst zijn dat het
vooronderzoek
deels onder leiding van een onafhankelijke rechter plaatsvindt gelet op mogelijk
verstrengelde belangen, zoals bij de vervolging van overheidsfunctionarissen.
In de derde plaats hecht de commissie eraan dat de tussenkomst van de rechter-
commissaris bij het toepassen van ingrijpende dwangmiddelen, zoals de
huiszoeking, niet
beperkt blijft tot het verstrekken van een machtiging daarvoor. Bij dergelijke
dwangmiddelen gaat het er vooral om dat de uitvoering daarvan op rechtmatige
wijze
geschiedt. Zulks vergroot het rechtsgehalte van inbreuken op fundamentele
rechten van
individuele burgers. Waar de rechter-commissaris zelf rechtstreeks
onderzoekshandelingen
verricht, geschiedt dat met het oogmerk een aan zijn rechtersambt ontleende
extra
waarborg van zorgvuldigheid en onkreukbaarheid te verkrijgen.
In de vierde plaats is, gegeven de noodzaak van een rechterlijke tussenkomst als
hiervoor
vermeld bij de toepassing van ingrijpende dwangmiddelen, een centralisering van
het
onderzoek om redenen van efficiency gewenst. Behalve dat het belasten van één
instantie
met de toepassing van ingrijpende dwangmiddelen efficiënt en tijdsbesparend is,
is van
belang dat deze instantie het overzicht over het gehele onderzoek behoudt en
ervoor kan
waken dat bij de toepassing van dwangmiddelen algemene beginselen van
strafprocesrecht
in acht genomen worden.
In de vijfde plaats acht de commissie handhaving van het gerechtelijk
vooronderzoek
verantwoord, omdat een aantal belangrijke knelpunten inzake het functioneren van
het
gerechtelijk vooronderzoek, te weten de sluitingsprocedure, de koppeling van de
uitoefening van bepaalde bevoegdheden van de officier van justitie aan de
voorwaarde dat
een gerechtelijk vooronderzoek wordt ingesteld en het vereiste van verlof of
machtiging
door de rechtbank voor toepassing van bepaalde dwangmiddelen door de rechter-
commissaris, in de voorstellen van de commissie wordt weggenomen.
Deze overwegingen geven deels ook de bezwaren weer die de commissie aanvoert
tegen
een stelsel van mini-instructies. De argumenten pro handhaving van het
gerechtelijk
vooronderzoek zijn deels dezelfde argumenten contra invoering van een stelsel
van mini-
instructies.
4. De mini-instructie op verzoek van de verdachte
4.1. Het voorstel van de commissie
De verdachte, jegens wie door of vanwege de Staat een handeling is verricht,
waaraan hij
in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een
bepaald feit in
Nederland een vervolging zal worden ingesteld, wordt in het door de commissie
voorgestelde artikel 36a het recht verleend de rechter-commissaris te verzoeken
bepaalde
onderzoekshandelingen te verrichten.
Kort samengevat voert de commissie met betrekking tot haar voorstel de volgende
argumenten aan:
a. het is voor iedere zich in voorlopige hechtenis bevindende verdachte van
belang om
wijziging te brengen in de feitelijke grondslag van de «ernstige bezwaren» ten
einde aldus
zijn invrijheidstelling te bespoedigen;
b. de blijkens de geschiedenis van de totstandkoming aangevoerde argumenten om
aan
de zich in voorlopige hechtenis bevindende verdachten het recht te verlenen de
rechter-
commissaris te verzoeken een gerechtelijk vooronderzoek in te stellen gelden
evenzeer voor
de zich niet in voorlopige hechtenis bevindende verdachte, al kunnen ze vanwege
de
voorlopige hechtenis wet dwingender zijn;
c. een weigering van de officier van justitie om een gerechtelijk vooronderzoek
te
vorderen en daarmede de verdachte in de gelegenheid te stellen met behulp van de
rechter-
commissaris ontlastend materiaal te verzamelen kan onder omstandigheden tot
gevolg
hebben dat niet voldaan is aan het in artikel 6 EVRM gestelde vereiste van een
eerlijk
proces;
d. een wettelijke regeling die ook de verdachte de mogelijkheid geeft een
gerechtelijk
vooronderzoek uit te lokken, geeft het gerechtelijk vooronderzoek een meer
contradictoir
karakter en komt ten goede aan de onpartijdige positie van de
rechter-commissaris.
4.2. De tegen de voorstellen naar voren gebrachte bezwaren
Tegen genoemd voorstel, dat betrekking heeft op de fase van het
opsporingsonderzoek zijn
in het bijzonder door de Centrale Politie Recherche Commissie, de Recherche
Adviescommissie en de Vergadering van Procureurs-Generaal zwaarwegende bezwaren
aangevoerd. Zo is de Vergadering van Procureurs-Generaal bij de Gerechtshoven
van
mening dat de voorgestelde artikelen 36a-36f niet zouden behoren te worden
ingevoerd,
ook niet in een aangepaste vorm. Door de introductie van het nieuwe artikel 36a
wordt - zo
stelt de Vergadering - vooral de opsporing in zaken tegen professionele, zich op
hun
zwijgrecht beroepende wetsovertreders (vaak reeds ook tevoren al bijgestaan door
diverse
(juridische) adviseurs) bemoeilijkt. Per jaar worden er wellicht een paar
honderd grote en
mogelijk geruchtmakende zaken behandeld. Juist in die zaken zal volgens de
Vergadering
een maximaal beroep op toegekende rechten worden gedaan. De Vergadering is van
oordeel dat, anders dan beoogd, de voorgestelde regeling de kans op complicaties
niet
heeft verminderd, eerder heeft vergroot. De Centrale Politie Recherchecommissie
en de
Rechercheadviescommissie wijzen erop dat de politie ten gevolge van het voorstel
van de
commissie genoodzaakt kan worden om in een te vroeg stadium onderzoeksresultaten
prijs
te geven, hetgeen zeer nadelig voor het verdere onderzoek kan zijn. Het bestuur
van de
Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak onderschrijft nadrukkelijk de vrees van
de
werkgroep, die het advies van de Vereniging heeft voorbereid, dat de
voorgestelde regeling
van artikel 36a Sv in zich bergt dat het misbruik dat werd gemaakt van de
vroegere
procedure inzake het bezwaarschrift tegen de dagvaarding in een nieuwe gedaante
kan
herleven. De regeling van het onderzoek, voorgesteld in het nieuwe artikel 36a
e.v., doet
volgens de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad en de Strafkamer van de Hoge Raad
vrezen dat zij aanleiding zal geven tot verzwaring van de werklast van de
rechter-
commissaris en tot andere praktische problemen.
4.3. Geen invoering van een mini-instructie op verzoek van de verdachte
Zoals de commissie zelf in haar rapport erkent (blz. 69), past de door de
commissie
voorgestelde regeling, zoals vervat in de artikelen 36a tot en met 36f, niet in
het bestaande
systeem van het Wetboek van Strafvordering in die zin dat de rechter-commissaris
onderzoekshandelingen kan verrichten zonder dat er sprake is van een formele
inbeschuldigingstelling. Pas door een formele inbeschuldigingstelling (i.c. de
vordering tot
inbewaringstelling of de vordering tot instelling van een gerechtelijk
vooronderzoek) vangt
in ons recht de vervolging aan.
Dit voorstel van de commissie raakt een kerntaak van het openbaar ministerie, te
weten
het nemen van de beslissing op welk moment en ter zake van welk feit en tegen
welke
verdachte een vervolging zal worden ingesteld, en brengt een wezenlijke
verandering in de
verhouding tussen de officier van justitie en de rechter-commissaris teweeg.
Volgens ons
strafvorderlijk systeem is de rechter-commissaris immers alleen bevoegd
onderzoekshandelingen te verrichten binnen het kader van de door het openbaar
ministerie
opgestelde inbeschuldigingstelling. Hij verricht onderzoek ter zake van feiten
die het
openbaar ministerie in een formele inbeschuldigingstelling heeft omschreven.
De formele inbeschuldigingstelling vervult in ons recht een tweetal functies. In
de eerste
plaats geeft de inbeschuldigingstelling het kader aan waarbinnen het onderzoek
door de
rechter naar de objectieve waarheid - het gerechtelijk vooronderzoek door de
rechter-
commissaris en het onderzoek op de terechtzitting - mag plaatsvinden. Het
opportuniteitsbeginsel (het beginsel dat op gronden aan het algemeen belang
ontleend van
vervolging kan worden afgezien) en het monopoliebeginsel (het beginsel dat de
vervolging
van strafbare feiten uitsluitend is voorbehouden aan organen van de staat)
kunnen ieder als
een uitvloeisel van de centrale plaats die het openbaar ministerie bij de
strafrechtelijke
rechtshandhaving speelt worden beschouwd. De formele inbeschuldigingstelling
markeert
dus het object van onderzoek. In de tweede plaats heeft de
inbeschuldigingstelling een
burgerbeschermende functie in die zin dat zij de verdachte kenbaar maakt waarop
hij zijn
verdediging dient te richten. Door de formele inbeschuldigingstelling wordt het
openbaar
ministerie partij in het strafproces 3) en is de verdachte diegene die object
van vervolging is
(zie art. 27, tweede lid, Sv).
In het voorstel van de commissie mist de rechter-commissaris het houvast van de
formele
inbeschuldigingstelling en dient de rechter-commissaris uit de hem ter
beschikking staande
feiten en omstandigheden zelf eerst een inbeschuldigingstelling te construeren
alvorens te
kunnen beoordelen of de door de verdachte verzochte onderzoekshandeling met het
oog op
een behoorlijke verdediging tegen die inbeschuldigingstelling noodzakelijk is.
Zoals de
commissie reeds in haar rapport heeft aangegeven, bestaat tussen de officier van
justitie
enerzijds en de rechter-commissaris anderzijds geen gezagsrelatie en wordt van
hen
verwacht dat zij met respect voor elkaars verantwoordelijkheden hun taken
uitoefenen (blz.
79). Het gevaar dreigt dat er tussen de officier van justitie en de
rechter-commissaris
regelmatig conflicten ontstaan. Het openbaar ministerie is immers vanuit zijn
rechtshandhavende taak primair zaaksgericht bezig en legt zijn kaarten pas op
tafel
wanneer de vervolging als rechtshandhavingsinstrument voor gebruik geschikt is,
terwijl de
rechter-commissaris vanuit een door hem geconstrueerde inbeschuldigingstelling
primair
persoonsgericht bezig is en onderzoekt of de verdedigingsbelangen van de
verdachte tot
een ingrijpen van zijn kant nopen en zodoende bewust of onbewust het onderzoek
in de
zaak kan belemmeren. Het gevaar bestaat dat sommige verdachten de door de
commissie
voorgestelde verzoekschriftprocedure uitsluitend of in hoofdzaak zullen
gebruiken om
informatie te verkrijgen omtrent een tegen hem of zijn medeverdachten lopend
opsporingsonderzoek. De kans op een oneigenlijk gebruik van de
verzoekschriftprocedure
en de negatieve effecten daarvan op het opsporingsonderzoek acht ik te groot.
Ik ben voorts van oordeel dat het door de commissie voorgestelde criterium in de
praktijk
tot allerlei discussies met de rechter-commissaris aanleiding kan geven omtrent
de vraag of
de verzoeker als een verdachte kan worden aangemerkt en of hij voorts voldoende
feiten
en omstandigheden heeft aangedragen, waaruit kan worden afgeleid dat door of
vanwege
de Staat een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting
kan ontlenen
dat tegen hem ter zake van een bepaald feit een vervolging zal worden ingesteld.
Voorkomen moet voorts worden dat iedere potentiële verdachte maar in het wilde
weg
verzoeken indient ten einde te achterhalen of tegen hem een opsporingsonderzoek
gaande
is. Hierdoor kan niet alleen het opsporingsonderzoek in de zaak tegen betrokkene
doch ook
het opsporingsonderzoek in de andere zaken in gevaar worden gebracht. Het een en
ander
kan ten slotte tot een onaanvaardbare verzwaring van de werklast van de rechter-
commissaris leiden.
Ik ben mij ervan bewust dat volgens de vaste rechtspraak van het EHRM 4) sprake
is van
een «criminal charge» als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM vanaf het
moment waarop
de situatie van de betrokkene in wezenlijk wordt beïnvloed door de expliciete
of impliciete
beschuldiging van een strafbaar feit. Het EHRM hanteert derhalve een materieel
vervolgingsbegrip. Ik stel evenwel tevens vast dat deze rechtspraak vooral met
betrekking
tot het beginpunt van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid,
EVRM tot
ontwikkeling is gekomen. Uit de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot
artikel 6
EVRM valt geenszins af te leiden dat de verdachte vanaf het moment dat er sprake
is van
een «criminal charge» het recht zou moeten worden verleend om aan een
rechterlijke
instantie te verzoeken ten behoeve van de verdediging onderzoekshandelingen te
verrichten.
Men mag er - gelet op de positie die de officier van justitie in ons
strafvorderlijk bestel
bekleedt - van uitgaan dat de officier van justitie, indien hem een met redenen
omkleed
verzoek van de verdachte of diens raadsman om een vordering tot instelling van
een
gerechtelijk vooronderzoek te doen ten einde door de rechter-commissaris ten
behoeve van
de verdediging een onderzoekshandeling te verrichten bereikt, na een zorgvuldige
afweging
van alle in aanmerking komende belangen - het opsporingsbelang, het
verdedigingsbelang
en het belang van de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn - daarop
zal
beslissen. Een onredelijke weigering van de officier van justitie om aan een
dergelijk
verzoek te voldoen kan later tijdens het onderzoek op de terechtzitting ter
toetsing komen
voor zover ten minste de verdediging stelt dat de verdachte ten gevolge van deze
weigering geen eerlijk proces heeft gehad.
Gelet op het vorenstaande ben ik van oordeel dat de verdachte zich pas in het
geval dat er
sprake is van een formele inbeschuldigingstelling tot de rechter-commissaris
moet kunnen
wenden met het verzoek ten behoeve van de verdediging een onderzoekshandeling te
(doen) verrichten. Ik stel mitsdien voor artikel 184, tweede lid, in zoverre te
wijzigen dat de
rechter-commissaris, indien ten aanzien van de verdachte een bevel tot
voorlopige
hechtenis is gegeven, ambtshalve of op het verzoek van de verdachte een
gerechtelijk
vooronderzoek kan instellen ten aanzien van het feit waarvoor de voorlopige
hechtenis is
bevolen, zolang ten minste het bevel tot voorlopige hechtenis niet is opgeheven
en de
officier van justitie nog geen dagvaarding of, indien deze is ingetrokken, geen
nieuwe
dagvaarding ter betekening aan de verdachte heeft doen uitgaan.
5. De regeling van de parallelle en opgedragen opsporing
Van de zijde van de politie en het openbaar ministerie zijn soortgelijke
bezwaren naar voren
gebracht ter zake van de door de commissie voorgestelde regeling van de
parallelle
opsporing.
De commissie stelt een nieuw artikel 177a voor waarin de officier van justitie
wordt
verplicht om, ingeval ter zake van een feit waarop een gerechtelijk
vooronderzoek
betrekking heeft, zorg te dragen dat de rechter-commissaris hieromtrent ten
spoedigste
wordt ingelicht en aan hem de desbetreffende processtukken worden toegezonden.
Ingeval
ter zake van een feit waarop een gerechtelijk vooronderzoek betrekking heeft, de
verdachte
of een andere persoon door de politie wordt verhoord, dient krachtens het door
de
commissie voorgestelde artikel 177b het verhoor van de verdachte of een andere
persoon
zoveel mogelijk onder dezelfde condities plaats te vinden als het verhoor door
de rechter-
commissaris.
Kort samengevat voert de commissie met betrekking tot haar voorstel de volgende
argumenten aan. Naar het oordeel van de commissie valt thans een tendens waar te
nemen
waarbij met betrekking tot strafbare feiten ter zake waarvan een gerechtelijk
vooronderzoek
is ingesteld het accent tijdens het gerechtelijk vooronderzoek steeds meer
verschuift naar
de parallelle opsporing. In de zienswijze van de commissie is deze praktijk
alleen dan
aanvaardbaar zolang zulks niet ten koste gaat van de leidinggevende positie van
de rechter-
commissaris en de rechtspositie van de verdachte en diens raadsman tijdens het
gerechtelijk vooronderzoek. De rechter-commissaris dient volledig op de hoogte
te zijn van
de gang van zaken tijdens de parallelle opsporing. De commissie stelt zich
voorts op het
standpunt dat, ingeval verdachten of andere personen door opsporingsambtenaren
ter zake
van een feit waarop een gerechtelijk vooronderzoek betrekking heeft worden
verhoord,
deze personen in dezelfde positie dienen te verkeren als zij zouden zijn indien
zij door de
rechter-commissaris zouden zijn verhoord. De continuering van het
opsporingsonderzoek
tijdens het gerechtelijk vooronderzoek mag er niet toe leiden dat de
rechtspositie van de
betrokkenen tijdens het verhoor wordt verzwakt.
De zelfstandige voortzetting van het opsporingsonderzoek onder leiding van de
officier van
justitie tijdens het gerechtelijk vooronderzoek is langzamerhand in de praktijk
gegroeid en is
thans algemeen aanvaard 5).
Het Wetboek van Strafvordering bevat geen verplichting van de officier van
justitie om de
rechter-commissaris in te lichten over de resultaten van het opsporingsonderzoek
tijdens
het gerechtelijk vooronderzoek en hem de daarbij behorende bescheiden over te
leggen.
Van de officier van justitie wordt verwacht dat hij met respect voor de
verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris het parallelle
opsporingsonderzoek
verricht en de rechter-commissaris zo spoedig als het belang van het onderzoek
dat toelaat
op de hoogte stelt van de resultaten daarvan en hem de desbetreffende stukken
overhandigt. Het voorgestelde artikel 177a verplicht de officier van justitie
hiertoe. Het
door de commissie voorgestelde artikel 177b heb ik echter niet overgenomen. Dit
artikel
noemt behalve de verdachte nog «andere personen», waaronder behalve getuigen
ook
medeverdachten tevens getuigen in dezelfde zaak moeten worden begrepen. Gegronde
vrees bestaat dat bij voorbeeld in het geval dat medeverdachten als getuigen
worden
verhoord deze verhoren ernstig bemoeilijkt zullen worden door de aanwezigheid
van een of
meer in beginsel tot deze verhoren toe te laten raadslieden van de verdachten.
De naleving
van het voorgestelde artikel 177b kan naderhand op de terechtzitting tot
allerlei discussies
aanleiding geven, waarbij de betrokken politiefunctionarissen eventueel ter
zitting als
getuigen moeten worden verhoord, hetgeen weer tot aanzienlijke vertraging van
het
onderzoek op de terechtzitting kan leiden. Voorts vraag ik mij af of van de
politie tijdens de
parallelle opsporing in redelijkheid kan worden gevergd dat zij zich steeds
realiseert of er bij
een bepaald verhoor sprake is van een feit waarop een gerechtelijk vooronderzoek
betrekking heeft en welke handelwijze vervolgens van haar wordt verwacht. Deze
formulering biedt de politie te weinig houvast. De Raad van State deelt mijn
bezwaren
terzake. Voorts ben ik van oordeel dat in dezen aan de verdachte geen verdere
bescherming behoeft te worden geboden dan thans door de Hoge Raad wordt geëist.
De
vraag of en wanneer de officier van justitie bevoegd is het opsporingsonderzoek
zelfstandig
voort te zetten zonder de rechter-commissaris erbij te betrekken kan in de regel
pas
achteraf na kennisneming van de omstandigheden van het geval goed worden
beoordeeld.
De toetsing door de rechter achteraf aan de hand van ongeschreven beginselen van
een
behoorlijke procesvoering acht ik met het oog op de bescherming van de verdachte
toereikend. Blijkens HR 2 juni 1987, NJ 1988, 180 was de Hoge Raad van oordeel
dat het
Hof, oordelende dat nu er in casu geen sprake was van een bewust vermijden door
de
officier van justitie van het gerechtelijk vooronderzoek met betrekking tot
feiten waarvan
na het verhoor door de rechter-commissaris aangifte was gedaan, een juiste
maatstaf had
aangelegd. Bij de parallelle opsporing is er ten aanzien van de verdachte -
anders dan in
geval van toepassing van de door de commissie voorgestelde artikelen 36a-36f -
weliswaar
sprake van een formele inbeschuldigingstelling doch deze ontbreekt nu juist ten
aanzien
van de andere bij het desbetreffende strafbare feit betrokken personen.
Als zou komen vast te staan dat de verdediging door de wijze waarop de officier
van
justitie tijdens de parallelle opsporing bepaald bewijsmateriaal heeft verzameld
of het
tijdstip waarop hij deze informatie aan de rechter-commissaris heeft verstrekt
in haar
belangen is geschaad, doen zich twee mogelijkheden voor. Of de
rechter-commissaris
herstelt het verzuim, zoals artikel 199, eerste lid, Sv voorschrijft, hetzij
door gebruikmaking
van de hem krachtens het bepaalde in artikel 177, eerste lid, Sv toekomende
bevoegdheid,
hetzij door de desbetreffende onderzoekshandeling zelf opnieuw te verrichten. Of
op de
terechtzitting wordt onderzocht of en zo ja welke processuele gevolgen daaraan
dienen te
worden verbonden.
Het voorgaande heeft geen betrekking op de opgedragen opsporing, dat is het
opsporingsonderzoek dat op de voet van het bepaalde in artikel 177, eerste lid,
Sv door de
politie wordt verricht. Een wettelijke regeling van de aanwezigheid van de
raadsman bij de
door de rechter-commissaris opgedragen politieverhoren acht ik niet opportuun.
Genoemd
artikel bevat de bevoegdheid de politie «bevelen te geven». Deze bevelen
kunnen ook
betrekking hebben op de aanwezigheid van de raadsman tijdens de opgedragen
verhoren.
Als de rechter-commissaris reden heeft om aan te nemen dat het opgedragen
verhoor
zonder de vereiste processuele waarborgen zal plaatsvinden, zal hij het
desbetreffende
verhoor aan zich moeten houden.
Gelet op het vorenstaande ben ik van oordeel dat het door de commissie
voorgestelde
artikel 177b niet in het Wetboek van Strafvordering moet worden opgenomen.
6. De herijking van de aan de rechter-commissaris toekomende
strafvorderlijke
bevoegdheden
De hoofdlijnen van het door de commissie ontworpen stelsel van bevoegdheden
ter
inbeslagneming en ter betreding van plaatsen in het Wetboek van Strafvordering
neem ik
graag over. Ik wijs hierbij op de toebedeling aan de opsporingsambtenaar van een
zelfstandige algemene bevoegdheid ter inbeslagneming en het voor dat doel
betreden van
plaatsen, onder de beperking dat er buiten heterdaad sprake dient te zijn van
een misdrijf
als omschreven in artikel 87, eerste lid, Sv. Voorts wijs ik op de voorgestelde
regeling van
de doorzoeking en het met het oog op de toebedeling van de bevoegdheid tot
doorzoeking
gemaakte onderscheid tussen de doorzoeking van woningen en andere plaatsen. In
geval
van het doorzoeken van een woning, waarvan de toegang door de bewoner wordt
geweigerd, is de rechter-commissaris de centrale autoriteit. Bij het doorzoeken
van andere
plaatsen dan een woning, waarvan de toegang door de bewoner wordt geweigerd, is
de
officier van justitie de centrale autoriteit. Het doorzoeken van vervoermiddelen
wordt aan
een gewone opsporingsambtenaar opgedragen. In geval van een misdrijf als
omschreven in
artikel 67, eerste lid, Sv bezit een gewone opsporingsambtenaar de zelfstandige
bevoegdheid een persoon, die redelijkerwijs moet worden vermoed houder te zijn
van een
voor inbeslagneming vatbaar voorwerp, te bevelen dat hij dit ter inbeslagneming
zal
uitleveren. Ten aanzien van de voorstellen van de commissie met betrekking tot
de
spoeddoorzoeking van woningen en de doorzoeking ter aanhouding stel ik enkele
wijzigingen voor. Voorts stel ik voor ten aanzien van de kantoren van
verschoningsgerechtigden als bedoeld in artikel 218 Sv de voorschriften inzake
de
doorzoeking van woning van overeenkomstige toepassing te verklaren. De
voorstellen
zullen in paragraaf 8 per onderwerp worden toegelicht.
