|
LET
OP: druk op F5 voor het verversen van het scherm als u actualiteiten
denkt te missen!
- Verbod op
taakstraffen (leerstraf en/of werkstraf) (art. 22b Sr)
- Per 03 januari 2012 is in werking getreden de Wet van 17
november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in
verband met het beperken van de mogelijkheden om een taakstraf
op te leggen voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en bij
recidive van misdrijven (Stb. 2012, 1).
Van belang voor de dagelijkse praktijk is:
Artikel 22b
1. Een taakstraf wordt niet opgelegd in geval van veroordeling
voor:
a. een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een
ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het
slachtoffer ten gevolge heeft gehad;
b. een van de misdrijven omschreven in de artikelen 181, 240b,
248a, 248b, 248c en 250.
2. Een taakstraf wordt voorts niet opgelegd in geval van
veroordeling voor een misdrijf indien:
1° aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door
hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is
opgelegd, en
2° de veroordeelde deze taakstraf heeft verricht dan wel op
grond van artikel 22g de tenuitvoerlegging van de vervangende
hechtenis is bevolen.
3. Van het eerste en tweede lid kan worden afgeweken indien
naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd. Overgangsbepaling:
deze wetswijziging heeft geen gevolgen voor feiten die zijn
begaan voor de inwerkingtreding van deze nieuwe bepaling.
Stb. 2012, 1.
-
Voorwaardelijk opzet: poging doodslag: zonder rijbewijs en
zonder ervaring roekeloos met scooter rijden en inrijden op
surveillant (1.8)
- ‘Verdachte is, zonder rijbewijs en zonder enige rijervaring
op/met motorrijtuigen, op een scooter gaan rijden, waarvan hij
niet wist waartoe die scooter in staat was. Ook toen hij merkte
dat die scooter veel harder kon rijden dan normaal is hij met
hoge snelheid door blijven rijden om “bij de jongens te horen”.
Hij heeft geprobeerd om de andere scooter, die naar zijn zeggen
wel 120 kilometer per uur reed, in te halen op een weg binnen de
bebouwde kom van Tegelen en richting het centrum van Tegelen,
welke weg in zijn beleving smal was en waarbij hij diverse
andere verkeersdeelnemers, waaronder voetgangers, is gepasseerd.
Daarbij heeft hij zich niets aangetrokken van de geldende
verkeersregels. Daarbij is hij tegen de richting van het verkeer
in langs een vluchtheuvel gereden waarop juist daarvoor een met
groen licht overstekende voetganger was gestapt. Hieruit leidt
het hof af dat verdachte zich niet of nauwelijks heeft bekommerd
om het overige verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is
niet gebleken dat verdachte op enig moment zijn rijstijl
wezenlijk heeft aangepast met het oog op de veiligheid van
andere verkeersdeelnemers. Ook toen verdachte de eerste scooter
voor de agent zag uitwijken is hij met volle snelheid door
blijven rijden in de richting van deze agent, het latere
slachtoffer. Wanneer iemand zich onder deze omstandigheden en op
een dergelijke roekeloze manier, met veel te hoge snelheid en
zonder enige rijervaring voor dit soort motorvoertuigen, over
een weg begeeft waar zich meerdere verkeersdeelnemers, waaronder
voetgangers, bevinden, bestaat er naar algemene ervaringsregels
ten minste een aanmerkelijke kans dat dit rijgedrag op enig
moment in een dodelijk ongeval uitmondt. Deze gedraging van
verdachte kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden
aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op de dood van een of
meer andere (zwakkere) verkeersdeelnemers, waaronder het
slachtoffer, dat het – nu van enige contra-indicatie niet is
gebleken – niet anders kan zijn dan dat verdachte tijdens zijn
wildemansrit voortdurend welbewust de aanmerkelijke kans heeft
aanvaard dat dit gevolg zou intreden. Het feit dat het hier om
een politieagent ging die de weg op liep om verdachte een
stopteken te geven maakt dat niet anders. Het hof is dan ook,
met de rechtbank en de advocaat-generaal, van oordeel dat sprake
is van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer.
