In onderstaande openklapbare tabel worden per paragraaf de actualiteiten weergeven na de tot standkoming van de editie 2009 (01 september 2008) (papieren versie verkrijgbaar vanaf eind september 2008).  Tijdelijk is ook nog de tabel met daarin de actualiteiten behorende bij de editie 2008 opgenomen.
Door te klikken op de vetgedrukte tekst in de onderstaande tabel krijgt U de uitgewerkte teksten. 
Belangrijke nieuwe wetten of wetsvoorstellen kunnen gekozen worden door te klikken links op dit scherm onder het kopje "Wetgeving nieuws" of "Wetgeving voorstellen".

ACTUALITEITEN
ZAKBOEK STRAFRECHT VOOR DE POLITIE
editie 2009

Klik hier voor verkoop zakboek

  1. Verspreiding discriminatie (art. 137e Sr) d.m.v. T-shirts (4.8)
    1. T-shirts, voorzien van een afbeelding en de tekst ‘Destroy Zionism’ waarbij het T-shirt wordt overheerst door twee figuren van staande personen, van wie de ene een jodenhoed en pijpenkrullen langs zijn oren draagt en aldus is uitgebeeld als belijdende jood. De ander draagt die kenmerken niet en houdt een pistool gericht op de man naast hem. Deze figuren in deze op-stelling met daarbij onder meer het woord “destroy” bestempelen het T-shirt tot op uitroeiing van joden gericht.
      Hof 's-Gravenhage 30-10-08, LJN BG2039
  2. Samenscholingsverbod gebaseerd op Algemene Plaatselijke Verordening (van belang voor (preventief) optreden in het kader van de openbare orde) (6.12)
    1. Kanaleneiland Utrecht 2007
      1. Uitleg begrip samenscholing: context van een wijk met openbare-ordeproblemen mede bepalend. Geen strijd met het legaliteitsbeginsel of het bepaaldheidsgebod. Beperking van de bewegingsvrijheid niet ongeoorloofd. Plaatsing op lijst aangewezen jongeren niet onjuist.
        Hof Arnhem 01-10-08, LJN BF3946
    2. Koninginnedag Rotterdam 2005
      1. Overwegingen HR:

        Wettelijk kader.

        Art. 2.1.1, eerste lid, (oud) van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Rotterdam (d.d. 30-04-2005): "Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden."

        De toelichting op dit artikel houdt (voor zover hier van belang) in: "In het eerste lid van artikel 2.1.1 zijn gedragingen aangegeven die door hun dreigende karakter aanleiding kunnen zijn voor verstoring van de openbare orde. Onder "samenscholing" verstaat Van Dale: "het groepsgewijze bij elkaar komen van mensen die een dreigende houding aannemen of kwade bedoelingen hebben". Het begrip "samenscholing" is ontleend aan art.186 Sr: "Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie."

        Het Hof had (overeenkomstig de tenlastelegging) bewezenverklaard dat: verdachte "op 30 april 2005 in de gemeente Rotterdam, op een weg te weten de Coolsingel heeft deelgenomen aan een samenscholing".

        De bewezenverklaring steunde op de volgende bewijsmiddelen:

        a. een pv van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

        "Op 30 april 2005, omstreeks 16.29 uur, was ik werkzaam als commandant van een ondersteuningsgroep van de mobiele eenheid van de politie Rotterdam-Rijnmond. Mijn groep was herkenbaar als een groep politieambtenaren in zogenaamd M.E.-tenue en rijdend in een M.E.-voertuig. Wij waren werkzaam in het kader van de Koninginnedagregeling in Rotterdam Centrum. Ik kreeg op voornoemd tijdstip de opdracht van de pelotonscommandant, [...], om te gaan naar de Coolsingel, ter hoogte van café [A], alwaar zich een groep personen ophield. Ik kreeg vervolgens de opdracht om deze groep in zijn geheel aan te houden op grond van artikel 2.1.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Rotterdam. Deze groep was volgens de pelotonscommandant te herkennen aan enkele mannen met geruite petjes en blauwe T-shirts. Ter plaatse zag ik een groep mannen waarvan enkelen aan dit signalement voldeden. Ik zag dat deze mannen met elkaar overlegden op het moment dat wij voor café [A] ter plaatse kwamen. Ik zag dat een groep van ongeveer 20 man tegelijk het terras van café [A] verliet en wegliep in de richting van de Meent in Rotterdam. Ik zag dat een man met een zwart T-shirt vanaf de Coolsingel wegrende in de richting van het Stadhuisplein. Ik zag dat een groep van ongeveer vier mannen, die eerder bij de groep van ongeveer 20 mannen was, zich los maakte uit deze groep en al overleggend met versnelde pas achter de man in het zwarte T-shirt aanliepen. Ik vreesde dat deze groep van ongeveer vier personen de openbare orde zou verstoren. Ter hoogte van café [B] sprak ik deze mannen aan. Ik deelde hen mede dat zij waren aangehouden. Ik zag dat een van de mannen, naar later bleek de verdachte [verdachte], zich liet aanhouden."

        b. een proces-verbaal van de RC, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [verbalisant 4]:

        "De Koninginnedagregeling is een evenement dat onder het grootschalig en bijzonder optreden valt. Op 30 april 2005 waren [verbalisant 3] en ik Chef Operatie binnen het Grootschalig Bijzonder Optreden van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond. Op de dag zelf hebben de commandanten mij gebeld met hun waarnemingen. Zij belden mij dan rechtstreeks en gaven bijvoorbeeld dingen door die er zouden gebeuren. Ik kan mij herinneren dat er vanuit de groep is gezegd dat zij zouden gaan rellen met de politie. Eerst was er een grotere groep en kwam het signaal dat zij vanavond zouden rellen met de politie. Ik schat dat die groep zo'n vijftig tot zeventig man groot was. Vervolgens was er sprake van splitsing in kleine groepen. Een van hen kwam in beeld op camera's op de Coolsingel. [Verdachte] was hierbinnen een centrale figuur. Hij maakte armbewegingen en had uiterlijke kenmerken. De uiterlijke kenmerken zijn het maken van armbewegingen, het dragen van bepaalde kleding, de manier van bellen, het wegvluchten bij het zien van de politie. De richting waar [verdachte] heen rende, rende de groep met hem mee. Ik heb alleen het wegrennen gezien en later dat ze op de Coolsingel uit elkaar gingen en weer samen kwamen. [Verdachte] gebaarde dan ook waarop de anderen weer samen kwamen. Van de groep ging een duidelijke dreiging uit. Ze waren aan het rennen, aan het bellen en het was echt afwijkend gedrag binnen een mensenmassa. Op het moment dat er nog sprake was van de grote groep hadden wij al opdracht gegeven tot aanhouding. We hadden tevoren besproken op welk moment we mochten aanhouden. Dat wij in een vroegtijdig stadium wilden ingrijpen betekende dat wij één stap voor vernielingen of geweldpleging tot aktie zouden overgaan. Hier was sprake van samenscholingen en via signalen hadden wij een vermoeden dat zij de orde wilden verstoren."

        c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

        "Op 30 april 2005 te 16.30 uur, heb ik op de openbare weg, de Coolsingel te Rotterdam aangehouden: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats]."

        Aldus volgens HR voldoende bewijs voor strafbare samenscholing

        HR 11-11-08, LJN BF0748.
  3. Strafbaarheid ongewenst verklaard vreemdeling wiens uitzetting niet lukt (6.16)
    1. Een ongewenst verklaarde vreemdeling kan alleen dan geen verwijt van zijn illegale verblijf in Nederland worden gemaakt (en is dan niet strafbaar), wanneer die vreemdeling ‘alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijze van hem konden worden gevergd teneinde aan zijn verplichting om Nederland te verlaten te voldoen’.
      HR 28-10-08, LJN BE9611.
  4. Redenen van wetenschap opsp. ambt. betreffende wel/niet kinderporno (van groot belang voor zedenspecialisten) (9.5) (ook in zakboek pv 5.10)
    1. Eerder schreef ik daarover:

      Ingevolge art. 153 Sv moet het pv zoveel mogelijk uitdrukkelijk de redenen van wetenschap bevatten. Onder redenen van wetenschap zijn de bronnen van kennis te verstaan van datgene wat de opsp. ambt. in het pv heeft gerelateerd [noot 1] (bijv. zien, horen, voelen, ruiken, enz.). Door de opname van redenen van wetenschap kunnen waarnemingen en ondervindingen van de verbalisant onderscheiden worden van conclusies die hij aan die waarnemingen en/of bevindingen verbindt [noot 2]. De rechter mag dus geen conclusies uit een pv overnemen als deze door de betreffende verbalisant niet zijn onderbouwd door redenen van wetenschap [noot 3] (let dus op: in het pv mogen wel conclusies staan maar die conclusies mogen door de rechter niet als bewijs gebruikt worden). En dat geldt natuurlijk ook voor de/een conclusie dat er sprake is van kinderporno. De HR overwoog daarover recent dat (kort gezegd) niet voor het bewijs gebruikt mag worden de verklaring van een opsp. ambt. in een pv ‘dat 299 van de onderzochte beeldfiles kinderporno bleken te bevatten, dat 314 beeldfiles voldeden aan de criteria voor overtreding van art. 240b Sr, en dat zij in hoofdzaak bleken te bestaan uit beeldfiles met meisjes wier leeftijd varieert tussen de vijf tot zes en dertien tot veertien jaar die seksuele handelingen plegen met of ondergaan van volwassenen’. Bedoeld relaas hield echter (op twee afbeeldingen na) niets in omtrent de wijze waarop de verbalisant was gekomen tot zijn bevinding dat de afbeeldingen voldeden aan ‘de criteria voor overtreding van art. 240b Sr’ en zijn bevindingen ten aanzien van de leeftijd van de afgebeelde kinderen. De gerelateerde omstandigheid dat ‘vrijwel alle kinderpornografische afbeeldingen, op één na, bekend bleken in de Landelijke Database kinderpornografie’ maakte dat niet anders, nu de bewijsvoering (bijv. het pv) niets inhield omtrent de status van die Database en de criteria die worden aangelegd bij de opneming van afbeeldingen in die Database.
      [1]. T&C, art. 153, aant. 2e.
      [2]. Melai, art. 153, aant. 7.
      [3]. HR 15-11-05, LJN AU2711 (dat iemand houder was van duiven). Zie ook HR 30-11-99, LJN ZD1635 (dat redelijkerwijs kon worden aangenomen dat e.e.a. gebeurde om middelen als bedoeld in art. 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, dan wel slaap- of kalmeringsmiddelen of daarop gelijkende waar te kopen, niet op rechtspraak.nl) en HR 28-03-06, LJN AV1614 (dat de verdachte op de Waldorpstraat te 's-Gravenhage postvatte of zich daar heen en weer bewoog met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in art. 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar aan te bieden of te verwerven).