7. Geen koppeling van een vordering tot gerechtelijk vooronderzoek aan de
uitoefening van
bepaalde bevoegdheden door de (hulp)officier van justitie
De wetgever heeft de bevoegdheid van de officier van justitie of hulpofficier
om onder
omstandigheden, in afwachting van het optreden van de rechter-commissaris en bij
dringende noodzakelijkheid, bepaalde dwangmiddelen toe te passen of bepaalde
onderzoekshandelingen te verrichten gekoppeld aan de voorwaarde dat de officier
van
justitie een gerechtelijk vooronderzoek vordert. Te wijzen valt op de volgende
dwangmiddelen of onderzoekshandelingen:
- het bevel tot uitlevering van de pakketten, brieven, stukken en andere
berichten
welke aan de post, de telegrafie of een andere instelling zijn toevertrouwd (art.
100, eerste
lid, Sv);
- het doen van huiszoeking ter inbeslagneming op elke plaats waar het feit is
begaan
of sporen heeft achtergelaten, in de woning en in de verblijfplaats van de
verdachte en in
herbergen, koffiehuizen en openbare plaatsen (art. 97, eerste lid, aanhef en
onder 1 , Sv);
- het ter gelegenheid van een schouw elders, voor inbeslagneming vatbare
voorwerpen, voor zover deze voor de hand worden aangetroffen, in beslag nemen (art.
97,
eerste lid, aanhef en onder 2 , Sv);
- het beslag leggen op vorderingen die voor verbeurdverklaring in aanmerking
komen
(art. 94 Sv);
- het betreden van elke plaats waar de daad is begaan of sporen heeft
achtergelaten
ten einde een plaatselijke toestand of een voorwerp te schouwen (art. 151,
aanhef en
onder 1 , Sv);
- het benoemen van een of meer deskundigen (art. 151, aanhef en onder 2 , Sv).
Voormelde bevoegdheden zijn van de rechter-commissaris afgeleide bevoegdheden
die
onder een aantal stringente voorwaarden door de (hulp)officier van justitie
kunnen worden
uitgeoefend. Een van die voorwaarden is de vordering tot het instellen van een
gerechtelijk
vooronderzoek. Deze voorwaarde moet allereerst worden bezien in het licht van
een andere
in de wet gestelde voorwaarde, te weten de uitoefening van de bevoegdheid in
afwachting
van de komst van de rechter-commissaris. De wetgever veronderstelde kennelijk
dat de
betreffende onderzoekshandeling in de regel nog niet zou zijn voltooid bij de
komst van de
rechter-commissaris en de rechter-commissaris de leiding over die
onderzoekshandeling zou
overnemen. De uitoefening van deze bevoegdheden werd voorts door de wetgever als
een
inleiding tot het gerechtelijk vooronderzoek gezien 6). De praktijk heeft zich
echter in een
andere richting ontwikkeld. De vereiste spoed is meestentijds zodanig dat de
komst van de
rechter-commissaris niet kan worden afgewacht. De noodzaak tot het verrichten
van
andere onderzoekshandelingen in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek
ontbreekt in
vele gevallen.
De praktijk leert dat een groot aantal huiszoekingen buiten aanwezigheid van de
rechter-
commissaris geschiedt. Aan een effectieve controle op de rechtmatigheid van de
huiszoeking door de rechter-commissaris draagt het indienen van een vordering
tot
gerechtelijk vooronderzoek na afloop van de huiszoeking, naast het ambtsedig
proces-
verbaal als verantwoordings- en toetsingsinstrument van de rechter-commissaris,
weinig
bij. De rechter-commissaris zal hierbij immers niet op eigen waarneming kunnen
steunen.
Hooguit zal hij een nader onderzoek kunnen instellen naar beweerde
onregelmatigheden en
van zijn bevindingen verslag kunnen neerleggen in het dossier. Heeft de
huiszoeking tot
inbeslagneming geleid, dan kan de belanghebbende in het kader van een beklag
hierover op
de voet van artikel 552a Sv de onrechtmatigheid van de huiszoeking aan de orde
stellen.
Het is voorts niet uitgesloten dat de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek
door de
rechter-commissaris wordt afgewezen, omdat het betreffende dwangmiddel reeds is
toegepast of de onderzoekshandeling is voltooid, terwijl geen andere grond voor
het
instellen van het gerechtelijk vooronderzoek meer aanwezig is. De met de
indiening van de
vordering door de officier van justitie en de toetsing van die vordering door de
rechter-
commissaris gemoeide tijd had in dat geval nuttiger besteed kunnen worden. Een
afwijzing
van de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek invalideert de eerder gehouden
huiszoeking
niet.
Een officier van justitie die in het buitenland door middel van een verzoek om
rechtshulp
een huiszoeking ter inbeslagneming bewerkstelligt, blijft gebonden aan het
bepaalde in
artikel 97 Sv 7). Hij moet dus de instelling van een gerechtelijk vooronderzoek
vorderen.
Een huiszoeking ter inbeslagneming, hoe correct ook volgens de regels van het
buitenlandse recht uitgevoerd, is onrechtmatig, als de officier van justitie
nalaat de
instelling van een gerechtelijk vooronderzoek te vorderen. Dit is ook het geval
als de
officier van justitie redelijkerwijs mag aannemen dat in het kader van het door
hem
gevorderde gerechtelijk vooronderzoek geen andere onderzoekshandeling behoeft te
worden verricht. Genoemde wettelijke voorwaarde dient alsdan geen enkel redelijk
doel
meer. In navolging van de commissie stel ik voor in voorkomende gevallen deze
koppeling
uit het Wetboek van Strafvordering te halen en hetzij de uitoefening van een
bepaalde
strafvorderlijke bevoegdheid door de (hulp)officier van justitie te verbinden
aan een
voorafgaand verlof (machtiging) van de rechter-commissaris hetzij deze
bevoegdheid te
verzelfstandigen.
In de gevallen waarin een afgeleide bevoegdheid aan een voorafgaand verlof is
verbonden,
is er sprake van een situatie waarin de autoriteit aan wie de algemene
bevoegdheid
toekomt (de rechter-commissaris of de officier van justitie) niet in staat is om
de
desbetreffende bevoegdheid terstond uit te oefenen. De spoedeisendheid brengt in
dergelijke gevallen mede dat de desbetreffende bevoegdheid door de lagere
autoriteit kan
worden uitgeoefend. Zie bijv. de voorgestelde artikelen 55a, 96c, 97 en 125a. Is
de
spoedeisendheid zo groot dat ook het vragen van verlof niet kan worden afgewacht
of is
de bevoegde hogere autoriteit niet bereikbaar, dan dient de lagere autoriteit
óf het
voorgeschreven verlof na afloop van het onderzoek te vragen (zie de artt. 96c en
97) óf de
hogere autoriteit van het verrichte onderzoek op de hoogte te stellen (art.
55a).
8. Afschaffing van het verlof of de machtiging van de rechtbank vooraf
De toepassing van een aantal ingrijpende dwangmiddelen door de
rechter-commissaris is
gekoppeld aan een voorafgaand verlof of een voorafgaande machtiging van de
rechtbank.
Te wijzen valt op de huiszoeking ter inbeslagneming (art. 111, eerste lid, Sv),
de
huiszoeking ter inbeslagneming van brieven of andere geschriften die niet het
voorwerp van
het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend (art. 113,
eerste lid,
Sv) alsmede het onderzoek aan de persoon bij gebleken bezwaar van de betrokkenen
(art.
195, tweede lid, Sv).
De indruk bestaat dat een verlof of machtiging door de rechtbank vaak na een
summier
onderzoek, grotendeels aan de hand van door de rechter-commissaris verstrekte
inlichtingen, wordt verleend en dientengevolge als extra waarborg bij de
toepassing van
ingrijpende dwangmiddelen aan betekenis heeft ingeboet. Voorts wordt het verlof
tot
huiszoeking in de praktijk in zeer algemene bewoordingen omschreven. Zulks hangt
in de
eerste plaats samen met de steeds toenemende werklast van de rechtbanken. Het
karakter
van de betreffende dwangmiddelen brengt mede dat het veelal gaat om
gecompliceerde
strafzaken en omvangrijke dossiers. Voorts wordt van de rechtbank verwacht dat
zij binnen
korte tijd een beslissing neemt over de aanvraag van het verlof of de
machtiging. De
rechtbank gaat er voorts in de praktijk van uit dat de rechter-commissaris, die
volledig op
de hoogte is van alle merites van de betreffende strafzaak, niet zonder geldige
reden een
verlof of machtiging zal aanvragen. Daarmede is deze waarborg gereduceerd tot
een
formaliteit die vanwege haar vertragend effect op het verloop van het
voorbereidend
onderzoek beter kan komen te vervallen.
De regeling van het verlof van de rechtbank ter zake van een huiszoeking door de
rechter-
commissaris is bovendien niet erg consistent. Het is op zichzelf merkwaardig dat
de
rechter-commissaris wel het uiteindelijk oordeel over de opportuniteit van de
huiszoeking is
toevertrouwd, maar niet de zelfstandige beslissing over de noodzaak van dat
onderzoek.
Ten slotte dient te worden opgemerkt op dat bij een vergelijkbaar ingrijpend
dwangmiddel
als het afluisteren of opnemen van telefoongesprekken door de wetgever geen
voorafgaand
verlof van de rechtbank is voorgeschreven.
Het voorstel van de commissie om het verlof of de machtiging van de rechtbank
met het
oog op het verrichten van onderzoekshandelingen door de rechter-commissaris te
laten
vervallen neem ik daarom graag over. Een uitzondering dient te worden gemaakt
voor het
in artikel 552p Sv voorgeschreven verlof. Het verlof van de rechtbank betreft
hier vooral de
inachtneming van de bepalingen van het toepasselijke rechtshulpverdrag.
9. Toelichting per onderwerp
9.1. Inleidende opmerkingen
Na de vorenstaande toelichting op uitgangspunten en hoofdpunten van het
wetsvoorstel
kan de toelichting op de door mij voorgestelde artikelen betrekkelijk kort zijn.
Op die
plaatsen waar van de voorstellen van de commissie wordt afgeweken, zal de
toelichting
daarop uitdrukkelijk ingaan. In deze paragraaf worden de artikelen besproken die
per
onderwerp kunnen worden gegroepeerd. De overige artikelen worden, waar nodig, in
paragraaf 10 van een toelichting voorzien.
9.2. De uitbreiding van de territoriale bevoegdheden van de officier van
justitie en de
rechter-commissaris (artikelen 10 en 178a)
Het wetboek bevat verschillende voorschriften die het mogelijk maken dat een
onderzoekshandeling buiten het arrondissement wordt verricht. Krachtens de
artikelen 201,
tweede lid, 211, eerste lid, en 227, derde lid, Sv kan de rechter-commissaris
het verhoor
van de verdachte, een getuige of een deskundige overdragen aan een ambtgenoot in
een
ander arrondissement. De overdracht is hier facultatief. Artikel 112, derde lid,
bepaalt dat,
ingeval de huiszoeking moet geschieden buiten het arrondissement, de rechtbank
haar
opdraagt aan de rechter-commissaris bij de rechtbank binnen welker rechtsgebied
zij moet
plaats hebben. Artikel 194 Sv schrijft voor dat, ingeval de schouw moet
geschieden buiten
het arrondissement, de rechter-commissaris haar overdraagt aan de
rechter-commissaris bij
de rechtbank binnen welker rechtsgebied zij moet plaatshebben. De overdracht is
hier
imperatief.
Het door de commissie voorgestelde en door mij overgenomen artikel 178a schrijft
voor dat
de rechter-commissaris, indien hij bevoegd is enig onderzoek te doen, zelf
binnen het
rechtsgebied van een andere rechtbank de gewenste onderzoekshandeling kan
verrichten.
Als regel dient de rechter-commissaris in de gerechtelijke vooronderzoeken
waarover hij de
leiding heeft, zelf alle onderzoekshandelingen te verrichten. De overdracht van
onderzoekshandelingen dient uitzondering te blijven. Alleen bij dringende
noodzakelijkheid
kan de rechter-commissaris een bepaalde onderzoekshandeling aan een collega in
een
ander arrondissement overdragen. De dringende noodzakelijkheid kan bijv. gelegen
zijn in
de afstand tussen het kabinet van de rechter-commissaris en de plaats waar de
onderzoekshandeling moet worden verricht of in een tekort aan
rechter-commissarissen op
een bepaald moment of in de spoed waarmee de onderzoekshandeling dient te worden
verricht. Vooral in geval van het doorzoeken van meer woningen op één en
hetzelfde
moment is soms spoed geboden. De overdracht kan in dat geval later bij
beschikking
worden vastgelegd. De eis van dringende noodzakelijkheid noopt ook tot overleg
tussen de
betrokken rechters-commissarissen alvorens een overdracht plaatsvindt. Onder het
begrip
onderzoekshandeling valt bijv. het doorzoeken van plaatsen, waaronder een
woning, een
schouw, een verhoor van de verdachte, een getuige of deskundige en het onderzoek
aan
de persoon. De artikelen 112, derde lid, 194, 201 en 211, voor wat betreft het
verhoor
van een getuige in een ander kanton of arrondissement, kunnen alsdan komen te
vervallen.
Aldus wordt tevens tegemoet gekomen aan de wens van de rechters-commissarissen
om
bij het doorzoeken van een woning overal hier te lande te kunnen optreden. Ten
einde dit
mogelijk te maken is men er recent toe overgegaan rechters-commissarissen in
naburige
arrondissementen tot rechter-plaatsvervanger te benoemen. Op de voet van artikel
170
kunnen zij dan als rechter-commissaris optreden. Deze constructie is thans niet
meer nodig.
Het door mij voorgestelde eerste lid van artikel 178a wijkt in zoverre af van de
overeenkomstige, door de commissie voorgestelde, bepaling dat na het woord
«verrichten»
zijn toegevoegd de woorden: of doen verrichten. Ik wil hiermede tot uitdrukking
brengen
dat het hier niet uitsluitend gaat om onderzoekshandelingen die de
rechter-commissaris
persoonlijk verricht. De voorgestelde bepaling heeft ook betrekking op
onderzoekshandelingen die door de politie in opdracht van de rechter-commissaris
overeenkomstig het bepaalde in artikel 177, eerste lid, Sv worden verricht. Het
voorgestelde eerste lid van artikel 178a stelt als voorwaarde dat de
rechter-commissaris
bevoegd moet zijn tot het doen van enig onderzoek. Gezien de samenhang tussen de
artikelen 148, 149 en 168 Sv is tot het instellen van een gerechtelijk
vooronderzoek alleen
bevoegd de rechter-commissaris in de rechtbank die van het strafbare feit kennis
moet
nemen. Deze voorwaarde tracht te voorkomen dat rechters-commissarissen in andere
arrondissementen met betrekking tot zaken die niet door hen in behandeling
genomen zijn
8), onderzoekshandelingen verrichten. Blijkt achteraf dat de rechter-commissaris
onbevoegd was enig onderzoek te verrichten, dan blijft het gevoerde onderzoek
van kracht
op grond van het bepaalde in artikel 179 Sv. Deze bepaling vindt ook toepassing
in geval
van verzoeken om internationale rechtshulp.
In het voorgestelde artikel 10 worden in dezelfde zin de territoriale
bevoegdheden van de
officier van justitie uitgebreid. Als de rechter-commissaris immers buiten zijn
eigen
arrondissement moet kunnen optreden, dan moet de officier van justitie daartoe
ook in
staat gesteld kunnen worden. Het eerste lid bepaalt dat de officier van
justitie, bevoegd tot
het doen van enig onderzoek, een bepaalde onderzoekshandeling ook binnen het
rechtsgebied van een andere rechtbank dan die waarbij hij is geplaatst kan
verrichten of
doen verrichten. Ook hier geldt dat de desbetreffende onderzoekshandeling niet
door de
officier van justitie persoonlijk behoeft te worden verricht. Hij kan ook
overeenkomstig het
bepaalde in artikel 148, tweede lid, Sv aan de politie bevelen de nodige
onderzoekshandeling te verrichten. Bij dringende noodzakelijkheid kan de
officier van
justitie een bepaalde onderzoekshandeling overdragen aan zijn ambtgenoot die is
geplaatst
bij de rechtbank binnen welker rechtsgebied de onderzoekshandeling moet plaats
hebben.
De officier van justitie, bevoegd tot het bijwonen van enig onderzoek door een
rechterlijke
instantie, kan als zodanig ook binnen het rechtsgebied van een andere rechtbank
dan die
waarbij hij is geplaatst optreden, indien dit onderzoek aldaar plaatsvindt. Te
wijzen valt bij
voorbeeld op de huiszoeking en de schouw.
9.3 De toevoeging van een vervangende raadsman in geval van een beperking
van het
verkeer tussen raadsman en verdachte (artikel 50a)
Zodra de officier van justitie of de rechter-commissaris een bevel bedoeld in
artikel 50 heeft
gegeven, dient hij dit krachtens het door de commissie voorgestelde en door mij
overgenomen artikel 50a, eerste lid, onverwijld ter kennis van de voorzitter van
de
rechtbank te brengen. Deze dient vervolgens onverwijld een andere raadsman aan
de
verdachte toe te voegen. Ik neem als vanzelfsprekend aan dat de voorzitter van
de
rechtbank geen kantoorgenoot van de betrokken raadsman zal toevoegen. Het lijkt
mij niet
nodig zulks uitdrukkelijk in de wet voor te schrijven. De werkzaamheid van de
ingevolge
het voorgestelde artikel 50a, eerste lid, toegevoegde raadsman strekt er alleen
toe de
belemmeringen die verdachte ondervindt in het contact met zijn raadsman, te
minimaliseren. Is er sprake van een bezoekverbod, dan bezoekt de toegevoegde
raadsman
de verdachte. Zijn er ten aanzien van de correspondentie tussen raadsman en
verdachte
beperkingen opgelegd, dan loopt die correspondentie eveneens via de toegevoegde
raadsman. De werkzaamheid van de toegevoegde raadsman neemt een einde zodra de
beperkingen zijn opgeheven.
De verdachte kan gedurende de periode dat een bevel bedoeld in artikel 50 Sv van
kracht
is, een andere raadsman kiezen. Op het moment dat door de griffier van de door
deze
raadsman gedane kennisgeving aan de in artikel 39, derde lid, Sv genoemde
personen
mededeling is gedaan, neemt de werkzaamheid van de toegevoegde raadsman eveneens
een einde.
9.4. De doorzoeking van plaatsen ter aanhouding (artikelen 55a, 547 en
565)
Ik stel voor de bevoegdheid tot het doorzoeken van plaatsen ter aanhouding in
geval van
ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van
een misdrijf
als omschreven in artikel 67, eerste lid, te verlenen aan iedere
opsporingsambtenaar.
Behoudens in geval van dringende noodzakelijkheid behoeft hij daartoe een
machtiging van
de officier van justitie. Een dergelijke regeling stelt de opsporingsambtenaar
in staat om in
spoedgevallen de aanhouding van de verdachte te realiseren. In de overige
gevallen
handhaaf ik de voorafgaande machtiging van de officier van justitie. Het
doorzoeken van
plaatsen is een zó ingrijpend dwangmiddel dat het openbaar ministerie op de
toepassing
daarvan door de politie controle behoort uit te oefenen. Indien het voorafgaand
verlof
vanwege de spoedeisendheid niet kan worden gevraagd, dient de politie na afloop
van de
doorzoeking onverwijld het openbaar ministerie hieromtrent in te lichten. De
artikelen 120
tot en met 123 zijn van toepassing. Zie artikel 55, tweede lid.
Een voorafgaande machtiging van de officier van justitie acht ik niet nodig bij
aanhouding
ter tenuitvoerlegging van rechterlijke bevelen en veroordelende vonnissen of
arresten. Zie
daartoe mijn voorstellen tot wijziging van de artikelen 547, eerste lid, en 565
Sv.
De bevoegdheid tot doorzoeking mag zich niet verder uitstrekken dan voor de
aanhouding
van de betrokkene noodzakelijk is. De doorzoeking dient te eindigen als de
aanhouding van
de betrokkene is voltooid.
9.5 De inbeslagneming en het betreden van plaatsen (artikel 96)
Onverminderd het bepaalde in artikel 95 Sv verschaft het voorgestelde artikel
96 de
opsporingsambtenaar in geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit
of in
geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid,
Sv een
algemene inbeslagnemingsbevoegdheid, gekoppeld aan een bevoegdheid tot het
betreden
van plaatsen.
In de praktijk bestaat aan een verruiming van de inbeslagnemingsbevoegdheid van
gewone
opsporingsambtenaren grote behoefte. Inbeslagneming is een bevoegdheid die met
het oog
op gevaar voor wegmaking, onbruikbaarmaking, onklaarmaking of beschadiging van
het in
beslag te nemen voorwerp vrijwel onmiddellijk moet kunnen worden uitgeoefend.
Een
algemene inbeslagnemingsbevoegdheid die uitsluitend aan de rechter-commissaris
toekomt
(zie art. 104 Sv) past niet meer in een bijdetijds arsenaal van strafvorderlijke
bevoegdheden. In vele bijzondere wetten is thans aan gewone opsporingsambtenaren
een
algemene inbeslagnemingsbevoegdheid toegekend. Zie blz. 90 van het rapport van
de
commissie. De centrale rol van het wetboek met betrekking tot de wettelijke
regeling van
de inbeslagnemingsbevoegdheid dient te worden hersteld en wel op een zodanige
wijze dat
daaraan een zorgvuldige afweging van de door de opsporingspraktijk en de
bescherming
van de rechten van diegene bij wie het voorwerp inbeslaggenomen is, gestelde
eisen tegen
elkaar ten grondslag ligt. Gelet op de aard van het recht waarop door de
inbeslagneming
inbreuk wordt gemaakt - namelijk alle rechten die een gebruik van het
inbeslaggenomen
voorwerp inhouden - alsmede op het stelsel van waarborgen waarmee de
inbeslagneming is
omgeven (zie de artt. 116-118 en 552a Sv) acht ik een verruiming van de
inbeslagnemingsbevoegdheid van gewone opsporingsambtenaren, onder de door mij
voorgestelde beperkende voorwaarde, verantwoord.
De algemene inbeslagnemingsbevoegdheid kan door een gewone opsporingsambtenaar
worden uitgeoefend in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in
artikel 67,
eerste lid, Sv. Dat wil zeggen dat er sprake moet zijn van een op feiten en
omstandigheden
gebaseerd redelijk vermoeden dat een dergelijk misdrijf is begaan. Pas als aan
die
voorwaarde is voldaan, kan de inbeslagneming plaatsvinden. Er hoeft nog geen
sprake te
zijn van een bepaalde verdachte. Deze kan in een later stadium worden
geïdentificeerd.
In het voorgestelde artikel 96 is aan de algemene inbeslagnemingsbevoegdheid van
de
gewone opsporingsambtenaar gekoppeld de bevoegdheid ter inbeslagneming elke
plaats te
betreden. Het doel van het betreden van de desbetreffende plaats moet zijn een
voor
inbeslagneming vatbaar voorwerp (zie art. 94 Sv) in beslag te nemen. Ter
inbeslagneming
kan ook een woning waarvan de toegang door de bewoner wordt geweigerd, worden
binnengetreden. De opsporingsambtenaar mag enkel en alleen zoekend rondkijken en
de
voor de hand liggende voorwerpen in beslag nemen. Een verdergaand onderzoek is
krachtens deze bepaling niet geoorloofd. Dit zoekend rondkijken kan in alle
vertrekken van
de woning, voor zover deze niet zijn afgesloten, plaatsvinden. De voor
inbeslagneming
vatbare voorwerpen moeten met het oog zijn waar te nemen. Zo valt het openen van
een
niet afgesloten slaapkamer onder zoekend rondkijken, terwijl het openen van een
niet
afgesloten muurkast als doorzoeken moet worden aangemerkt. De precieze grenzen
tussen
het «zoekend rondkijken» en de «doorzoeking» zullen aan de hand van de
concrete feiten
en omstandigheden door de rechtspraak bepaald moeten worden.