Hof 's-Hertogenbosch 30-08-11, LJN BR6182.
-
Voorwaardelijk opzet doodslag: inrijden op verkeersregelaar
(1.8)
-
‘Verdachte is met zijn auto - hoewel dat had gekund - niet
gestopt toen hij de verkeersregelaar voor zich op de
rijbaan zag staan maar is in diens richting met een snelheid van
ongeveer 8 kilometer per uur doorgereden. De auto bleef in
voorwaartse beweging, zelfs toen deze [slachtoffer] op zeer
korte afstand was genaderd en [slachtoffer] hierdoor was
genoodzaakt zich achteruit te bewegen. Verdachte is niet gestopt
toen [slachtoffer] zich (met zijn handen op de motorkap) voor
zijn auto bevond. Toen het slachtoffer op de motorkap terecht
was gekomen heeft verdachte zelfs de snelheid verhoogd tot
ongeveer 22 kilometer per uur. Vervolgens heeft verdachte abrupt
geremd met - zoals hij zelf verklaart - de bedoeling de
verkeersregelaar van de motorkap te krijgen.
(…) Al zou het slachtoffer zelf op de motorkap zijn gesprongen
en al zou de lezing van verdachte worden gevolgd, dan nog laat
dit onverlet dat verdachte op dat moment niet zijn auto (rustig)
tot stilstand heeft gebracht maar is doorgereden terwijl het
slachtoffer zich voor de auto bevond en zelfs heeft
geaccelereerd terwijl het slachtoffer zich op de motorkap
bevond.
Wellicht ten overvloede wijst het hof op het feit van algemene
bekendheid dat een met enige snelheid in beweging zijnde auto
zich ten opzichte van de kwetsbaarheid van een voetganger al
snel als een potentieel dodelijk wapen manifesteert. Het hof is
daarbij bepaald niet van oordeel dat dit voor een Mini Cooper
(die meer dan 1000 kg weegt) anders zou zijn.
Voorts is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden
dat het slachtoffer door voor de auto op de rijbaan -al dan niet
met gestrekte armen en zwaaiend bewegingen- een stopteken te
geven ook maar enigermate heeft bijgedragen aan de aanrijding
door verdachte. Blijkens de zich in het dossier bevindende
verklaringen was het slachtoffer duidelijk zichtbaar en was zijn
optreden juist gericht op het aanspreken van de verdachte op
diens gevaarzettend (rij) gedrag, derhalve gericht op het
voorkomen van een ongeval’.
HR 08-11-11, LJN BT1857 (overwegingen hof, in stand gelaten door
HR).
-
Beroep
op noodweer (1.14)
-
Kan niet worden aanvaard ‘ingeval de gedraging van degene die
zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling
noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van de
gedraging kan worden aangemerkt als verdedigend, maar - naar de
kern bezien - als aanvallend, bijvoorbeeld gericht op een
confrontatie of deelneming aan een gevecht’.
HR 15-11-11, LJN BT2175.
-
Huisvredebreuk (art. 138 Sr) (4.13)
- ‘Uit de afzonderlijke regeling die in art. 139 Sr (MH:
lokaalvredebreuk) is gegeven voor een voor de openbare dienst
bestemd lokaal, volgt dat op zodanig lokaal art. 138 Sr niet van
toepassing is, zodat in laatstgenoemd artikel de woorden
'besloten lokaal' niet geacht kunnen worden mede te omvatten een
lokaal voor de openbare dienst bestemd. Er bestaat ook geen
grond om aan te nemen dat art. 138 Sr, sprekende van 'besloten
lokaal of erf', onder 'besloten erf' wel mede wil verstaan een
erf bestemd voor de openbare dienst’. MH: denk v.w.b. een voor
de openbare dienst bestemd besloten erf in voorkomende gevallen
aan art. 461 Sr (verboden toegang onbevoegde).
HR 22-11-11, LJN BO9870.
