- Causaliteit bij zwaar lichamelijk letsel door trappen
met geschoeide voet in nabijheid vitale organen (1.7, 1.8 en 3.4)
- Door schoppen of slaan tegen vitale lichaamsdelen of met geschoeide
voet schoppen in nabijheid vitale lichaamsdelen kunnen bloedingen
ontstaan en kan zelfs de dood worden veroorzaakt.
HR
4-12-07, LJN
BB7117
- Voorwaardelijk opzet bij inrijden op agent (1.8)
- Verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep: "Op 7
januari 2004 ben ik in Diemen weggereden voor de politie. De
politieagent (...) stond vrijwel midden
op de weg. Ik reed in mijn auto zonder de lichten aan. De manier
waarop ik reed en de snelheid hadden ervoor kunnen zorgen dat ik de
politieagent omver had kunnen rijden. Ik ben gewoon rechtdoor
gereden, in de richting van de politieagent en ik ben niet gestopt.
Ik ben gas blijven geven tot ik vlakbij de politieagent was. Ik ben
daarna naar links uitgeweken omdat ik hem niet wilde raken. Ik kon
niet voorzien wat de politieagent ging doen." Ondanks dit uitwijken
toch voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel bij de bewuste
politieagent, aangezien dit uitwijken eerst plaatsvond toen
verdachte vlak vóór de politieagent was.
HR
15-01-08, LJN BA7888.
- Voorwaardelijk opzet in verkeer (achtervolgende burgers) (1.8)
- Verdachte voelde zich door [slachtoffer 2] opgelicht en was daar
zeer boos over. Hij wilde dit niet over zijn kant laten gaan en is de
auto waarin [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zich bevonden gaan
achtervolgen. Die achtervolging vond plaats met veelal zeer hoge
snelheden. Tijdens die achtervolging is verdachte ten minste een maal
achter op de auto van [slachtoffer 1] gereden. Daarna heeft verdachte de
achtervolging voortgezet. Op enig moment hebben de beide auto’s naast
elkaar gereden toen verdachte [slachtoffer 1] probeerde in te halen.
Daarbij raakten de auto’s elkaar, waarbij in elk geval vast staat dat
verdachte zich niet van de weg wilde laten drukken en wilde dat
[slachtoffer 1] zou stoppen, koste wat kost. Verdachte heeft ook in de
richting van de auto van [slachtoffer 1] gestuurd. Als gevolg van, in
ieder geval direct na dit contact tussen beide auto’s is [slachtoffer 1]
met zijn auto tegen een boom gebotst en is als gevolg daarvan overleden.
[slachtoffer 2] heeft de botsing overleefd. Aldus heeft verdachte
willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat als gevolg van zijn
bewezen verklaarde gedragingen of mede als gevolg van zijn bewezen
verklaarde gedragingen de door hem achtervolgde auto van de weg zou
raken en ergens tegenaan zou rijden en de inzittenden van die auto om
het leven zouden komen.
Hof
Den Bosch 27-08-07, LJN BB4261.
- Voorwaardelijk opzet in verkeer (automobilist rijdt voetganger
dood) (1.8)
- Betrof dodelijke aanrijding met voetganger. Drukke weg,
oversteekplaats, niet in het bezit van een rijbewijs, gebruik van
alcoholhoudende drank, ‘stoer rijden’, regen, glad wegdek, te hard
rijden, telefoneren kort voor aanrijding, eerder veroordeeld. Kennelijk
is het verdachte om het even geweest of hij op de bewuste avond zwakke
verkeersdeelnemers zoals voetgangers zou aanrijden. Een dergelijk gevolg
heeft verdachte kennelijk op de koop toe genomen. De verdachte heeft
aldus willens en wetens de aanmerkelijke kans genomen dat hij door zijn
hiervoor omschreven verkeersgedrag de dood van andere verkeersdeelnemers
zoals voetgangers zou veroorzaken. Bevestiging daarvan kan ook worden
gevonden in de omstandigheid dat verdachte de plaats van het ongeval
heeft verlaten, terwijl hij een klap had gehoord en vervolgens de
voorruit van de auto naar binnen heeft zien komen en wist “iets” te
hebben geraakt, en niets heeft ondernomen teneinde te bewerkstelligen
dat aan eventuele slachtoffers hulp zou worden geboden.
Hof
Den Bosch
05-10-07, LJN BB4874.
- Voorwaardelijk opzet gericht op zwaar lichamelijk letsel: trappen
met geschoeide voet in nabijheid vitale organen (1.7, 1.8 en 3.4)
- Voorwaardelijk opzet gericht op zwaar lichamelijk letsel: het met
kracht en met geschoeide voet geven van een schop in het middel (en
daarmee in de nabijheid van vitale organen) van het slachtoffer.
HR
4-12-07, LJN
BB7117
- Voorwaardelijk opzet gericht op zwaar lichamelijk letsel:
inrijden met auto op andere auto (1.8 en 3.4)
- Verdachte is in een personenauto met hoge snelheid van achteren op
een andere auto ingereden, terwijl (naar voor hem kenbaar moet zijn
geweest) het linkerachterportier van die auto openstond en zich direct
om die auto heen mensen bevonden. Verdachte is vervolgens tegen dat
achterportier aangereden, waarachter zich het slachtoffer bevond dat
bezig was in te stappen.
HR
4-12-07, LJN
BB7075
- Voorwaardelijk opzet bij aangetroffen cocaïne in tas
vliegtuigpassagier (1.8).
- Vastgesteld was
- dat de verdachte een tas nodig had;
- dat X, die zij van de straat kende, zei dat hij een goede tas
had die zij wel mocht lenen;
- dat zij die kleine tas van X heeft geleend en als ruimbagage
heeft ingecheckt en
- dat in die tas 491,3 gram cocaïne is aangetroffen (bij een
100%-controle, zie hierover de actualiteiten bij art. 8j
Opiumwet in 11.22). De HR overwoog vervolgens dat de verdachte,
die geen nadere informatie heeft kunnen of willen verstrekken
over X, voor de in-houd van de tas verantwoordelijk was, en dat
de verdachte, door zonder de tas grondig te controleren die tas
te vervoeren, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft
aanvaard dat zich in de bagage die zij meenam uit Curaçao
(waarvan bekend is dat het als uitvalsbasis dient voor
drugstransporten) cocaïne zou bevinden.
HR
02-10-07, LJN BA7911.
- Voorwaardelijk opzet (Rijswijkse stoeptegelmoord) (1.8)
- Delen van een (stoep)tegel vanaf een brug/viaduct laten vallen
op/tegen een op de snelweg rijdende personenauto (voorwaardelijk opzet
op moord).