Ten aanzien van de aan de binnentreding van een woning verbonden voorschriften
zijn
thans de artikelen 120-123 Sv van toepassing. Onder «plaats» kan iedere
denkbare plaats
worden verstaan: een pakhuis, een schuurtje, een woning, een postkantoor, een
bankgebouw, een tuin, een balkon of een vervoermiddel.
Bij de regeling van het binnentreden ter inbeslagneming van een woning door een
gewone
opsporingsambtenaar gaat het om een evenwichtige afweging van twee fundamentele
belangen, te weten de inbreuk op het huisrecht en de privacy van de bewoner
enerzijds en
de effectiviteit van de algemene inbeslagnemingsbevoegdheid van de gewone
opsporingsambtenaar en de veiligstelling van het in beslag te nemen voorwerp
anderzijds.
Ik ben met de commissie van oordeel dat de artikelen 120-123 Sv ter zake van de
bescherming van het huisrecht en de privacy van de bewoner voldoende bescherming
bieden, zolang de inbreuk beperkt blijft tot het in de woning zoekend
rondkijken. Onder de
door mij voorgestelde beperkende voorwaarden acht ik de inbreuk op genoemde
rechten
proportioneel ten opzichte van het beoogde en legitieme doel van de
inbeslagneming.
De vraag rijst vervolgens welke bevoegdheden de opsporingsambtenaar toekomen als
het
voor inbeslagneming vatbare voorwerp dreigt te worden weggemaakt. Alvorens bij
voorbeeld tot het doorzoeken van een woning kan worden overgegaan, dienen
verschillende formaliteiten te worden vervuld, waaronder het verkrijgen van een
machtiging
van de tot het doorzoeken van een woning bevoegde autoriteit. Dit kost tijd. In
de praktijk
wordt de situatie dan «bevroren» totdat de bevoegde autoriteit ter plaatse is
gearriveerd.
Het gaat hier om het treffen van ordemaatregelen, zoals die welke zijn
omschreven in de
artikelen 124 en 125 Sv.
Een dergelijke bevoegdheid zou kunnen worden afgeleid uit de algemene opdracht
van de
opsporingsambtenaar tot het opsporen van strafbare feiten en zou dus kunnen
worden
gebaseerd op de taakomschrijving ontleend aan de artikelen 141 e.v. Sv.
Anderzijds geldt
ook hier dat een inbreuk op het privé-leven van de betrokkene «by law» moet
geschieden
en een uitdrukkelijke wettelijke grondslag vergt (zie artikel 8, tweede lid,
EVRM). De
maatregelen kunnen onder omstandigheden een ingrijpend karakter hebben. Zo zou
een
opsporingsambtenaar genoodzaakt kunnen zijn, in afwachting van het doorzoeken
van een
woning, de bewoner de toegang tot bepaalde gedeelten van die woning te
ontzeggen. De
maatregelen moeten «redelijkerwijs nodig» zijn om wegmaking, onbruikbaarmaking,
onklaarmaking en beschadiging van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen te
voorkomen. Bij het nemen van bedoelde ordemaatregelen dient de
opsporingsambtenaar de
subsidiariteits- en proportionaliteitseis in acht te nemen.
9.6. De uitlevering ter inbeslagneming (artikelen 969, 100 en 105 tot en
met 107)
Iedere opsporingsambtenaar kan krachtens het voorgestelde artikel 96a bevelen
dat een
persoon die redelijkerwijs moet worden vermoed houder te zijn van een voor
inbeslagneming vatbaar voorwerp dit ter inbeslagneming aan hem zal uitleveren.
Er dient in
dat geval sprake te zijn van een op feiten en omstandigheden gebaseerd redelijk
vermoeden
dat een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, is begaan.
Bij de totstandkoming van het huidige wetboek plaatste de wetgever het bevel tot
uitlevering vooral in het licht van de huiszoeking. Door het creëren van een
keuzemogelijkheid voor de rechter-commissaris tussen deze twee bevoegdheden kon
recht
worden gedaan aan beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Door
toepassing van
het bevel tot uitlevering zou de meer ingrijpende huiszoeking vaak vermeden
kunnen
worden. Evenals de commissie ten ik van oordeel dat deze doelstelling met meer
kans op
succes gerealiseerd zou kunnen worden, als die keuzemogelijkheid niet bij de
rechter-
commissaris doch bij de opsporingsambtenaar gelegd wordt. Als een
opsporingsambtenaar
ervan overtuigd is dat een bepaald persoon een voor inbeslagneming vatbaar
voorwerp in
zijn bezit heeft, dan is hij de eerst aangewezene om te beoordelen welke
bevoegdheid het
meest geschikt is om de beschikking over dit voorwerp te verkrijgen. Is hij
bevoegd om
uitlevering van dit voorwerp te bevelen, dan stelt deze bevoegdheid hem in staat
zulks op
eenvoudige wijze te realiseren. Hij behoeft dan niet zijn toevlucht te nemen tot
het initiëren
van het doorzoeken van een woning, een veel ingrijpender dwangmiddel, welker
toepassing
bovendien is voorbehouden aan een justitiële autoriteit: de rechter-commissaris
of, in geval
van spoed, de (hulp)officier van justitie. Het doorzoeken van een woning is
voorts
gekoppeld aan de instelling van een gerechtelijk vooronderzoek.
De keuze tussen het verlenen van een bevel tot uitlevering of het initiëren van
het
doorzoeken van een woning zal zich bij uitstek in de opsporingsfase voordoen. Er
zal dan
onmiddellijk een keuze gemaakt moeten worden. Weigert de betrokkene aan het
bevel tot
uitlevering te voldoen, dan moet onmiddellijk tot het doorzoeken van een woning
kunnen
worden overgegaan. Dit zal dan meestal wel op de voet van artikel 97 Sv
geschieden. Door
de opsporingsambtenaar kan dan de situatie worden bevroren, totdat de
(hulp)officier van
justitie ter plaatse is. Het voorleggen van deze keuze aan de
rechter-commissaris heeft een
vertragend effect en bevordert dat om veiligheidsredenen op voorhand al de keuze
op het
doorzoeken van de woning wordt bepaald. Evenals de commissie ben ik van oordeel
dat de
overdracht van de bevoegdheid de uitlevering van voor inbeslagneming vatbare
voorwerpen
te vorderen een remmend effect op het aantal doorzoekingen zal hebben.
Door een bevel tot uitlevering wordt de betrokkene beperkt in zijn vrijheid om
al dan niet
over een bepaald voorwerp te blijven beschikken. Naar mijn oordeel is hier geen
sprake is
van een zodanig inbreuk op de «privacy» en enig recht van de burger met
betrekking tot
dat voorwerp dat de toepassing van dit dwangmiddel aan een justitiële of
rechterlijke
autoriteit moet worden overgelaten. Ik laat voorts meewegen dat vele bijzondere
wetten
deze bevoegdheid reeds aan de gewone opsporingsambtenaar verschaffen.
Het bevel tot uitlevering ter inbeslagneming kan mondeling of schriftelijk
worden gegeven.
Een betekening is niet voorgeschreven. Ingeval het bevel mondeling is gegeven,
dient
krachtens het bepaalde in artikel 152 Sv daarvan proces-verbaal te worden
opgemaakt. Bij
een weigering om aan het bevel te voldoen maakt de betrokkene zich schuldig aan
overtreding van artikel 184 of artikel 193 Sr.
Het belang van de eis dat alleen uitlevering kan worden verlangd van een persoon
die
redelijkerwijs moet worden vermoed houder te zijn van een voor inbeslagneming
vatbaar
voorwerp, is gelegen in het feit dat een bevel op grond van enkel vage
vermoedens niet
past in het systeem van de voorschriften betreffende de dwangmiddelen ter
opsporing.
Blijkt achteraf dat degene tot wie de vordering is gericht, van het voorwerp
geen houder is
geweest, dan is een vervolging ter zake van overtreding van de artikelen 184 of
193 Sr
kansloos. De inbeslagnemingsbevoegdheid van de opsporingsambtenaar berust op het
voorgestelde artikel 96.
Het begrip «houder» dient los van het civiele recht te worden gezien. Een bank
bijv.
waaraan een bevel tot uitlevering van rekeningoverzichten en kredietdossiers is
gericht, is
verplicht aan dit bevel te voldoen, ook al kan zij in civielrechtelijke zin als
eigenaar van die
bescheiden aangemerkt worden, omdat aan de verdachte zijn eigen exemplaren ter
beschikking zijn gesteld. Houder is diegene die het feitelijk in zijn macht
heeft aan het bevel
tot uitlevering te voldoen. Zodoende is ook een eigenaar die een voor
inbeslagneming
vatbaar voorwerp heeft uitgeleend, gehouden dit voorwerp van de lener terug te
vragen en
vervolgens uit te leveren.
Het voorgestelde tweede lid van artikel 96a heeft nagenoeg dezelfde inhoud als
het eerste
lid van artikel 107 Sv. Dit artikellid belet niet dat door da
opsporingsambtenaar aan de
verdachte een verzoek tot uitlevering wordt gedaan; een aan de verdachte gegeven
bevel is
evenwel onrechtmatig.
Het voorgestelde derde lid van artikel 96a is praktisch gelijkluidend aan het
tweede lid van
artikel 106 Sv.
Het voorgestelde vierde lid van artikel 96a stemt grotendeels overeen met het
tweede lid
van artikel 107 Sv. Voorgesteld wordt de in dat artikellid voorkomende woorden
«of andere
geschriften» te laten vervallen. Het woord «brieven» mag immers gelet op het
in artikel 13,
eerste lid, van de Grondwet gegarandeerde briefgeheim niet te eng worden
uitgelegd. In
het licht hiervan dienen de woorden «en andere geschriften» als te vaag en te
onbepaald te
worden gekenschetst. In de praktijk is gebleken dat allerlei instellingen, zoals
banken, met
een beroep op het bepaalde in artikel 107, tweede lid, Sv weigeren aan een bevel
tot
uitlevering gevolg te geven zonder dat het gaat om geschriften die onder het
toepassingsbereik van genoemde grondwetsbepaling vallen. Aangezien ook de
toebehorenseis in de praktijk tot soortgelijke problemen aanleiding blijkt te
geven, wordt
voorts voorgesteld de woorden «hem toebehoren» te vervangen door de woorden
«op hem
betrekking hebben».
Het voorgestelde vijfde lid van artikel 96a bepaalt dat het eerste lid geen
toepassing vindt
ten aanzien van pakketten, brieven, stukken en andere berichten, welke aan de
houder van
de concessie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Postwet (Stb. 1988,
522), of de
houder van de concessie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de
telecommunicatievoorzieningen (Stb. 1988, 520) dan wel aan een andere instelling
van
vervoer zijn toevertrouwd. Het bevel tot uitlevering als bedoeld in artikel 96a,
eerste lid,
mag dus niet tot een van deze instellingen zijn gericht. Artikel 100 dient als
een specialis
van artikel 96a te worden beschouwd.
Het huidige eerste lid van artikel 100 heeft zowel in de door de commissie
voorgestelde als
in de huidige versie slechts betrekking op pakketten, brieven, stukken en andere
berichten
voor zover zij klaarblijkelijk voor de verdachte bestemd of van hem afkomstig
zijn. Deze
regeling verdient uitbreiding tot de pakketten, brieven etcetera voor zover zij
klaarblijkelijk
op de verdachte betrekking hebben, of wel indien zij klaarblijkelijk het
voorwerp van het
strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben. Zie ook het
voorgestelde
artikel 96a, vierde lid.
De artikelen 108 en 109 zijn niet in de voorgestelde bepaling opgenomen. Zij
hebben bij
uitstek betrekking op een door de rechter-commissaris gegeven bevel tot
uitlevering of
overbrenging. Noch in artikel 551, eerste lid, Sv noch in de bijzondere wetten,
voor zover
daarin aan opsporingsambtenaren de bevoegdheid is verleend tot het geven van een
bevel
tot uitlevering van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen, is een dergelijke
regeling
opgenomen. Aangenomen moet worden dat ook in geval van een bevel tot uitlevering
bedoeld in het voorgestelde artikel 96a in de geest van de artikelen 108 en 109
zal worden
gehandeld. Mocht dat niet zo zijn, dan staat beklag in de zin van de artikel
552a Sv open.
Met betrekking tot de bewaring van door opsporingsambtenaren in beslag genomen
voorwerpen zijn de artikelen 116-117a Sv van toepassing.
9.7. De inbeslagneming en de doorzoeking van vervoermiddelen (artikel 96b)
Krachtens het voorgestelde artikel 96 is iedere opsporingsambtenaar in geval
van
ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van
een misdrijf
als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv bevoegd zich de toegang tot een
auto te
verschaffen en de voor de hand liggende voorwerpen in beslag te nemen.
Het voorgestelde artikel 96b verschaft de opsporingsambtenaar een extra
onderzoeksbevoegdheid ter opsporing. In de opsporingspraktijk bestaat hieraan
een grote
behoefte. Hij mag het vervoermiddel geheel doorzoeken op de aanwezigheid van
voor
inbeslagneming vatbare voorwerpen. Zo kan bijv. de kofferbak en het
dashboardkastje van
een auto worden geopend. Er moet sprake zijn van hetzij een ontdekking op
heterdaad van
een strafbaar feit hetzij een op feiten en omstandigheden gebaseerd redelijk
vermoeden dat
een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv is begaan. Het gaat
hier om een
ingrijpend dwangmiddel. Daarom is buiten het geval van ontdekking op heterdaad
voorgeschreven dat dit dwangmiddel alleen kan worden toegepast als er een
verdenking
bestaat dat een ernstig strafbaar feit is begaan.
Een vervoermiddel is ieder middel dat bestemd is om personen of goederen te
vervoeren, te
land, te water of in de lucht. Hierbij dient in het bijzonder te worden gedacht
aan voer- en
vaartuigen. Zie artikel 51 Wet wapens en munitie.
Ten einde de bevoegdheid tot het doorzoeken van vervoermiddelen te kunnen
uitoefenen
dient de opsporingsambtenaar tevens te beschikken over de bevoegdheid het
betrokken
vervoermiddel tot stoppen te dwingen. Zoveel mogelijk dient te worden voorkomen
dat de
opsporingsambtenaar daartoe gebruik maakt van de hem krachtens bijzondere wetten
toekomende controlebevoegdheden, in het bijzonder die toegekend krachtens
artikel 33
WVW. Het wetboek zelf dient daarvoor een grondslag te bieden. Bovendien bieden
de
controlebevoegdheden geen soelaas, indien het stopbevel uitsluitend ertoe strekt
om het
vervoermiddel op niet verkeersrechtelijke gronden ter inbeslagneming te
doorzoeken. Uit HR
24 mei 1988, NJ 1988, 918, kan worden afgeleid dat de bevoegdheid tot aanhouding
mede omvat de bevoegdheid tot geven van een stopbevel, als de aan te houden
verdachte
zich in een rijdende auto bevindt. Onderdeel a van het voorgestelde tweede lid
codificeert
deze rechtspraak. Onderdeel b van dit artikellid verschaft de
opsporingsambtenaar voorts
de bevoegdheid het vervoermiddel naar een door hem aangewezen plaats over te
brengen
of (door de bestuurder) te laten overbrengen. Aldus kan een inbeslagneming van
het
vervoermiddel worden vermeden.
Het gaat hier dus om connexe bevoegdheden, welke pas mogen worden uitgeoefend
als
zulks noodzakelijk is met het oog op het ter inbeslagneming doorzoeken van een
vervoermiddel. Het niet voldoen aan de vordering tot het tot stilstand brengen
van het
vervoermiddel levert een overtreding van artikel 184 Sr op. Het begrip
«bestuurder van een
vervoermiddel» is ontleend aan artikel 23, eerste lid, van de Wet op de
economische
delicten. Daaronder valt ook bijv. de schipper van een vaartuig. De
inbeslagnemingsbevoegdheid berust óf op artikel 95 óf op het voorgestelde
artikel 96.
In het voorgestelde eerste lid van artikel 96b is voor wat betreft de
bevoegdheid van iedere
opsporingsambtenaar om vervoermiddelen te doorzoeken één uitzondering gemaakt.
Deze
uitzondering betreft het woongedeelte van het vervoermiddel, bijv. van een
woonwagen.
Voor de doorzoeking van het woongedeelte van een vervoermiddel is het
voorgestelde
artikel 97 toepasselijk. De opsporingsambtenaar kan overeenkomstig het
voorgestelde
artikel 96, tweede lid, de situatie bevriezen.
Ten aanzien van de doorzoeking van een vervoermiddel vindt artikel 98, tweede
lid, Sv
toepassing. Een doorzoeking mag bij verschoningsgerechtigden als bedoeld in
artikel 218
Sv, tenzij met hun toestemming, alleen plaatsvinden voor zover het zonder
schending van
het stands-, beroeps- of ambtsgeheim kan geschieden, en mag zich niet
uitstrekken tot
andere brieven of geschriften dan die welke het voorwerp van het strafbare feit
uitmaken
of tot het begaan daarvan gediend hebben.
9.8. De doorzoeking door de officier van justitie van plaatsen, met
uitzondering van
woningen en kantoren van geheimhouders (artikel 96c)
De bevoegdheid tot het doorzoeken van andere plaatsen dan een woning waarvan
de
toegang door de bewoner wordt geweigerd en een kantoor van een
verschoningsgerechtigde als bedoeld in artikel 218 Sv komt krachtens het
voorgestelde
artikel 96c toe aan de officier van justitie. Hierbij dient vooral te worden
gedacht aan de
plaatsen genoemd in de artikelen 138 en 139 Sr, te weten beroeps- en
bedrijfsruimten,
zoals winkels, kantoren, banken, cafés, koffiehuizen, en openbare gebouwen.
Het tegen de wil van de bewoner binnentreden van een woning geniet zowel in de
Grondwet (art. 12) als in de internationale verdragen op het gebied van de
rechten van de
mens (art. 8, eerste lid, EVRM en art. 17, eerste lid, IVBPR) een bijzondere
bescherming
met het oog op de huisvrede. Ook het voorstel inzake de Algemene wet op het
binnentreden bevat bijzondere voorschriften met betrekking tot het binnentreden
in een
woning. Evenals de commissie ben ik van oordeel dat het doorzoeken van een
woning
waarvan de toegang door de bewoner wordt geweigerd tot de algemene bevoegdheid
van
de rechter-commissaris moet blijven behoren. Zijn optreden moet de betrokkenen
waarborgen dat de belangen van de strafvordering en de inbreuk op de huisvrede
en andere
persoonlijke en zakelijke rechten op een zorgvuldige wijze tegen elkaar worden
afgewogen.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad en de strafkamer van de Hoge Raad hebben
de
vraag opgeworpen of het geen aanbeveling verdient te bepalen dat een doorzoeking
in een
woning of de werkplaats (kantoor) van een geheimhouder steeds wordt verricht
door de
rechter-commissaris. Dit voorstel neem ik graag over. Wat de doorzoeking betreft
stel ik de
bescherming van de positie van de geheimhouder op één lijn met de bescherming
van de
huisvrede.
Daarnaast stellen zij zich de vraag of de bevoegdheid tot doorzoeking bij
privacy-gevoelige
instellingen, bij voorbeeld banken, belastingadviseurs, gemeenten, accountants
e.d., aan de
officier van justitie als zelfstandige bevoegdheid moet toekomen. Ik ben mij
ervan bewust
dat bij het betreden van andere, in de artikelen 138 en 139 Sr genoemde
plaatsen, ook
fundamentele rechten van burgers, zoals het recht op eerbiediging van het
privéleven, of
sociaal-economische belangen in het gedrang kunnen komen. Zulks geldt in het
bijzonder
voor banken, kantoren en winkels en overheidsgebouwen. Evenals de commissie acht
ik
het gerechtvaardigd dat de algemene bevoegdheid tot het doorzoeken van deze
plaatsen
wordt toebedeeld aan de officier van justitie, nu het hier niet gaat om een
recht dat
bijzondere bescherming vereist. Ik stel mij voor in overleg met de Vergadering
van
procureurs-generaal een richtlijn op te stellen die inhoudt dat doorzoekingen
van
privacygevoelige plaatsen indien maar enigszins mogelijk onder leiding van de
officier van
justitie persoonlijk plaatsvindt.
Er moet sprake zijn van een verdenking dat een misdrijf zoals omschreven in
artikel 67,
eerste lid, Sv is begaan.
Het doorzoeken van plaatsen overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van
artikel 96c
geschiedt onder leiding van de officier van justitie of, in geval van toepassing
van het
tweede lid, onder leiding van de hulpofficier. Zie hieromtrent het gestelde in
paragraaf
8.10.
De bevoegdheid van de officier van justitie tot het doorzoeken van andere
plaatsen dan een
woning waarvan de toegang door de bewoner wordt geweigerd, of een kantoor van
een
verschoningsgerechtigde als bedoeld in artikel 218 Sv kan ook geheel of
gedeeltelijk
worden uitgeoefend ter zake van een feit waarop een gerechtelijk vooronderzoek
betrekking heeft. Zulks zou de officier van justitie aanleiding kunnen geven
deze
bevoegdheid niet zelf uit te oefenen doch te vorderen dat de rechter-commissaris
op de
voet van het voorgestelde artikel 110 de betreffende plaats doorzoekt. Is het
doorzoeken
van de desbetreffende plaats nog niet geschied, dan kan de leidinggevende
positie van de
rechter-commissaris tijdens het gerechtelijk vooronderzoek medebrengen dat de
rechter-
commissaris ambtshalve beslist dat het doorzoeken onder zijn leiding
plaatsvindt, indien hij
zulks gewenst acht. Een goed overleg tussen officier van justitie en
rechter-commissaris op
dit punt is noodzakelijk. Zie hiertoe het gestelde in paragraaf 9.
9.9. De doorzoeking door de rechter-commissaris van plaatsen, met inbegrip
van woningen
en kantoren van geheimhouders (artikel 110)
De rechter-commissaris heeft een algemene bevoegdheid tot het doorzoeken van
plaatsen.
Deze bevoegdheid is ruimer dan die welke in het voorgestelde artikel 96c aan de
(hulp)officier van justitie is toegekend. De (hulp)officier van justitie is
immers, behoudens
ingeval van toepassing van artikel 97 Sv, niet bevoegd een woning waarvan de
toegang
door de bewoner wordt geweigerd of een kantoor van een verschoningsgerechtigde
als
bedoeld in artikel 218 Sv te doorzoeken. Voorts is bij het doorzoeken van
plaatsen door de
rechter-commissaris niet als eis gesteld dat er sprake moet zijn van een
ontdekking op
heterdaad van een strafbaar feit of van verdenking van een misdrijf als
omschreven in
artikel 67, eerste lid, Sv. Het vereiste van verlof van de rechtbank komt te
vervallen. De
oorspronkelijke artikelen 110 en 111 Sv zijn aldus samengevoegd.