-
Ontruimen krakers (beleidsbrief
College van PG en inmiddels ook de HR) (art. 138a Sr) (4.14)
- Vooraf: 'op 8 november 2010 heeft het hof Den Haag
(MH: civiele rechter: hoger beroep kort geding)
uitspraak gedaan over de per 1 oktober 2010 in werking
getreden Wet kraken en leegstand (LJN BO3682). De
parlementaire geschiedenis van deze wet noemt het kort
geding als mogelijkheid om op te komen tegen een voorgenomen
ontruiming. Naar het oordeel van het hof is die mogelijkheid
echter slechts een effectief rechtsmiddel indien een
ontruiming (MH: zie voor de bevoegdheid voornoemd art.
551a Sv) op een zodanige termijn wordt aangekondigd, dat
er voldoende gelegenheid is een kort geding aanhangig te
maken. Als van die mogelijkheid gebruik wordt gemaakt zou
(naar de opvatting van het hof) niet tot ontruiming over
mogen worden gegaan, totdat een voorzieningenrechter in
eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. Volgens het hof dienen
tenminste nauwkeurig omschreven en deugdelijk gepubliceerde
beleidsregels van het OM te bestaan, waarin dit geregeld
wordt. Deze beleidsbrief voorziet in de door het hof
veronderstelde lacune. De Staat heeft tegen bovenvermelde
uitspraak van het hof Den Haag beroep in cassatie ingesteld.
In afwachting van de uitspraak van de HR is besloten om,
door middel van deze in de Stcrt. 2010, 19500 te publiceren
beleidsbrief, aan de hoofdOvJ’s aan te geven hoe in de
komende periode dient te worden omgegaan met
strafrechtelijke ontruimingen. Daarmee wordt naar de mening
van het College voldaan aan de vereisten die door het
Gerechtshof Den Haag zijn gesteld. Het in deze brief
omschreven beleid geldt tot nader bericht van het College.
Het College zal het beleid herbezien nadat de HR uitspraak
heeft gedaan’. Zie voor het concrete beleid verder de
beleidsbrief.
Inmiddels heeft de HR uitspraak gedaan: uit een oogpunt van
effectieve rechtsbescherming van het huisrecht kan de
ontruiming van ‘kraker(s)’ in beginsel slechts plaatsvinden
nadat de kraker(s) het oordeel van de rechter over de
rechtmatigheid van de ontruiming hebben kunnen inroepen. Het
OM moet de uitkomst daarvan afwachten, maar niet de uitkomst
van een eventueel daartegen door de kraker(s) ingesteld
hoger beroep. Voor de effectiviteit van het rechtsmiddel is
vereist dat (behoudens bijzondere omstandigheden) de
ontruiming op een zodanig tijdstip wordt aangekondigd dat er
voldoende gelegenheid is om een kort geding aanhangig te
maken en dat (bij gebreke van een regeling terzake in de Wet
kraken en leegstand) slechts nauwkeurig omschreven en
deugdelijk gepubliceerde beleidsregels van het OM een
voldoende waarborg dienaangaande bieden. ‘Daarbij geldt dat
(…) onder bijzondere omstandigheden, zoals indien de
openbare veiligheid tot onverwijlde ontruiming noopt, niet
aan (elk van) de gestelde vereisten behoeft te worden
voldaan’.
HR 28-10-11, LJN BQ9880.
- Deelneming
aan terroristische organisatie (art. 140a Sr) (4.20)
- ‘Blijkens de wetsgeschiedenis moeten de bestanddelen van
art. 140a Sr op dezelfde wijze worden uitgelegd als de
bestanddelen van art. 140 Sr’.
HR 06-12-11, LJN BR1144.
-
APV's, art.
2 Politiewet (taakomschrijving politie) en art. 184 Sr (niet
voldoen aan bevel of vordering) (6.9)
-
Art. 184 Sr:
Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering,
krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar
met de uitoefening van enig toezicht belast of door een
ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of
onderzoeken van strafbare feiten (…) wordt gestraft met (…).
Zoals ik al eerder mailde en zoals verwerkt in de zakboeken: het
bestanddeel ‘wettelijk voorschrift’ wordt voor vorderen/bevelen
door de HR NIET ruim opgevat. Het ‘wettelijk voorschrift’ moet
namelijk uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken
ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een bevel of vordering.