HR
02-10-07, LJN BA7924.
- Voorbedachte raad (Rijswijkse stoeptegelmoord) (1.11)
- Verdachte en zijn mededader hadden het plan opgevat een stok vanaf
het viaduct over de rijksweg te gooien maar konden geen stok vinden. Ze
hebben toen een tegel in stukken gebroken en zijn met stukken van die
tegel op het viaduct gaan staan en hebben gewacht met het laten vallen
van die stenen tot een op de rijksweg rijdende auto (zeer) dichtbij was
gekomen. Aldus voorbedachte raad.
HR
02-10-07, LJN BA7924.
- Voorbedachte raad (1.11)
- Voor bewezenverklaring is vereist dat komt vast te staan dat het
handelen van verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem
genomen besluit en dat verdachte tussen het nemen van dat besluit en de
uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de
gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan
rekenschap te geven.
Volledige ontoerekeningsvatbaarheid sluit niet uit dat er sprake is van
voorbedachte raad.
HR
05-02-08, LJN BB4959.
- Strafbare voorbereiding: in vereniging verwerven (want klaar
leggen) van een mes (2.3)
- Vastgesteld was dat de mededader een mes heeft "geregeld" met het
oog op het vermoorden van het slachtoffer op het fabrieksterrein aan de
Zaalbergweg te Leiden, en dat dat mes daartoe in een caravan op dat
fabrieksterrein is gelegd. Aldus strafbare voorbereiding van een te
plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld (moord) door
opzettelijk tezamen en in vereniging met één van zijn mededaders, een
mes, welk kennelijk bestemd was tot het in vereniging begaan van dat
misdrijf, te verwerven.
HR
11-12-07, LJN BB6220.
- Voorbereiding (oude wetgeving tot 01-02-07: kennelijk bestemd) (Samir
A) (2.3)
- Verdachte was zowel door de rechtbank Rotterdam als het gerechtshof
te 's-Gravenhage vrijgesproken van de ten laste gelegde voorbereiding.
De HR (HR
20-02-07, LJN AZ2013) kon zich daar niet in vinden en verwees de
zaak naar het Hof Amsterdam. Dat Hof is nu van oordeel dat de in 2004 in de
woning van verdachte aangetroffen stoffen en informatiedragers kennelijk
bestemd waren voor het plegen van een aanslag op één of meer
(overheids)gebouwen. De aangetroffen objecten verkrijgen een
strafwaardig karakter en betekenis in hun onderlinge samenhang. Hoewel
de voorwerpen op zichzelf in het
stadium waarin deze werden aangetroffen (nog) niet in alle opzichten
geschikt waren om een dergelijke aanslag te plegen, waren zij daartoe in
deze voorbereidende fase wel kennelijk bestemd in de zin van art. 46 Sr.
Daarbij betrok het Hof ook het zwijgen van de verdachte in de
bewijsoverwegingen: 'het zwijgrecht betreft een van de elementaire
rechten van de verdachte in het strafproces; een beroep op dit recht kan
nimmer aan de verdachte worden tegengeworpen. De rechter is evenwel vrij
om, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in
samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd
redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem
tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende,
verklaring geeft of heeft gegeven, dit in zijn overwegingen omtrent het
gebezigde bewijsmateriaal te betrekken (MH: zie HR 15-06-04, LJN AO9639,
14-03-06, LJN AU5496, 05-12-06, LJN AZ0651 en NJ 2002, 567). Het Hof
laat het ontbreken van een verklaring van de verdachte op dit punt dan
ook meewegen bij de waardering van het voorhanden zijnde bewijs.'
Wellicht ten overvloede: door een wetswijziging is sinds 01-02-07
'kennelijk' in 'kennelijk bestemd' vervallen, zie daarover uitgebreid
het zakboek (citaten uit kamerstukken).
Hof Amsterdam
17-09-07, LJN BB3756.
- Mislukte uitlokking (poging een ander tot misdrijf te bewegen) (2.4)
- In art. 46a Sr gaat het om tot een ander gerichte gedragingen die
niet ertoe leiden dat het tot een begin van uitvoering komt van het
misdrijf waarop die gedragingen waren gericht. De omstandigheid dat die
ander van meet af aan ongevoelig is geweest voor het plan van de
verdachte doet daar niet aan af.(vlg. HR NJ 1936, 311 en HR NJ 1940, 822
t.a.v. art. 134bis (oud) Sr).
HR
08-04-08, LJN BC5969.
- Medeplichtigheid: dubbel opzet (2.11)
- Bij medeplichtigheid is dubbel opzet vereist :
1. opzet gericht op hulpverlening en
2. opzet gericht op het plegen van het misdrijf.
(HR
02-10-07, LJN BA7932 onder verwijzing naar
HR
13-11-01, LJN AD4372).
En voor de diepgravers:
Daarbij verdient echter opmerking dat enerzijds t.a.v. de medeplichtige
bij de bewezenverklaring en kwalificatie moet worden uitgegaan van de
door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de
medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan, en dat anderzijds
het maximum van de aan de medeplichtige op te leggen straf 1/3 minder
bedraagt dan het maximum van de straf, gesteld op het misdrijf dat de
medeplichtige voor ogen stond (vgl. HR LJN AD0021 (MH: niet gepubliceerd
op rechtspraak.nl)) (art. 49 lid 4 Sr).
In de betreffende zaak was de medeplichtige in algemene zin op de hoogte
van het voornemen van de daders tot het plegen van een overval,
maar had deze medeplichtige, (anders dan de daders) géén voorbedachte
raad ten aanzien van de dood van het slachtoffer, maar wel
(voorwaardelijk) opzet op de dood van een slachtoffer. Het handelen van
de medeplichtige kan in dit soort gevallen wél als medeplichtigheid aan
moord worden gekwalificeerd maar het toepasselijke strafmaximum
moet worden bepaald op grond van medeplichtigheid tot doodslag en niet
op grond van medeplichtigheid tot moord (zie art. 49.4 Sr).
HR
02-10-07, LJN BA7932.
- Strafrechtelijke immuniteit gemeente (2.15)
- Strafrechtelijke immuniteit van een openbaar lichaam als bedoeld in
Hoofdstuk 7 van de Grondwet dient slechts dan te worden aangenomen als
de desbetreffende gedragingen naar haar aard en gelet op het wettelijk
systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen
worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbaar
lichaam opgedragen bestuurstaak, zodat uitgesloten is dat derden in
zoverre op gelijke voet als het openbaar lichaam aan het maatschappelijk
verkeer deelnemen.