Het voorgestelde artikel 110 schrijft voor dat het doorzoeken van plaatsen onder
leiding
van de rechter-commissaris geschiedt. Tot het doorzoeken van plaatsen kan de
rechter-
commissaris uitsluitend bevoegd zijn. Het spreekt vanzelf dat de
rechter-commissaris in dat
geval aan het doorzoeken van die plaats leiding geeft. Het betreft hier in het
bijzonder
woningen, kantoren van geheimhouders en andere plaatsen, onder omstandigheden
waarin
niet aan de in de artikelen 96b en 96c gestelde voorwaarden is voldaan. Het is
ook
denkbaar dat de rechter-commissaris besluit zelf een plaats te doorzoeken,
niettegenstaande het feit dat daartoe ook een andere autoriteit, een
(hulp)officier van
justitie of een opsporingsambtenaar, krachtens het Wetboek van Strafvordering of
een
bijzondere wet bevoegd zou zijn. De rechter-commissaris is dan mede bevoegd tot
het
doorzoeken van de betreffende plaats. Het ligt voor de hand dat de
rechter-commissaris,
als hij tijdens een gerechtelijk vooronderzoek beslist deze bevoegdheid zelf uit
te oefenen
en zulks niet aan de (hulp)officier van justitie of de opsporingsambtenaar wil
overlaten, aan
het doorzoeken van de betreffende plaats leiding geeft. De zelfstandige
bevoegdheid van
de opsporingsambtenaar of de (hulp)officier van justitie dient dan, indien en
voorzover de
toepassing van het dwangmiddel geschiedt ter zake van een feit waarop een
gerechtelijk
vooronderzoek betrekking heeft, voor de gelijkluidende bevoegdheid van de
rechter-
commissaris te wijken. Zie hiertoe het gestelde in paragraaf 9.
Het geven van leiding aan het doorzoeken van plaatsen brengt mede dat de
rechter-
commissaris zoveel mogelijk ter plaatse dient te zijn ten einde toezicht te
houden op de met
het doorzoeken van de plaats gepaard gaande handelingen en de handhaving van de
orde.
Er kunnen zich evenwel omstandigheden voordoen die de rechter-commissaris
noodzaken
elders te zijn b.v. hij moet dringend andere onderzoekshandelingen verrichten.
Het is ook
denkbaar dat hij meer onderzoekshandelingen tegelijk moet verrichten en niet
onmiddellijk
een vervanger beschikbaar is. Zulks kan zich vóór of tijdens het doorzoeken
van de woning
voordoen. De leidinggevende taak van de rechter-commissaris brengt mede dat hij,
voor
zolang hij niet ter plaatse is, de met het oog op een behoorlijke uitoefening
van die taak
vereiste maatregelen treft. Hierbij dient allereerst te worden gedacht aan
maatregelen met
het oog op zijn bereikbaarheid. Hij zal ervoor zorg dienen te dragen dat hij via
communicatiemidelen contact blijft houden met de ter plaatse aanwezige personen
ten
einde opdrachten te kunnen geven, geschillen te kunnen beslechten en de orde te
kunnen
handhaven. Voorts dient hij de nodige maatregelen te treffen opdat het
doorzoeken van de
plaats zonder stoornis kan verlopen (zie art. 124, tweede lid, Sv). Hij zal
vervolgens de
nodige opdrachten moeten geven omtrent de wijze waarop de plaats dient te worden
doorzocht. Ten slotte zal hij moeten aangeven in welke gevallen tijdens het
doorzoeken van
de plaats contact met hem opgenomen dient te worden. Inzake de getroffen
maatregelen
dient de rechter-commissaris in het proces-verbaal rekenschap af te leggen.
Het in het huidige artikel 112, eerste en tweede lid, Sv opgenomen voorschrift
dat het
doorzoeken van een woning door de rechter-commissaris geschiedt in
tegenwoordigheid
van de officier van justitie of, in geval van diens verhindering van een
hulpofficier, is in het
voorgestelde artikel 110, tweede lid, gehandhaafd.
Het toepasselijk verklaren van de artikelen 98, 99 en 99a Sv houdt verband met
de huidige
artikelen 112, vijfde lid, en 113, tweede lid, Sv.
9.10. De spoeddoorzoeking van plaatsen door de officier van justitie of de
hulpofficier
(artikelen 96c en 97)
In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van
verdenking van
een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv doet zich in de
praktijk regelmatig
de situatie voor dat een woning waarvan de toegang door de bewoner wordt
geweigerd,
dient te worden doorzocht, terwijl ter zake van dat feit geen gerechtelijk
vooronderzoek is
ingesteld en de daarmede gepaard gaande procedure, te weten het opstellen van
een
vordering waarin dat feit zo nauwkeurig als in deze stand der zaak mogelijk is
door de
officier van justitie wordt omschreven (zie art. 181 Sv), de beslissing daarop
van de
rechter-commissaris (zie art. 184, eerste lid, Sv) en de komst van de
rechter-commissaris
ter plaatse (zie art. 111, tweede lid, Sv) niet kan worden afgewacht.
Ik stel voor in het eerste lid van artikel 97 de bevoegdheid van de officier van
justitie om in
spoedgevallen een woning waarvan de toegang door de bewoner wordt geweigerd, te
doorzoeken te handhaven. De voorwaarde dat hij een vordering tot gerechtelijk
vooronderzoek moet doen dient echter naar mijn oordeel te vervallen. In de
plaats daarvan
wordt een machtiging van de rechter-commissaris voorgeschreven. De officier van
justitie
of de hulpofficier dient in het proces-verbaal van doorzoeking melding te maken
van de
verkregen machtiging van de rechter-commissaris. De machtiging zal wel bijna
altijd
mondeling (telefonisch) worden gevorderd onderscheidenlijk gevraagd. In het
voorstel van
de commissie is met betrekking tot de spoeddoorzoeking van een woning altijd
voorafgaand verlof van de rechter-commissaris noodzakelijk (blz. 149). Het
rechter-
commissariaat dient volgens de commissie zodanig georganiseerd te zijn dat
steeds verlof
kan worden verleend. Deze bepaling levert volgens de Vergadering van
procureurs-generaal
in de volgende situatie, moeilijkheden op. Een politieambtenaar, hulpofficier
van justitie,
ziet een man op straat drugs dealen. Hij loopt op de verdachte af, die dat
opmerkt, waarna
de verdachte zijn huis binnenvlucht en alle deuren op slot doet. Terwijl de
politieambtenaar
via de officier van justitie het vereiste verlof van de rechter-commissaris
tracht te krijgen,
spoelt de verdachte de in zijn huis aanwezige drugs door het toilet.
Ten einde aan dit bezwaar tegemoet te komen stel ik voor het tweede lid van
artikel 97 aan
te vullen met het voorschrift dat, indien vanwege de vereiste spoed of de
onbereikbaarheid
van de rechter-commissaris de machtiging niet tijdig kan worden gevorderd, dat
verlof
binnen drie dagen na de doorzoeking door de rechter-commissaris alsnog kan
worden
verleend. Het voorafgaand verlof kan dus onder bepaalde voorwaarden worden
vervangen
door een machtiging achteraf. Weigert de rechter-commissaris die machtiging, dan
dient de
officier van justitie zorg te dragen dat de gevolgen van de doorzoeking zoveel
mogelijk
ongedaan worden gemaakt. Zo zal de officier van justitie bij voorbeeld de
inbeslaggenomen
voorwerpen onverwijld dienen terug te geven aan degene bij wie zij
inbeslaggenomen zijn.
Ik wijs erop dat dit voorstel de rechtspositie van de verdachte niet verzwakt.
Volgens het
geldende artikel 97, eerste lid, beschikt de officier van justitie reeds over
deze
bevoegdheid, zonder dat hij verplicht is voorafgaand verlof te vragen van de
rechter-
commissaris.
Gelet op de leidinggevende positie van de officier van justitie tijdens het
opsporingsonderzoek dient in geval van het doorzoeken van plaatsen door een
hulpofficier
de machtiging zo mogelijk door tussenkomst van de officier van justitie aan de
rechter-
commissaris te worden gevraagd.
Het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 96, tweede lid, strekt
ertoe de
gevallen waarin het optreden van de rechter-commissaris onderscheidenlijk de
officier van
justitie niet kan worden afgewacht, te beperken.
Het huidige nr. 2 van artikel 97 Sv kan komen te vervallen, nu de (hulp)officier
van justitie
de bevoegdheid om ter gelegenheid van een schouw voor inbeslagneming vatbare
voorwerpen, voor zover deze voor de hand worden aangetroffen, in beslag te nemen
reeds
bezit krachtens het voorgestelde artikel 96.
Ook tijdens een gerechtelijk vooronderzoek kan het nodig zijn dat met spoed een
woning
waarvan de toegang door de bewoner wordt geweigerd, dient te worden doorzocht.
Indien
zulks tijdens de nachtelijke uren dient te geschieden of meer woningen tegelijk
moeten
worden doorzocht, kan het voorkomen dat de komst van de rechter-commissaris niet
kan
worden afgewacht. Het door de commissie voorgestelde artikel 111 voorziet in een
dergelijke situatie. De officier van justitie of, in geval van diens
verhindering, de hulpofficier
kan met toestemming van de rechter-commissaris vast een begin maken met het
doorzoeken van de woning. De rechter-commissaris dient vervolgens ervoor te
zorgen dat
hij zo spoedig mogelijk ter plaatse is. De door de commissie voorgestelde
regeling beoogt in
geval van het doorzoeken van een woning waarvan de toegang door de bewoner wordt
geweigerd, tijdens een gerechtelijk vooronderzoek de rechter-commissaris zo snel
mogelijk
ter plaatse te doen zijn. Een dergelijke verplichting acht de commissie
uitvoerbaar, omdat
de formaliteiten met betrekking tot de instelling van een gerechtelijk
vooronderzoek
achterwege kunnen blijven.
Anders dan de commissie ben ik van oordeel dat de wettelijke regeling van de
spoeddoorzoeking zowel buiten als binnen het gerechtelijk vooronderzoek
gelijkluidend
dient te zijn. Niet valt in te zien waarom aan de rechter-commissaris voor wat
betreft de
door hem te betrachten voortvarendheid strengere eisen gesteld moeten worden
ingeval
met betrekking tot het desbetreffende feit een gerechtelijk vooronderzoek is
ingesteld. Ik
verwacht niet dat de rechter-commissaris ingeval de doorzoeking plaatsvindt ter
zake van
een feit waarop een gerechtelijk vooronderzoek betrekking heeft sneller ter
plaatse zal zijn.
De praktijk zal dan worden geconfronteerd worden met de vraag welke gevolgen
hieraan
dienen te worden verbonden. Ik ben voorts bevreesd dat een afwijkende regeling
in de
politiepraktijk tot grote problemen aanleiding kan geven. Het zal voor de
politie alsmede
voor de dienstdoende officier van justitie en rechter-commissaris immers niet
altijd
onmiddellijk duidelijk zijn of de doorzoeking geschiedt ter zake van een feit
waarop een
gerechtelijk vooronderzoek betrekking heeft. Voorts kan de politie zich meer dan
wenselijk
én noodzakelijk is in afwachting van de komst van de rechter-commissaris de
doorzoeking
te bevriezen, waardoor het gevaar bestaat dat voor inbeslagneming vatbare
voorwerpen
worden weggemaakt. Ik ben daarom van oordeel dat het door de commissie
voorgestelde
artikel 111 ten aanzien van de spoeddoorzoeking van een woning waarvan de
toegang
door de bewoner wordt geweigerd, niet moet worden overgenomen. Ten aanzien van
een
dergelijke spoeddoorzoeking zijn de voorgestelde artikelen 97 en 96, tweede lid,
van
toepassing. De redenen waarom thans nog wordt betwijfeld of artikel 97 ook
tijdens het
gerechtelijk vooronderzoek toepassing kan vinden, namelijk de voorwaarde dat de
officier
van justitie een vordering als bedoeld in artikel 181 doet, zijn thans
vervallen. Deze
voorwaarde komt in het voorgestelde artikel 97 niet meer voor. Gezien de
bestaande leer
omtrent de parallelle opsporing is een afzonderlijke regeling van de
spoeddoorzoeking
tijdens het gerechtelijk vooronderzoek niet noodzakelijk.
De spoeddoorzoeking van andere plaatsen dan een woning waarvan de toegang door
de
bewoner wordt geweigerd of een kantoor van een verschoningsgerechtigde als
bedoeld in
artikel 218 Sv is geregeld in artikel 96c, tweede lid. Bij dringende
noodzakelijkheid en
indien het optreden van de officier van justitie niet kan worden afgewacht, kan
de
hulpofficier de bevoegdheid, toegekend in het eerste lid van artikel 96c,
uitoefenen. De
hulpofficier heeft daartoe in de regel het verlof van de officier van justitie
nodig. Het
voorschrijven van een verlof van de zijde van de officier van justitie strekt
ertoe te
voorkomen dat deze bevoegdheid in de praktijk zonder medeweten van de officier
van
justitie door de politie wordt uitgeoefend. Indien vanwege de vereiste spoed of
de
onbereikbaarheid van de officier van justitie het verlof niet tijdig kan worden
gevraagd, kan
het verlof binnen drie dagen na de doorzoeking door de officier van justitie
worden
verleend. Weigert de officier van justitie dit verlof, dan draagt hij zorg dat
de gevolgen van
de doorzoeking zoveel mogelijk ongedaan worden gemaakt. De hulpofficier dient in
zijn
proces-verbaal melding te maken van het door de officier van justitie gegeven
verlof.
9.11. Het onderzoek van telecommunicatie (artikelen 125a-125m en 552t)
De door de commissie in haar (nader) advies omtrent het onderzoek van
telefoongesprekken gedane voorstellen zijn door mij grotendeels overgenomen.
Krachtens het voorgestelde eerste lid van artikel 125b is een telefoontap alleen
mogelijk op
vordering van de officier van justitie. Wijst de rechter-commissaris de
vordering af, dan
staat voor de officier van justitie hoger beroep open (zie art. 446 Sv). De
periode
gedurende welke door een opsporingsambtenaar kan worden afgeluisterd, is gesteld
op
maximaal vier weken. Deze termijn sluit aan bij de in de Richtlijnen onderzoek
van
telefoongesprekken 9) genoemde termijn. Deze periodieke toetsing van de
telefoontap door
de rechter-commissaris is deels een gevolg van het feit dat de telefoontap uit
het
gerechtelijk vooronderzoek is gelicht en vloeit deels voort uit de door artikel
8 EVRM ten
aanzien van de regeling van de telefoontap gestelde eisen.
Een bevel tot het afluisteren of opnemen van telecommunicatie kan worden
gegeven,
indien:
a. blijkt van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste
lid, is
begaan, dat gezien zijn aard, of het georganiseerd verband waarin het is begaan,
of de
samenhang met andere begane misdrijven, een ernstige inbreuk op de rechtsorde
oplevert,
en
b. het bevel redelijkerwijs nodig is voor het aan de dag brengen van de waarheid
of
voor de aanhouding van de verdachte.
De eisen ten aanzien van de categorieën van strafbare feiten waarvoor een
telefoontap
geoorloofd is, zijn aangescherpt. Onvoldoende is het enkele feit dat er sprake
is van een
(verdenking van een) misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Het
moet
bovendien gaan om een feit dat een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert.
Deze
ernstige inbreuk op de rechtsorde kan berusten op de aard van het misdrijf, het
georganiseerd verband waarin het misdrijf is begaan of de samenhang van dat
misdrijf met
andere door de verdachte begane misdrijven. Deze aanvullende eis sluit aan bij
de reeds
genoemde Richtlijnen onderzoek van telefoongesprekken en artikel 1 onder c van
paragraaf
1 van het CID-privacyreglement 10). Tot deze ernstige misdrijven behoort ook de
voorbereiding ervan, zodra deze ingevolge het op 16 september 1991 11)
ingediende
wetsvoorstel strafbaar is gesteld.
De in artikel 125g Sv gestelde voorwaarde dat alleen telefoongesprekken mogen
worden
afgeluisterd ten aanzien waarvan het vermoeden bestaat dat de verdachte eraan
deelneemt, komt te vervallen. Bij een telefoontap behoeft immers geen sprake te
zijn van
een bepaalde verdachte. De opsporing van een - ernstig - misdrijf - staat
centraal.
Ook als de verdachte aangehouden is, kan de waarheidsvinding een voortzetting
van de
telefoontap vereisen. Is de verdachte bekend of wordt de verdachte later bekend,
dan
bieden de hiervoor genoemde voorwaarden, ook gelet op de in artikel 8, tweede
lid, EVRM
gestelde eisen, een duidelijk strafvorderlijk kader. Als de verdachte bekend is
of wordt.
brengt de hiervoor onder b genoemde voorwaarde immers mede dat de voortzetting
van de
telefoontap in het vervolg moet worden bezien in het licht van de
waarheidsvinding ter
zake van het door de verdachte (reeds) gepleegde strafbare feit. Een telefoontap
is alleen
gerechtvaardigd als deze redelijkerwijs nodig is om een ernstig misdrijf tot
klaarheid te
brengen. Daartoe kan het onder omstandigheden vereist zijn telefoongesprekken,
waaraan
de verdachte deelneemt, af te luisteren. Handhaving van deze voorwaarde zou er
voorts
toe kunnen leiden dat in het belang van het onderzoek zolang mogelijk
volgehouden zal
worden dat er nog geen sprake is van een bepaalde verdachte. In zijn arrest van
18
september 1989, NJ 1990, 59 m.nt. Th.W. van Veen heeft de Hoge Raad weliswaar
overwogen dat voormelde voorwaarde ertoe strekt het recht op bescherming van de
persoonlijke levenssfeer van anderen dan de verdachte zoveel mogelijk te
waarborgen,
doch evenals de commissie ben ik van mening dat in de voorgestelde
wetsbepalingen dit
recht ook in voldoende mate is gewaarborgd. Het bevel tot het afluisteren van
telecommunicatie dient redelijkerwijs nodig te zijn voor het aan de dag brengen
van de
waarheid inzake het in de vordering omschreven misdrijf (en de dader(s))
daarvan. Het bij
de toepassing van dwangmiddelen geldende vereiste van proportionaliteit en
subsidiariteit
is met betrekking tot dit zeer ingrijpende dwangmiddel uitdrukkelijk in de wet
vastgelegd.
Zulks houdt verband met de eveneens vereiste motivering van het bevel door de
rechter-
commissaris. Door de rechter-commissaris dient derhalve te worden vastgesteld
dat de
waarheidsvinding niet op een andere, minder ingrijpende, wijze kan plaatsvinden.
Ik stel voor in het door de commissie voorgestelde en door mij overgenomen
tweede lid
onder b van artikel 125b Sv tevens te bepalen dat het bevel tot afluisteren of
opnemen van
telecommunicatie ook kan worden gegeven indien het bevel redelijkerwijs nodig is
voor de
aanhouding van de verdachte. Denkbaar is het geval dat de waarheid omtrent het
desbetreffende strafbare feit is vastgesteld en de vermoedelijke dader is
geïdentificeerd,
terwijl deze nog niet kon worden aangehouden. De voortzetting van de tap is
gelegitimeerd
als deze ertoe strekt gegevens te verkrijgen die tot de aanhouding van de
verdachte
kunnen leiden.
Ik heb er vanaf gezien voor te stellen de telefoontap slechts toe te laten in
geval een
misdrijf waarop een hogere straf dan vier jaar gevangenisstraf is gesteld. Ook
minder
ernstige misdrijven die in georganiseerd verband zijn gepleegd en grote
maatschappelijke
onrust veroorzaken, kunnen een telefoontap rechtvaardigen. De gestelde
voorwaarden
gunnen de rechter-commissaris weliswaar een zekere beoordelingsvrijheid, doch
gezien zijn
positie in ons strafrechtelijk bestel acht ik zulks alleszins verantwoord en
biedt de
voorgestelde regeling voldoende waarborgen tegen een willekeurige inmenging.
Wel stel ik voor de toepassingsmogelijkheden van de telefoontap te verruimen tot
de
proactieve opsporingsfase. Dit voorstel was vervat in het wetsvoorstel tot
wijziging van het
Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van het opnemen van
gesprekken
met een technisch hulpmiddel zoals dat aan de Raad van State is aangeboden.
Omdat de
regeling hiervan ten nauwste samenhangt met de onderhavige voorstellen inzake
het
onderzoek van telecommunicatie, is besloten dit voorstel in dit wetsvoorstel op
te nemen.
Gewezen wordt op artikel III, onderdeel 8.
Met betrekking tot de relatieve bevoegdheid van de rechter-commissaris vindt
artikel 2 Sv
toepassing. Bevoegd tot kennisneming van de vordering van de officier van
justitie zal in de
regel de rechter-commissaris zijn van de rechtbank binnen welker rechtsgebied
het
vermoedelijke begane misdrijf is gepleegd. Het bevel tot het aftappen of opnemen
van
telecommunicatie kan zich ook uitstrekken tot telefoonaansluitingen binnen het
rechtsgebied van een andere rechtbank. Zie daartoe paragraaf 8.2.
De voorgestelde procedure vindt los van het gerechtelijk vooronderzoek plaats.
Indien naar
aanleiding van een telefoontap met spoed een woning dient te worden doorzocht,
vindt het
voorgestelde artikel 97 Sv toepassing.
Het voorgestelde eerste lid van artikel 125c schrijft voor dat de vordering van
de officier
van justitie zo nauwkeurig mogelijk de feiten of omstandigheden waaruit blijkt
dat de in
artikel 125b, tweede lid, gestelde voorwaarden zijn vervuld, omschrijft. De
vordering dient
feiten of omstandigheden te vermelden waaruit het bestaan van een verdenking van
een
misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv kan worden afgeleid.
Tevens dient de
officier van justitie in zijn vordering aan te geven in welke opzicht het
vermoedelijke begane
misdrijf een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert: door de aard daarvan of
door het
georganiseerd verband waarin het is begaan of door de samenhang van dat misdrijf
met
andere door de verdachte begane misdrijven. Voorts dient de officier van
justitie in zijn
vordering te motiveren waarom het bevel tot het aftappen of opnemen van
telecommunicatie redelijkerwijs nodig is voor het aan de dag brengen van de
waarheid of
de aanhouding van de verdachte. De aanwijzing van de verdachte in de vordering
is niet
uitdrukkelijk voorgeschreven. Een telefoontap betreft immers vaak een onbekende
verdachte. Als de verdachte bekend is, leidt de in het tweede lid onder b van
artikel 125b
gestelde voorwaarde ertoe dat de officier van justitie bij zijn vordering zal
moeten
motiveren waarom het bevel van de rechter-commissaris redelijkerwijs nodig is
hetzij voor
het aan de dag brengen van de waarheid ter zake van het in de vordering
omschreven
misdrijf, dat vermoedelijk is gepleegd door de inmiddels bekend geworden
verdachte hetzij
voor de aanhouding van de inmiddels bekend geworden verdachte. De bekendwording
van
de verdachte is immers één van die aspecten van de desbetreffende strafzaak
waarvan de
waarheid door het bevel van de rechter-commissaris aan het licht kan worden
gebracht.
Zulks brengt mede dat de verdachte in de vordering dient te worden aangewezen.
Datzelfde geldt als het bevel redelijkerwijs nodig is om de verdachte aan te
houden.
Krachtens het voorgestelde tweede lid van artikel 125c kan het bevel door de
rechter-
commissaris op vordering van de officier van justitie telkens voor een periode
van vier
weken worden verlengd. Aan de inhoud van de vordering zijn geen bijzondere eisen
gesteld. De officier van justitie zal in ieder geval bij de vordering tot
verlenging dienen aan
te geven dat ook thans nog de in het tweede lid van artikel 125b gestelde
voorwaarden
kunnen worden vervuld. Is de verdachte inmiddels bekend geworden, dan zal de
verdachte
gelet op het bepaalde in het voorgestelde artikel 125b, tweede lid onder b,
moeten worden
aangewezen.
Zodra de officier van justitie of de rechter-commissaris van oordeel is dat de
gronden
waarop het bevel tot aftappen is verleend of is verlengd, zijn vervallen, dient
de rechter-
commissaris of de officier van justitie ingevolge het voorgestelde derde lid te
bepalen dat
het opnemen of aftappen van telecommunicatie wordt beëindigd. De
rechter-commissaris
en de officier van justitie dienen elkaar van een dergelijke beëindiging
onverwijld op de
hoogte te stellen. Stuit een beëindiging van het bevel door de
rechter-commissaris op
bezwaren van de kant van de officier van justitie, dan zal deze een - herhaalde
- vordering
tot het geven een bevel als bedoeld in het voorgestelde artikel 125b, eerste
lid, moeten
doen en tegen de afwijzing van die vordering hoger beroep moeten instellen.