Art. 2 Politiewet bevat een algemene taakomschrijving voor de
politie en kan NIET als zodanig worden aangemerkt (HR
29-01-08, LJN BB4108, ook in NJ 2008, 206 met omvangrijke
noot van Mevis).
Daar heeft de HR nu niet onverwachts aan
toegevoegd dat dit (dus) ook geldt voor APV’s: de betreffende
bepaling uit de APV hield niet uitdrukkelijk een
vorderingsbevoegdheid in en kon derhalve niet leiden tot een
veroordeling op basis van art. 184 Sr.
Uitsluitend een verplichting in de APV om op een daartoe
strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
verwijderen (zonder dat de betreffende of een andere bepaling
dus ook uitdrukkelijk inhoudt dat de politieambtenaar tevens
bevoegd is tot het doen van het betreffende bevel) is dus
onvoldoende voor overtreding van art. 184 Sr (niet voldoen aan
bevel/vordering) maar is natuurlijk wel voldoende voor
overtreding van de betreffende APV-bepaling zelf (middels een
afzonderlijke strafbaarstelling in de APV).
HR
24-01-12, LJN BT7085.
- Valse
aangifte of klacht (art. 188 Sr) (6.14)
- Voor de toepassing van art. 188 Sr is voldoende dat in de
aangifte of klacht opzettelijk in strijd met de waarheid, feiten
worden meegedeeld in zodanige bewoordingen dat degene aan wie de
aangifte of klacht wordt gedaan, daaruit moet begrijpen dat op
zekere tijd en plaats een bepaald strafbaar feit is gepleegd.
HR 13-12-11, LJN BR2981.
-
Feitelijke
aanranding van de eerbaarheid door heimelijk filmen omkleden in
badhok en pogingen daartoe (9.10)
-
Verdachte had zich schuldig gemaakt
aan het heimelijk maken van opnames door onder de afscheiding
van badhokjes door te filmen, om opnames te verkrijgen van
personen die zich omkleden. Aldus (poging) feitelijk aanranding
van de eerbaarheid.
Hof 's-Gravenhage 03-11-11, LJN BU8556 (pas op 19-12-11
gepubliceerd op rechtspraak.nl).
Hetzelfde
Hof 's-Gravenhage 18-11-11, LJN BU5112 (21-11-11 gepubliceerd op
rechtspraak.nl) was korte tijd later kennelijk weer
een andere mening toegedaan: ‘naar het oordeel van het hof is in
casu geen sprake van "dwingen" in de zin van art. 246 Sr,
aangezien zowel [aangeefster 1] als [aangeefster 2] niet heeft
bemerkt dat zij met de door de verdachte - heimelijk -
opgestelde camera werd gefilmd. Het hof is bovendien van oordeel
dat het heimelijk filmen van personen die (…) zich in een
doucheruimte uitkleden en/of gebruik van de douche maken dan wel
(…) zich in een slaapruimte aan- of uitkleden - ook in geval de
persoon die filmt de intentie heeft om die filmpjes nadien te
gebruiken ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens of die
van derden - niet kan worden aangemerkt als een handeling van
seksuele aard en dientengevolge ook geen ontuchtige handeling
als bedoeld in art. 246 Sr oplevert’.
Het wachten is op een duidelijk oordeel van de HR…..tot die tijd
gewoon strafrechtelijk blijven optreden lijkt mij (zie ook het
zakboek).
- Kinderpornografie (9.5)
- ‘Zonder nadere motivering
valt niet in te zien hoe fragmenten van een
televisiedocumentaire die geen afbeeldingen van een seksuele
gedraging in de zin van art. 240b Sr bevatten, door het
enkele selecteren, isoleren en opnemen op videoband
afbeeldingen van seksuele gedragingen zijn geworden waartoe
de in die fragmenten figurerende jeugdi-gen zijn gebracht’.
HR
31-01-12, LJN BT1822.