      HR 01-07-08, LJN BC8645. Zie eerder inzake kinderporno ook al HR 07-12-04, LJN AQ8936.
       
    2. Daar is inmiddels bijgekomen:

      Een voorbeeld van hoe het wel zou kunnen is terug te vinden in een recent arrest van de HR : conclusies van verbalisanten zijn gegrond op een door het team Jeugd en Zeden gegeven referentiekader, te weten:
      - het gebruiken van een map, waarin aan de hand van foto's en tekeningen, in het bijzonder foto's van de primaire en secundaire geslachtskenmerken van een meisje (de vagina, de schaamlippen, het schaamhaar en de borsten) de ontwikkeling van het lichaam van een meisje schematisch in kaart was gebracht met daarbij de leeftijd van het meisje in categorieën vermeld;
      - het maken van werkafspraken over het gezamenlijk beoordelen van de afbeeldingen, het dienaangaande opstellen van de pv’s en de handelswijze bij twijfel (het bij blijvende twijfel buiten beschouwing laten van de afbeelding);
      - vermelding van deze werkwijze in het pv.
      Uiteraard is er een kans dat de rechter (al dan niet na een daartoe strekkend verweer) de voornoemde map zelf ook wil inzien en/of één of meer van de gecertificeerd zedenrechercheurs (als getuige-deskundige) op de zitting of door de RC wil (laten) horen.
      HR 30-09-08, LJN BD4872.
  5. Kinderporno: leeftijd (9.5)
    1. Niet bewezen hoeft te worden dat het afgebeelde kind in werkelijkheid de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt. Het is voldoende (maar ook noodzakelijk) dat aan de hand van de uit de afbeelding blijkende uiterlijke lichaamskenmerken wordt bewezen dat het slachtoffer jonger oogt dan 18 jaar. Daarbij is niet van belang of betrokkene in werkelijkheid de leeftijd van 18 jaar al heeft bereikt.
      HR 18-11-08, LJN BF0170.
  6. Horen betrokken minderjarige bij bepaalde zedendelicten (art. 167a Sv) (9.9, 9.11 en 9.13)
    1. Het niet opvolgen van art. 167a Sv kan (in uitzonderlijke omstandigheden) leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM. De enkele omstandigheid dat de minderjarige, hoewel daartoe de mogelijkheid bestond, niet in de gelegenheid is gesteld zijn mening over het gepleegde feit kenbaar te maken, is daarvoor niet voldoende. ‘Het komt immers erop aan of door dit verzuim aan de belangen van het kind ernstig is tekortgedaan. In het geval (zonodig achteraf) voldoende duidelijk is gebleken dat het minderjarige slachtoffer geen bezwaar heeft tegen de vervolging van verdachte bestaat voor een niet-ontvankelijkheid geen grond.
      HR 18-11-08, LJN BF1183.
  7. Feitelijke aanranding van de eerbaarheid (9.10)
    1. Het heimelijk filmen van seksuele handelingen is een onaanvaardbare inbreuk op iemands privacy en is dan ook in strijd met sociaal-ethische normen. Het kan daarom worden gekwalificeerd als ontuchtige handeling in de zin van art. 246 Sr.
      Rechtbank 's-Hertogenbosch 07-08-08,  LJN BD9381.
  8. Strafverzwarende omstandigheden mishandeling: 'vader tot wie hij in familierechtelijke relatie staat' en  'levensgezel'(13.5)
    1. Allereerst: in het zakboek staat nog de oude wettekst: 'zijn wettige vader'. Dat moet echter zijn: 'vader tot wie hij in familierechtelijke relatie staat', en daarvoor zijn van belang de volgende artikelen uit het Burgerlijk Wetboek.

      Art. 1:197: Een kind, zijn ouders en hun bloedverwanten staan in familierechtelijke betrekking tot elkaar.

      Art. 1:199:
      Vader van een kind is de man:
      a. die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren, is gehuwd, tenzij onderdeel b geldt;
      b. wiens huwelijk met de vrouw uit wie het kind is geboren, binnen 306 dagen voor de geboorte van het kind door zijn dood is ontbonden, zelfs indien de moeder was hertrouwd; indien echter de vrouw sedert de 306de dag voor de geboorte van het kind was gescheiden van tafel en bed of zij en haar echtgenoot sedert dat tijdstip gescheiden hebben geleefd, kan de vrouw binnen een jaar na de geboorte van het kind ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand verklaren dat haar overleden echtgenoot niet de vader is van het kind, van welke verklaring een akte wordt opgemaakt; was de moeder op het tijdstip van de geboorte hertrouwd dan is in dat geval de huidige echtgenoot de vader van het kind;
      c. die het kind heeft erkend;
      d. wiens vaderschap gerechtelijk is vastgesteld; of
      e. die het kind heeft geadopteerd.

      Aldus is voor 'vader tot wie hij in familierechtelijke relatie staat' bepalend of het gaat om één van de hiervoor in art. 1:199 BW genoemde gevallen.

      Levensgezel: ‘Het woord levensgezel is (…) ingevoegd in het kader van de bestrijding van huiselijk geweld. De achtergronden voor de strafverzwaring als het geweld wordt gebezigd jegens de echtgenoot enzovoort (…) zijn naar het oordeel van de wetgever ook aanwezig bij mishandeling tussen personen die met elkaar een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden, maar die niet zijn gehuwd of niet als partners zijn geregistreerd. Doorslaggevend is in het begrip levensgezel de nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of tussen geregistreerde partners. Deze is niet per sé met het enkele feit van het samenwonen gegeven en vereist ook niet per sé dat betrokkenen met elkaar samenwonen’.
      HR 02-12-08, LJN BF0750 (conclusie AG, onder verwijzing naar de Kamerstukken 28484, nr. 5, p. 5).
  9. Oplichting via Marktplaats.nl en soortgelijke sites (17.1)
    1. De verdachte had via de website Marktplaats.nl op internet onder een valse (telkens andere) naam goederen te koop aangeboden, waarop door aspirant-kopers werd gereageerd. Verdachte deed zich daarbij voor als een bonafide verkoper, terwijl hij de goederen niet heeft geleverd. De slachtoffers hadden telkens het afgesproken bedrag op een door verdachte opgegeven rekeningnummer overgemaakt, waarna verdachte verzuimde de goederen op te sturen en vervolgens niets meer van zich liet horen. Verdachte heeft daarmee het vertrouwen van mensen in het handelsverkeer via internet geschaad. Aldus oplichting (aannemen van een valse naam, een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen).
      Rechtbank Groningen 03-11-08,  LJN BG3284.
  10. Witwassen (afkomstig uit enig misdrijf) (19.5)
    1. ‘de wetgever heeft niet beoogd andere beperkingen aan te leggen wat betreft het gronddelict waaruit het voorwerp van de witwashandelingen afkomstig is, dan dat het moet gaan om een misdrijf’ (in het betreffende geval vermogensbestanddelen waarover men de beschikking had doordat belasting was ontdoken.
      HR 07-10-08, LJN BD2774.
  11. Witwassen: bewijs (19.5)
    1. rechter komt tot bewijs van witwassen gelet op de herkomst van het geld, de financiële positie van de verdachte, de wijze van transport en het nege-ren van de wettelijke bepalingen en de samenstelling van het geld (overwe-gend coupures van € 500)
      Hof Amsterdam 01-07-08, LJN BD7281 en Rechtbank Rotterdam 17-12-08, LJN BG7861 (onder  verwijzing naar arrest hof).
  12. Uitbreiding per 01-12-08 van lijst I en II Opiumwet met resp. oripavin en hallucinogene paddenstoelen (21.4)
    1. Zie voor een uitgebreide toelichting/uitleg op deze uitbreiding de nota van toelichting, opgenomen in het staatsblad 2008, 486 (via overheid.nl > officiële publicaties). Met daarin ondermeer:
      1. in lijst II worden alle paddenstoelen opgenomen die een hallucinogene werking hebben. Dergelijke paddenstoelen worden ook wel aangeduid als ‘magic mushrooms’ of ‘paddo’s’;
      2. de handhaving zal zich richten op de smartshops met behulp van primair de bestuurlijke bevoegdheden op grond van art. 13b Opiumwet;
      3. plaatsing op lijst II betekent niet dat de AHOJG-criteria op enigerlei wijze op paddo’s van toepassing zullen zijn;
  13. Verkoop softdrugs langs andere kanalen dan coffeeshops (21.17)
    1. ´In de Aanwijzing Opiumwet van het OM staat in paragraaf 2.2.2. dat in beginsel tegen coffeeshops die op grond van het lokale driehoeksoverleg worden gedoogd en die zich houden aan de AHOGJ-criteria, niet strafrechtelijk zal worden opgetreden. In dezelfde paragraaf staat dat dit, vanuit een oogpunt van beheersbaarheid en controleerbaarheid, nadrukkelijk niet geldt voor verkoop van softdrugs in bijvoorbeeld cafés, winkels of afhaalcentra, via een koeriers- of taxibedrijf, een 06-nummer, postorderbedrijf of anderszins’. Uit deze tekst blijkt duidelijk dat het niet is toegestaan softdrugs langs andere kanalen dan coffeeshops te verkopen. Verdachte had dus kunnen begrijpen dat de verkoop via een online coffeeshop, die naar het oordeel van de rechtbank qua bedrijfsopzet vrijwel gelijk te stellen is met een postorderbedrijf, evenmin is toegestaan. Bovendien blijkt uit de tekst van de Aanwijzing dat verdachte zich had moeten informeren over het gemeentelijk gedoogbeleid in [P]. Als hij dat had gedaan, had hij kunnen weten dat ook het coffeeshopbeleid in [P] enkel betrekking heeft op fysieke coffeeshops en niet op online coffeeshops. Achtergrond van die regeling is dat alleen bij fysieke coffeeshops de politie kan controleren of de verkoop uitsluitend meerderjarigen geschiedt en of de verkochte hoeveelheden en de handelsvoorraad binnen de toegestane grenzen blijven. Overigens is er in Nederland geen enkele gemeente die online coffeeshops toestaat.´
      Rechtbank 's-Gravenhage 10-07-08,  LJN BD7012.
  14. Geactualiseerde paragraaf dood en letsel door schuld in het verkeer (23.4)
    1. Klik hier voor bestand
  15. Art. 6 WVW (dood en letsel door schuld in verkeer) (23.4)
    1. Leerzame noot van Keijzer onder de arresten HR, NJ 2008, 439 t/m 442, met ondermeer:
      1. schuld in de zin van art. 6 WVW: dient tenminste een ‘min of meer grove of aanmerkelijk schuld‘ te betreffen (‘culpa lata’), e.e.a met nadere uitwerking;
      2. zeer kwetsbare verkeersdeelnemers: vergen extra aandacht/zorgvuldigheid;
      3. alcohol: ‘door willens en wetens te gaan rijden onder invloed van teveel alcohol wordt een zo ernstig risico genomen dat, indien zich mede als gevolg daarvan een ongeval voordoet, dit reeds om die reden aan de grove schuld van de bestuurder valt te wijten’;
      4. te snel rijden: door het ‘met gezien de gegeven omstandigheden te snel rijden wordt een zo ernstig risico genomen dat, indien zich mede als gevolg daarvan een ongeval voordoet, dit reeds om die reden aan de grove schuld van de bestuurder kan worden geweten’;
      5. niet zien waar men wel gekeken heeft en had kunnen en moeten zien: levert op zichzelf niet aanmerkelijke schuld op;
    2. Voornoemde arresten NJ 2008, 439 t/m 442 zijn (zonder noot) ook gepubliceerd in
      1. HR 29-04-08, LJN BD0709 (in de nacht op donkere parallelweg, onder invloed alcohol, aanrijding met deels op die weg bevindende persoon);
      2. HR 29-04-08, LJN BD0544 (vanaf tankstation zonder stoppen voorrangsweg op rijden, aanrijding met motorrijdster);
      3. HR 27-05-08, LJN BC7860  (zonder stoppen voorrangskruising op rijden, aanrijding met fietser) en
      4. HR 24-06-08, LJN BC7914  (te hard rijden op voorrangsweg, aanrijding met fietser die voorrangsweg kruist).
  16. Art. 6 WVW (dood en letsel door schuld in verkeer): over vluchtstrook in berm snelweg (23.4).
    1. ‘Voor iedere bestuurder van een motorrijtuig geldt de verplichting om (behoudens bijzondere omstandigheden), de rijbaan te gebruiken, goed op te letten en de aandacht bij de weg en het verkeer te houden. Voor het op de snelweg rijden geldt een en ander des te meer, nu door de daar gereden snelheden het niet naleven van die basisregels al snel ernstige gevolgen kan hebben. In casu is naar het oordeel van het hof met name van belang dat verdachte niet door een kort moment van kennelijke onoplettendheid enigszins van de rijbaan is afgeweken, maar zodanig langdurig niet heeft opgelet heeft dat hij ook de gehele vluchtstrook overschreden heeft. Deze gedraging is aan te merken als aanmerkelijk onoplettend. Vervolgens is er geen enkele omstandigheid aangevoerd, bijvoorbeeld van medische aard, die zou maken dat die aanmerkelijke onoplettendheid verdachte niet zou zijn aan te rekenen, niet verwijtbaar zou zijn. Zelfs als de door verdachte gesuggereerde oorzaak dat hij in slaap moet zijn gevallen, juist zou zijn, vermindert dat de verwijtbaarheid niet.’
      Hof Arnhem 21-11-08, LJN BG5457.