Het voorgestelde vierde lid van artikel 125b schrijft voor dat de beschikking
met redenen is
omkleed. De rechter-commissaris zal mitsdien in het bevel dienen te motiveren
waarom in
het desbetreffende geval aan de in het voorgestelde artikel 125b, tweede lid,
gestelde
voorwaarden is voldaan. Ook de verlengingsbeschikking dient te worden
gemotiveerd. Dit
artikellid bepaalt voorts dat de beschikking het nummer van de aansluiting
alsmede de
naam en het adres van de houder van de aansluiting moet vermelden. Het vierde
lid biedt
ten slotte de rechter-commissaris de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen de
beschikking mondeling te geven. In dat geval dient de rechter-commissaris de
beschikking
binnen drie dagen schriftelijk te bevestigen. Ook volgens de bestaande
jurisprudentie kan
een tapbeschikking mondeling worden gegeven 12).
Het voorgestelde vijfde lid van artikel 125c stemt overeen met de laatste volzin
van het
huidige artikel 125g Sv, met dien verstande dat in verband met het feit dat
tussen het
afluisteren of opnemen en het opmaken van het proces-verbaal een weekeinde kan
liggen
de termijn van tweemaal vierentwintig uren is verlengd tot drie dagen.
De bestaande regeling stelt de vernietiging van de processen-verbaal of andere
voorwerpen, waaraan een gegeven kan worden ontleend, dat is verkregen als gevolg
van
de inlichtingen, bedoeld in artikel 125f, of door afluisteren of opnemen,
bedoeld in de
artikelen 125g en 125h, en die van geen betekenis zijn voor het onderzoek,
voorop. De
overige processen-verbaal en andere voorwerpen dienen volgens die regeling bij
de
processtukken te worden gevoegd. Thans wordt in de voorgestelde artikelen 125e
en 125f
de voeging van de processen-verbaal en andere voorwerpen, zoals hiervoor
omschreven,
voor zover die door de rechter-commissaris of de officier van justitie voor het
onderzoek
van betekenis worden geacht, voorop gesteld. De overige processen-verbaal en
andere
voorwerpen worden eerst bewaard en vervolgens, niet eerder dan een maand nadat
de
zaak in Nederland geëindigd is (zie het voorgestelde artikel 125k, eerste lid),
vernietigd.
De rechter-commissaris vormt zich dus als eerste een oordeel over de betekenis
van de
processen-verbaal en andere voorwerpen voor het onderzoek in de zaak. De
rechter-
commissaris is immers belast met de leiding van deze mini-instructie. De
tapgegevens
worden op zijn bevel door een opsporingsambtenaar verzameld.
De woorden «de inlichtingen, bedoeld in artikel 125f, of door afluisteren of
opnemen,
bedoeld in de artikelen 125g en 125h» zijn overeenkomstig het opschrift van de
achtste
afdeling van Titel IV van Boek 1 van het Wetboek van Strafvordering vervangen
door de
woorden: onderzoek van telecommunicatie. Ter onderscheiding hiervan worden de
woorden «het onderzoek» vervangen door de woorden: het onderzoek in de zaak.
Onder
«het onderzoek» dient te worden verstaan: het onderzoek naar de objectieve
waarheid. De
resultaten van dit onderzoek kunnen voor de verdachte zowel belastend als
ontlastend zijn.
Een effectieve controle van de rechter-commissaris met betrekking tot de
rechtmatigheid
van de tapprocedure brengt mede dat de rechter-commissaris moet bevorderen dat
ook de
gegevens die uit de tap voortkomen en voor de verdachte ontlastend kunnen zijn
of in de
richting van onrechtmatige bewijsgaring wijzen, in het strafdossier terecht
komen. Zie
daartoe ook het voorgestelde artikel 125i.
Het voorgestelde artikel 125d bepaalt dat de rechter-commissaris de
processen-verbaal en
andere voorwerpen, waaraan een gegeven kan worden ontleend dat is verkregen als
gevolg
van onderzoek van telecommunicatie, voor zover hij die voor het onderzoek in de
zaak van
betekenis acht, zo spoedig mogelijk nadat het onderzoek van telecommunicatie is
geëindigd, naar de officier van justitie dient te zenden. De naar zijn oordeel
voor het
onderzoek in de zaak relevante tapgegevens dient de rechter-commissaris dus zo
spoedig
mogelijk ter beschikking te stellen van de officier van justitie. Hij dient dit
in ieder geval te
doen zodra het onderzoek van telecommunicatie is geëindigd. Deze regeling staat
er niet
aan in de weg dat tapgegevens eerst via de officier van justitie naar de
rechter-commissaris
worden gestuurd. In verband met zijn taak om strafbare feiten op te sporen dient
de officier
van justitie direct geïnformeerd te worden over de inhoud van de uit de
telefoontap
verkregen gegevens, die voor het onderzoek in de zaak of voor de opsporing van
enig
ander feit van betekenis zijn.
Het voorgestelde artikel 125e breekt met het stelsel dat de officier van
justitie de
processen-verbaal en andere voorwerpen, die hij heeft verkregen als gevolg van
de
inlichtingen, bedoeld in artikel 125a, dient te vernietigen, tenzij hij binnen
een maand door
de rechter-commissaris is gemachtigd van vernietiging af te zien. Het is
denkbaar dat de
door de officier van justitie verkregen inlichtingen ook voor de verdachte
ontlastende
gegevens bevat. In geval van een verplichte vernietiging kan de verdediging niet
meer van
deze inlichtingen kennisnemen. Het voorgestelde artikel 125e waarborgt onder
meer dat de
verdachte en diens raadsman de rechter-commissaris kunnen verzoeken bepaalde
processen-verbaal of andere voorwerpen alsnog bij de processtukken te voegen.
Zie
daartoe het voorgestelde artikel 125i. Een dergelijk voorstel spoort ook met de
huidige
regeling volgens welke de officier van justitie, ingeval hij van vernietiging
wil afzien, een
gerechtelijk vooronderzoek dient te vorderen. De instelling van een gerechtelijk
vooronderzoek heeft tot gevolg dat alsdan het huidige artikel 125h, eerste en
derde lid, Sv
toepassing vindt. De rechter-commissaris dient op grond van deze bepalingen de
processen-verbaal en andere voorwerpen, verkregen als gevolg van de
inlichtingen, bedoeld
in artikel 125f, en die niet zijn vernietigd, bij de processtukken te voegen,
voor zover hij die
voor het onderzoek in de zaak van betekenis acht.
Het eerste lid van artikel 125e heeft betrekking op de situatie waarin na
beëindiging van
het onderzoek van telecommunicatie de zaak verder wordt vervolgd. Alsdan dient
de
officier van justitie, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat doch
uiterlijk op het
tijdstip dat hij de kennisgeving van verdere vervolging of de dagvaarding ter
terechtzitting
in eerste aanleg ter betekening aan de verdachte heeft doen uitgaan, de
processen-verbaal
of andere voorwerpen, bedoeld in artikel 125d, voor zover hij die voor het
onderzoek in de
zaak van betekenis acht, bij de processtukken te voegen.
De officier van justitie maakt dus aan de hand van de hem door de
rechter-commissaris
toegezonden processen-verbaal en andere voorwerpen een tweede selectie voor wat
betreft de betekenis hiervan voor het onderzoek in de zaak. Hij kan zijn oordeel
in de plaats
stellen van dat van de rechter-commissaris. Hij kan immers processen-verbaal en
andere
voorwerpen, die hij voor het onderzoek in de zaak van geen betekenis acht, ter
bewaring
retourneren aan de rechter-commissaris. Bovendien kan hij krachtens het bepaalde
in het
voorgestelde artikel 125h bewerkstelligen dat processen-verbaal en andere
voorwerpen, die
de rechter-commissaris voor het onderzoek in de zaak van geen betekenis heeft
geacht,
alsnog bij de processtukken doen voegen. Deze bevoegdheid doet recht aan de
positie van
de officier van justitie als «dominus litis». Hij bepaalt het onderwerp van de
vervolging en
dient derhalve, bij voorbeeld ingeval de officier van justitie de verdachte ten
aanzien van
bepaalde feiten niet verder wil vervolgen of de verdachte slechts ten aanzien
van een
minder ernstig feit wil vervolgen, de daarop betrekking hebbende
processen-verbaal of
andere voorwerpen buiten de processtukken te houden. Van de officier van
justitie mag in
redelijkheid worden verwacht dat hij de overige processen-verbaal en andere
voorwerpen,
die de rechter-commissaris voor het onderzoek in de zaak van betekenis acht, en
in het
bijzonder die stukken die de rechter-commissaris noodzakelijk acht voor een
behoorlijke
verdediging tegen de verdere vervolging door de officier van justitie, bij de
processtukken
zal voegen. Eventueel kan de officier van justitie ter terechtzitting worden
gevraagd of, en
zo ja waarom, hij ervan heeft afgezien om bepaalde processen-verbaal en andere
voorwerpen, die de rechter-commissaris voor het onderzoek in de zaak van
betekenis heeft
geacht, niet bij de processtukken te voegen.
Het tweede lid van artikel 125e heeft betrekking op de situatie waarin na
beëindiging van
het onderzoek van telecommunicatie de zaak niet verder wordt vervolgd, terwijl
tegen de
verdachte reeds een vervolging is ingesteld. Indien bij voorbeeld ten aanzien
van een
bepaalde verdachte voorlopige hechtenis of een gerechtelijk vooronderzoek is
gevorderd,
voegt de officier van justitie uiterlijk op het tijdstip dat hij de kennisgeving
van niet verdere
vervolging ter betekening aan de verdachte heeft doen uitgaan, de
processen-verbaal of
andere voorwerpen, bedoeld in artikel 125d, voor zover hij die van betekenis
acht voor het
onderzoek indien dit zou worden voortgezet, bij de processtukken. Verwacht mag
worden
dat de officier van justitie hierbij ook oog heeft voor de verdedigingspositie
van de
verdachte. Gelet op het bepaalde in artikel 246, eerste lid, eindigt de zaak
weliswaar door
een kennisgeving van niet verdere vervolging, doch ingevolge het voorschrift van
artikel
255 Sv kan de verdachte bij het bekend worden van nieuwe bezwaren ter zake van
hetzelfde feit opnieuw in rechte worden betrokken. Bij de processtukken dienen
dus de
processen-verbaal en andere voorwerpen te worden gevoegd die de officier van
justitie van
betekenis acht voor het onderzoek in de zaak indien genoemd voorschrift
toepassing zou
vinden. Voortzetting van het onderzoek in de zaak kan voorts geschieden op de
voet van
het bepaalde in artikel 246, tweede lid.
Het derde lid van artikel 125e heeft betrekking op de situatie waarin na
beëindiging van het
onderzoek van telecommunicatie de zaak niet verder wordt vervolgd, terwijl nog
geen
verdachte bekend is of tegen de verdachte nog geen vervolging is ingesteld. Voor
wat
betreft het laatste geval kan men bij voorbeeld denken aan de situatie waarin
ten aanzien
van een bepaalde verdachte de inverzekeringstelling is gelast. Alsdan voegt de
officier van
justitie zo spoedig mogelijk de processen-verbaal of andere voorwerpen, bedoeld
in artikel
125d, voor zover hij die van betekenis acht voor het onderzoek indien dit zou
worden
voortgezet, bij de processtukken.
De processen-verbaal en andere voorwerpen die niet bij de processtukken zijn
gevoegd
zendt de officier van justitie te zelfder tijd ter bewaring aan de
rechter-commissaris.
Indien de zaak geëindigd is, vindt het voorgestelde artikel 125k toepassing.
In het voorgestelde artikel 125e wordt een onderscheid gemaakt tussen de
vervolging van
de zaak en de vervolging van de verdachte. Een vervolging van de zaak doet zich
voor als
de zaak door een vordering van het openbaar ministerie aan de kennisneming van
een
rechterlijke instantie wordt onderworpen. Een vervolging van de verdachte doet
zich voor
als in de desbetreffende zaak de verdachte in die vordering wordt aangewezen. In
het
voorgestelde tweede lid wordt gedoeld op de situatie waarin tegen de verdachte
reeds een
vervolging is ingesteld. In het voorgestelde derde lid wordt onder meer gedoeld
op de
situatie waarin de verdachte wel bekend is doch nog geen vervolging tegen hem is
ingesteld.
Ook ingeval een bepaalde zaak wordt vervolgd, terwijl nog geen verdachte bekend
is (een
NN-zaak), worden processtukken gevormd. Ten aanzien van deze processtukken,
waarbij
zich ook de stukken bedoeld in het voorgestelde derde lid van artikel 125e
kunnen
bevinden, vindt de regeling neergelegd in de artikelen 30-33 en 51 Sv pas
toepassing,
indien er sprake is van een verdachte en voorts de desbetreffende stukken
betrekking
hebben op het onderzoek in de zaak tegen die verdachte. Het recht op
kennisneming van
stukken kan dus pas worden geëffectueerd (a) indien er een verdachte is en (b)
indien de
stukken als processtukken in de zaak tegen die verdachte kunnen worden
aangemerkt.
De tekst van artikel 125f, tweede lid, is aangepast aan het thans voorgestelde
artikel
125d. Indien een gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld, behoeft de
rechter-commissaris
de processen-verbaal en andere voorwerpen, waaraan een gegeven kan worden
ontleend,
dat is verkregen als gevolg van onderzoek van telecommunicatie, voor zover hij
die voor
het onderzoek in de zaak van betekenis acht, niet overeenkomstig het
voorgestelde artikel
125i aan de officier van justitie te zenden. Hij dient deze stukken zelf bij de
processtukken
te voegen en wel uiterlijk op het tijdstip van sluiting of beëindiging van het
gerechtelijk
vooronderzoek. Zie daartoe het thans van kracht zijnde artikel 125h, derde lid.
De overige
processen-verbaal en andere voorwerpen, voor zover de rechter-commissaris die
ten minste
voor het onderzoek van geen betekenis acht, dient hij te bewaren. Zie daartoe
het
voorgestelde artikel 125g.
De voorgestelde regeling staat er niet aan de weg dat, overeenkomstig de
bestaande
praktijk, tijdens een gerechtelijk vooronderzoek tapgegevens via de officier van
justitie naar
de rechter-commissaris worden gestuurd. Zie daartoe het gestelde in de
toelichting op
artikel 125d. Een dergelijke gang van zaken stelt de officier van justitie
voorts in staat zo
spoedig mogelijk een nadere vordering als bedoeld in de artikelen 181, derde
lid, of 182,
eerste lid, Sv in te dienen.
De rechter-commissaris dient ingevolge de voorgestelde bepaling, zolang de zaak
in
Nederland (zie hieromtrent de toelichting op de artikelen 125k en 552t, zesde
lid) niet is
geëindigd, de processen-verbaal en andere voorwerpen, bedoeld in artikel 125d,
voor zover
die niet bij de processtukken zijn gevoegd, te bewaren en ter beschikking van
het
onderzoek te houden.
De processen-verbaal en andere voorwerpen worden dus óf bij de processtukken
gevoegd
óf bewaard en ter beschikking van het onderzoek gehouden.
De officier van justitie is ingevolge het voorgestelde artikel 125h te allen
tijde bevoegd
kennis te nemen van de inhoud van de processen-verbaal en andere voorwerpen die
van
geen betekenis zijn voor het onderzoek. Indien de officier van justitie zulks
vordert, dient de
rechter-commissaris ingevolge dit artikel bepaalde processen-verbaal of andere
voorwerpen
bij de processtukken te voegen. Op deze wijze kan de officier van justitie,
indien hij van
oordeel is dat de rechter-commissaris ten onrechte bepaalde processen-verbaal of
andere
voorwerpen voor het onderzoek van geen betekenis heeft geacht, bewerkstelligen
dat deze
processen-verbaal of andere voorwerpen alsnog bij de processtukken worden
gevoegd.
Zodra het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten of geëindigd of, indien een
gerechtelijk
vooronderzoek niet heeft plaatsgehad, zodra de kennisgeving van verdere
vervolging of de
dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg aan de verdachte is betekend,
kan de
rechter-commissaris op een door de verdachte of diens raadsman met redenen
omkleed en
schriftelijk gedaan verzoek bepaalde, door de verdachte of diens raadsman
aangeduide,
processen-verbaal of andere voorwerpen, bedoeld in artikel 125g, alsnog bij de
processtukken voegen.
In de eerste plaats moeten de verdachte en diens raadsman kunnen controleren of
de
processen-verbaal een juiste weergave bevatten van de afgetapte
telecommunicatie. In de
regel worden door de rechter-commissaris immers alleen de processen-verbaal met
betrekking tot de afgeluisterde of opgenomen telefoongesprekken en niet de
daarbij
behorende geluidsbanden of gegevensdragers bij de processtukken gevoegd. Zulks
geldt in
het bijzonder ingeval de gesprekken in een vreemde taal zijn gevoerd. De
verdachte en
diens raadsman moeten mitsdien de rechter-commissaris kunnen verzoeken de bij de
desbetreffende processen-verbaal behorende geluidsbanden bij de processtukken te
voegen, opdat deze controle naderhand kan plaatsvinden.
In de tweede plaats moeten de verdachte en diens raadsman aan de
rechter-commissaris
kunnen verzoeken het proces-verbaal van een bepaald gesprek, een bepaalde
geluidsband
of een bepaalde gegevensdrager bij de processtukken te voegen, opdat zij daarvan
kennis
kunnen nemen. De verdediging kan er bij voorbeeld belang bij hebben dat zij
kennis kan
nemen van het gehele telefoongesprek en niet slechts van een, in het bij de
processtukken
gevoegde proces-verbaal weergegeven, gedeelte van dat telefoongesprek.
De verdachte of de raadsman dient in zijn verzoekschrift de processen-verbaal en
andere
voorwerpen, die hij bij de processtukken gevoegd wil zien, te specificeren en
het verzoek
met redenen te omkleden. Het recht op bescherming van het privéleven, zoals
gewaarborgd
in artikel 8 EVRM, van andere gespreksdeelnemers dan de verdachte (aan
gesprekken met
de verdachte neemt immers steeds ook een ander dan de verdachte deel) vereist
een
dergelijke specificatie en motivering van het verzoek.
Het verzoek zal in de regel betrekking hebben op de communicatie, waaraan de
verdachte
zelf heeft deelgenomen, omdat de verdachte veelal slechts van de inhoud van deze
telecommunicatie op de hoogte zal zijn. Ingevolge het voorgestelde artikel 125l,
tweede lid,
komt de verdachte het recht toe kennis te nemen van alle in het kader van de
telefoontap
gegeven beschikkingen van de rechter-commissaris. Aldus komt de verdachte gezien
het
bepaalde in het voorgestelde artikel 125m, vierde lid, ook op de hoogte van de,
in verband
met de opsporing van de in de vordering van de officier van justitie omschreven
strafbare
feiten afgetapte telecommunicatie. Over het algemeen zal de verdachte geen
kennis dragen
van de inhoud van de afgeluisterde of opgenomen communicatie en zal hij dus ook
geen
feiten of omstandigheden kunnen stellen die aannemelijk maken dat de
rechter-commissaris
of de officier van justitie met betrekking tot bepaalde processen-verbaal of
andere
voorwerpen een onjuiste selectie heeft toegepast. Het is evenwel denkbaar dat de
verdachte, bijv. door de betreffende gespreksdeelnemers of één van hen, op de
hoogte
wordt gebracht van de inhoud van een bepaald afgeluisterd telefoongesprek en
aldus in
staat gesteld wordt aan de in het voorgestelde eerste lid van artikel 125g
gestelde
vereisten te voldoen.
Het voorgestelde artikel 125i, eerste lid, bepaalt dat de rechter-commissaris
niet tot
voeging van door de verdachte of diens raadsman aangeduide processen-verbaal of
andere
voorwerpen overgaat dan nadat hij de officier van justitie daaromtrent heeft
gehoord. De
officier van justitie wordt aldus in de gelegenheid gesteld de
rechter-commissaris op de
hoogte te stellen van hem nog niet bekende resultaten van het
opsporingsonderzoek die bij
de besluitvorming van de rechter-commissaris van belang kunnen zijn.
De voorgestelde regeling voorziet niet in de bevoegdheid van de verdachte of
diens
raadsman om zelf kennis te nemen van de geluidsbanden of gegevensdragers, die
niet bij
de processtukken zijn gevoegd. Een zorgvuldige afweging van alle in het geding
zijnde
belangen, te weten het opsporingsbelang (ook in algemene zin), het
verdedigingsbelang en
de bescherming van het privéleven van derden, brengt mede dat alleen de
rechter-
commissaris de door de verdachte of diens raadsman aangeduide processen-verbaal
of
andere voorwerpen dient te inspecteren met het oog op de vraag of bepaalde
processen-
verbaal of andere voorwerpen niet alsnog als zijnde van betekenis voor het
onderzoek in de
zaak bij de processtukken moeten worden gevoegd. Indien de rechter-commissaris
na de
verdachte of diens raadsman in het verzoek ontvankelijk te hebben geacht in
aanwezigheid
van de verdachte of diens raadsman kennis zou nemen van de desbetreffende
processen-
verbaal of andere voorwerpen (in het bijzonder geluidsbanden en
gegevensdragers), zouden
tegelijkertijd ook de verdachte en diens raadsman kennis kunnen nemen van
processen-
verbaal of andere voorwerpen, waarvan achteraf door de rechter-commissaris
vastgesteld
zou kunnen worden dat zij van geen betekenis voor het onderzoek in de zaak zijn.
De
verdachte en diens raadsman hebben geen recht op kennisneming van gegevens, die
met
het oog op te voeren verdediging irrelevant zijn. Een dergelijk recht kan ook
niet aan het
bepaalde in artikel 8 EVRM worden ontleend. De hiervoor aangehaalde
rechtsoverweging
van het EHRM in de zaken Kruslin en Huvig, voor zover inhoudende dat «precautions
to be
taken in order to communicate the recordings intact and in their entirety for
possible
inspection by the judge (...) and by the defence», ziet op de processen-verbaal
en andere
voorwerpen die van belang zijn voor het onderzoek en die dus bij de
processtukken dienen
te worden gevoegd. De inspectie van de door de verdachte of diens raadsman in
het
verzoekschrift aangeduide processen-verbaal of andere voorwerpen en de daarop
volgende
selectie met het oog op de voeging van deze processen-verbaal of andere
voorwerpen bij
de processtukken dient derhalve uitsluitend door de rechter-commissaris te
geschieden.
Zoals uit het voorgestelde artikel 125h blijkt, komt het recht op kennisneming
van de
processen-verbaal of andere voorwerpen, die niet bij de processtukken zijn
gevoegd, de
officier van justitie in het onderhavige voorstel wèl toe. Wil de officier van
justitie zijn taak
om strafbare feiten op te sporen (zie art. 148 Sv) op een verantwoorde wijze
kunnen
uitoefenen, dan moet hij kennis kunnen nemen van alle gegevens die ter opsporing
van
enig strafbaar feit zijn verzameld. Uit een tap kunnen allerlei gegevens worden
verkregen
die op zichzelf weer aanleiding kunnen geven tot een nieuw opsporingsonderzoek,
omdat
deze gegevens een verdenking van een nieuw strafbaar feit opleveren, of die
leiden naar
nieuwe of andere verdachten ter zake van het desbetreffende strafbare feit.
Voorts mag in
redelijkheid van de officier van justitie worden verwacht dat hij daarbij ook
oog heeft voor
de verdedigingspositie van de verdachte.