-
Ontucht met misbruik van gezag/vertrouwen
(art. 249 Sr) (9.18)
-
‘De strekking van art. 249 Sr is minderjarigen te beschermen
tegen ontuchtige initiatieven van hen, die misbruik maken van
een uit feitelijke verhouding voortvloeiend overwicht. Verdachte
stond uit hoofde van zijn functie, natuurkundedocent én
afdelingscoördinator, met alle leerlingen van de school in een
gezagsrelatie. Naar het oordeel van de rechtbank beschikt elke
docent, direct dan wel indirect, over mogelijkheden om
leerlingen op diezelfde school te beïnvloeden. Een docent heeft
uit hoofde van zijn functie een bepaald overwicht op alle
leerlingen. Er is sprake aldus van een gezagsverhouding. Dat
verdachte niet dé leraar van [slachtoffer 1] was, doet daar naar
het oordeel van de rechtbank niet aan af’.
Rechtbank Breda 14-07-11, LJN BR1621.
-
Mensenhandel (art. 273f Sr):
omschrijving en voorbeeld uitbuiting (11.2)
-
De vraag of (en zo ja, wanneer) er sprake
is van 'uitbuiting' is niet in algemene termen te beantwoorden,
maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval.
Daarbij komt in een geval van ‘tewerkstelling’ betekenis toe aan
‘de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij
voor betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat
daarmee door de tewerksteller wordt behaald.
Voorbeeld uitbuiting: ‘dat de verdachte het leven van het
slachtoffer (een jongen met een verstandelijke beperking die
functioneert op het niveau van een 10-jarige) in de
bewezenverklaarde periode volledig domineerde, dat hij misbruik
heeft gemaakt van diens kwetsbaarheid, dat hij het slachtoffer
werkzaamheden heeft doen verrichten zonder dat daar een reële
vergoeding tegenover stond, dat hij (lijf)straffen uitdeelde als
de werkzaamheden niet goed werden verricht, dat de werkrelatie
van het slachtoffer met de verdachte negatieve gevolgen voor
diens psychische en lichamelijke welbevinden meebracht en dat
het slachtoffer zich niet in staat voelde zich aan de situatie
te onttrekken’.
HR
20-12-11, LJN BR0448.
Zie
voor een voorbeeld zo nodig ook nog
HR
17-01-12, LJN BU4004
(combinatie van misleiding, misbruik van uit feitelijke
omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van de
kwetsbare positie van het slachtoffer zodat sprake was geweest
van uitbuiting).
-
Belaging (art. 285b Sr) (11.10)
-
De persoonlijke levenssfeer verdient ook bescherming tegen
inbreuken waar de persoon in kwestie ten tijde van de inbreuk
nog geen weet van heeft (maar later wel kennis van neemt).
Rechtbank
Amsterdam 05-01-12, LJN BV1976.
-
Besnijdenis (art. 300 Sr) (13.1)
-
Zie voor de strafbaarheid van meisjesbesnijdenis en de niet
strafbaarheid van jongensbesnijdenis Keijzer in diens noot onder
HR, NJ 2011, 466. Zie over meisjesbesnijdenis ook art. 5 Sr
(‘genitale verminking van een persoon van het vrouwelijke
geslacht die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft
bereikt’).
- Diefstal van
onstoffelijke ‘voorwerpen’ (14.1)
- Ook onstoffelijke ‘voorwerpen’ kunnen worden weggenomen. Te
denken valt hierbij aan:
- elektriciteit (HR, NJ 1921, p. 564, doet zich tegenwoordig
vaak voor bij hennepkwekerijen waarbij men de stroom buiten de
meter om ‘betrekt’)
- gas (HR, NJ 1932, p. 270)
- giraal geld (HR, NJ 1982, 583 en
HR
19-04-05, LJN AS9237)
en daar is door de HR nu aan toegevoegd:
- virtuele voorwerpen / gegevens (amulet en masker uit
computerspel RuneScape) (HR
31-01-12, LJN BQ9251) en
- belminuten/sms-berichten (HR
31-01-12, LJN BQ6575).