In andere gevallen is er wegens de hier te betrachten gelijkheid geen
aanleiding immuniteit aan het openbaar lichaam te verlenen (vergelijk
HR,
LJN AA9342, Pikmeer II). Op grond van art. 10.16a.1 Wet milieubeheer
draagt elke gemeente zorg voor de doelmatige inzameling en het doelmatig
transport van afvalwater dat vrijkomt bij de binnen haar grondgebied
gelegen percelen. Het hebben van die zorgplicht betekent echter nog niet
dat het feitelijk inzamelen en transporteren van afvalwater niet door
anderen dan bestuursfunctionarissen kan worden verricht. Daarom kunnen
het feitelijke inzamelen en transporteren (waaronder ook het
tenlastegelegde overstorten dient te worden begrepen) van afvalwater
niet worden beschouwd als gedragingen die niet anders dan door
bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht. Dat de bestuurlijke
verantwoordelijkheid voor de doelmatige inzameling en het doelmatig
transport van afvalwater bij de gemeente blijft liggen kan daaraan niet
afdoen.
HR 18-09-07, LJN
BA6575.
- De ‘dood’ van een rechtspersoon en het vervolgingsrecht (2.14)
- ‘Indien op het tijdstip dat een vervolging wordt aangevangen voor
derden kenbaar is (bijvoorbeeld door publicatie in het Handelsregister)
dat een rechtspersoon of een voor de toepassing van art. 51 Sr daarmee
gelijkgestelde entiteit ontbonden is, moet het recht tot strafvordering
tegen die rechtspersoon of die entiteit als vervallen worden beschouwd,
onverminderd de bevoegdheid van het OM om ter zake van een door die
rechtspersoon of voor de toepassing van art. 51 Sr daarmee
gelijkgestelde entiteit begaan strafbaar feit een vervolging in te
stellen tegen hen die tot dat feit opdracht hebben gegeven of feitelijke
leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging. Is de vervolging
evenwel ingesteld voordat jegens derden kenbaar was dat de rechtspersoon
of de voor de toepassing van art. 51 Sr daarmee gelijkgestelde entiteit
ontbonden is, dan is het recht tot strafvordering door de ontbinding
niet aan het OM komen te ontvallen’
HR
02-10-07, LJN
BA5825
- Opruiing (4.2 en 4.3)
- Ook het plaatsen op een MSN-groep van links naar opruiende teksten (art.
132 Sr: verspreiding ter opruiing).
Rechtbank
Rotterdam 30-11-07, LJN BB7174.
- Huisvredebreuk: huisrecht? (4.11)
- Art. 138 Sr beoogt het huisrecht van een ander te beschermen. Dat
huisrecht ontstaat door feitelijke bewoning. Daarbij is niet van belang
of die bewoning geschiedt krachtens enig recht. Huisrecht ontstaat dus
ook als er sprake is van onrechtmatige bewoning (bijv. door krakers).
Ook dan is het binnendringen door een derde (bijv. de eigenaar)
onrechtmatig.
HR
04-09-07, LJN BA4943.
- Huisvredebreuk: trapportaal besloten lokaal? (4.11)
- Trapportaal wat onderdeel is van een flatgebouw is een "besloten
lokaal".
HR
03-06-08, LJN
BC7921.
- Huisvredebreuk: 'besloten erf' (4.11)
- Van een 'besloten erf' als bedoeld in art. 138 Sr is sprake indien
dat erf kenbaar van de omgeving is afgescheiden. Het erf hoeft niet
geheel afgesloten te zijn om als “besloten” aangemerkt te kunnen worden.
HR
04-12-07, LJN
BB7104
- Heimelijk cameratoezicht (4.15)
- Recent voorbeeld uit jurisprudentie: het heimelijk installeren van
verborgen camera’s door de gemeente Spijkenisse bij acht wijk- en
jongerencentra, teneinde via de door middel van deze verborgen camera's
vervaardigde beelden meer duidelijkheid omtrent geconstateerde
onregelmatigheden te kunnen krijgen . De gemeente had hierbij verzuimd
het personeel van het onderzoek in kennis te stellen en het plaatsen van
de camera's aan de (voorzitter van de) Ondernemingsraad kenbaar te
maken. Aldus heeft gemeente op ontoelaatbare wijze inbreuk gemaakt op de
privacy van haar werknemers.
Rechtbank
Rotterdam 14-12-07, LJN BC0274.
- 'Organisatie' als bedoeld in art. 140 Sr (criminele organisatie)
(4.16)
- Voor de bewezenverklaring van 'een organisatie' als bedoeld in art.
140 Sr is vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband, met een
zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één
andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een
persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt
moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle
andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de
samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.
HR
22-01-08, LJN
BB7134
- Deelneming aan terroristische organisatie: vrijspraak
Hofstadgroep (4.17)
- Dat een vervolging én veroordeling terzake dit misdrijf toch niet zo
eenvoudig is mag vooralsnog blijken uit de vervolging van de
‘Hofstadgroep’. Het Gerechtshof heeft in hoger beroep (anders dan de
Rechtbank) geoordeeld dat er bij de Hofstadgroep geen sprake is van een
criminele en terroristische organisatie, omdat er geen duurzaam en
gestructureerd samenwerkingsverband kon worden vastgesteld en evenmin
een gemeenschappelijk gedeelde ideologie. Ook was er volgens het Hof
geen sprake van dat de verdachten als groep het oogmerk hadden
geweldsfeiten of opruiingsdelicten te begaan. Alle verdachten zijn dan
ook vrijgesproken van deelname aan een criminele en terroristische
organisatie.
Hof
's-Gravenhage 23-01-7, LJN BC2576
- Openlijk geweld: verkeerde lidnummering art. 141 Sr in
zakboek (4.18)
- In het zakboek staat onder art. 141 abusievelijk een verkeerde
nummering van de artikelleden en wel als lid 2, lid 3 en lid 4. Dat moet
resp. zijn lid 1, lid 2 en lid 3. Kennelijk verkeerd gegaan bij opmaak.
- Het begrip ambtenaar in de zin van art. 177 en 177a Sr (omkoping
ambtenaar) (6.1).
- Moet autonoom worden uitgelegd tegen de achtergrond van het relatief
recente fenomeen van het privatiseren van overheidstaken. Gezien het
doel van de strafbaarstellingen (het tegengaan van elke vorm van
corruptie van het ambtenarenapparaat en het bevorderen van een integer
overheidshandelen) moeten geen al te hoge eisen worden gesteld aan het
begrip ambtenaar in de zin van deze artikelen. Ook dus de directeur van
een rechtspersoon die onder toezicht en controle van de overheid staat.
Dat dat toezicht en die controle in de praktijk niet of nauwelijks
werden uitgeoefend doet daaraan niet af.