 

ACTUALITEITEN
ZAKBOEK STRAFRECHT VOOR DE POLITIE
editie 2008

Klik hier voor verkoop zakboek

  1. Causaliteit bij zwaar lichamelijk letsel door trappen met geschoeide voet in nabijheid vitale organen (1.7, 1.8 en 3.4)
    1. Door schoppen of slaan tegen vitale lichaamsdelen of met geschoeide voet schoppen in nabijheid vitale lichaamsdelen kunnen bloedingen ontstaan en kan zelfs de dood worden veroorzaakt.
      HR 4-12-07, LJN BB7117
  2. Voorwaardelijk opzet bij inrijden op agent (1.8)
    1. Verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep: "Op 7 januari 2004 ben ik in Diemen weggereden voor de politie. De politieagent (...) stond vrijwel midden op de weg. Ik reed in mijn auto zonder de lichten aan. De manier waarop ik reed en de snelheid hadden ervoor kunnen zorgen dat ik de politieagent omver had kunnen rijden. Ik ben gewoon rechtdoor gereden, in de richting van de politieagent en ik ben niet gestopt. Ik ben gas blijven geven tot ik vlakbij de politieagent was. Ik ben daarna naar links uitgeweken omdat ik hem niet wilde raken. Ik kon niet voorzien wat de politieagent ging doen." Ondanks dit uitwijken toch voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel bij de bewuste politieagent, aangezien dit uitwijken eerst plaatsvond toen verdachte vlak vóór de politieagent was.
      HR 15-01-08, LJN BA7888.
  3. Voorwaardelijk opzet in verkeer (achtervolgende burgers) (1.8)
    1. Verdachte voelde zich door [slachtoffer 2] opgelicht en was daar zeer boos over. Hij wilde dit niet over zijn kant laten gaan en is de auto waarin [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zich bevonden gaan achtervolgen. Die achtervolging vond plaats met veelal zeer hoge snelheden. Tijdens die achtervolging is verdachte ten minste een maal achter op de auto van [slachtoffer 1] gereden. Daarna heeft verdachte de achtervolging voortgezet. Op enig moment hebben de beide auto’s naast elkaar gereden toen verdachte [slachtoffer 1] probeerde in te halen. Daarbij raakten de auto’s elkaar, waarbij in elk geval vast staat dat verdachte zich niet van de weg wilde laten drukken en wilde dat [slachtoffer 1] zou stoppen, koste wat kost. Verdachte heeft ook in de richting van de auto van [slachtoffer 1] gestuurd. Als gevolg van, in ieder geval direct na dit contact tussen beide auto’s is [slachtoffer 1] met zijn auto tegen een boom gebotst en is als gevolg daarvan overleden. [slachtoffer 2] heeft de botsing overleefd. Aldus heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat als gevolg van zijn bewezen verklaarde gedragingen of mede als gevolg van zijn bewezen verklaarde gedragingen de door hem achtervolgde auto van de weg zou raken en ergens tegenaan zou rijden en de inzittenden van die auto om het leven zouden komen.
      Hof Den Bosch 27-08-07, LJN BB4261.
  4. Voorwaardelijk opzet in verkeer (automobilist rijdt voetganger dood) (1.8)
    1. Betrof dodelijke aanrijding met voetganger. Drukke weg, oversteekplaats, niet in het bezit van een rijbewijs, gebruik van alcoholhoudende drank, ‘stoer rijden’, regen, glad wegdek, te hard rijden, telefoneren kort voor aanrijding, eerder veroordeeld. Kennelijk is het verdachte om het even geweest of hij op de bewuste avond zwakke verkeersdeelnemers zoals voetgangers zou aanrijden. Een dergelijk gevolg heeft verdachte kennelijk op de koop toe genomen. De verdachte heeft aldus willens en wetens de aanmerkelijke kans genomen dat hij door zijn hiervoor omschreven verkeersgedrag de dood van andere verkeersdeelnemers zoals voetgangers zou veroorzaken. Bevestiging daarvan kan ook worden gevonden in de omstandigheid dat verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl hij een klap had gehoord en vervolgens de voorruit van de auto naar binnen heeft zien komen en wist “iets” te hebben geraakt, en niets heeft ondernomen teneinde te bewerkstelligen dat aan eventuele slachtoffers hulp zou worden geboden.
      Hof Den Bosch 05-10-07, LJN BB4874.
  5. Voorwaardelijk opzet gericht op zwaar lichamelijk letsel: trappen met geschoeide voet in nabijheid vitale organen (1.7, 1.8 en 3.4)
    1. Voorwaardelijk opzet gericht op zwaar lichamelijk letsel: het met kracht en met geschoeide voet geven van een schop in het middel (en daarmee in de nabijheid van vitale organen) van het slachtoffer.
      HR 4-12-07, LJN BB7117
  6. Voorwaardelijk opzet gericht op zwaar lichamelijk letsel: inrijden met auto op andere auto (1.8 en 3.4)
    1. Verdachte is in een personenauto met hoge snelheid van achteren op een andere auto ingereden, terwijl (naar voor hem kenbaar moet zijn geweest) het linkerachterportier van die auto openstond en zich direct om die auto heen mensen bevonden. Verdachte is vervolgens tegen dat achterportier aangereden, waarachter zich het slachtoffer bevond dat bezig was in te stappen.
      HR 4-12-07, LJN BB7075
  7. Voorwaardelijk opzet bij aangetroffen cocaïne in tas vliegtuigpassagier (1.8).
    1. Vastgesteld was
      - dat de verdachte een tas nodig had;
      - dat X, die zij van de straat kende, zei dat hij een goede tas had die zij wel mocht lenen;
      - dat zij die kleine tas van X heeft geleend en als ruimbagage heeft ingecheckt en
      - dat in die tas 491,3 gram cocaïne is aangetroffen (bij een 100%-controle, zie hierover de actualiteiten bij art. 8j Opiumwet in 11.22). De HR overwoog vervolgens dat de verdachte, die geen nadere informatie heeft kunnen of willen verstrekken over X, voor de in-houd van de tas verantwoordelijk was, en dat de verdachte, door zonder de tas grondig te controleren die tas te vervoeren, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zich in de bagage die zij meenam uit Curaçao (waarvan bekend is dat het als uitvalsbasis dient voor drugstransporten) cocaïne zou bevinden.
      HR 02-10-07, LJN BA7911.
  8. Voorwaardelijk opzet (Rijswijkse stoeptegelmoord) (1.8)
    1. Delen van een (stoep)tegel vanaf een brug/viaduct laten vallen op/tegen een op de snelweg rijdende personenauto (voorwaardelijk opzet op moord).
      HR 02-10-07, LJN BA7924.
  9. Voorbedachte raad (Rijswijkse stoeptegelmoord) (1.11)
    1. Verdachte en zijn mededader hadden het plan opgevat een stok vanaf het viaduct over de rijksweg te gooien maar konden geen stok vinden. Ze hebben toen een tegel in stukken gebroken en zijn met stukken van die tegel op het viaduct gaan staan en hebben gewacht met het laten vallen van die stenen tot een op de rijksweg rijdende auto (zeer) dichtbij was gekomen. Aldus voorbedachte raad.
      HR 02-10-07, LJN BA7924.
  10. Voorbedachte raad (1.11)
    1. Voor bewezenverklaring is vereist dat komt vast te staan dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en dat verdachte tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.
      Volledige ontoerekeningsvatbaarheid sluit niet uit dat er sprake is van voorbedachte raad.
      HR 05-02-08, LJN BB4959.
  11. Strafbare voorbereiding: in vereniging verwerven (want klaar leggen) van een mes (2.3)
    1. Vastgesteld was dat de mededader een mes heeft "geregeld" met het oog op het vermoorden van het slachtoffer op het fabrieksterrein aan de Zaalbergweg te Leiden, en dat dat mes daartoe in een caravan op dat fabrieksterrein is gelegd. Aldus strafbare voorbereiding van een te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld (moord) door opzettelijk tezamen en in vereniging met één van zijn mededaders, een mes, welk kennelijk bestemd was tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, te verwerven.
      HR 11-12-07, LJN BB6220.
  12. Voorbereiding (oude wetgeving tot 01-02-07: kennelijk bestemd) (Samir A) (2.3)
    1. Verdachte was zowel door de rechtbank Rotterdam als het gerechtshof te 's-Gravenhage vrijgesproken van de ten laste gelegde voorbereiding.
      De HR (HR 20-02-07, LJN AZ2013) kon zich daar niet in vinden en verwees de zaak naar het Hof Amsterdam. Dat Hof is nu van oordeel dat de in 2004 in de woning van verdachte aangetroffen stoffen en informatiedragers kennelijk bestemd waren voor het plegen van een aanslag op één of meer (overheids)gebouwen. De aangetroffen objecten verkrijgen een strafwaardig karakter en betekenis in hun onderlinge samenhang. Hoewel de voorwerpen op zichzelf in het stadium waarin deze werden aangetroffen (nog) niet in alle opzichten geschikt waren om een dergelijke aanslag te plegen, waren zij daartoe in deze voorbereidende fase wel kennelijk bestemd in de zin van art. 46 Sr.