- Oplichting:
valse hoedanigheid (art. 326 Sr) (17.1)
- Het zich voordoen als bonafide lener levert een valse
hoedanigheid op, indien die valse hoedanigheid wordt ‘opgetuigd’
met meerdere leugens en bedrieglijke handelingen
(leugens: geld vergeten, geen benzine meer en geld dezelfde dag
terugbetalen (samenweefsel van verdichtsels); bedrieglijke
handelingen: voor rijden in auto en kopieën van identiteits-
en/of rijbewijs verstrekken (listige kunstgrepen).
Hof Leeuwarden 20-10-11, LJN BT8801.
-
Oplichting: samenweefsel van verdichtsels (art. 326 Sr) (17.1)
-
‘Voor het antwoord op de vraag of uit door een verdachte
gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat het
slachtoffer door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen
(…), komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die
omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en
de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware
mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in
het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste
omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht
aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich
daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het
slachtoffer'.
HR 15-11-11, LJN BQ8600.
-
Opzetwitwassen (art. 420bis Sr) (19.5)
- ‘Bij de doorzoeking van verdachte's woning (…) heeft de
politie op verschillende (ongebruikelijke) plaatsen in de
woning, waaronder in de kelderkast, in een traptrede, en in de
auto van verdachte (papier)geld aangetroffen, in coupures van 5,
10, 20, 50, 100 en 500 euro en een klein bedrag aan los
muntgeld. In totaal ging het om 21.631,40 euro. Het hof acht
niet aannemelijk geworden dat het aangetroffen geldbedrag
afkomstig is van een door verdachte door gokken verkregen
geldbedrag. Daarbij heeft het hof de volgende feiten en
omstandigheden in aanmerking genomen. Verdachte heeft wisselend
en tegenstrijdig verklaard omtrent de herkomst van het
geldbedrag. Hij sprak in dit verband over zijn zus en over een
vriend, genaamd [naam]. Ter terechtzitting van het hof heeft
verdachte gepersisteerd bij zijn verklaring dat hij een
geldbedrag van 45.000 euro heeft gewonnen in Holland Casino te
Nijmegen. Dit bedrag is aan hem uitgekeerd in (90) coupures van
500 euro. Van dat bedrag zou verdachte direct een bedrag van
16.000 euro apart hebben gehouden om zijn schuld aan ene [naam]
te kunnen inlossen. Deze toedracht komt het hof niet aannemelijk
voor nu het geldbedrag van ruim 16.000 euro, dat is aangetroffen
in de kelderkast en verborgen was in de achterzijde van een
traptrede, (nog) slechts 11 coupures van 500 euro telde. Voor
het overige zijn geen coupures van 500 euro aangetroffen. Voorts
is het een feit van algemene bekendheid dat het voorhanden
hebben van zoveel contant geld in woning of auto grote risico's
meebrengt en bovendien hoogst ongebruikelijk is in het geval dat
geld op legale wijze is verkregen. Verdachte's bewering dat hij
het geld op deze wijze thuis had omdat hij diefstal vreesde,
stelt het hof als ongeloofwaardig terzijde, aangezien gedeelten
van het geld zich bevonden op de tafel, in het dressoir, in zijn
broekzak en in zijn auto. Voorts neemt het hof in aanmerking dat
verdachte ten tijde van het ten laste gelegde een bescheiden
WAO-uitkering van 950 euro per maand ontving, gokverslaafd was
en (grote) schulden had. Alles afwegend kan het niet anders zijn
dan dat het onderhavige geldbedrag - onmiddellijk of middellijk
- afkomstig is uit enig misdrijf’.
Hof Leeuwarden 26-08-11, LJN BR5801.
-
Schuldwitwassen
(art. 420quarter Sr) (art. 19.7)
- ‘Dat een BMW 645ci cabrio een dure auto is die personen met
een uitkering in beginsel niet kunnen betalen. De verdachte had
derhalve kunnen vermoeden dat deze uit misdrijf afkomstig was’.
Hof 's-Gravenhage 19-08-11, LJN BR5484.
-
Verboden toegang onbevoegde (art. 461 Sr) (20.21)
-
‘Niet van
belang is of het terrein particuliere eigendom was of eigendom
van de Staat of een lagere overheid’.