Hof 's-Hertogenbosch 12-1-07, LJN
BB5556
- Wederspannigheid: rechtmatige uitoefening van de bediening bij
achteraf gebleken onschuld verdachte (6.5)
- van ‘rechtmatige uitoefening van de bediening’ kan ook sprake zijn
en blijven als achteraf blijkt dat het strafbare feit waarvan verdachte
verdacht werd en terzake waarvan hij werd aangehouden toch niet door hem
gepleegd is: wederspannigheid daartegen blijft dus strafbaar.
HR
29-01-08, LJN
BC2332
- Niet voldoen aan een ambtelijk bevel door te weigeren een oorbel
uit te doen (Sr 6.9 en Hovj 3.36)?
- Een politieambtenaar is op grond van art. 28 van de Ambtsinstructie
bevoegd een ingeslotene door het aftasten en doorzoeken van diens
kleding te onderzoeken op de aanwezigheid van voorwerpen die tijdens de
insluiting een gevaar voor de veiligheid van de betrokkene of voor
anderen kunnen vormen, en deze, indien ze worden aangetroffen, in
bewaring te nemen.
Uit dien hoofde komt een politieambtenaar de bevoegdheid toe iemand die
wordt ingesloten, te bevelen zijn oorbel uit te doen. Als de ingeslotene
daaraan niet voldoet, kan de politieambtenaar zelf en zonodig (mede
gelet op art. 8 lid 1 Politiewet 1993) binnen de door beginselen van
proportionaliteit en subsidiariteit getrokken grenzen de oorbel uit het
oor van de ingeslotene nemen. Indien verdachte deze handeling zou hebben
belet, verijdeld of belemmerd, zou hij zich hebben kunnen schuldig maken
aan art. 184 lid 1 Sr (beletten, verijdelen, belemmeren), terwijl bij
verzet van verdachte tegen de politieambtenaar sprake zou kunnen zijn
van de in art. 180 Sr bedoelde wederspannigheid. Art. 2 Politiewet 1993 biedt echter géén grond voor een veroordeling ter
zake van het in de eerste zinsnede van art. 184 lid 1 Sr bedoelde
strafbare feit (niet voldoen aan ambtelijke bevel, omdat aan deze
bepaling in dit geval niet een rechtsplicht van de verdachte kan worden
ontleend zijn medewerking te verlenen aan het bevel).
HR
04-09-07, LJN BA5832.
- Optreden politie op basis art. 2 Politiewet en 184 Sr
(6.9)
- Art. 184, eerste lid, Sr eist een "krachtens wettelijk
voorschrift" gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet
uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is
tot het doen van een vordering. Art. 2 Politiewet 1993 bevat een
algemene taakomschrijving voor de politie en kan niet worden
aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan
vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe
van overtreding van art. 184, eerste lid, Sr moet worden
voldaan. Daarbij verdient echter opmerking dat art. 2 Politiewet
1993 wel als een wettelijk voorschrift kan worden aangemerkt ter
uitvoering waarvan de in art. 184 Sr bedoelde ambtenaren
handelingen kunnen ondernemen waarvan het beletten, belemmeren
of verijdelen overtreding van art. 184, eerste lid, Sr kan
opleveren.
HR 29-01-08, LJN BB4108
Kortom, kijk ook goed naar mogelijk toepasbare APV-artikelen:
opzettelijk niet voldoen aan strafbaarstellingen inzake
'bevelen' uit APV's kan ook 184 Sr opleveren (zie daarover ook
het zakboek Strafrecht voor de politie). Zie ook art. 185 en 186
Sr.
Klik hier voor herschreven conceptparagraaf 6.9 2009!!
- Mensensmokkel (art. 197a Sr): wederrechtelijk verblijf (6.17)
- Van wederrechtelijk verblijf a.b.i. art. 197a Sr is blijkens de
wetsgeschiedenis sprake indien het verblijf geschiedt zonder enig
subjectief recht of enige bevoegdheid. De in art. 197a Sr bedoelde hulp
moet verleend zijn aan iemand die tot het verblijf in NL of het
Schengen-rechtsgebied aan geen rechtsregel - van nationale of
internationale herkomst - enige titel kan ontlenen. In welke gevallen
een vreemdeling het recht heeft om in NL te verblijven is bepaald in de
Vw. Ingevolge art. 8.f en h Vw heeft een vreemdeling rechtmatig verblijf
indien hij in afwachting is van een beslissing op een aanvraag tot het
verlenen van een verblijfsvergunning, dan wel in afwachting is van de
beslissing op een bezwaar- of beroepschrift, terwijl bij of krachtens de
Vw 2000 dan wel o.g.v. een rechterlijke beslissing uitzetting van
aanvrager achterwege dient te blijven totdat daarop is beslist. Voorts
houdt art. 3.1 Vb in dat de uitzetting van de vreemdeling die een
aanvraag tot een verblijfsvergunning heeft ingediend, achterwege blijft
totdat op die aanvraag is beslist en houdt art. 27 Vw o.m. in dat de
gevolgen van een afwijzende beschikking op een aanvraag voor een
verblijfsvergunning niet intreden indien de vreemdeling bezwaar of
beroep heeft ingesteld en de werking van de beschikking is opgeschort.
HR
15-01-08, LJN BA8499 en
BA8497.
- Valsheid in geschrift: valselijk opmaken (8.1)
- Het op een factuur verhullen wat in werkelijkheid werd geleverd door
in plaats van de naam van de geleverde producten een algemene
omschrijving daarvan op die factuur te vermelden met het opzet om de
effectieve toepassing van wet- en regelgeving te ontgaan.
HR
22-01-08, LJN BB6354.
- Reisdocument in de zin van art. 231 lid 2 (opzettelijk
gebruik maken van een niet op naam gesteld reisdocument) (8.6)
- Opzettelijk gebruik maken van een niet op naam gesteld
reisdocument (art. 231 lid 2): daarvan kan ook sprake zijn bij
gebruik van een vals of vervalst reisdocument.
HR
11-09-07, LJN BA3618.
- Skimmen (8.7)
- ‘Skimmen is het door middel van technische aanpassingen manipuleren
van geldautomaten teneinde de gegevens van magneetstrippen van
betaalpassen en de bijbehorende pincode van pinnende personen te
kopiëren en vast te leggen, waarna deze gegevens met behulp van
technische voorzieningen worden gekopieerd naar de magneetstrip van
andere kaarten, welke kaarten vervolgens kunnen worden gebruikt om bij
pinautomaten geld op te nemen van de rekeningen waarvan de gegevens
illegaal zijn gekopieerd’;
‘Het is algemeen bekend dat bij het skimmen van betaalpassen veelal de
volgende werkwijze wordt gevolgd. Boven het toetsenbord van een
pinautomaat wordt een minicamera geplaatst, die is weggewerkt in een
nagemaakt onderdeel van de pinautomaat, bijvoorbeeld een lichtbak.