      Daarbij betrok het Hof ook het zwijgen van de verdachte in de bewijsoverwegingen: 'het zwijgrecht betreft een van de elementaire rechten van de verdachte in het strafproces; een beroep op dit recht kan nimmer aan de verdachte worden tegengeworpen. De rechter is evenwel vrij om, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring geeft of heeft gegeven, dit in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal te betrekken (MH: zie HR 15-06-04, LJN AO9639, 14-03-06, LJN AU5496, 05-12-06, LJN AZ0651 en NJ 2002, 567). Het Hof laat het ontbreken van een verklaring van de verdachte op dit punt dan ook meewegen bij de waardering van het voorhanden zijnde bewijs.'

      Wellicht ten overvloede: door een wetswijziging is sinds 01-02-07 'kennelijk' in 'kennelijk bestemd' vervallen, zie daarover uitgebreid het zakboek (citaten uit kamerstukken).
      Hof Amsterdam 17-09-07, LJN BB3756.
  13. Mislukte uitlokking (poging een ander tot misdrijf te bewegen) (2.4)
    1. In art. 46a Sr gaat het om tot een ander gerichte gedragingen die niet ertoe leiden dat het tot een begin van uitvoering komt van het misdrijf waarop die gedragingen waren gericht. De omstandigheid dat die ander van meet af aan ongevoelig is geweest voor het plan van de verdachte doet daar niet aan af.(vlg. HR NJ 1936, 311 en HR NJ 1940, 822 t.a.v. art. 134bis (oud) Sr).
      HR 08-04-08, LJN BC5969.
  14. Medeplichtigheid: dubbel opzet (2.11)
    1. Bij medeplichtigheid is dubbel opzet vereist :
      1. opzet gericht op hulpverlening en
      2. opzet gericht op het plegen van het misdrijf.
      (HR 02-10-07, LJN BA7932 onder verwijzing naar HR 13-11-01, LJN AD4372).

      En voor de diepgravers:
      Daarbij verdient echter opmerking dat enerzijds t.a.v. de medeplichtige bij de bewezenverklaring en kwalificatie moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan, en dat anderzijds het maximum van de aan de medeplichtige op te leggen straf 1/3 minder bedraagt dan het maximum van de straf, gesteld op het misdrijf dat de medeplichtige voor ogen stond (vgl. HR LJN AD0021 (MH: niet gepubliceerd op rechtspraak.nl)) (art. 49 lid 4 Sr).