De verplichting tot specificatie en motivering van het verzoek dwingt de
verdachte of diens
raadsman het belang van de verdediging bij de voeging van de door hem aangeduide
processen-verbaal of andere voorwerpen te concretiseren. Zo zou de verdediging
feiten of
omstandigheden kunnen stellen die aannemelijk maken dat het desbetreffende
proces-
verbaal geen juiste weergave of vertaling bevat van het opgenomen gesprek. Ook
zou de
verdediging feiten of omstandigheden kunnen stellen die aannemelijk maken dat
een
bepaalde passage of zinsnede in het proces-verbaal een andere betekenis krijgt
als deze
wordt bezien in het licht van een ander opgenomen gesprek. De
rechter-commissaris dient
het verzoek van de raadsman van de verdachte in te willigen, indien hij alsnog
tot het
oordeel komt dat de voeging van de desbetreffende processen-verbaal of andere
voorwerpen voor het onderzoek in de zaak van betekenis zijn en deswege bij de
processtukken dienen te worden gevoegd. Tegen de gemotiveerde en schriftelijke
ter
kennis vaal de officier van justitie, de verdachte en diens raadsman (zie
artikel 51, tweede
volzin, Sv) gebrachte beschikking van de rechter-commissaris staat voor de
verdachte of
diens raadsman geen rechtsmiddel open. Deze processuele ongelijkheid - de
rechter-
commissaris is verplicht om aan de vordering als bedoeld in het voorgestelde
artikel 125h,
tweede volzin, te voldoen - valt te billijken. De vervolging van de zaak zou
anders te zeer
worden vertraagd. Bovendien kan de verdachte of diens raadsman zich altijd nog
op de
terechtzitting met een verzoek tot de rechtbank of het gerechtshof richten om
overeenkomstig het bepaalde in artikel 315 juncto artikel 415 Sv te bevelen dat
alsnog
bepaalde processen-verbaal of andere voorwerpen ter terechtzitting worden
overgelegd.
Overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 33 en 51 Sv dient de verdachte of
diens
raadsman een verzoek als bedoeld in het voorgestelde eerste lid van artikel 125i
in ieder
geval te kunnen indienen, zodra het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten of
geëindigd of,
indien een gerechtelijk vooronderzoek niet heeft plaatsgehad, zodra de
kennisgeving van
verdere vervolging of de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg aan de
verdachte is
betekend. Het spreekt vanzelf dat ingeval in een eerder stadium
processen-verbaal of
andere voorwerpen, waaraan een gegeven kan worden ontleend, dat is verkregen als
gevolg van het onderzoek van telecommunicatie, bij de processtukken zijn
gevoegd, terwijl
voorts de verdachte of diens raadsman de kennisneming van die processtukken niet
wordt
onthouden, zij reeds dan ten einde onnodige vertraging te vermijden een verzoek
als
bedoeld in het voorgestelde artikel 125i, eerste lid, kunnen indienen.
Nu het onderhavige voorstel voorziet in de verplichting om de processen-verbaal
en andere
voorwerpen, die naar het aanvankelijk oordeel van de rechter-commissaris van
geen
betekenis voor het onderzoek in de zaak zijn, te bewaren, dringt zich de vraag
op of de
wettelijke regeling inzake het aftappen van telecommunicatie niet tevens de
mogelijkheid
behoort te bieden om de processen-verbaal en andere voorwerpen, voor zover zij
mededelingen behelzen, gedaan door of aan een persoon die zich op grond van
artikel 218
Sv zou kunnen verschonen indien hem als getuige naar de inhoud van die
mededelingen
zou kunnen worden gevraagd, bij de processtukken te kunnen voegen. De belangen
van de
verschoningsgerechtigden als bedoeld in artikel 218 Sv worden immers voldoende
beschermd, indien in de wet zou worden vastgelegd dat de desbetreffende
processen-
verbaal of andere voorwerpen alleen met diens schriftelijke toestemming door de
rechter-
commissaris bij de processtukken kunnen worden gevoegd. Zie hiertoe het bepaalde
in het
tweede lid van artikel 98 Sv. Ingeval de verschoningsgerechtigde door zijn
cliënt of patiënt
van zijn geheimhoudingsplicht is ontslagen en hij zich ook overigens, na
afweging van alle
in aanmerking komende belangen, daartoe vrij acht of genoopt voelt, kan zich een
situatie
voordoen, waarin de verschoningsgerechtigde afstand doet van zijn
verschoningsrecht en
aldus een voeging van de desbetreffende processen-verbaal of andere voorwerpen
bij de
processtukken mogelijk maakt.
Is de zaak in Nederland geëindigd, dan dienen de processen-verbaal en andere
voorwerpen,
die niet bij de processtukken zijn gevoegd, ten overstaan van de
rechter-commissaris te
worden vernietigd.
Een zaak kan op verschillende wijzen eindigen. Een zaak eindigt in de eerste
plaats doordat
bij onherroepelijk gewijsde over de zaak is beslist. Voorts bepaalt artikel 246,
eerste lid, Sv
dat de zaak eindigt door een kennisgeving van niet verdere vervolging. Een zaak
kan ook
eindigen door een verklaring van het gerecht in feitelijk aanleg, voor hetwelk
de zaak het
laatst werd vervolgd, dat de zaak geëindigd is (art. 36, eerste lid, Sv) of
door een
buitenvervolgingstelling van de verdachte (art. 250, vijfde lid, Sv). In
laatstbedoelde
gevallen behoeft de zaak niet onherroepelijk te zijn geëindigd. Immers in geval
van nieuwe
bezwaren kan onder bepaalde voorwaarden de zaak verder worden vervolgd (zie art.
255
Sv). Ten einde te voorkomen dat processen-verbaal en andere voorwerpen, die de
officier
van justitie, de verdachte of diens raadsman verdachte van betekenis achten voor
het
onderzoek, voortijdig worden vernietigd, is in het voorgestelde artikel 125k
voorgeschreven
dat de vernietiging niet eerder dan een maand nadat de zaak geëindigd is, mag
plaatsvinden. De officier van justitie, de verdachte en diens raadsman kunnen
gedurende
die maand nog vorderen onderscheidenlijk verzoeken dat bepaalde
processen-verbaal of
andere voorwerpen bij de processtukken worden gevoegd. Zie daartoe de
voorgestelde
artikelen 125h, tweede volzin, en 125i, eerste lid.
De zaak moet «in Nederland» zijn geëindigd. In geval van een overdracht van
strafvervolging eindigt de zaak in Nederland op het moment dat de bevoegde
autoriteiten
van de vreemde Staat op de bij het van toepassing zijnde Verdrag voorgeschreven
wijze
onherroepelijk hebben ingestemd met de overdracht van de strafvervolging.
Ingeval een gerechtelijk vooronderzoek tegen een onbekende verdachte is
ingesteld, eindigt
de zaak op het moment dat het gerechtelijk vooronderzoek door de
rechter-commissaris
wordt gesloten. De processen-verbaal en andere voorwerpen, die niet bij de
processtukken
zijn gevoegd, worden dan na een maand vernietigd. Indien de officier van
justitie de
mogelijkheid wil openhouden dat bepaalde processen-verbaal of andere voorwerpen
in de
desbetreffende zaak tegen een later bekend geworden verdachte tot het bewijs
gebezigd
kunnen worden, dan zal hij er overeenkomstig het voorgestelde artikel 125h,
tweede
volzin, voor dienen zorg te dragen dat ook de mogelijk voor de verdediging
relevante
processen-verbaal en andere voorwerpen, waaronder de geluidsbanden waarop de
gesprekken geregistreerd zijn, bij de processtukken worden gevoegd, opdat de
verdediging
alsnog in een later stadium in de gelegenheid zal zijn om hiervan kennis te
nemen. Doet de
officier van justitie dat niet, dan loopt hij het risico dat bepaald
bewijsmateriaal niet meer
bruikbaar is. Ook indien de tap wordt beëindigd op een moment dat nog geen
verdachte
bekend is, eindigt de zaak. Ook in dat geval zal de officier van justitie er
voor dienen zorg
te dragen dat alle, mogelijk voor de verdediging, relevante processen-verbaal en
andere
voorwerpen bij de processtukken worden gevoegd. Indien de tap is geëindigd,
dient de
officier van justitie de rechter-commissaris hiervan onverwijld op de hoogte te
stellen. Zie
het voorgestelde derde lid van artikel 125c. Als op dat moment geen bepaalde
verdachte
wordt vervolgd, dient de rechter-commissaris de processen-verbaal en andere
voorwerpen
die niet bij de processtukken zijn gevoegd overeenkomstig het voorgestelde
artikel 125k,
eerste lid, zo spoedig mogelijk doch niet eerder dan een maand te vernietigen.
Het voorgestelde tweede lid van artikel 125k wijkt af van het in het rapport van
de
commissie voorgestelde artikel 125i, vijfde lid. De thans voorgestelde bepaling
beoogt een
wettelijke grondslag te bieden voor de vrijstelling van vernietiging van
bepaalde processen-
verbaal of andere voorwerpen ten einde deze tot het bewijs van een ander begaan
of nog
te begaan misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, dat gezien zijn
aard, of het
georganiseerd verband waarin het is begaan, of de samenhang met andere begane
misdrijven, een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert of zal opleveren, te
kunnen doen
medewerken. Deze regeling bevat derhalve een uitzondering op de verplichting van
de
rechter-commissaris om de processen-verbaal of andere voorwerpen, die niet bij
de
processtukken zijn gevoegd, na beëindiging van de zaak te vernietigen. De
voorgestelde
regeling heeft geen betrekking op de opslag van gegevens, die aan deze
processen-verbaal
of andere voorwerpen kunnen worden ontleend, in een politieregister (zie
paragraaf 8.8.4
van het rapport van de commissie). Deze kwestie, die een wijziging van de Wet
politieregisters (Stb. 1990, 414) met zich zal brengen, zal in een apart
wetsvoorstel
worden geregeld.
Nu volgens de voorgestelde regeling de processen-verbaal en andere voorwerpen,
bedoeld
in het voorgestelde artikel 125d, voor zover die niet bij de processtukken zijn
gevoegd,
eerst door de rechter-commissaris worden bewaard alvorens zij na beëindiging
van de zaak
worden vernietigd, beslist de rechter-commissaris na een daartoe strekkende
vordering van
de officier van justitie of vrijstelling van vernietiging dient te worden
verleend. Tegen een
afwijzing van de vordering door de rechter-commissaris kan de officier van
justitie hoger
beroep en daarna eventueel beroep in cassatie instellen. De rechter-commissaris
zal,
rekening houdende met de afloop van de strafzaak in het kader waarvan de tap
heeft
plaatsgevonden, het belang dat genoemde processen-verbaal of andere voorwerpen
voor
de bewijslevering van dat andere, ernstige strafbare feit hebben of kunnen
hebben alsmede
het recht van de verdachte en anderen op eerbiediging van hun persoonlijke
levenssfeer bij
zijn beslissing op de vordering tot vrijstelling van vernietiging moeten
afwegen.
Het voorgestelde derde lid van artikel 125k waarborgt dat ten aanzien van
processen-
verbaal of andere voorwerpen, die mededelingen gedaan door of aan
verschoningsgerechtigden als bedoeld in artikel 218 Sv behelzen, geen
vrijstelling van
vernietiging kan worden verleend.
Het voorgestelde artikel 125l is praktisch gelijkluidend aan het in het rapport
van de
commissie voorgestelde artikel 125k.
De wijze waarop voeging, bewaring en vernietiging van de processen-verbaal en
andere
voorwerpen, bedoeld in artikel 125d, plaatsvindt, dient nader bij algemene
maatregel van
bestuur te worden geregeld. Zie daartoe het bepaalde in artikel 117a Sv. Daarin
zal ook de
mogelijkheid moeten worden geopend om de voeging van «andere voorwerpen» bij
de
processtukken te laten geschieden door deponering daarvan ter griffie. Dit is in
het
bijzonder gewenst wanneer een zaak meerdere verdachten betreft.
Het zesde lid van artikel 552t regelt overeenkomstig het bepaalde in het
voorgestelde
artikel 125e de voeging van de processen-verbaal en andere voorwerpen, bedoeld
in artikel
125d, voor zover de officier van justitie die voor het onderzoek in de zaak van
betekenis
acht, bij de processtukken alsmede de bewaring van de overige processen-verbaal
en
andere voorwerpen door de rechter-commissaris in geval van een voorgenomen
overdracht
van strafvervolging.
9.12. Het deskundigenonderzoek op last van de (hulp)officier van justitie
(artikel 151)
Het voorgestelde artikel 151 strekt ertoe de officier van justitie een
bevoegdheid tot het
benoemen van vaste gerechtelijke deskundigen als bedoeld in artikel 228, tweede
lid, Sv te
verschaffen. Deze deskundigen hebben tot taak de officier van justitie voor te
lichten of bij
te staan, alsmede, indien de officier van justitie dat nodig acht, een
onderzoek, een
onderzoek omtrent de persoonlijkheid van de verdachte daaronder begrepen, in te
stellen
en daarover een schriftelijk verslag uit te brengen. De in artikel 151 aanhef te
dien aanzien
gestelde beperkingen komen te vervallen. Bij de benoeming worden vermeld de
opdracht
die moet worden vervuld en de termijn binnen welke de deskundige het
schriftelijk verslag
uitbrengt.
De vaste gerechtelijke deskundige kan zowel een technisch onderzoek als een
onderzoek
naar de persoonlijkheid van de verdachte verrichten. Van de bevoegdheid om
laatstgenoemd onderzoek in te stellen wordt door de officier van justitie (en de
hulpofficier)
thans zelden gebruik gemaakt, omdat artikel 151 aanhef Sv als eis toevoegt dat
er in
afwachting van het optreden van de rechter-commissaris sprake moet zijn van
dringende
noodzakelijkheid. Dat is voor een dergelijk onderzoek in het algemeen niet het
geval. In de
regel vindt rapportage over de persoonlijkheid van de verdachte plaats op last
van de
rechter-commissaris in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek. Deze
deskundigen zijn
veelal als vaste gerechtelijke deskundigen beëdigd. Uit het onderzoek van het
WODC blijkt
dat de door de rechter-commissaris benoemde deskundige in vrijwel alle gevallen
een
psychiater is 13). Het een en ander betekent dat de officier van justitie de
instelling van
een gerechtelijk vooronderzoek zal moeten vorderen, indien hij rapportage over
de
persoonlijkheid van de verdachte gewenst acht. Aldus ontstaat een categorie van
gerechtelijke vooronderzoeken die uitsluitend en alleen worden ingesteld ten
einde
rapportage over de persoonlijkheid van de verdachte mogelijk te maken. Nu in de
artikelen
37, 37b en 38c Sr is vastgelegd dat de rechter ter terechtzitting over een
deskundigenadvies moet beschikken wanneer hij een vrijheidsbenemende maatregel
wil
opleggen, is de rechter-commissaris meer dan vroeger gehouden tot het
inschakelen van
dergelijke deskundigen. Deze omslachtige procedure kan worden vermeden, indien
ook de
officier van justitie de bevoegdheid toekomt een vaste gerechtelijke deskundige
te
benoemen die tot taak heeft psychologische of psychiatrische onderzoeken te
verrichten en
daarover te rapporteren. Vooral wanneer de verdachte en diens raadsman tegen de
benoemde deskundige geen bezwaar hebben, ontbreekt aan de instelling van een
gerechtelijk vooronderzoek enkel en alleen om die reden iedere zin. De
bevoegdheid van de
officier van justitie tot benoeming van deskundigen is beperkt tot vaste
gerechtelijke
deskundigen. De beëdiging van deze deskundigen als zodanig door het gerechtshof
biedt
een zekere garantie voor de deskundigheid en betrouwbaarheid van de deskundige.
De regeling met betrekking tot de aanvrage van forensische rapportage en
voorlichtingsrapportage wordt op deze wijze geüniformeerd. Krachtens de
artikelen 147 en
177, tweede lid, Sv hebben de officier van justitie en de rechter-commissaris
een gelijke
bevoegdheid voor wat betreft het opmaken van een voorlichtingsrapport door de
reclassering. De toekenning van een algemene bevoegdheid aan de officier van
justitie om
gedragsdeskundigen te benoemen maakt het voorts mogelijk dat richtlijnen op dit
punt tot
stand komen en inhoudelijke criteria worden ontwikkeld met betrekking tot
forensische
rapportage. Aldus ontstaat landelijk meer eenheid bij de benoeming van
gedragsdeskundigen.
De artikelen 227-236 Sv worden in het voorgestelde artikel niet van
overeenkomstige
toepassing verklaard. De verdachte of diens raadsman kan, ingeval hij toepassing
van een
van deze bepalingen gewenst acht, de officier van justitie verzoeken een
vordering tot een
gerechtelijk vooronderzoek in te stellen. De rechter-commissaris kan vervolgens
gebruik
maken van de hem in de artikelen 227-236 toekomende bevoegdheden. Artikel 227,
tweede lid, Sv geeft de verdachte het recht de rechter-commissaris te verzoeken
dat een of
meer door hem aanbevolen personen als deskundigen zullen worden benoemd. Artikel
232
Sv geeft de verdachte het recht zijnerzijds een deskundige aan te wijzen die het
recht heeft
bij het onderzoek van de door de rechter-commissaris benoemde deskundige
tegenwoordig
te zijn. Artikel 233, eerste lid, Sv geeft de verdachte het recht een deskundige
aan te
wijzen die het recht heeft het verslag van de door de rechter-commissaris
benoemde
deskundige te onderzoeken. Artikel 235 Sv ten slotte geeft de verdachte,
ingeval, hetzij de
wijze waarop het onderzoek door de deskundigen is geschied, hetzij het verschil
van de
deskundigen omtrent de feiten, hetzij het verschil in oordeelvelling, daartoe
aanleiding
geeft, het recht de rechter-commissaris te verzoeken het onderzoek aan andere
deskundigen op te dragen. Is eenmaal een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld,
dan dient
de officier van justitie, gelet op de leidinggevende taak van de
rechter-commissaris,
terughoudendheid te betrachten bij de benoeming van deskundigen. In dat geval
staat hem
de mogelijkheid open een vordering bedoeld in artikel 227, eerste lid, te doen.
Indien geen
gerechtelijk vooronderzoek wordt ingesteld, dan zal de verdachte of diens
raadsman met de
indiening van het verzoek moeten wachten tot de aanvang van het onderzoek op de
terechtzitting.
De door de hulpofficier benoemde vaste gerechtelijke deskundigen hebben, zo
schrijft het
voorgestelde tweede lid van artikel 151 voor, niet tot taak een onderzoek
omtrent de
persoonlijkheid van de verdachte in te stellen en daarover schriftelijk verslag
uit te brengen.
De taak van deze deskundigen dient beperkt te blijven tot het verrichten van de
zuiver
technische onderzoeken, bijv. een onderzoek van het Gerechtelijk Laboratorium.
Het
merendeel van de onderzoeken van het Gerechtelijk Laboratorium wordt door de
politie of
andere opsporingsinstanties aangebracht, zij het dat in veel gevallen toch
meestal de
officier van justitie formeel opdrachtgever is.
Volgens de bestaande rechtspraak van de Hoge Raad kunnen in opdracht van de
politie
totstandgekomen rapporten, waaronder rapporten van vaste gerechtelijke
deskundigen
zoals die welke verbonden zijn aan het Gerechtelijk Laboratorium, ook indien
deze door de
verdachte zijn betwist, als een schriftelijk verslag van een deskundige in de
zin van artikel
344, eerste lid onder 4, Sv aangemerkt worden 14).
Betwiste verslagen van de door de rechter-commissaris benoemde deskundigen mogen
evenwel niet tot het bewijs worden gebezigd, als de verdachte niet de
mogelijkheid heeft
gehad om van de hem door de artikelen 231, tweede en derde lid, en 232, eerste
lid, Sv
toegekende bevoegdheden uit te oefenen 15). De artikelen 151 en 158 Sv vinden
gezien
deze rechtspraak kennelijk alleen dan toepassing, indien er sprake is van een
uitdrukkelijke
benoeming van een persoon tot deskundige door een in dat artikel aangewezen
autoriteit,
te weten de officier van justitie of de hulpofficier 16). Alleen in dat geval
zijn de artikelen
230 e.v. van overeenkomstige toepassing. Toepassing van artikel 151 is dus geen
voorwaarde voor het gebruik als bewijsmiddel van een in opdracht van de
(hulp)officier van
justitie totstandgekomen rapport van een (vaste gerechtelijke) deskundige.
Hooguit
verhoogt zij de waarde daarvan als bewijsmiddel.
De tekst van artikel 227, eerste lid, is overeenkomstig de voorgestelde
wijziging van artikel
151 aangepast.
9.13. De positie van de getuige in het gerechtelijk vooronderzoek
(artikelen 185-187c, 216
en 295)
De regeling van het getuigenverhoor dient op onderdelen te worden gewijzigd.
Krachtens het voorgestelde artikel 186, eerste lid, kan de officier van justitie
de verhoren
van de rechter-commissaris altijd bijwonen. De in het huidige artikel 185,
tweede lid, Sv te
dien aanzien gestelde beperkende voorwaarde komt te vervallen. De officier van
justitie kan
voorts de vragen opgeven die hij gesteld wenst te zien. Als de officier van
justitie het
verhoor niet bijwoont, kan hij zulks schriftelijk doen. De rechter-commissaris
stelt de
officier van justitie in de gelegenheid bij de verhoren tegenwoordig te zijn,
zonder dat het
onderzoek mag worden opgehouden. Dit voorschrift legt de rechter-commissaris de
verplichting op om de officier van justitie zo tijdig mogelijk op de hoogte te
stellen van een
aanstaand verhoor. Het staat de officier van justitie vervolgens vrij het
verhoor al dan niet
bij te wonen. De rechter-commissaris behoeft niet met de aanvang van het verhoor
te
wachten totdat de officier van justitie zich ter plaatse bevindt.
Een algemene bevoegdheid tot het bijwonen van verhoren van de
rechter-commissaris
komt de raadsman niet toe. Hoofdregel is weliswaar dat de raadsman deze verhoren
kan
bijwonen, doch deze regel lijdt uitzondering, indien het belang van het
onderzoek dit
verbiedt. De raadsman bezit wel een algemene bevoegdheid tot het opgeven van
vragen
die hij gesteld wenst te zien. Hij kan zulks vóór of tijdens het verhoor doen.
Als hem de
toegang tot het verhoor door de rechter-commissaris is geweigerd, kan hij
uitsluitend
schriftelijk de vragen opgeven die hij gesteld wenst te zien. Onder
omstandigheden zal de
rechter-commissaris in dat geval genoodzaakt zijn de getuige ten tweede male te
verhoren.
De raadsman is immers pas na lezing van de door de getuige buiten zijn
aanwezigheid
afgelegde verklaring in staat in volle omvang te beoordelen welke vragen hij aan
die getuige
gesteld wenst te zien. De raadsman komt immers de bevoegdheid toe «to challenge
and
question» 17). Een dergelijk verbod behoeft er niet toe te leiden dat de
officier van justitie
in dat geval niet meer bevoegd zou zijn het verhoor bij te wonen.
Krachtens het voorgestelde tweede lid van artikel 186a kan de
rechter-commissaris, indien
hij dit in het belang van het onderzoek wenselijk acht, ook de verdachte in de
gelegenheid
stellen het verhoor van een getuige of deskundige bij te wonen. De huidige
wettelijke
regeling biedt hiervoor geen basis. De verdachte kan de vragen opgeven die hij
gesteld
wenst te zien.
De instelling van een gerechtelijk vooronderzoek leidt niet tot een ambtshalve
toevoeging
van een raadsman aan de verdachte. Zie de artikelen 41 en 42 Sv. Indien tijdens
een
gerechtelijk vooronderzoek de verdachte geen raadsman heeft, dient hem ingevolge
het
voorgestelde artikel 187a op last van de rechter-commissaris onverwijld een
raadsman te
worden toegevoegd, indien die raadsman krachtens het bepaalde in artikel 186a,
eerste lid,
of 187 bevoegd zou zijn enig verhoor bij te wonen.