Vervolgens wordt er een opzetstuk geplaatst over de pinpasgleuf met
daarin apparatuur om de magneetstrip te kopiëren. Ontvangstapparatuur –
waar de gekopieerde pasgegevens op computerapparatuur wordt opgeslagen –
wordt in de nabijheid van de geldautomaat geplaatst (bijvoorbeeld in een
fietstas). Met behulp van een softwareprogramma kunnen de gekopieerde
gegevens vervolgens op lege passen met een magneetstrip worden
gekopieerd. Deze lege passen, zogenaamde “white plastics”, kunnen
allerlei soorten passen zijn, mits voorzien van een magneetstrip.’(overgenomen uit pv politie).
Rechtbank
Amsterdam 06-11-07, LJN BC0928
- Zedenzaak: handelen in strijd met Aanwijzing opsporing en
vervolging inzake seksueel misbruik: vrijspraak (9.1)
- 'De rechtbank constateert dat niet vast is komen te staan dat de
opsporing is geschied door een deskundige rechercheur die voor 50% van
een volledige werkweek is belast met de behandeling van zedenzaken.
Eveneens is niet vast komen te staan dat [slachtoffer]'s moeder, die
later als getuige is gehoord, slechts aanwezig is geweest bij het
informatieve gesprek met [slachtoffer] daar waar het de uitleg van de
procedure betreft. De aanwezigheid van een vertrouwenspersoon bij het
informatieve gesprek wordt, blijkens de Aanwijzing, onwenselijk geacht.
Ook [getuige], die later is gehoord in het kader van de namens haar
gedane aangifte, is aanwezig geweest bij dit gesprek. Verder is de
zedenaanspreekofficier niet in de zaak betrokken. Ten slotte is gebleken
dat de gemaakte bandopnamen niet volledig zijn en derhalve niet
controleerbaar.'
'De rechtbank stelt vast dat (...) de opsporingsambtenaren in de
onderhavige strafzaak niet conform de regels zoals neergelegd in de
Aanwijzing hebben gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat het niet
naleven van deze Aanwijzing niet zonder consequenties kan blijven. Er is
immers in de onderhavige zaak niet gehandeld met de in zedenzaken,
overeenkomstig de genoemde Aanwijzing, vereiste zorgvuldigheid, terwijl
de geconstateerde verzuimen niet meer kunnen worden hersteld. Dit
betekent dat na te noemen onderdelen van het dossier als onvoldoende
controleerbaar op hun bewijskracht van het bewijs zullen worden
uitgesloten. Het proces-verbaal van de aangifte van [slachtoffer] tegen
verdachte d.d. 25 juni 2007 (p. 94) wordt van het bewijs uitgesloten.
Dit betreft een uitwerking van een op band opgenomen verhoor. Gebleken
is dat dit verhoor niet geheel op band is opgenomen en derhalve niet
controleerbaar is. Ook de getuigenverklaring van de moeder van
aangeefster wordt, omdat zij bij het informatieve gesprek aanwezig is
geweest en niet valt uit te sluiten dat tijdens dit gesprek over de
inhoud van de zaak is gesproken en niet slechts over de formaliteiten,
van het bewijs uitgesloten. Bovendien heeft zij slechts kunnen verklaren
over hetgeen aangeefster aan haar heeft verteld. Voorts stelt de
rechtbank vast dat de dossiers van verdachte en zijn vader niet zijn
gevoegd, zodat de inhoud van het dossier van zijn vader -die bij
uitspraak van heden door deze rechtbank van het hem tenlastegelegde
seksueel misbruik is vrijgesproken- eveneens niet tot het bewijs
gebezigd kan worden.'
Bewijsuitsluiting en vervolgens vrijspraak wegens onvoldoende bewijs.
Rechtbank
Groningen 25-03-08, LJN BC7524.
- Berekening van de verjaringstermijnen zedenmisdrijven (9.1)
- Zie voor de berekening van de verjaringstermijnen ook het op
initiatief van en onder coördinatie van de Politieacademie ontwikkelde
programma op internet:
http://ecampus.politieacademie.nl/zeden.
- Redenen van wetenschap opsp. ambt. betreffende wel/niet
kinderporno (van groot belang voor zedenspecialisten) (9.5) (ook in
zakboek pv 5.10)
- Ingevolge art. 153 Sv moet het pv zoveel mogelijk uitdrukkelijk de
redenen van wetenschap bevatten. Onder redenen van wetenschap zijn de
bronnen van kennis te verstaan van datgene wat de opsp. ambt. in het pv
heeft gerelateerd [1] (bijv. zien, horen, voelen, ruiken, enz.). Door de
opname van redenen van wetenschap kunnen waarnemingen en ondervindingen
van de verbalisant onderscheiden worden van conclusies die hij aan die
waarnemingen en/of bevindingen verbindt [2]. De rechter mag dus geen
conclusies uit een pv overnemen als deze door de betreffende verbalisant
niet zijn onderbouwd door redenen van wetenschap [3] (let dus op: in het
pv mogen wel conclusies staan maar die conclusies mogen door de rechter
niet als bewijs gebruikt worden). En dat geldt natuurlijk ook voor
de/een conclusie dat er sprake is van kinderporno. De HR overwoog
daarover recent dat (kort gezegd) niet voor het bewijs gebruikt mag
worden de verklaring van een opsp. ambt. in een pv ‘dat 299 van de
onderzochte beeldfiles kinderporno bleken te bevatten, dat 314
beeldfiles voldeden aan de criteria voor overtreding van art. 240b Sr,
en dat zij in hoofdzaak bleken te bestaan uit beeldfiles met meisjes
wier leeftijd varieert tussen de vijf tot zes en dertien tot veertien
jaar die seksuele handelingen plegen met of ondergaan van volwassenen’.
Bedoeld relaas hield echter (op twee afbeeldingen na) niets in omtrent
de wijze waarop de verbalisant was gekomen tot zijn bevinding dat de
afbeeldingen voldeden aan ‘de criteria voor overtreding van art. 240b
Sr’ en zijn bevindingen ten aanzien van de leeftijd van de afgebeelde
kinderen. De gerelateerde omstandigheid dat ‘vrijwel alle
kinderpornografische afbeeldingen, op één na, bekend bleken in de
Landelijke Database kinderpornografie’ maakte dat niet anders, nu de
bewijsvoering (bijv. het pv) niets inhield omtrent de status van die
Database en de criteria die worden aangelegd bij de opneming van
afbeeldingen in die Database.