      In de betreffende zaak was de medeplichtige in algemene zin op de hoogte van het voornemen van de daders tot het plegen van een overval, maar had deze medeplichtige, (anders dan de daders) géén voorbedachte raad ten aanzien van de dood van het slachtoffer, maar wel (voorwaardelijk) opzet op de dood van een slachtoffer. Het handelen van de medeplichtige kan in dit soort gevallen wél als medeplichtigheid aan moord worden gekwalificeerd maar het toepasselijke strafmaximum moet worden bepaald op grond van medeplichtigheid tot doodslag en niet op grond van medeplichtigheid tot moord (zie art. 49.4 Sr).
      HR 02-10-07, LJN BA7932.
  15. Strafrechtelijke immuniteit gemeente (2.15)
    1. Strafrechtelijke immuniteit van een openbaar lichaam als bedoeld in Hoofdstuk 7 van de Grondwet dient slechts dan te worden aangenomen als de desbetreffende gedragingen naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak, zodat uitgesloten is dat derden in zoverre op gelijke voet als het openbaar lichaam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen.
      In andere gevallen is er wegens de hier te betrachten gelijkheid geen aanleiding immuniteit aan het openbaar lichaam te verlenen (vergelijk HR, LJN AA9342, Pikmeer II). Op grond van art. 10.16a.1 Wet milieubeheer draagt elke gemeente zorg voor de doelmatige inzameling en het doelmatig transport van afvalwater dat vrijkomt bij de binnen haar grondgebied gelegen percelen. Het hebben van die zorgplicht betekent echter nog niet dat het feitelijk inzamelen en transporteren van afvalwater niet door anderen dan bestuursfunctionarissen kan worden verricht. Daarom kunnen het feitelijke inzamelen en transporteren (waaronder ook het tenlastegelegde overstorten dient te worden begrepen) van afvalwater niet worden beschouwd als gedragingen die niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht. Dat de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de doelmatige inzameling en het doelmatig transport van afvalwater bij de gemeente blijft liggen kan daaraan niet afdoen.
      HR 18-09-07, LJN BA6575.
  16. De ‘dood’ van een rechtspersoon en het vervolgingsrecht (2.14)
    1. ‘Indien op het tijdstip dat een vervolging wordt aangevangen voor derden kenbaar is (bijvoorbeeld door publicatie in het Handelsregister) dat een rechtspersoon of een voor de toepassing van art. 51 Sr daarmee gelijkgestelde entiteit ontbonden is, moet het recht tot strafvordering tegen die rechtspersoon of die entiteit als vervallen worden beschouwd, onverminderd de bevoegdheid van het OM om ter zake van een door die rechtspersoon of voor de toepassing van art. 51 Sr daarmee gelijkgestelde entiteit begaan strafbaar feit een vervolging in te stellen tegen hen die tot dat feit opdracht hebben gegeven of feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging. Is de vervolging evenwel ingesteld voordat jegens derden kenbaar was dat de rechtspersoon of de voor de toepassing van art. 51 Sr daarmee gelijkgestelde entiteit ontbonden is, dan is het recht tot strafvordering door de ontbinding niet aan het OM komen te ontvallen’
      HR 02-10-07, LJN BA5825
  17. Opruiing (4.2 en 4.3)
    1. Ook het plaatsen op een MSN-groep van links naar opruiende teksten (art. 132 Sr: verspreiding ter opruiing).
      Rechtbank Rotterdam 30-11-07, LJN BB7174.
  18. Huisvredebreuk: huisrecht? (4.11)
    1. Art. 138 Sr beoogt het huisrecht van een ander te beschermen. Dat huisrecht ontstaat door feitelijke bewoning. Daarbij is niet van belang of die bewoning geschiedt krachtens enig recht. Huisrecht ontstaat dus ook als er sprake is van onrechtmatige bewoning (bijv. door krakers). Ook dan is het binnendringen door een derde (bijv. de eigenaar) onrechtmatig.
      HR 04-09-07, LJN BA4943.
  19. Huisvredebreuk: trapportaal besloten lokaal? (4.11)
    1. Trapportaal wat onderdeel is van een flatgebouw is een "besloten lokaal".
      HR 03-06-08, LJN BC7921.
  20. Huisvredebreuk: 'besloten erf' (4.11)
    1. Van een 'besloten erf' als bedoeld in art. 138 Sr is sprake indien dat erf kenbaar van de omgeving is afgescheiden. Het erf hoeft niet geheel afgesloten te zijn om als “besloten” aangemerkt te kunnen worden.
      HR 04-12-07, LJN BB7104
  21. Heimelijk cameratoezicht (4.15)
    1. Recent voorbeeld uit jurisprudentie: het heimelijk installeren van verborgen camera’s door de gemeente Spijkenisse bij acht wijk- en jongerencentra, teneinde via de door middel van deze verborgen camera's vervaardigde beelden meer duidelijkheid omtrent geconstateerde onregelmatigheden te kunnen krijgen . De gemeente had hierbij verzuimd het personeel van het onderzoek in kennis te stellen en het plaatsen van de camera's aan de (voorzitter van de) Ondernemingsraad kenbaar te maken. Aldus heeft gemeente op ontoelaatbare wijze inbreuk gemaakt op de privacy van haar werknemers.
      Rechtbank Rotterdam 14-12-07, LJN BC0274.
  22. 'Organisatie' als bedoeld in art. 140 Sr (criminele organisatie) (4.16)
    1. Voor de bewezenverklaring van 'een organisatie' als bedoeld in art. 140 Sr is vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.
      HR 22-01-08, LJN BB7134
  23. Deelneming aan terroristische organisatie: vrijspraak Hofstadgroep (4.17)
    1. Dat een vervolging én veroordeling terzake dit misdrijf toch niet zo eenvoudig is mag vooralsnog blijken uit de vervolging van de ‘Hofstadgroep’. Het Gerechtshof heeft in hoger beroep (anders dan de Rechtbank) geoordeeld dat er bij de Hofstadgroep geen sprake is van een criminele en terroristische organisatie, omdat er geen duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband kon worden vastgesteld en evenmin een gemeenschappelijk gedeelde ideologie. Ook was er volgens het Hof geen sprake van dat de verdachten als groep het oogmerk hadden geweldsfeiten of opruiingsdelicten te begaan. Alle verdachten zijn dan ook vrijgesproken van deelname aan een criminele en terroristische organisatie. 
      Hof 's-Gravenhage 23-01-7, LJN BC2576
  24. Openlijk geweld: verkeerde lidnummering art. 141 Sr in zakboek (4.18)
    1. In het zakboek staat onder art. 141 abusievelijk een verkeerde nummering van de artikelleden en wel als lid 2, lid 3 en lid 4. Dat moet resp. zijn lid 1, lid 2 en lid 3. Kennelijk verkeerd gegaan bij opmaak.
  25. Het begrip ambtenaar in de zin van art. 177 en 177a Sr (omkoping ambtenaar) (6.1).
    1. Moet autonoom worden uitgelegd tegen de achtergrond van het relatief recente fenomeen van het privatiseren van overheidstaken. Gezien het doel van de strafbaarstellingen (het tegengaan van elke vorm van corruptie van het ambtenarenapparaat en het bevorderen van een integer overheidshandelen) moeten geen al te hoge eisen worden gesteld aan het begrip ambtenaar in de zin van deze artikelen. Ook dus de directeur van een rechtspersoon die onder toezicht en controle van de overheid staat. Dat dat toezicht en die controle in de praktijk niet of nauwelijks werden uitgeoefend doet daaraan niet af.
      Hof 's-Hertogenbosch 12-1-07, LJN BB5556
  26. Wederspannigheid: rechtmatige uitoefening van de bediening bij achteraf gebleken onschuld verdachte (6.5)
    1. van ‘rechtmatige uitoefening van de bediening’ kan ook sprake zijn en blijven als achteraf blijkt dat het strafbare feit waarvan verdachte verdacht werd en terzake waarvan hij werd aangehouden toch niet door hem gepleegd is: wederspannigheid daartegen blijft dus strafbaar.
      HR 29-01-08, LJN BC2332
  27. Niet voldoen aan een ambtelijk bevel door te weigeren een oorbel uit te doen (Sr 6.9 en Hovj 3.36)?
    1. Een politieambtenaar is op grond van art. 28 van de Ambtsinstructie bevoegd een ingeslotene door het aftasten en doorzoeken van diens kleding te onderzoeken op de aanwezigheid van voorwerpen die tijdens de insluiting een gevaar voor de veiligheid van de betrokkene of voor anderen kunnen vormen, en deze, indien ze worden aangetroffen, in bewaring te nemen.
      Uit dien hoofde komt een politieambtenaar de bevoegdheid toe iemand die wordt ingesloten, te bevelen zijn oorbel uit te doen. Als de ingeslotene daaraan niet voldoet, kan de politieambtenaar zelf en zonodig (mede gelet op art. 8 lid 1 Politiewet 1993) binnen de door beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit getrokken grenzen de oorbel uit het oor van de ingeslotene nemen. Indien verdachte deze handeling zou hebben belet, verijdeld of belemmerd, zou hij zich hebben kunnen schuldig maken aan art. 184 lid 1 Sr (beletten, verijdelen, belemmeren), terwijl bij verzet van verdachte tegen de politieambtenaar sprake zou kunnen zijn van de in art. 180 Sr bedoelde wederspannigheid.
      Art. 2 Politiewet 1993 biedt echter géén grond voor een veroordeling ter zake van het in de eerste zinsnede van art. 184 lid 1 Sr bedoelde strafbare feit (niet voldoen aan ambtelijke bevel, omdat aan deze bepaling in dit geval niet een rechtsplicht van de verdachte kan worden ontleend zijn medewerking te verlenen aan het bevel).
      HR 04-09-07, LJN BA5832.
  28. Optreden politie op basis art. 2 Politiewet en 184 Sr (6.9)
    1. Art. 184, eerste lid, Sr eist een "krachtens wettelijk voorschrift" gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering. Art. 2 Politiewet 1993 bevat een algemene taakomschrijving voor de politie en kan niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van art. 184, eerste lid, Sr moet worden voldaan. Daarbij verdient echter opmerking dat art. 2 Politiewet 1993 wel als een wettelijk voorschrift kan worden aangemerkt ter uitvoering waarvan de in art. 184 Sr bedoelde ambtenaren handelingen kunnen ondernemen waarvan het beletten, belemmeren of verijdelen overtreding van art. 184, eerste lid, Sr kan opleveren.
      HR 29-01-08, LJN BB4108
      Kortom, kijk ook goed naar mogelijk toepasbare APV-artikelen: opzettelijk niet voldoen aan strafbaarstellingen inzake 'bevelen' uit APV's kan ook 184 Sr opleveren (zie daarover ook het zakboek Strafrecht voor de politie). Zie ook art. 185 en 186 Sr.
      Klik hier voor herschreven conceptparagraaf 6.9 2009!!
  29. Mensensmokkel (art. 197a Sr): wederrechtelijk verblijf (6.17)
    1. Van wederrechtelijk verblijf a.b.i. art. 197a Sr is blijkens de wetsgeschiedenis sprake indien het verblijf geschiedt zonder enig subjectief recht of enige bevoegdheid. De in art. 197a Sr bedoelde hulp moet verleend zijn aan iemand die tot het verblijf in NL of het Schengen-rechtsgebied aan geen rechtsregel - van nationale of internationale herkomst - enige titel kan ontlenen. In welke gevallen een vreemdeling het recht heeft om in NL te verblijven is bepaald in de Vw. Ingevolge art. 8.f en h Vw heeft een vreemdeling rechtmatig verblijf indien hij in afwachting is van een beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, dan wel in afwachting is van de beslissing op een bezwaar- of beroepschrift, terwijl bij of krachtens de Vw 2000 dan wel o.g.v. een rechterlijke beslissing uitzetting van aanvrager achterwege dient te blijven totdat daarop is beslist. Voorts houdt art. 3.1 Vb in dat de uitzetting van de vreemdeling die een aanvraag tot een verblijfsvergunning heeft ingediend, achterwege blijft totdat op die aanvraag is beslist en houdt art. 27 Vw o.m. in dat de gevolgen van een afwijzende beschikking op een aanvraag voor een verblijfsvergunning niet intreden indien de vreemdeling bezwaar of beroep heeft ingesteld en de werking van de beschikking is opgeschort.
      HR 15-01-08, LJN BA8499 en BA8497.
  30. Valsheid in geschrift: valselijk opmaken (8.1)
    1. Het op een factuur verhullen wat in werkelijkheid werd geleverd door in plaats van de naam van de geleverde producten een algemene omschrijving daarvan op die factuur te vermelden met het opzet om de effectieve toepassing van wet- en regelgeving te ontgaan.
      HR 22-01-08, LJN BB6354.
  31. Reisdocument in de zin van art. 231 lid 2 (opzettelijk gebruik maken van een niet op naam gesteld reisdocument) (8.6)
    1. Opzettelijk gebruik maken van een niet op naam gesteld reisdocument (art. 231 lid 2): daarvan kan ook sprake zijn bij gebruik van een vals of vervalst reisdocument.
      HR 11-09-07, LJN BA3618.
  32. Skimmen (8.7)
    1. ‘Skimmen is het door middel van technische aanpassingen manipuleren van geldautomaten teneinde de gegevens van magneetstrippen van betaalpassen en de bijbehorende pincode van pinnende personen te kopiëren en vast te leggen, waarna deze gegevens met behulp van technische voorzieningen worden gekopieerd naar de magneetstrip van andere kaarten, welke kaarten vervolgens kunnen worden gebruikt om bij pinautomaten geld op te nemen van de rekeningen waarvan de gegevens illegaal zijn gekopieerd’;
      ‘Het is algemeen bekend dat bij het skimmen van betaalpassen veelal de volgende werkwijze wordt gevolgd. Boven het toetsenbord van een pinautomaat wordt een minicamera geplaatst, die is weggewerkt in een nagemaakt onderdeel van de pinautomaat, bijvoorbeeld een lichtbak. Vervolgens wordt er een opzetstuk geplaatst over de pinpasgleuf met daarin apparatuur om de magneetstrip te kopiëren. Ontvangstapparatuur – waar de gekopieerde pasgegevens op computerapparatuur wordt opgeslagen – wordt in de nabijheid van de geldautomaat geplaatst (bijvoorbeeld in een fietstas). Met behulp van een softwareprogramma kunnen de gekopieerde gegevens vervolgens op lege passen met een magneetstrip worden gekopieerd. Deze lege passen, zogenaamde “white plastics”, kunnen allerlei soorten passen zijn, mits voorzien van een magneetstrip.’(overgenomen uit pv politie).
      Rechtbank Amsterdam 06-11-07, LJN BC0928
  33. Zedenzaak: handelen in strijd met Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik: vrijspraak (9.1)
    1. 'De rechtbank constateert dat niet vast is komen te staan dat de opsporing is geschied door een deskundige rechercheur die voor 50% van een volledige werkweek is belast met de behandeling van zedenzaken. Eveneens is niet vast komen te staan dat [slachtoffer]'s moeder, die later als getuige is gehoord, slechts aanwezig is geweest bij het informatieve gesprek met [slachtoffer] daar waar het de uitleg van de procedure betreft. De aanwezigheid van een vertrouwenspersoon bij het informatieve gesprek wordt, blijkens de Aanwijzing, onwenselijk geacht. Ook [getuige], die later is gehoord in het kader van de namens haar gedane aangifte, is aanwezig geweest bij dit gesprek. Verder is de zedenaanspreekofficier niet in de zaak betrokken. Ten slotte is gebleken dat de gemaakte bandopnamen niet volledig zijn en derhalve niet controleerbaar.'