Artikel 187 kan als een uitwerking worden beschouwd van de gedachte dat verhoor
van
een getuige of deskundige ten aanzien van wie een gegrond vermoeden bestaat dat
hij niet
ter terechtzitting zal kunnen verschijnen, behoort plaats te vinden
overeenkomstig de
voorschriften die gelden voor het verhoor van getuigen of deskundigen ter
terechtzitting.
Krachtens artikel 292, eerste lid, Sv kan de voorzitter van de rechtbank bevelen
dat een of
meer verdachten de gehoorzaal zullen verlaten, opdat een getuige buiten hun
aanwezigheid
zal worden ondervraagd. Deze bepaling wordt vooral toegepast bij verhoren van
slachtoffers van seksuele delicten. Ter bescherming van de getuige kan diens
verhoor
alleen in aanwezigheid van de raadsman plaatsvinden. Het voorgestelde tweede lid
van
artikel 187 beoogt het verhoor van een getuige, ten aanzien van wie een gegrond
vermoeden bestaat dat hij niet ter terechtzitting zal kunnen verschijnen, bijv.
omdat hij
daartoe psychisch niet in staat geacht moet worden, tijdens het gerechtelijk
vooronderzoek
alleen in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte te kunnen doen
plaatsvinden. Na
afloop van het verhoor dient de rechter-commissaris de verdachte onmiddellijk te
informeren over hetgeen de getuige heeft verklaard.
Het voorgestelde tweede lid van artikel 187 heeft gelet op het bepaalde in
artikel 296 Sv
ook betrekking op deskundigen. Ook de rechter-commissaris dient in de
gelegenheid te
worden gesteld bijv. een gedragsdeskundige die omtrent de persoonlijkheid van de
verdachte heeft gerapporteerd en voor langere tijd naar het buitenland vertrekt,
buiten
aanwezigheid van de verdachte te ondervragen. Het belang van het onderzoek kan
meebrengen dat de deskundige vrijuit moet kunnen spreken. Zie daartoe ook het
bepaalde
in artikel 304 Sv. De rechter-commissaris kan vervolgens hetgeen door de
deskundige is
verklaard aan de verdachte mededelen.
De wet biedt de rechter in artikel 288 Sv de bevoegdheid te beletten dat aan een
bepaalde
vraag gevolg wordt gegeven. Sinds enkele jaren wordt van deze bevoegdheid
gebruik
gemaakt in het geval dat een getuige geen beroep op een verschoningsrecht
toekomt maar
wel zwaarwegende belangen heeft om te zwijgen. Ook de rechter-commissaris dient
de
bevoegdheid te bezitten te beletten dat aan enige vraag gevolg wordt gegeven. De
redactie
van artikel 288, eerste volzin, Sv is in het voorgestelde artikel 187b gevolgd.
Ten aanzien van de anonieme getuigen is een afzonderlijk wetsvoorstel bij de
Tweede
Kamer in behandeling.
Niet alleen anonieme getuigen kunnen bedreigde getuigen zijn. Ook slachtoffers
en
minderjarigen kunnen zich bij het afleggen van getuigenis redelijkerwijs
bedreigd achten en
behoefte hebben aan een bijzondere bescherming. De laatste tijd staat vooral de
positie van
de slachtoffer-getuige ter discussie. Donker en Smit bepleiten meer bescherming
van
getuigen die slachtoffer zijn van ernstige criminaliteit 18). Zij betogen dat in
een zaak,
waarin de getuigen mede slachtoffer zijn van ernstige criminaliteit, het belang
van een
goede rechtspraak eist dat het recht van de verdachte op een openbare
behandeling wordt
beperkt. Deze beperking kan worden gevonden in een verhoor van deze getuigen bij
de
rechter-commissaris en daarna niet meer op een openbare zitting. «Een
herhalingsverhoor
ter terechtzitting is niet maatschappelijk dringend noodzakelijk, terwijl voorts
deze
inmenging op het privé-leven van het slachtoffer niet meer evenredig is aan het
beoogde
doel van een fair trial». Het verhoren van slachtoffers als getuigen op de
terechtzitting kan
volgens het geldende recht alleen worden voorkomen als de getuige tijdens het
gerechtelijk
vooronderzoek beëdigd of aangemaand naar het oordeel van de rechtbank niet op
de
terechtzitting heeft kunnen verschijnen (art. 295 Sv). Zij bepleiten voorts een
verbetering
van de slachtofferzorg. Voor wat betreft het gerechtelijk vooronderzoek denken
zij in het
bijzonder aan de mogelijkheid voor de getuige om zich te laten vergezellen door
een
vertrouwenspersoon of advocaat. De huidige wettelijke bepalingen verschaffen de
rechter-
commissaris niet uitdrukkelijk de bevoegdheid om andere personen bijzondere
toegang tot
het verhoor van de getuige te verlenen.
Ter bescherming van de slachtoffers die als getuigen worden verhoord stel ik
voor de
artikelen 187, 216 en 295 aan te passen. Het toepassingsbereik van artikel 187
dient naar
mijn oordeel te worden uitgebreid tot het geval dat gegrond vermoeden bestaat
dat de
gezondheidstoestand van de getuige (of deskundige) door het afleggen van een
verklaring
ter terechtzitting ernstig in gevaar wordt gebracht. Ook in dat geval dient de
rechter-
commissaris de officier van justitie, de verdachte en de raadsman tot bijwoning
van het
verhoor uit te nodigen. Dit gegronde vermoeden zal de rechter-commissaris kunnen
afleiden
uit een daartoe opgemaakte medische verklaring. Ik stel vervolgens voor artikel
216 Sv in
die zin te wijzigen dat in een geval als bedoeld in de vorige volzin de getuige
of deskundige
wordt beëdigd. Ik stel ten slotte voor artikel 295 aldus te wijzigen dat de
beëdigde
verklaring van de getuige, mits ter terechtzitting voorgelezen, als aldaar
afgelegd zal
worden aangemerkt. De rechter-commissaris zal ervoor dienen te waken dat de
verdediging
haar ondervragingsrecht tijdens het verhoor ten volle kan uitoefenen, wil de
beëdigde
verklaring als doorslaggevend bewijs gebruikt kunnen worden. De
rechter-commissaris zal
bij het verhoor ook nieuwe technische ontwikkelingen kunnen benutten. Zo kan hij
het
verhoor met behulp van video-apparatuur opnemen 19). Ook kan hij onder
omstandigheden
de getuige zodanig verhoren dat daarbij geen oogcontact mogelijk is tussen de
getuige en
de verdachte 20).
Ingevolge het voorgestelde artikel 187c kan de rechter-commissaris tot bijwoning
van het
verhoor van een getuige of deskundige bijzondere toegang verlenen. Deze bepaling
biedt de
rechter-commissaris de mogelijkheid toegang te verlenen aan een
vertrouwenspersoon van
een slachtoffer die als getuige wordt verhoord. De reikwijdte van deze bepaling
is evenwel
ruimer. In verband met het lopende onderzoek kan het gewenst zijn dat ook
politiefunctionarissen in staat gesteld worden een verhoor bij te wonen.
Op voorstel van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak 21) stel ik voor de
mogelijkheden tot beëdiging van een getuige door de rechter-commissaris te
verruimen.
Ingevolge het voorgestelde tweede lid van artikel 216 vindt een beëdiging
tevens plaats
ingeval de rechter-commissaris deze in verband met de betrouwbaarheid van de
verklaring
van de getuige of deskundige nodig acht. Door de beëdiging zal de getuige ervan
doordrongen zijn dat hij de waarheid dient te vertellen. Doet hij niet, dan
maakt hij zich
schuldig aan meineed. De verruiming kan voorts onder omstandigheden een
verschijning
van een getuige ter terechtzitting, omdat de getuige tijdens het gerechtelijk
vooronderzoek
geen beëdigde verklaring heeft afgelegd, voorkomen. Tevens zullen gevallen van
meineed
zich reeds in het voorbereidend onderzoek openbaren en kunnen aldaar worden
afgehandeld. Een eventuele verstoring van het onderzoek op de terechtzitting kan
daardoor
worden vermeden.
9.14. De schouw (artikelen 150 en 192)
Een algemene bevoegdheid tot het houden van een schouw, vaak met het oog een
reconstructie van de zaak, komt thans alleen de rechter-commissaris toe (art.
192, eerste
lid, Sv). Voor het houden van een schouw in een woning, waarvan de toegang door
de
bewoner wordt geweigerd, is verlof van de rechtbank vereist (art. 192, tweede
lid). Alleen
in dringende gevallen is de (hulp)officier van justitie bevoegd dit dwangmiddel
toe te
passen (artt. 150 en 158 Sv). Thans wordt voorgesteld de officier van justitie
en de
hulpofficier een algemene zelfstandige bevoegdheid tot het houden van een schouw
te
verschaffen en artikel 150 aldus te wijzigen. Het houden van een schouw in een
woning
gaat bepaald minder ver dan het doorzoeken van een woning. Het is dan ook
alleszins
verdedigbaar de algemene bevoegdheid tot toepassing van dit dwangmiddel over te
dragen
aan de officier van justitie en de hulpofficier. Voorts kan op deze manier
vermeden worden
dat een gerechtelijk vooronderzoek wordt gevorderd enkel en alleen om de
rechter-
commissaris in staat te stellen een schouw te houden.
Tijdens een gerechtelijk vooronderzoek moet de rechter-commissaris in verband
met zijn
leidinggevende taak deze bevoegdheid ook kunnen uitoefenen. Het voorgestelde
artikel
192, eerste lid, voorziet daarin. Het verlof van de rechtbank dienaangaande is
komen te
vervallen. In deze bepaling is, ondanks het feit dat de officier van justitie
krachtens het
voorgestelde artikel 150 een zelfstandige bevoegdheid tot het houden van een
schouw
bezit, de bevoegdheid van de officier van justitie tot vordering van een schouw
gehandhaafd. Als eenmaal een gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld, kan een
wederzijds
respect voor elkaars verantwoordelijkheden tussen de officier van justitie en de
rechter-
commissaris medebrengen dat de officier van justitie een vordering tot het
houden van een
schouw doet in plaats van gebruik te maken van zijn eigen wettelijke
bevoegdheid. Dit
komt ook de verdediging ten goede. Zie hiertoe het gestelde in paragraaf 9.
9.15. De vereenvoudiging van de sluitingsprocedure (artikelen 237 en 238)
In het rapport van de commissie is uitvoerig uiteengezet waarom de procedure
inzake de
sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek vereenvoudigd dient te worden (blz.
70-76). De
voorstellen van de commissie op dit punt vinden alom instemming en worden door
mij
overgenomen.
De te volgen sluitingsprocedure wordt in hoofdzaak aan de rechter-commissaris
overgelaten. Het gaat hier ten slotte om het voorbereidend onderzoek. Een
betrekkelijk
vormloze sluitingsprocedure heeft het voordeel dat voorkomen kan worden dat de
niet-
nakoming van vormvoorschriften tot allerlei incidenten aanleiding geven die een
vertragend
effect kunnen hebben op de voortgang van de strafrechtelijke procedure.
De voorgestelde regeling houdt in dat de sluiting van het gerechtelijk
vooronderzoek door
de rechter-commissaris op de voet van artikel 237, eerste lid, Sv zowel voor de
officier van
justitie als voor de verdachte onherroepelijk is. De thans in de wet aan de
sluiting gestelde
eisen worden gehandhaafd. Het is voorbehouden aan de rechter-commissaris om te
beoordelen wanneer het gerechtelijk vooronderzoek dient te worden gesloten. De
redenen
voor de sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek zijn ongewijzigd gebleven.
Indien de
rechter-commissaris oordeelt dat het gerechtelijk vooronderzoek is voltooid of
dat tot
voortzetting daarvan geen grond bestaat, sluit hij het onderzoek bij een
beschikking waarin
de reden der sluiting is vermeld. Gelet op de rechtsgevolgen die aan het moment
van de
sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek zijn verbonden, zoals het recht van
de
verdachte en diens raadsman op inzage in de processtukken (artt. 33 en 51 Sv)
alsmede de
aanvang van de termijn waarbinnen de officier van justitie een beslissing moet
nemen over
het al dan niet verder vervolgen van de verdachte (art. 244 Sv), dient het
moment van
sluiting op duidelijke wijze te worden vastgelegd en aan de procespartijen te
worden
kenbaar gemaakt.
Artikel 237, eerste lid, Sv bepaalt dat de rechter-commissaris pas het
gerechtelijk
vooronderzoek mag sluiten, als hij van oordeel is dat het voltooid is. Deze eis
veronderstelt
dat de rechter-commissaris nagaat of bij een van beide procespartijen de
behoefte bestaat
om nog nadere onderzoekshandelingen te laten plaatsvinden 22).
Artikel 237, tweede lid, schrijft voor dat de rechter-commissaris de beschikking
houdende
sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek doet toekomen aan de officier van
justitie en,
indien deze bekend is, aan de verdachte. De raadsman ontvangt een afschrift van
deze
beschikking ingevolge artikel 51 Sv. Een betekening acht ik niet nodig. In de
regel zal een
gerechtelijk vooronderzoek tegen een bekende verdachte niet worden gesloten
voordat hij
is gehoord. Bij die gelegenheid zal de rechter-commissaris trachten te
achterhalen naar
welk adres de sluitingsbeschikking moet worden toegezonden. Bij betekeningen
worden
regelmatig fouten gemaakt. Alsdan rijst weer de vraag welk rechtsgevolg aan een
foutieve
betekening moet worden verbonden. Laat de rechter-commissaris de toezending van
de
sluitingsbeschikking achterwege, dan kan dit verzuim op de voet van de artikelen
199 en
256 Sv worden hersteld.
Door een mededeling van de officier van justitie dat van verdere vervolging
wordt afgezien,
eindigt het gerechtelijk vooronderzoek. De rechter-commissaris behoeft alsdan
niet meer tot
sluiting over te gaan, zoals dat in de bestaande regeling nog is voorgeschreven.
10. Een samenloop van bevoegdheden: de parallelle opsporing tijdens het
gerechtelijk
vooronderzoek
In paragraaf 4 heb ik reeds gesteld dat de zelfstandige voortzetting van het
opsporingsonderzoek onder leiding van de officier van justitie tijdens het
gerechtelijk
vooronderzoek langzamerhand in de praktijk is gegroeid en thans algemeen is
aanvaard.
Het gerechtelijk vooronderzoek en het opsporingsonderzoek zijn geen van elkaar
gescheiden onderzoeken doch kunnen naast elkaar worden verricht.
In het onderhavige wetsvoorstel is het aantal bevoegdheden dat uitsluitend door
de rechter-
commissaris kan worden uitgeoefend verder beperkt. De procureur-generaal bij de
Hoge
Raad en de strafkamer van de Hoge Raad hebben onder meer de vraag gesteld of
naast de
bevoegdheid van de rechter-commissaris tot doorzoeking ter inbeslagneming van
elke
plaats in het kader van de parallelle opsporing onderscheidenlijk de opgedragen
opsporing
ter zake van het feit waarop het gerechtelijk vooronderzoek betrekking heeft ook
de
bevoegdheden van de (hulp)officier van justitie tot doorzoeking blijven bestaan.
Voorts
hebben zij zich afgevraagd hoe de door de commissie voorgestelde artikelen 96c
en 97
enerzijds en 111 anderzijds zich tot elkaar verhouden. Deze vragen hebben
betrekking op
de onderliggende vraag of andere autoriteiten dan de rechter-commissaris, indien
een
gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld, bevoegd zijn de hun toekomende
strafvorderlijke
bevoegdheden uit te oefenen ter zake van het feit waarop het gerechtelijk
vooronderzoek
betrekking heeft.
De hiervoor genoemde vraag, die thans vooral actueel is bij de spoedhuiszoeking,
beantwoord ik bevestigend. De instelling van een gerechtelijk vooronderzoek
heeft naar
mijn opvatting geen gevolgen voor de uitoefening van bevoegdheden van de
officier van
justitie, de hulpofficier van justitie en de overige opsporingsambtenaren ter
zake van een
feit waarop een gerechtelijk vooronderzoek betrekking heeft. Een dergelijke
bepaling
beschouw ik als een logisch uitvloeisel van de in de rechtspraak aanvaarde
praktijk dat
tijdens het gerechtelijk vooronderzoek de - parallelle - opsporing mag worden
voortgezet.
Het betreft hier niet alleen de uitoefening van de bevoegdheden krachtens het
Wetboek van
Strafvordering doch ook de strafvorderlijke bevoegdheden krachtens afzonderlijke
wetten.
Dit betekent onder meer dat de voorgestelde artikelen 96 tot en met 97, 150 en
151 ook
ter zake van een feit waarop een gerechtelijk vooronderzoek betrekking heeft
kunnen
worden uitgeoefend.
Voorkomen moet worden dat tussen de rechter-commissaris enerzijds en de officier
van
justitie, de hulpofficier van justitie en de overige opsporingsambtenaren
anderzijds omtrent
de uitoefening van gelijke bevoegdheden meningsverschillen ontstaan. Geen twee
kapiteins
op één schip! Ten einde deze geschillen zoveel mogelijk te beperken zal ik de
Vergadering
van Procureurs-Generaal voorstellen een richtlijn op te stellen die inhoudt dat
de uitoefening
van bevoegdheden door de hulpofficieren en de overige opsporingsambtenaren ter
zake van
een feit waarop een gerechtelijk vooronderzoek betrekking heeft zoveel mogelijk
als het
belang van het opsporingsonderzoek dat toelaat in overleg met de officier van
justitie
geschiedt. Voorts stel ik voor waar mogelijk bij de wettelijke regeling van een
bevoegdheid
die de rechter-commissaris en de officier van justitie ter zake van een feit
waarop een
gerechtelijk vooronderzoek betrekking heeft gelijkelijk toekomt, te bepalen dat
de officier
van justitie kan vorderen dat de rechter-commissaris de desbetreffende
bevoegdheid
uitoefent. Ik wijs bij voorbeeld op de voorgestelde artikelen 110, eerste lid,
125f, eerste lid,
en artikel 192, eerste lid. Als vuistregel kan gelden dat de officier van
justitie alleen van
zijn zelfstandige bevoegdheid gebruik maakt als het belang van het (opsporings)onderzoek,
waaronder begrepen de spoedeisendheid van de desbetreffende onderzoekshandeling,
dat
bepaaldelijk vordert. Is dat niet het geval, dan brengt de leidinggevende
positie van de
rechter-commissaris tijdens het gerechtelijk vooronderzoek mede dat de officier
van justitie
vooraf omtrent de uitvoering van de gewenste onderzoekshandeling met de rechter-
commissaris in overleg treedt en eventueel overgaat tot de indiening van een
vordering. De
uitoefening van zelfstandige bevoegdheden door de hulpofficier van justitie en
de overige
opsporingsambtenaren kan de rechter-commissaris eventueel op de voet van de hem
in
artikel 177, eerste lid, verleende bevelsbevoegdheid sturen.
11. Artikelsgewijze toelichting
De meeste artikelen zijn toegelicht in het algemeen deel. In de inhoudsopgave
staat steeds
per onderwerp vermeld om welke artikelen het gaat. Hier wordt volstaan met
daarnaar te
verwijzen.
Artikel 12k
Deze wijziging houdt primair verband met de vereenvoudiging van de
sluitingsprocedure.
Het is voorts wenselijk dat het gerechtshof, ingeval het gerechtelijk
vooronderzoek is
gesloten of geëindigd en het onderzoek ter terechtzitting nog niet is
aangevangen, bij een
gegrondbevinding van het beklag in de gelegenheid moet zijn een specifieke last
tot het
verrichten van bepaalde handelingen van nader onderzoek te geven. Om die reden
is in de
eerste volzin van het derde lid bepaald dat het bevel tot voortzetting van de
vervolging ter
zake van het feit waarop het beklag betrekking heeft, de last kan bevatten dat
door de
officier van justitie de vordering zal worden gedaan, bedoeld in artikel 241,
eerste lid.
Artikel 99a
Een huiszoeking kan in de bestaande regeling ook op andere plaatsen dan een
woning
plaatsvinden. Voorgesteld wordt daarom de woorden «tijdens een huiszoeking» te
vervangen door de woorden: tijdens het doorzoeken van plaatsen. De verdachte is
dus
bevoegd zich bij het doorzoeken van elke plaats, een woning, een kantoor, een
winkelpand,
een vervoermiddel, door zijn raadsman te doen bijstaan. Hem moet in beginsel de
mogelijkheid worden geboden met zijn raadsman te telefoneren ten einde te
bewerkstelligen dat de raadsman onmiddellijk ter plaatse arriveert. Zulks
betekent evenwel
niet dat met het doorzoeken van de plaats kan worden gewacht totdat de raadsman
is
gearriveerd.
In verband met het feit dat het eerste en tweede lid van artikel 99 betrekking
hebben op
het doorzoeken van een woning is het derde lid van deze bepaling in een apart
artikel
ondergebracht.
Artikel 101
Nu het hier de enkele verstrekking van een machtiging door de
rechter-commissaris betreft,
behoeft geen gerechtelijk vooronderzoek te worden ingesteld. De wettelijk
voorgeschreven
koppeling kan komen te vervallen. De in het huidige tweede lid van artikel 101
voorkomende term «gemachtigd» is gehandhaafd. De term «machtiging» komt ook
op
andere plaatsen in het Wetboek van Strafvordering voor. Zie artikel 118a. De
vereiste
machtiging is noodzakelijk gelet op het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van
de Grondwet.
Artikel 102a
Het voorgestelde artikel 102a treft een voorziening voor het geval door een
opsporingsambtenaar of een hulpofficier van justitie brieven in beslag genomen
zijn.
Krachtens het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van de Grondwet mogen deze
brieven
alleen op last van de rechter worden geopend. Het begrip «brief» heeft
dezelfde betekenis
als het overeenkomstige begrip in artikel 13, eerste lid, van de Grondwet. De
reikwijdte van
dit begrip is niet exact te bepalen en zal aan de rechtspraak worden overgelaten
23).
De opsporingsambtenaar of hulpofficier van justitie, krachtens enige wettelijke
bepaling
bevoegd tot inbeslagneming van brieven, dient ingevolge het eerste lid van
artikel 102a
deze brieven, voorzover zij gesloten zijn, onverwijld ter beschikking van de
officier van
justitie te stellen. Ingevolge het tweede lid dient de officier van justitie de
brieven, welker
inbeslagneming niet worden gehandhaafd, onverwijld terug te geven aan degene bij
wie zij
inbeslaggenomen zijn. De artikelen 101, tweede tot en met vierde lid, en 102
zijn van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de brieven die niet bij de
processtukken of de stukken van overtuiging worden gevoegd, worden teruggegeven
aan
degene bij wie zij inbeslaggenomen zijn.
Artikel 109
De voorgestelde invoeging verleent de rechter-commissaris de bevoegdheid
overbrenging
van het register te bevelen voor het maken van een afschrift daarvan.
Artikel 125
De invoeging van de woorden «of doen nemen» beoogt de rechter-commissaris in
staat te
stellen, indien hij bij het doorzoeken van plaatsen niet zelf aanwezig is, de
aanwezige
opsporingsambtenaren de nodige maatregelen tot bewaking of afsluiting te doen
nemen. Ik
stel vervolgens voor in artikel 125 als ordemaatregel op te nemen dat de
bevoegde rechter
of ambtenaar kan bevelen dat niemand, zonder zijn uitdrukkelijke bewilliging,
gebruik zal
maken van de zich op de plaats van onderzoek bevindende
telecommunicatievoorzieningen
zolang het onderzoek aldaar niet is afgelopen.
Artikel 177
Opdrachten en bevelen als bedoeld in artikel 177 dienen zoveel mogelijk door
tussenkomst
van de officier van justitie te worden gegeven. Alleen bij verschil van mening
tussen
officier van justitie en rechter-commissaris of in geval van spoed dient voor de
rechter-
commissaris de mogelijkheid te bestaan om direct aan de politie de nodige
opdrachten en
bevelen te geven.