[1]. T&C, art. 153, aant. 2e.
[2]. Melai, art. 153, aant. 7.
[3].
HR
15-11-05, LJN AU2711 (dat iemand houder was van duiven). Zie ook
HR
30-11-99, LJN ZD1635 (dat redelijkerwijs kon worden aangenomen
dat e.e.a. gebeurde om middelen als bedoeld in art. 2 en 3 van de
Opiumwet of daarop gelijkende waar, dan wel slaap- of kalmeringsmiddelen
of daarop gelijkende waar te kopen, niet op rechtspraak.nl) en
HR
28-03-06, LJN AV1614 (dat de verdachte op de Waldorpstraat te
's-Gravenhage postvatte of zich daar heen en weer bewoog met het
kennelijke doel om middelen als bedoeld in art. 2 en 3 van de Opiumwet
of daarop gelijkende waar aan te bieden of te verwerven).
HR
01-07-08, LJN BC8645. Zie eerder inzake kinderporno ook al
HR
07-12-04, LJN AQ8936.
- Ontucht: werkzaam in gezondheidszorg (art. 249 lid 2 onder 3)
(9.16)
- De aard van de verrichte handeling is bepalend (HR
17-01-06, LJN AU8074). Niet van belang is dus de kwalificatie
van de persoon die de betreffende handelingen verricht (bijv. als
arts of hulpverlener in de gezondheids/maatschappelijke zorg).
Hof Amsterdam, 06-07-07, Nieuwsbrief Strafrecht 2007-295 (niet op
rechtspraak.nl).
Bijv. de paramedicus die zelfstandig handelingen (niet liggende op
het gebied van de geneeskunst) zonder voorschrift van een arts
verricht, voor zover deze handelingen gericht zijn op het bevorderen
of bewaken van de gezondheidstoestand van een persoon (zie voornoemd
arrest HR).
- Smaad(schrift): ruchtbaarheid (10.2)
- Het ter kennis van het publiek brengen. Met zodanig 'publiek' is een
bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld.
HR
08-07-08, LJN BC9186
- Belediging politie (10.6)
- Het in de etalage tonen en ter verkoop aanbieden van T-shirts met de
opdruk “corrupt” en “poep” met op de “o” van deze woorden een sterk op
het politielogo gelijkende afbeelding is belediging van een
politieambtenaar in functie.
Rechtbank Rotterdam 29-04-08, LJN BD0872
- Tijdens uitschrijven bekeuring: ‘jullie zijn gewoon debiel,
stelletje debielen’: strafbare belediging. De stelling van de
verdediging dat scheldwoorden zoals door de verdachte gebezigd niet als
beledigend kunnen worden gekwalificeerd als verbalisanten hun werk niet
goed doen, daar zij in dat geval kunnen verwachten dat de betrokkenen
daar met niet mis te verstane bewoordingen tegen opkomen, klopt niet.
Hof
's-Gravenhage 13-11-07, LJN BB8143.
- Tijdens uitschrijven bekeuring: 'homo's': strafbare belediging. De
politieambtenaar heeft het woord als beledigend kunnen opvatten, omdat
niemand behoeft te accepteren dat hem op deze wijze en in deze
omstandigheden kwalificaties worden toegevoegd op een terrein dat bij
uitstek behoort tot de persoonlijke integriteit, identiteit en
levenssfeer.
Hof
's-Hertogenbosch 28-12-07, LJN BC0815.
Is overigens niets nieuws want al vaste jurisprudentie van de HR, zie
bijv.
HR 06-01-04, LJN AN8498
besproken in het zakboek in 10.1.
- Het uitspreken van de woorden "fuck you" en het opsteken van de
middelvinger. Hebben immers de strekking de politieman tot wie de
uitlating en dat gebaar waren gericht in zijn eer en goede naam aan te
tasten.
HR 18-12-07, LJN BB8985.
Met mooie conclusie van de AG Wortel, ondermeer over de uiteenlopende
meningen van lagere rechters:
7. In HR NJ 2002, 129 is nog weer eens herhaald dat een uitlating
beledigend is wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek
in een ongunstig daglicht te stellen en hem in zijn eer en goede naam
aan te randen. Onderzocht dient derhalve te worden welke lading de
verdachte in het bijzondere geval aan zijn woorden en/of gebaren
kennelijk heeft willen geven, en hoe zij door de geadresseerde in
redelijkheid kunnen zijn opgevat. Zelfs woorden die, op zichzelf
beschouwd, geen negatieve betekenis hebben, kunnen strafbare belediging
opleveren indien de omstandigheden van het geval erop wijzen dat zij
werden gesproken met het oogmerk te kwetsen, en redelijkerwijs ook zo
kunnen zijn overgekomen, vgl HR NJ 2001, 101. 8. De afgelopen maanden berichtten de media dat sommige strafrechters "fuck
you" als strafbare belediging van politiefunctionarissen hebben
aangemerkt, doch andere weer niet met een beroep op gewijzigde
maatschappelijke opvattingen. Dat laatste acht ik (aannemende dat de
berichtgeving in essentie juist was) een onverdedigbare en gevaarlijke
opvatting. 9. De aankondiging dat de ander seks zal/zou moeten ondergaan heeft
onmiskenbaar een vernederende lading; de boodschap kan geen andere zijn
dan uiterste minachting. Wie wil betogen dat naar hedendaagse
opvattingen de aldus aangesprokene geen krenkende aantasting van de
persoonlijke waardigheid kan ervaren (en de toevoeging naar idem
maatstaven ook niet als krenkend bedoeld hoeft te zijn), maakt
vermoedelijk een denkfout. Men kan niet in ernst menen dat - afgedwongen
- seks met een wildvreemde in de hedendaagse samenleving een
geaccepteerd verschijnsel is. Degene die "fuck you" buiten de strafbare
belediging wil plaatsen zal in wezen bedoelen dat men zulke toevoegingen
maar over zijn kant moet laten gaan. Ruw taalgebruik als zó veel
voorkomend verschijnsel dat we er, wat de strafrechtelijke handhaving
betreft, niet meer aan beginnen. Dit lijkt mij een buitengewoon
zorgelijke ontwikkeling, ook in de context van wat politiemensen zoal
moeten accepteren. Het buitensporige, ongeremd agressieve, egoïsme van
de clipcultuur kan geen oriëntatiepunt zijn voor de ontwikkeling van
essentiële gedragsnormen. 10. Zero tolerance volgens maatstaven die de politie eigenmachtig zou
kunnen bepalen is geen optie. Iedereen heeft het volste recht om van het
openbaar gezag (of wat zich als zodanig presenteert) uitleg of
verantwoording te vergen, en niemand is gehouden klakkeloos af te gaan
op de autoriteit van een uniform. Politiemensen zullen moeten accepteren
dat hun interventies kritiek en weerstand oproepen. Het is hun vak om
daar handig mee om te gaan. Dat vak brengt evenwel ook mee dat
politiemensen gevaarlijke situaties en emotionele toestanden het hoofd
moeten bieden. Het gezag dat zij daarbij moeten kunnen laten gelden,
maar ook de mens achter de diender, verdienen bescherming. Een
politiefunctionaris zal souplesse en een stevig incasseringsvermogen
moeten laten zien, maar uiteindelijk hoeft ook hij geen aantasting van
zijn persoonlijkheid te accepteren. 11. In de rechtspraak hangt alles uiteraard altijd af van de bijzondere
omstandigheden van het geval, maar naar mijn overtuiging wordt een
gevaarlijke grens overschreden indien in het algemeen als uitgangspunt
wordt genomen dat politiemensen "fuck you" of vergelijkbare uitingen van
onfatsoen maar moeten accepteren. Dit wordt niet anders door de
omstandigheid dat zij, behangen met een flinke hoeveelheid ijzerwerk en
communicatiemiddelen, doorgaans makkelijk zullen winnen van het individu
dat zich in machteloze woede laat gaan.