      'De rechtbank stelt vast dat (...) de opsporingsambtenaren in de onderhavige strafzaak niet conform de regels zoals neergelegd in de Aanwijzing hebben gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat het niet naleven van deze Aanwijzing niet zonder consequenties kan blijven. Er is immers in de onderhavige zaak niet gehandeld met de in zedenzaken, overeenkomstig de genoemde Aanwijzing, vereiste zorgvuldigheid, terwijl de geconstateerde verzuimen niet meer kunnen worden hersteld. Dit betekent dat na te noemen onderdelen van het dossier als onvoldoende controleerbaar op hun bewijskracht van het bewijs zullen worden uitgesloten. Het proces-verbaal van de aangifte van [slachtoffer] tegen verdachte d.d. 25 juni 2007 (p. 94) wordt van het bewijs uitgesloten. Dit betreft een uitwerking van een op band opgenomen verhoor. Gebleken is dat dit verhoor niet geheel op band is opgenomen en derhalve niet controleerbaar is. Ook de getuigenverklaring van de moeder van aangeefster wordt, omdat zij bij het informatieve gesprek aanwezig is geweest en niet valt uit te sluiten dat tijdens dit gesprek over de inhoud van de zaak is gesproken en niet slechts over de formaliteiten, van het bewijs uitgesloten. Bovendien heeft zij slechts kunnen verklaren over hetgeen aangeefster aan haar heeft verteld. Voorts stelt de rechtbank vast dat de dossiers van verdachte en zijn vader niet zijn gevoegd, zodat de inhoud van het dossier van zijn vader -die bij uitspraak van heden door deze rechtbank van het hem tenlastegelegde seksueel misbruik is vrijgesproken- eveneens niet tot het bewijs gebezigd kan worden.'
      Bewijsuitsluiting en vervolgens vrijspraak wegens onvoldoende bewijs.
      Rechtbank Groningen 25-03-08, LJN BC7524.
  34. Berekening van de verjaringstermijnen zedenmisdrijven (9.1)
    1. Zie voor de berekening van de verjaringstermijnen ook het op initiatief van en onder coördinatie van de Politieacademie ontwikkelde programma op internet: http://ecampus.politieacademie.nl/zeden.
  35. Redenen van wetenschap opsp. ambt. betreffende wel/niet kinderporno (van groot belang voor zedenspecialisten) (9.5) (ook in zakboek pv 5.10)
    1. Ingevolge art. 153 Sv moet het pv zoveel mogelijk uitdrukkelijk de redenen van wetenschap bevatten. Onder redenen van wetenschap zijn de bronnen van kennis te verstaan van datgene wat de opsp. ambt. in het pv heeft gerelateerd [1] (bijv. zien, horen, voelen, ruiken, enz.). Door de opname van redenen van wetenschap kunnen waarnemingen en ondervindingen van de verbalisant onderscheiden worden van conclusies die hij aan die waarnemingen en/of bevindingen verbindt [2]. De rechter mag dus geen conclusies uit een pv overnemen als deze door de betreffende verbalisant niet zijn onderbouwd door redenen van wetenschap [3] (let dus op: in het pv mogen wel conclusies staan maar die conclusies mogen door de rechter niet als bewijs gebruikt worden). En dat geldt natuurlijk ook voor de/een conclusie dat er sprake is van kinderporno. De HR overwoog daarover recent dat (kort gezegd) niet voor het bewijs gebruikt mag worden de verklaring van een opsp. ambt. in een pv ‘dat 299 van de onderzochte beeldfiles kinderporno bleken te bevatten, dat 314 beeldfiles voldeden aan de criteria voor overtreding van art. 240b Sr, en dat zij in hoofdzaak bleken te bestaan uit beeldfiles met meisjes wier leeftijd varieert tussen de vijf tot zes en dertien tot veertien jaar die seksuele handelingen plegen met of ondergaan van volwassenen’. Bedoeld relaas hield echter (op twee afbeeldingen na) niets in omtrent de wijze waarop de verbalisant was gekomen tot zijn bevinding dat de afbeeldingen voldeden aan ‘de criteria voor overtreding van art. 240b Sr’ en zijn bevindingen ten aanzien van de leeftijd van de afgebeelde kinderen. De gerelateerde omstandigheid dat ‘vrijwel alle kinderpornografische afbeeldingen, op één na, bekend bleken in de Landelijke Database kinderpornografie’ maakte dat niet anders, nu de bewijsvoering (bijv. het pv) niets inhield omtrent de status van die Database en de criteria die worden aangelegd bij de opneming van afbeeldingen in die Database.
      [1]. T&C, art. 153, aant. 2e.
      [2]. Melai, art. 153, aant. 7.
      [3]. HR 15-11-05, LJN AU2711 (dat iemand houder was van duiven). Zie ook HR 30-11-99, LJN ZD1635 (dat redelijkerwijs kon worden aangenomen dat e.e.a. gebeurde om middelen als bedoeld in art. 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, dan wel slaap- of kalmeringsmiddelen of daarop gelijkende waar te kopen, niet op rechtspraak.nl) en HR 28-03-06, LJN AV1614 (dat de verdachte op de Waldorpstraat te 's-Gravenhage postvatte of zich daar heen en weer bewoog met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in art. 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar aan te bieden of te verwerven).


      HR 01-07-08, LJN BC8645. Zie eerder inzake kinderporno ook al HR 07-12-04, LJN AQ8936.
  36. Ontucht: werkzaam in gezondheidszorg (art. 249 lid 2 onder 3) (9.16)
    1. De aard van de verrichte handeling is bepalend (HR 17-01-06, LJN AU8074). Niet van belang is dus de kwalificatie van de persoon die de betreffende handelingen verricht (bijv. als arts of hulpverlener in de gezondheids/maatschappelijke zorg).
      Hof Amsterdam, 06-07-07, Nieuwsbrief Strafrecht 2007-295 (niet op rechtspraak.nl).
      Bijv. de paramedicus die zelfstandig handelingen (niet liggende op het gebied van de geneeskunst) zonder voorschrift van een arts verricht, voor zover deze handelingen gericht zijn op het bevorderen of bewaken van de gezondheidstoestand van een persoon (zie voornoemd arrest HR).
  37. Smaad(schrift): ruchtbaarheid (10.2)
    1. Het ter kennis van het publiek brengen. Met zodanig 'publiek' is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld.
      HR 08-07-08, LJN BC9186
  38. Belediging politie (10.6)
    1. Het in de etalage tonen en ter verkoop aanbieden van T-shirts met de opdruk “corrupt” en “poep” met op de “o” van deze woorden een sterk op het politielogo gelijkende afbeelding is belediging van een politieambtenaar in functie.
      Rechtbank Rotterdam 29-04-08, LJN BD0872
    2. Tijdens uitschrijven bekeuring: ‘jullie zijn gewoon debiel, stelletje debielen’: strafbare belediging. De stelling van de verdediging dat scheldwoorden zoals door de verdachte gebezigd niet als beledigend kunnen worden gekwalificeerd als verbalisanten hun werk niet goed doen, daar zij in dat geval kunnen verwachten dat de betrokkenen daar met niet mis te verstane bewoordingen tegen opkomen, klopt niet.
      Hof 's-Gravenhage 13-11-07, LJN BB8143.
    3. Tijdens uitschrijven bekeuring: 'homo's': strafbare belediging. De politieambtenaar heeft het woord als beledigend kunnen opvatten, omdat niemand behoeft te accepteren dat hem op deze wijze en in deze omstandigheden kwalificaties worden toegevoegd op een terrein dat bij uitstek behoort tot de persoonlijke integriteit, identiteit en levenssfeer.
      Hof 's-Hertogenbosch 28-12-07, LJN BC0815.
      Is overigens niets nieuws want al vaste jurisprudentie van de HR, zie bijv. HR 06-01-04, LJN AN8498 besproken in het zakboek in 10.1.
    4. Het uitspreken van de woorden "fuck you" en het opsteken van de middelvinger. Hebben immers de strekking de politieman tot wie de uitlating en dat gebaar waren gericht in zijn eer en goede naam aan te tasten.
      HR 18-12-07, LJN BB8985.