Hof 's-Gravenhage
25-01-12, LJN BV1772.
-
Bewijs van cocaïne
gebaseerd op verklaringen van getuigen (21.17)
-
‘(...) dat voornoemde getuigen (jaren)lange ervaring hebben met
het gebruik van cocaïne en dat zij allen verklaren meerdere
malen die drug bij verdachte te hebben gekocht. In het bijzonder
heeft het hof gelet op de constatering van getuige [getuige 1]
in zijn verklaring d.d. 7 februari 2007, als volgt luidende: "Ik
heb de cocaïne gesnoven en dit gaf de reactie die ik van cocaïne
verwacht." Het hof is van oordeel dat de getuigen op grond van
hun gebruikerservaring cocaïne kunnen herkennen en van andere
drugs/stoffen kunnen onderscheiden’.
Hof Leeuwarden 14-10-09, LJN BU1785.
- Voorhanden
hebben wapen (in vereniging) (22.7)
- Omdat de wapens onder meer waren aangetroffen onder een
kussen van de bank in de woonkamer van de door de verdachte
bewoonde woning en onder het kussen van de verdachte in de
gezamenlijke slaapkamer, als ook dat in die slaapkamer een grote
hoeveelheid munitie is aangetroffen (in vereniging gepleegd).
HR 20-09-11, LJN BP5992.
- Art. 5 WVW
(gevaar en hinder in verkeer: kappen van een boom zonder
afzetting of waarschuwingsborden. Afgebroken tak op fietspad)
(23.3)
- ‘Ziet in beginsel op ieder gedrag dat invloed heeft op de
veiligheid en de vrijheid van het verkeer op de weg. Maar de
bepaling strekt er slechts toe evidente vormen van gevaar
of hinder aan te pakken. De wetgever heeft niet de bedoeling
gehad om elk gevaarzettend gedrag te verbieden. Gevaarscheppend
gedrag zal in concreto een bepaalde, minimale ernst dienen te
hebben om onder het bereik van art. 5 WVW te kunnen worden
gebracht. Bij zaken waar de vraag zich voordoet of een bepaalde
handeling kan worden aangemerkt als gevaarzettend in de zin van
artikel 5 WVW, heeft als uitgangspunt te dienen: de handeling in
concreto, en wel in het licht van alle omstandigheden van het
geval’.
Rechtbank Amsterdam 05-09-11, LJN BR6797.
-
Verlaten
plaats ongeval: betrokken bij of door wiens gedraging ongeval is
veroorzaakt (art. 7 WVW) (23.5)
- ‘Van
betrokkenheid bij een verkeersongeval (…) is in een geval waarin
het gaat om een bestuurder van een motorrijtuig sprake, indien
dat motorrijtuig rechtstreeks (cursief MH) bij het
verkeersongeval is betrokken. Is die bestuurder tevens
veroorzaker van het ongeval, dan kan hij niet alleen gelden als
te zijn betrokken bij dat ongeval maar ook als degene door wiens
gedraging dat ongeval is veroorzaakt (…). Degene die niet bij
het ongeval is betrokken in vorenbedoelde zin, maar door wiens
gedraging het ongeval niettemin is veroorzaakt,
kan slechts gelden "als degene door wiens gedraging het ongeval
is veroorzaakt" (…). In het verlengde van deze rechtspraak heeft
te gelden dat degene die niet de bestuurder van het rechtstreeks
bij het verkeersongeval betrokken motorrijtuig is, slechts kan
worden aangemerkt als (tevens) bij het verkeersongeval
'betrokken' (…), indien het ongeval door zijn gedraging is
veroorzaakt’.
HR 04-10-11, LJN BQ4431.
-
Ingangstijdstip schorsing / ongeldigverklaring rijbewijs (art. 9
WVW) (23.7)
-
‘Uit de omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van
het rijbewijs van verdachte per aangetekende en onaangetekende
brief is verzonden en deze brieven niet als onbestelbaar retour
zijn gekomen, kan niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte
wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig
was verklaard’.
HR
25-01-12, LJN BO6762.
|