- Mensenhandel (11.2)
- Prostitutie: onder het tot prostitutie brengen in de zin van art.
250a Sr (MH: het huidige art. 273f) dient mede te worden verstaan iedere
gedraging gericht tegen een persoon ertoe strekkende deze te belemmeren
in zijn vrijheid met prostitutie op te houden ongeacht de omstandigheden
of deze daarbij vrijwillig betrokken is geraakt dan wel reeds eerder bij
prostitutie betrokken was.
Hof
's-Hertogenbosch 11-12-07, LJN BC0479.
- Bedreiging (11.8)
- Voor een veroordeling ter zake van bedreiging is vereist dat de
bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied
dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat één van de in
art. 285 genoemde misdrijven gepleegd zou worden. Daarbij moet het opzet
van de verdachte kennelijk op het teweegbrengen van zulk een indruk
gericht zijn (vaste jurisprudentie, zie zakboek).
In het hier besproken geval werd de verdachte gehoord door een opsp.
ambt. en zei daarbij tegen die opsp. ambt. "ik zal voor die feiten wel
gevangenisstraf krijgen, maar zeker niet levenslang vast zitten. Daarna
weet ik je wel te vinden". Op dat moment was die opsp. ambt. er ook van
op de hoogte dat verdachte eveneens verdacht werd van het voorhanden
hebben van een vuurwapen. Voornoemde bewoordingen zijn aldus van dien
aard en onder zulke omstandigheden gedaan dat verdachte zich er bewust
van moet zijn geweest dat deze op de betreffende opsp. ambt. konden
overkomen als een bedreiging met geweld, en wel tenminste in de vorm van
zware mishandeling.
HR
11-12-07, LJN BB7701.
- Bedreiging (art. 285 Sr): uitlatingen, gericht tot X maar
betrekking hebbende op Y: bedreiging X? (11.8)
- Bewezen was dat de verdachte X had bedreigd met zware mishandeling
door die X de woorden toe te voegen: "Die kinderen moeten van mijn inrit
afblijven anders sla ik ze de kop in en daar hoort die kleine van drie
jaar ook bij".
De uitlatingen van verdachte waren weliswaar gericht tot de kinderen van
X, maar zijn van dien aard en onder zulke omstandigheden gedaan dat deze
in het algemeen (en dus ook bij X) vrees kunnen opwekken. Daarbij werd
door de rechter betrokken de omstandigheden dat de kinderen van die X
van zeer jonge leeftijd waren, dat verdachte dit wist en dat verdachte
zijn uitlatingen tot die X heeft gericht met de kennelijke bedoeling
haar, als moeder van de kinderen, onder druk te zetten en in haar
vrijheid te belemmeren.
Hof
Den Bosch 26-08-07, LJN BB4269.
Zie ook
Hof
Den Bosch 09-02-07, LJN BB4551.
- Uitingen die verklaringsvrijheid van personen kunnen
belemmeren (art. 285a Sr) (11.9)
- Gelet op de plaats van het bestanddeel “opzettelijk” in de
delictsomschrijving moet ervan worden uitgegaan dat voor strafbaarheid
op grond van die bepaling is vereist dat het opzet van de verdachte mede
gericht is op de in die bepaling genoemde beïnvloeding, welk opzet ook
uit de gedraging en de omstandigheden waaronder die gedraging is
verricht kan worden afgeleid. Van die opzet was sprake omdat vastgesteld
was dat verdachte en diens medeverdachte degene die tegen hen aangifte
van poging tot diefstal had gedaan en die als getuige ter zitting zou
worden gehoord, tot kort voor die zitting meermalen hebben benaderd,
zowel bij hem op zijn werk, als bij hem thuis en telefonisch, om te
praten over de door hem bij de politie afgelegde verklaring, hoewel de
getuige te verstaan had gegeven tot een zodanig gesprek niet bereid te
zijn.
HR
20-05-08, LJN BC5961.
- ‘Uit de tekst van art. 285a Sr en de wetsgeschiedenis van deze
bepaling volgt (…) dat voor een bewezenverklaring (…) voldoende is dat
komt vast te staan dat de uiting kennelijk bedoeld was om de vrijheid
van de in die bepaling bedoelde persoon om naar waarheid of geweten ten
overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen, te
beïnvloeden zonder dat wordt vereist dat die kennelijke bedoeling ook
tot een daadwerkelijke beïnvloeding behoeft te hebben geleid’.
HR
27-05-08, LJN BC7910.
- Belaging (11.10)
- Het meerdere keren van buiten in de woning van het slachtoffer
gluren om haar te observeren bij het vrijen. Dat het slachtoffer zich
niet bewust was van elke keer dat zij werd begluurd doet daar niets aan
af. Door heimelijk karakter (naar binnen gluren in woning) bestond voor
slachtoffer geen gelegenheid daar iets tegen te ondernemen en werd zij
aldus gedwongen het begluren te dulden.
Hof Arnhem 21-01-08, NJFS 08, 90 (niet op rechtspraak.nl).
- Hulp bij zelfdoding (12.8)
- Bij de vraag of verdachte behulpzaam is geweest of middelen heeft
verschaft gaat het erom of verdachte het door zijn handelen voor de
ander mogelijk of gemakkelijk heeft gemaakt om zichzelf te doden,
terwijl voor de strafbaarheid daarnaast niet meer wordt vereist dan dat
de zelfdoding heeft plaatsgevonden.