      Met mooie conclusie van de AG Wortel, ondermeer over de uiteenlopende meningen van lagere rechters:

      7. In HR NJ 2002, 129 is nog weer eens herhaald dat een uitlating beledigend is wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen en hem in zijn eer en goede naam aan te randen. Onderzocht dient derhalve te worden welke lading de verdachte in het bijzondere geval aan zijn woorden en/of gebaren kennelijk heeft willen geven, en hoe zij door de geadresseerde in redelijkheid kunnen zijn opgevat. Zelfs woorden die, op zichzelf beschouwd, geen negatieve betekenis hebben, kunnen strafbare belediging opleveren indien de omstandigheden van het geval erop wijzen dat zij werden gesproken met het oogmerk te kwetsen, en redelijkerwijs ook zo kunnen zijn overgekomen, vgl HR NJ 2001, 101.
      8. De afgelopen maanden berichtten de media dat sommige strafrechters "fuck you" als strafbare belediging van politiefunctionarissen hebben aangemerkt, doch andere weer niet met een beroep op gewijzigde maatschappelijke opvattingen. Dat laatste acht ik (aannemende dat de berichtgeving in essentie juist was) een onverdedigbare en gevaarlijke opvatting.
      9. De aankondiging dat de ander seks zal/zou moeten ondergaan heeft onmiskenbaar een vernederende lading; de boodschap kan geen andere zijn dan uiterste minachting. Wie wil betogen dat naar hedendaagse opvattingen de aldus aangesprokene geen krenkende aantasting van de persoonlijke waardigheid kan ervaren (en de toevoeging naar idem maatstaven ook niet als krenkend bedoeld hoeft te zijn), maakt vermoedelijk een denkfout. Men kan niet in ernst menen dat - afgedwongen - seks met een wildvreemde in de hedendaagse samenleving een geaccepteerd verschijnsel is. Degene die "fuck you" buiten de strafbare belediging wil plaatsen zal in wezen bedoelen dat men zulke toevoegingen maar over zijn kant moet laten gaan. Ruw taalgebruik als zó veel voorkomend verschijnsel dat we er, wat de strafrechtelijke handhaving betreft, niet meer aan beginnen. Dit lijkt mij een buitengewoon zorgelijke ontwikkeling, ook in de context van wat politiemensen zoal moeten accepteren. Het buitensporige, ongeremd agressieve, egoïsme van de clipcultuur kan geen oriëntatiepunt zijn voor de ontwikkeling van essentiële gedragsnormen.
      10. Zero tolerance volgens maatstaven die de politie eigenmachtig zou kunnen bepalen is geen optie. Iedereen heeft het volste recht om van het openbaar gezag (of wat zich als zodanig presenteert) uitleg of verantwoording te vergen, en niemand is gehouden klakkeloos af te gaan op de autoriteit van een uniform. Politiemensen zullen moeten accepteren dat hun interventies kritiek en weerstand oproepen. Het is hun vak om daar handig mee om te gaan. Dat vak brengt evenwel ook mee dat politiemensen gevaarlijke situaties en emotionele toestanden het hoofd moeten bieden. Het gezag dat zij daarbij moeten kunnen laten gelden, maar ook de mens achter de diender, verdienen bescherming. Een politiefunctionaris zal souplesse en een stevig incasseringsvermogen moeten laten zien, maar uiteindelijk hoeft ook hij geen aantasting van zijn persoonlijkheid te accepteren.
      11. In de rechtspraak hangt alles uiteraard altijd af van de bijzondere omstandigheden van het geval, maar naar mijn overtuiging wordt een gevaarlijke grens overschreden indien in het algemeen als uitgangspunt wordt genomen dat politiemensen "fuck you" of vergelijkbare uitingen van onfatsoen maar moeten accepteren. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat zij, behangen met een flinke hoeveelheid ijzerwerk en communicatiemiddelen, doorgaans makkelijk zullen winnen van het individu dat zich in machteloze woede laat gaan.
  39. Mensenhandel (11.2)
    1. Prostitutie: onder het tot prostitutie brengen in de zin van art. 250a Sr (MH: het huidige art. 273f) dient mede te worden verstaan iedere gedraging gericht tegen een persoon ertoe strekkende deze te belemmeren in zijn vrijheid met prostitutie op te houden ongeacht de omstandigheden of deze daarbij vrijwillig betrokken is geraakt dan wel reeds eerder bij prostitutie betrokken was.
      Hof 's-Hertogenbosch 11-12-07, LJN BC0479.
  40. Bedreiging (11.8)
    1. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat één van de in art. 285 genoemde misdrijven gepleegd zou worden. Daarbij moet het opzet van de verdachte kennelijk op het teweegbrengen van zulk een indruk gericht zijn (vaste jurisprudentie, zie zakboek).

      In het hier besproken geval werd de verdachte gehoord door een opsp. ambt. en zei daarbij tegen die opsp. ambt. "ik zal voor die feiten wel gevangenisstraf krijgen, maar zeker niet levenslang vast zitten. Daarna weet ik je wel te vinden". Op dat moment was die opsp. ambt. er ook van op de hoogte dat verdachte eveneens verdacht werd van het voorhanden hebben van een vuurwapen. Voornoemde bewoordingen zijn aldus van dien aard en onder zulke omstandigheden gedaan dat verdachte zich er bewust van moet zijn geweest dat deze op de betreffende opsp. ambt. konden overkomen als een bedreiging met geweld, en wel tenminste in de vorm van zware mishandeling.
      HR 11-12-07, LJN BB7701.
  41. Bedreiging (art. 285 Sr): uitlatingen, gericht tot X maar betrekking hebbende op Y: bedreiging X? (11.8)
    1. Bewezen was dat de verdachte X had bedreigd met zware mishandeling door die X de woorden toe te voegen: "Die kinderen moeten van mijn inrit afblijven anders sla ik ze de kop in en daar hoort die kleine van drie jaar ook bij".