Artikel 184
Ik stel voor het toepassingsbereik van het tweede lid van artikel 184 te
verruimen tot de
gevallen waarin ten aanzien van de verdachte een bevel tot voorlopige hechtenis
is
gegeven doch de verdachte zich intussen niet meer in voorlopige hechtenis
bevindt, omdat
dit bevel is opgeschort of geschorst. Nu er sprake is van een formele
inbeschuldigingstelling in de vorm van een vordering tot voorlopige hechtenis,
vereist de
verdedigingspositie van de verdachte tegen wie een bevel tot voorlopige
hechtenis is
gegeven dat hij de rechter-commissaris moet kunnen verzoeken ten behoeve van de
verdediging een gerechtelijk vooronderzoek in te stellen. De blijkens de
geschiedenis van de
totstandkoming van het tweede lid van artikel 184 aangevoerde argumenten om aan
de
zich in voorlopige hechtenis bevindende verdachten het recht te verlenen de
rechter-
commissaris te verzoeken een gerechtelijk vooronderzoek in te stellen gelden
evenzeer voor
de zich niet in voorlopige hechtenis bevindende verdachte, al kunnen ze vanwege
de
voorlopige hechtenis wel dwingender zijn. Zolang het bevel tot voorlopige
hechtenis niet is
opgeheven en de officier van justitie nog geen dagvaarding of, indien deze is
ingetrokken,
geen nieuwe dagvaarding ter betekening aan de verdachte heeft doen uitgaan, kan
de
rechter-commissaris ingevolge het voorgestelde tweede lid ambtshalve of op het
verzoek
van de verdachte een gerechtelijk vooronderzoek instellen ten aanzien van het
feit
waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen. Ik stel voor de instelling van een
gerechtelijk
vooronderzoek niet te vervangen door het verrichten van enig onderzoek. De
instelling van
een gerechtelijk vooronderzoek geeft hem de vrijheid de door hem gewenste
onderzoekshandelingen in de door hem gewenste volgorde te verrichten. De
rechter-
commissaris moet er tijdens een gerechtelijk vooronderzoek op kunnen toezien dat
de voor
een behoorlijke berechting nodige gegevens worden verzameld.
De bevoegdheid van het huidige artikel 184, tweede lid, Sv is aan de
rechter-commissaris
toegekend om hem in staat te stellen het door hem noodzakelijk geachte onderzoek
voor
het beoordelen van de vorderingen tot voorlopige hechtenis te verrichten. Deze
doelstelling
blijft onverminderd van kracht. Zo dient de rechter-commissaris een
psychiatrisch rapport
te kunnen aanvragen of een bevel tot observatie als bedoeld in artikel 196 Sv te
kunnen
geven. Deze bevoegdheid behoeft niet tot de periode van de bewaring te worden
beperkt.
In geval van gevangenhouding of gevangenneming kan de raadkamer voorts krachtens
het
bepaalde in artikel 23, eerste lid, Sv de rechter-commissaris bevelen deze
onderzoekshandelingen te verrichten.
Het voorgestelde artikel 241b waarborgt dat ook de raadsman van de verdachte een
verzoek als bedoeld in het tweede lid kan indienen.
In het voorgestelde derde lid wordt uitdrukkelijk voorgeschreven dat de rechter-
commissaris alvorens tot instelling het gerechtelijk vooronderzoek over te gaan
de officier
van justitie dient te horen.
Artikel 201
In paragraaf 8.2 heb ik uiteengezet waarom het tweede lid van artikel 201 kan
komen te
vervallen. Ook het eerste lid van dit wetsartikel kan worden geschrapt. Het
betreft hier een
bepaling die zeiden of nooit wordt toegepast en niet meer past in de bestaande
organisatie
van het rechter-commissariaat. Zulks heeft tot gevolg dat het derde lid van
artikel 201
geen betekenis meer heeft.
Artikel 208
De voorgestelde wijziging van de eerste volzin van het eerste lid strekt er toe
de verdachte
de mogelijkheid te bieden ook schriftelijk getuigen en deskundigen alsmede
feiten van
onderzoek op te geven. Hiermede hangt samen het voorschrift dat de
rechter-commissaris
een weigering in een gemotiveerde beschikking dient vast te leggen en deze
beschikking
aan de verdachte en de officier van justitie dient toe te zenden. Zulks is in
het tweede lid
vastgelegd. Deze bevoegdheden kunnen krachtens het voorgestelde artikel 241b ook
door
de raadsman van de verdachte worden uitgeoefend.
Artikel 211
In paragraaf 8.2 heb ik uiteengezet waarom artikel 211 voor wat betreft het
verhoor van
een getuige in een ander kanton of arrondissement kan komen te vervallen. Het
tweede lid
dateert nog uit een tijd dat de reismogelijkheden van getuigen aanzienlijk
beperkter waren
dan thans het geval is en kan eveneens beter vervallen.
Artikel 231
Ik stel voor de laatste volzin van artikel 231 te laten vervallen. Het gaat hier
om bijstand
van een raadsman ten behoeve van een verdachte die partner in het onderhoud is.
De
toepasselijkverklaring van artikel 193, tweede lid, betekent dat de mogelijkheid
tot
rechtsbijstand op gronden die onduidelijk zijn, is beperkt. Ik stel voor deze
bepaling aldus te
wijzigen dat de officier van justitie bevoegd is bij dat onderhoud tegenwoordig
te zijn.
Artikel 241
Ik stel voor artikel 241 in die zin te wijzigen dat de officier van justitie en
de verdachte zich
na de sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek direct tot de
rechter-commissaris kunnen
wenden met het verzoek nog vóór de aanvang van het onderzoek ter
terechtzitting een
bepaalde onderzoekshandeling te verrichten. Een daaraan voorafgaande opdracht
van de
rechtbank aan de rechter-commissaris acht ik in het licht van de voorgestelde
vereenvoudiging van de sluitingsprocedure te omslachtig. De aldus gewijzigde
wetsbepaling biedt voldoende tegenwicht tegen de voorgestelde onherroepelijkheid
van de
sluiting. Beide procespartijen kunnen langs deze weg bewerkstelligen dat na de
sluiting van
het gerechtelijk vooronderzoek nog nader onderzoek door de rechter-commissaris
kan
worden verricht.
Indien een gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld, kan de verdachte alleen in
het kader van
dat onderzoek aan de rechter-commissaris verzoeken bepaalde
onderzoekshandelingen te
verrichten. Hetzelfde geldt voor de officier van justitie. Artikel 241 treft een
regeling voor
die gevallen, waarin het gerechtelijk vooronderzoek weliswaar is gesloten of
geëindigd
doch niettemin nog bepaalde onderzoekshandelingen dienen te worden verricht.
Mede
gezien het feit dat het gaat om onderzoekshandelingen die kennelijk nog vóór
de aanvang
van het onderzoek op de terechtzitting verricht moeten kunnen worden, is de
thans
voorziene raadkamerprocedure te omslachtig. Nu wordt voorgesteld de
sluitingsprocedure
aanzienlijk te vereenvoudigen, kan bij beide procespartijen behoefte ontstaan om
nog voor
de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting een bepaalde
onderzoekshandeling, bijv.
het horen van een bepaalde getuige, te laten verrichten.
De rechter-commissaris kan nader onderzoek verrichten zolang het onderzoek ter
terechtzitting nog niet is aangevangen. Door de aanvang van het onderzoek ter
terechtzitting vervalt deze bevoegdheid van de rechter-commissaris. Wel kan de
rechter ter
terechtzitting door middel van de bevoegdheid van artikel 316 Sv, onder
schorsing van de
zaak, de stukken (wederom) in handen van de rechter-commissaris stellen ten
einde het
nadere onderzoek te verrichten. Als het onderzoek ter terechtzitting is
aangevangen heeft
de rechtbank de leiding over het onderzoek en is het aan de rechtbank
voorbehouden te
bepalen welke onderzoekshandelingen eventueel nog door de rechter-commissaris
moeten
worden verricht.
De vordering van de officier van justitie of het verzoek van de verdachte dient
ingevolge
het voorgestelde tweede lid een opgave te behelzen van de handelingen van
onderzoek die
door de rechter-commissaris moeten worden verricht en dient gemotiveerd te
worden
gedaan. De officier van justitie en de verdachte zullen aannemelijk moeten maken
dat zij
belang hebben bij het gewenste onderzoek van de rechter-commissaris. Dit brengt
mede
dat zij zo nauwkeurig mogelijk moeten omschrijven welke onderzoekshandelingen
hun voor
ogen staan. Hierbij zal in vooral moeten worden gedacht aan het verhoor van een
bepaalde
getuige of de benoeming van een bepaalde deskundige, bijv. een psychiater. In de
vordering of het verzoek zal voorts de identiteit van die getuige of deskundige
zo
nauwkeurig mogelijk moeten zijn omschreven.
Ingevolge het voorgestelde derde lid dient de rechter-commissaris zo spoedig
mogelijk op
de vordering of het verzoek te beslissen. De beschikking dient in geval van
afwijzing van de
vordering of het verzoek met redenen te zijn omkleed en schriftelijk ter kennis
van de
officier van justitie en de verdachte te worden gebracht. Het derde lid bevat
geen specifiek
toetsingscriterium. De toe- of afwijzing van het verzoek staat ter discretie van
de rechter-
commissaris. Hij zal alle relevante omstandigheden in aanmerking nemend,
waaronder het
verloop van het gerechtelijk vooronderzoek en het belang van het openbaar
ministerie of de
verdachte bij het verrichten van de betreffende onderzoekshandeling, dienen te
beoordelen
of het verzoek voor inwilliging vatbaar is.
Krachtens het voorgestelde vierde lid staat tegen de beslissing van de
rechter-commissaris
op de vordering van het openbaar ministerie of het verzoek van de verdachte
staat geen
rechtsmiddel open. De belangen van het openbaar ministerie en de verdachte zijn
voldoende beschermd door de mogelijkheid de vordering respectievelijk het
verzoek ter
terechtzitting te herhalen.
Het voorgestelde artikel 241b waarborgt dat ook de raadsman van de verdachte een
verzoek als bedoeld in het eerste lid kan indienen.
Artikel 241a
Het voorgestelde eerste lid van artikel 241a schrijft voor dat de
rechter-commissaris in
geval van toewijzing van de vordering of het verzoek tot het verrichten van
nader
onderzoek zo spoedig mogelijk dit onderzoek instelt of doet instellen. Deze
formulering laat
de rechter-commissaris enige beleidsruimte voor wat betreft het tijdstip waarop
het
onderzoek wordt verricht.
De rechter-commissaris kan het onderzoek ook met toepassing van artikel 177 Sv
door de
politie doen verrichten. Dit zal zich in het bijzonder voordoen bij technische
onderzoeken.
De inhoud van het tweede en het derde lid is gelijk aan die van het tweede en
het derde lid
van het huidige artikel 241.
Artikel 241b
Het voorgestelde artikel 241b waarborgt dat de bevoegdheden van de verdachte in
het
kader van een gerechtelijk vooronderzoek ook door diens raadsman kunnen worden
uitgeoefend. Aldus kan in de eerste plaats worden vermeden dat in verschillende
bepalingen uitdrukkelijk dient te worden geregeld dat deze bevoegdheid ook aan
de
raadsman toekomt. Zie de huidige artikelen 184, tweede lid, 189, tweede lid,
192, eerste
lid, 196, eerste lid, 198, tweede lid, en 199, eerste lid, Sv. In de tweede
plaats wordt op
deze wijze zeker gesteld dat ook andere bevoegdheden die volgens de huidige
bepalingen
uitsluitend aan de verdachte toekomen, ook door diens raadsman kunnen worden
uitgeoefend. Zie bijv. de artikelen 182, tweede lid, 208, eerste lid, 221,
eerste lid, 227,
eerste en tweede lid, 232, eerste lid, 233, eerste lid, en 235 Sv.
De bevoegdheden van de verdachte vervat in de artikelen 187, 193, 196 tot en met
199,
230 en 231 kunnen op grond van het voorgestelde artikel 241b ook door diens
raadsman
uitgeoefend worden. Ten aanzien van de bevoegdheid tot het instellen van een
rechtsmiddel (zie de artikelen 208, derde lid, en 197, derde lid) vindt artikel
450, onder a,
Sv toepassing. Deze regeling moet als een specialis ten aanzien van het
voorgestelde
artikel 241a worden beschouwd. Hetzelfde geldt voor artikel 51 Sv dat een
specifieke
regeling betreffende de kennisneming van processtukken door de raadsman en het
verkrijgen van afschriften daarvan bevat.
Soortgelijke bepalingen zijn opgenomen in de artikelen 331 en 509d, derde lid,
Sv. Zie ook
het in het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het
Wetboek van
Strafvordering en andere wetten in verband met de herziening van het strafrecht
voor
jeugdigen 24) opgenomen artikel 503, eerste lid, Sv.
Artikel 241c
In afwijking van artikel 446, tweede lid, staat ingevolge het voorgestelde
artikel 241c voor
het openbaar ministerie tegen een beschikking van de rechtbank, gegeven in hoger
beroep
tegen een beschikking van de rechter-commissaris, waarbij een krachtens deze
Titel
genomen vordering niet is toegewezen, geen beroep in cassatie open. Deze
beslissingen
zijn in de regel van feitelijke aard en lenen zich niet voor toetsing in
cassatie. Doet zich in
een voorkomend geval een rechtsvraag voor die met het oog op de toekomstige
rechtsontwikkeling aan de cassatierechter dient te worden voorgelegd, dan kan
het
buitengewone rechtsmiddel van cassatie in het belang der wet uitkomst bieden.
Het
voordeel van een uitspraak van de cassatierechter omtrent een tijdens het
gerechtelijk
vooronderzoek gerezen geschilpunt, dat soms van principiële aard kan zijn,
weegt niet op
tegen het nadeel van de door het instellen van dat rechtsmiddel veroorzaakte
vertraging in
de rechtsgang. Gezien de ruime bevoegdheden van de rechter-commissaris en de
betekenis
van het gerechtelijk vooronderzoek voor het resultaat van de strafrechtelijke
procedure voor
beide procespartijen dient de mogelijkheid van toetsing achteraf door de
raadkamer van de
rechtbank gehandhaafd te blijven.
Artikel 244
De voorgestelde wijziging van artikel 244, eerste lid, houdt verband met de
vereenvoudiging van de sluitingsprocedure. De sluiting van het gerechtelijk
vooronderzoek
door de rechter-commissaris is voor de verdachte in de voorgestelde
sluitingsprocedure
steeds onherroepelijk.
Artikel 411a
De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak heeft de suggestie gedaan om in de
periode
tussen de instelling van het hoger beroep en de behandeling van het hoger beroep
de
mogelijkheid te scheppen de rechter-commissaris te vorderen onderscheidenlijk te
verzoeken bepaalde onderzoekshandelingen te verrichten. Het voorgestelde artikel
411a,
dat beoogt aan deze suggestie uitvoering te geven, sluit aan bij de voorgestelde
artikelen
241 en 241a.
Artikel 486
In onderdeel L is reeds voorgesteld in artikel 100 Sv de zinsnede «die de in
artikel 181,
eerste lid, bedoelde vordering doet, in afwachting van het optreden van den
rechter-
commissaris, bij dringende noodzakelijkheid,» te laten vervallen.
Het eerste lid van artikel 486 Sv bepaalt onder meer dat in gevallen, waarin uit
feiten of
omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit, dat een minderjarige beneden
de
leeftijd van twaalf jaren een strafbaar feit heeft begaan, artikel 97 Sv
toepasselijk is en dat
de OvJ de hem bij dit artikel verleende bevoegdheid kan uitoefenen zonder dat
hij de in
artikel 181, eerste lid, bedoelde vordering doet. Het in het wetsontwerp
houdende wijziging
van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en andere wetten
in
verband met de herziening van het strafrecht voor jeugdigen voorgestelde artikel
487,
eerste lid, brengt hierin geen wijziging.
De voorgestelde wijziging van het eerste lid van artikel 486 beoogt in gevallen
als
omschreven in dit artikellid de bevoegdheid tot het doorzoeken van een woning
van de
(hulp)officier van justitie te koppelen aan een voorafgaande machtiging van de
rechter-
commissaris. Door het overeenkomstig het voorgestelde artikel 97, eerste lid, Sv
vragen
van machtiging door de officier van justitie aan de rechter-commissaris wordt de
minderjarige niet strafrechtelijk vervolgd in de zin van artikel 77a Sr 25).
Artikel 551
Het huidige artikel 551 kent iedere opsporingsambtenaar een - delictgebonden -
bevoegdheid toe uitlevering van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen te
vorderen.
Deze bevoegdheid is beperkt tot voorwerpen die vatbaar zijn voor inbeslagneming
in
verband met de in artikel 551 met name genoemde delicten: enkele misdrijven
tegen de
veiligheid van de staat, alsmede sommige misdrijven en overtredingen tegen de
zeden
(waaronder dierenmishandeling).
In het licht van het voorgestelde artikel 96a dient de betekenis van artikel 551
opnieuw te
worden overwogen. In paragraaf 8.6 heb ik reeds toegelicht dat op de regeling in
artikel
96a, tweede tot en met vierde lid, alleen een uitzondering gemaakt mag worden,
voor
zover het bevel of de vordering tot uitlevering ertoe strekt om de
verbeurdverklaring of
onttrekking aan het verkeer van de voor inbeslagneming vatbare voorwerpen
mogelijk te
maken. Ik stel daarom voor deze beperkingsclausule in artikel 551, eerste lid,
op te nemen.
De betekenis van artikel 551, eerste lid, is thans naast het bepaalde in artikel
96a daarin
gelegen dat de in artikel 551 toegekende bevoegdheid uitlevering te vorderen om
de
veiligstelling van gemeengevaarlijke voorwerpen met het oog op
verbeurdverklaring of
onttrekking aan het verkeer daarvan beoogt in geval van verdenking van één van
de in dat
artikel genoemde delicten. Het bevel kan dus voor dat doel ook worden gegeven
aan de
verdachte 26) of een verschoningsgerechtigde. In zoverre heeft artikel 551 ook
ten aanzien
van de delicten die onder artikel 67, eerste lid, vallen zelfstandige betekenis.
Deze extra
bevoegdheid van iedere opsporingsambtenaar tot het vorderen van uitlevering van
voor
inbeslagneming vatbare voorwerpen kan vooral van nut zijn met het oog op de
inbeslagneming van gevaarlijke honden (pitbullterriers) of pornografische
geschriften.
Artikel 552o
In de Wet computercriminaliteit (Stb. 1993, 33) is opgenomen in onderdeel a van
het
eerste lid van artikel 552o «het betreden van plaatsen, het verrichten van
huiszoeking en
het in beslag nemen van stukken van overtuiging» te vervangen door: het bevelen
van de
uitlevering of overbrenging van stukken van overtuiging, het betreden van
plaatsen, het
verrichten van huiszoeking, het in beslag nemen van stukken van overtuiging en
het
aftappen of opnemen van niet voor het publiek bestemd gegevensverkeer via de
telecommunicatie-infrastructuur.
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
1) Een uitzondering wordt gemaakt voor het doen vervallen van het
voorgeschreven verlof
van de rechtbank in het tweede lid van artikel 195 Sv.
2) C. van der Werff en M.W. Bol, Het gerechtelijk vooronderzoek in woord en
daad.
Reeks Onderzoek en Beleid nr. 110, Gouda Quint bv, 1991.
3) Zie HR 17 februari 1981, NJ 1981, 536 m.nt. G.E. Mulder, en 7 juni 1988, NJ
1988,
1041 m.nt. Th.W. van Veen.
4) Zie bijv. EHRM Zaak Öztürk, arrest van 21 februari 1984. Series A no. 73,
NJ 1988,
937, Ars Aequi 34 (1985), blz. 145-154. m.nt. A.H.J. Swart. par. 55.
5) Zie HR 23 november 1990, NJ 1991. 184 m.nt. Th.W. van Veen (civiele kamer).
6) Kamerstukken II, 1913/14, 286, nr. 3. blz. 79.
7) Aldus HR 29 september 1987, NJ 1988, 302 m.nt. Th.W. van Veen.
8) Zie daartoe ook de in het gewijzigd voorstel van wet tot wijziging van enkele
bepalingen
van het Wetboek van Strafvordering omtrent de voorlopige hechtenis en enige
andere
onderwerpen (kamerstukken II, 1988/89. 19 774, nr. 8) voorgestelde aanvulling
van artikel
168, eerste lid, Sv (artikel I onder F).
9) Richtlijn onderzoek van telefoongesprekken, modelbrief van de hoofdofficieren
van
justitie aan de politie van 2 juli 1984, opgenomen in de bundel Richtlijnen
Openbaar
Ministerie, Staatsuitgeverij (losbladig).
10) Stcrt 1986, 141.
11) Kamerstukken II, zitting 1990/91, 22 268, nr. 2.
12) Zie HR 14 januari 1986, DD 86 231. en HR 21 februari 1989, NJ 1989. 903.
13) Het gerechtelijk vooronderzoek in woord en daad, a.w., blz. 15.
14) Zie HR 8 november 1960, NJ 1961, 49 (en de daarbij behorende conclusie van
AG
Jacob); de conclusie van AG Remmelink bij HR 21 maart 1978, NJ 1978, 386 m.nt.
Th.W.
van Veen; HR 21 februari 1978, NJ 1978, 663; HR 24 mei 1988, NJ 1988, 898, m.nt.
Th.W. van Veen.
15) Zie HR 21 oktober 1986, NJ 1987, 607 m.nt. G.E. Mulder, Ars Aequi 36(1987),
blz.
488-496 m.nt. C. Kelk.
16) Zo overweegt de cassatierechter in HR 21 februari 1978, NJ 1978, 663, dat de
eis dat
deskundigenverslagen slechts voor het bewijs kunnen worden gebruikt indien de
deskundigen zijn benoemd door de rechter-commissaris of de officier van justitie
en als
deskundige zijn beëdigd, geen steun vindt in de wet.
17) EHRM Zaak Kostovski, a.w., par. 41.
18) H.J. Donker en G. Smit, Slachtoffers vrouwenhandel verdienen meer
bescherming.
Algemeen Politieblad 139 (1990), blz. 344-348. De opvatting van Donker en Smit
is
bestreden door C.J. van Bavel en R.P.G.L.M. Verbunt, Slachtoffer/getuige in
zedenzaken
en verhoor ter zitting, NJB 1990, blz. 1399-1404.
19) Zie J. Jans en J. Oost, Kinderen horen met video wordt landelijk ingevoerd,
Algemeen
Politieblad 139 (1990), blz. 470-472, en A.D. Reiling en J. Westdorp, Anatomisch
correcte
poppen zijn geen bewijsmiddel! NJB 1990, blz. 744-748.
20) Volgens HR 17 oktober 1989, DD 90 079 geeft een dergelijke beslissing geen
blijk van
schending van enig beginsel van behoorlijke procesorde.
21) Zie Herziening van het gerechtelijk vooronderzoek. Commentaar van de NVvR-
werkgroep 'Herziening gerechtelijk vooronderzoek' op het rapport van de
commissie-
Moons, Trema special 1991, nr. 3, blz. 29-30.
22) Uit het onderzoek van het WODC, Het gerechtelijk vooronderzoek in woord en
daad,
blz. 52, blijkt dat alle rechters-commissarissen met de officier van justitie
overleg plegen
alvorens tot sluiting over te gaan. In enkele arrondissementen gebeurt dit zelfs
door middel
van een briefje. Met de raadsman wordt over de voorgenomen sluiting evenwel niet
altijd
overleg gepleegd.
23) Zie hiertoe C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel Recht, 1990, blz. 394.
24) Kamerstukken II, zitting 1989/90, 21 327, nr. 2.
25) Zie daartoe HR 9 januari 1990, DD 90 182, Advocatenblad 70(1990), blz.
115-118.
26) Zie hiertoe HR 20 maart 1984, NJ 1984, 547 m.nt. Th.W. van Veen.