      De uitlatingen van verdachte waren weliswaar gericht tot de kinderen van X, maar zijn van dien aard en onder zulke omstandigheden gedaan dat deze in het algemeen (en dus ook bij X) vrees kunnen opwekken. Daarbij werd door de rechter betrokken de omstandigheden dat de kinderen van die X van zeer jonge leeftijd waren, dat verdachte dit wist en dat verdachte zijn uitlatingen tot die X heeft gericht met de kennelijke bedoeling haar, als moeder van de kinderen, onder druk te zetten en in haar vrijheid te belemmeren.
      Hof Den Bosch 26-08-07, LJN BB4269.
      Zie ook Hof Den Bosch 09-02-07, LJN BB4551.
  42. Uitingen die verklaringsvrijheid van personen kunnen belemmeren (art. 285a Sr) (11.9)
    1. Gelet op de plaats van het bestanddeel “opzettelijk” in de delictsomschrijving moet ervan worden uitgegaan dat voor strafbaarheid op grond van die bepaling is vereist dat het opzet van de verdachte mede gericht is op de in die bepaling genoemde beïnvloeding, welk opzet ook uit de gedraging en de omstandigheden waaronder die gedraging is verricht kan worden afgeleid. Van die opzet was sprake omdat vastgesteld was dat verdachte en diens medeverdachte degene die tegen hen aangifte van poging tot diefstal had gedaan en die als getuige ter zitting zou worden gehoord, tot kort voor die zitting meermalen hebben benaderd, zowel bij hem op zijn werk, als bij hem thuis en telefonisch, om te praten over de door hem bij de politie afgelegde verklaring, hoewel de getuige te verstaan had gegeven tot een zodanig gesprek niet bereid te zijn.
      HR 20-05-08, LJN BC5961.
    2. ‘Uit de tekst van art. 285a Sr en de wetsgeschiedenis van deze bepaling volgt (…) dat voor een bewezenverklaring (…) voldoende is dat komt vast te staan dat de uiting kennelijk bedoeld was om de vrijheid van de in die bepaling bedoelde persoon om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen, te beïnvloeden zonder dat wordt vereist dat die kennelijke bedoeling ook tot een daadwerkelijke beïnvloeding behoeft te hebben geleid’.
      HR 27-05-08, LJN BC7910.
  43. Belaging (11.10)
    1. Het meerdere keren van buiten in de woning van het slachtoffer gluren om haar te observeren bij het vrijen. Dat het slachtoffer zich niet bewust was van elke keer dat zij werd begluurd doet daar niets aan af. Door heimelijk karakter (naar binnen gluren in woning) bestond voor slachtoffer geen gelegenheid daar iets tegen te ondernemen en werd zij aldus gedwongen het begluren te dulden.
      Hof Arnhem 21-01-08, NJFS 08, 90 (niet op rechtspraak.nl).
  44. Hulp bij zelfdoding (12.8)
    1. Bij de vraag of verdachte behulpzaam is geweest of middelen heeft verschaft gaat het erom of verdachte het door zijn handelen voor de ander mogelijk of gemakkelijk heeft gemaakt om zichzelf te doden, terwijl voor de strafbaarheid daarnaast niet meer wordt vereist dan dat de zelfdoding heeft plaatsgevonden.
      HR 18-03-08, LJN BC4463. Inmiddels ook met noot in NJ 2008, 264.
  45. Mishandeling tijdens sport- of spelsituatie (voetballen) (13.3)
    1. 'Voorop moet worden gesteld dat de omstandigheid dat een gedraging is verricht in een sport- of spelsituatie, geen zelfstandige factor bij de beoordeling van het ten laste gelegde opzet is, in die zin dat die omstandigheid tot een beoordeling aan de hand van andere maatstaven zou dienen te leiden, dan indien het gaat om een gedraging die buiten zo'n situatie is verricht. (..) Opmerking verdient dat de omstandigheid dat de gedraging is verricht in een sport- of spelsituatie, in een geval als het onderhavige wel van belang zou kunnen zijn voor de vraag of het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als mishandeling (vgl. HR 10 september 1996, DD 97.0040). De deelnemers aan een sport, zoals voetbal, hebben immers tot op zekere hoogte gevaarlijke gedragingen waartoe het spel uitlokt over en weer van elkaar te verwachten, terwijl bij een door duidelijke spelregels afgebakende sport die spelregels mede van belang zijn voor het bepalen van de grenzen van de wederrechtelijkheid. Dat geldt echter in de regel niet voor gedragingen die los staan van een spelsituatie waarbij een speler een andere speler letsel toebrengt, terwijl bij gedragingen die in een spelsituatie plaatsvinden, een speler de spelregels op dusdanige wijze kan schenden en zo gevaarlijk kan handelen dat van het ontbreken van wederrechtelijkheid geen sprake kan zijn.'
      HR 22-04-08, LJN BB7087.
  46. Diefstal/verduistering: enig goed: belminuten (14.1 en 16.1)
    1. Belminuten (telefoontikken) zijn geen 'goed' in de zin van 310, 321, 322.
      Hof Amsterdam 18-01-08, Nieuwsbrief Strafrecht 18-01-08, NS 08-45 en eerder ook Rechtbank Haarlem 10-08-06, LJN AY6676.
  47. Diefstal: enig goed (14.1).
    1. Ook een lijk (stoffelijk overschot)
      HR 20-05-08, LJN BC7427.
  48. Oplichting (valse hoedanigheid) (17.1)
    1. Verdachte had hoedanigheid aangenomen van 'bonafide bemiddelaar in financiële diensten en vertrouwenspersoon die aan hem verstrekt geld tijdelijk als "een goed huisvader" zou beheren'.
      De verdachte had echter reeds ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten niet de bedoeling om met de hem verstrekte bedragen om te gaan zoals was voorgespiegeld: aldus valse hoedanigheid.
      HR 25-09-07, LJN BA7685.
  49. Gebruik maken van een dienst die via telecommunicatie aan het publiek wordt aangeboden (art. 326c Sr) (17.3)
    1.  ‘gelet op de strekking van art. 326c Sr, te weten het voorzien in doelmatige bescherming tegen inbreuken op de economische belangen van degene die de bedoelde dienst tegen betaling aanbiedt, brengt een redelijke uitleg van deze bepaling mee dat daaronder ook is begrepen het gebruik van een onderdeel van de aangeboden dienst waaraan (zoals hier het geval is) een zekere zelfstandige betekenis niet kan worden ontzegd. Aldus blijft immers nog altijd toegang in begrijpelijke vorm geboden tot de beschermde dienst. Daaraan doet niet af dat (…) het beeld moeilijk manipuleerbaar is, het programma slechts op de computer bekeken kan worden en het niet mogelijk is om een gedecodeerde vorm van Canal+ vast te leggen in het geheugen van het zogeheten PCTV programma, omdat deze omstandigheden slechts aspecten van het gebruiksgemak van een dienst betreffen'.
      HR 08-07-08, LJN BC9192.
  50. Schuldheling (kopen onder dagwaarde met nader onderzoek naar herkomst) (19.4)
    1. Het kopen van een graafmachine voor € 70.000,- met een dagwaarde van € 110,000,- terwijl verdachte had verklaard dat de gemiddelde waarde van dit soort machines rond de € 85.000,- lag. Daaraan deed niet af het door verdachte uitgevoerde onderzoek naar de herkomst van de graafmachine: verdachte had via recherchebureau laten uitzoeken of graafmachine gesignaleerd stond (wat niet het geval was).
      HR 11-12-07, LJN BB7701.
  51. Witwassen (rubricering) (19.5)
    1. Rechter komt tot bewijs van witwassen aan hand van rubricering inzake de herkomst van het geld, de financiële positie van de verdachte, de wijze van transport en het negeren van de wettelijke bepalingen en de samenstelling van het geld (overwegend coupures van € 500).
      Hof Amsterdam 01-07-08, LJN BD7281.
  52. Witwassen van voorwerpen uit eigen misdrijf (19.5 en 19.6)
    1. De herkomst van het voorwerp uit een eigen misdrijf behoeft niet aan een veroordeling wegens witwassen in de weg te staan.
      Ook het enkele voorhanden hebben van een voorwerp kan voldoende zijn om dit als witwassen aan te merken.
      HR 02-10-07, LJN BA7923.
  53. Straatschenderij/baldadigheid (art. 424 Sr) (20.2)
    1. ‘door de wetgever is niet concreet omschreven wat onder baldadigheid in de zin van art. 424 Sr moet worden verstaan. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever dit probleem onderkend. “Art. 424 Sr is juist geschreven voor de vele gevallen waarin baldadigheid op zich zelve niet zou vallen onder eene bepaling van het Tweede Boek. Bijv. op het doen schrikken van paarden, het werpen van sneeuwballen, het werpen van vuil tegen een huis, het bekladden van een pas geverfde deur, kortom op feiten, die op zich zelve beschouwd niet of althans niet in den regel niet vallen onder de bepalingen van het Tweede Boek.” In de memorie van toelichting wordt voorts overwogen dat baldadigheid een “zeer eigenaardige wilsuiting” veronderstelt die niet, zoals bij de meeste opzettelijke handelingen, als middel is aan te merken, maar juist als doel. Voor baldadig handelen moet blijken van handelen met de wil om kwaad te doen of een ander overlast te berokkenen.
      Hof Arnhem 27-06-08, LJN BD5552.
  54. Pitbulls (20.3)
    1. Tot voor kort gold onverkort de Regeling agressieve dieren (verder RAD te noemen), gebaseerd op art. 73 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Op basis daarvan was het verboden pitbulls te fokken, in Nederland te brengen, te koop aan te bieden of te verkopen maar ook voorhanden te hebben. De HR overwoog daarover dat de vraag of een dier kon worden aangemerkt als een hond van het pitbullterriërtype diende te worden beantwoord aan de hand van de maatstaf of het dier ‘in belangrijke mate’ voldeed aan de in de bij art. 2 van de RAD behorende bijlage genoemde (33) karakteristieken. Een hond behoefde dus niet aan al die karakteristieken te voldoen om te kunnen worden aangemerkt als een pitbull.

      Een commissie van wijzen heeft echter geconstateerd dat na vijftien jaar de RAD niet heeft geresulteerd in minder bijtincidenten waarbij pitbulls zijn betrokken en dat daarnaast de RAD zich te eenzijdig richt op pitbulls, terwijl ook andere type honden veelvuldig bij bijtincidenten zijn betrokken. In voorbereiding is dan ook een nieuwe regeling op basis van voornoemd art. 73 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Deze regeling moet het mogelijk maken om honden in beslag te nemen met een schofthoogte van ten minste 35 centimeter die abnormaal agressief gedrag vertonen. Honden die op basis van dit vermeende abnormale agressieve gedrag in beslag zijn genomen ondergaan een gevalideerde gedragstest die afgenomen wordt door gedragsdeskundigen. Deze test moet nog worden ontwikkeld.

      Hoewel de nieuwe regeling nog in de maak is, zullen honden die vanaf 30 mei 2008 in beslag zijn of worden genomen op basis van de RAD niet meer worden gedood. Pitbulls mogen ook niet meer uitsluitend op basis van uiterlijke kernmerken in beslag worden genomen. Ibn van honden die daadwerkelijk agressief gedrag vertonen blijft evenwel nog wel mogelijk op basis van de huidige RAD en op basis van art. 350 en 425 Sr. Op basis van de RAD zullen echter alleen honden worden in beslag genomen die voldoen aan de uiterlijke kenmerken van een pitbull én die agressief gedrag vertonen. In overleg met gedragsdeskundigen zal een aanpak worden geformuleerd voor deze honden totdat de gevalideerde test beschikbaar is. Blijkt de hond abnormaal agressief te zijn dan zal hij alsnog worden geëuthanaseerd.

      Bovenstaande is gebaseerd op de brief van het college van PG’s aan de hoofd-ovj’s en hoofd-ag’s d.d. 09-06-08. Zie ook de brief van de minister van LNV aan de Tweede kamer, kamerstukken 28286, nr. 218 (te vinden via www.overheid.nl.
  55. Controlebevoegdheden toezichthouders (Douane) Opiumwet (21.7)
    1. Art. 8j Opiumwet jo. art. 5:11 en 5:18 Awb biedt een toereikende wettelijke grondslag voor de in het kader van de 100%-controle door de douaneambtenaren uitgeoefende bevoegdheid de tas van verdachte te onderzoeken. Voor de toepassing van de in art. 8j Opiumwet bedoelde controlebevoegdheid is niet vereist dat sprake is van een verdenking ter zake van enig strafbaar feit.
      HR 02-10-07, LJN BA7911.
  56. Strafbare voorbereidingshandelingen Opiumwet gericht op ontvangst/aflevering pakketje waarin in tegenstelling tot verwachting verdachte géén drugs (want ibn)  (21.11)
    1. De omstandigheid dat het door de verdachte in ontvangst genomen pakketje anders dan hij veronderstelde geen cocaïne bleek te bevatten, doet aan de mogelijke strafbaarheid terzake voorbereidingshandelingen  niet af.
      HR 27-11-07, LJN BB8762.
  57. Opiumwet: in de uitoefening van beroep of bedrijf in de zin van art. 11 Opiumwet (21.12)
    1. 'In de uitoefening van een beroep of bedrijf': geregelde en stelselmatige verkoop van softdrugs (softdrugs verhandelen in woning 'als ware die woning een coffeeshop).
      HR 02-07-08, LJN BC8654.
  58. Straf bij verlengde invoer drugs na gedeeltelijke ibn (Opiumwet) (21.17)
    1. Na de vondst van 500 kg cocaïne in 2 metalen kisten in de haven van Rotterdam, werd de cocaïne op 10 kg na verwijderd en werden de kisten verzwaard met bakstenen doorgelaten. Verdachte werd aangehouden in Amsterdam toen hij probeerde de metalen kisten te openen. Aldus mag bij de strafmaat rekening gehouden worden dat verdachtes handelen was gericht op de invoer van een aanzienlijke grotere hoeveelheid cocaïne dan die welke bij zijn aanhouding is aangetroffen. MH: als er niets was doorgelaten zou er dus géén verlengde invoer zijn, zie hiervoor het in het zakboek besprokene bij ‘drugs in pakketje voor bezorging verwijderd’!!
      HR 15-01-08, LJN BC0828
  59. 6 WVW: schuld (23.4)
    1. 'Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (vgl. HR LJN AO5822). Anders dan het Hof kennelijk heeft geoordeeld, kan uit de enkele omstandigheid dat verdachte, toen hij zich vergewiste van mogelijk naderend verkeer, de motorrijdster niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel zichtbaar moet zijn geweest, niet volgen dat verdachte, zoals is bewezenverklaard “aanmerkelijk onoplettend en met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid heeft gereden”.'
      HR 29-04-08, LJN BD0544.