HR
18-03-08, LJN BC4463. Inmiddels ook met noot in NJ 2008, 264.
- Mishandeling tijdens sport- of spelsituatie (voetballen) (13.3)
- 'Voorop moet worden gesteld dat de omstandigheid dat een gedraging
is verricht in een sport- of spelsituatie, geen zelfstandige factor bij
de beoordeling van het ten laste gelegde opzet is, in die zin dat die
omstandigheid tot een beoordeling aan de hand van andere maatstaven zou
dienen te leiden, dan indien het gaat om een gedraging die buiten zo'n
situatie is verricht. (..) Opmerking verdient dat de omstandigheid dat
de gedraging is verricht in een sport- of spelsituatie, in een geval als
het onderhavige wel van belang zou kunnen zijn voor de vraag of het
bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als mishandeling (vgl. HR 10
september 1996, DD 97.0040). De deelnemers aan een sport, zoals voetbal,
hebben immers tot op zekere hoogte gevaarlijke gedragingen waartoe het
spel uitlokt over en weer van elkaar te verwachten, terwijl bij een door
duidelijke spelregels afgebakende sport die spelregels mede van belang
zijn voor het bepalen van de grenzen van de wederrechtelijkheid. Dat
geldt echter in de regel niet voor gedragingen die los staan van een
spelsituatie waarbij een speler een andere speler letsel toebrengt,
terwijl bij gedragingen die in een spelsituatie plaatsvinden, een speler
de spelregels op dusdanige wijze kan schenden en zo gevaarlijk kan
handelen dat van het ontbreken van wederrechtelijkheid geen sprake kan
zijn.'
HR 22-04-08, LJN BB7087.
- Diefstal/verduistering: enig goed: belminuten (14.1 en 16.1)
- Belminuten (telefoontikken) zijn geen 'goed' in de zin van 310, 321,
322.
Hof Amsterdam 18-01-08, Nieuwsbrief Strafrecht 18-01-08, NS 08-45 en
eerder ook
Rechtbank Haarlem 10-08-06, LJN AY6676.
- Diefstal: enig goed (14.1).
- Ook een lijk (stoffelijk overschot)
HR
20-05-08, LJN BC7427.
- Oplichting (valse hoedanigheid) (17.1)
- Verdachte had hoedanigheid aangenomen van 'bonafide bemiddelaar in
financiële diensten en vertrouwenspersoon die aan hem verstrekt geld
tijdelijk als "een goed huisvader" zou beheren'.
De verdachte had echter reeds ten tijde van het sluiten van de
overeenkomsten niet de bedoeling om met de hem verstrekte bedragen om te
gaan zoals was voorgespiegeld: aldus valse hoedanigheid.
HR
25-09-07, LJN BA7685.
- Gebruik maken van een dienst die via telecommunicatie aan het
publiek wordt aangeboden (art. 326c Sr) (17.3)
- ‘gelet op de strekking van art. 326c Sr, te weten het voorzien
in doelmatige bescherming tegen inbreuken op de economische belangen van
degene die de bedoelde dienst tegen betaling aanbiedt, brengt een
redelijke uitleg van deze bepaling mee dat daaronder ook is begrepen het
gebruik van een onderdeel van de aangeboden dienst waaraan (zoals hier
het geval is) een zekere zelfstandige betekenis niet kan worden ontzegd.
Aldus blijft immers nog altijd toegang in begrijpelijke vorm geboden tot
de beschermde dienst. Daaraan doet niet af dat (…) het beeld moeilijk
manipuleerbaar is, het programma slechts op de computer bekeken kan
worden en het niet mogelijk is om een gedecodeerde vorm van Canal+ vast
te leggen in het geheugen van het zogeheten PCTV programma, omdat deze
omstandigheden slechts aspecten van het gebruiksgemak van een dienst
betreffen'.
HR
08-07-08, LJN BC9192.
- Schuldheling (kopen onder dagwaarde met nader onderzoek naar
herkomst) (19.4)
- Het kopen van een graafmachine voor € 70.000,- met een dagwaarde van
€ 110,000,- terwijl verdachte had verklaard dat de gemiddelde waarde van
dit soort machines rond de € 85.000,- lag. Daaraan deed niet af het door
verdachte uitgevoerde onderzoek naar de herkomst van de graafmachine:
verdachte had via recherchebureau laten uitzoeken of graafmachine
gesignaleerd stond (wat niet het geval was).
HR
11-12-07, LJN BB7701.
- Witwassen (rubricering) (19.5)
- Rechter komt tot bewijs van witwassen aan hand van rubricering
inzake de herkomst van het geld, de financiële positie van de verdachte,
de wijze van transport en het negeren van de wettelijke bepalingen en de
samenstelling van het geld (overwegend coupures van € 500).
Hof
Amsterdam 01-07-08, LJN BD7281.
- Witwassen van voorwerpen uit eigen misdrijf (19.5 en 19.6)
- De herkomst van het voorwerp uit een eigen misdrijf behoeft niet aan
een veroordeling wegens witwassen in de weg te staan.
Ook het enkele voorhanden hebben
van een voorwerp kan voldoende zijn om dit als witwassen aan te merken.
HR
02-10-07, LJN BA7923.
- Straatschenderij/baldadigheid (art. 424 Sr) (20.2)
- ‘door de wetgever is niet concreet omschreven wat onder baldadigheid
in de zin van art. 424 Sr moet worden verstaan. Blijkens de
wetsgeschiedenis heeft de wetgever dit probleem onderkend. “Art. 424 Sr
is juist geschreven voor de vele gevallen waarin baldadigheid op zich
zelve niet zou vallen onder eene bepaling van het Tweede Boek. Bijv. op
het doen schrikken van paarden, het werpen van sneeuwballen, het werpen
van vuil tegen een huis, het bekladden van een pas geverfde deur, kortom
op feiten, die op zich zelve beschouwd niet of althans niet in den regel
niet vallen onder de bepalingen van het Tweede Boek.” In de memorie van
toelichting wordt voorts overwogen dat baldadigheid een “zeer
eigenaardige wilsuiting” veronderstelt die niet, zoals bij de meeste
opzettelijke handelingen, als middel is aan te merken, maar juist als
doel. Voor baldadig handelen moet blijken van handelen met de wil om
kwaad te doen of een ander overlast te berokkenen.
Hof
Arnhem 27-06-08, LJN BD5552.
- Pitbulls (20.3)
- Tot voor kort gold onverkort de Regeling agressieve dieren (verder
RAD te noemen), gebaseerd op art. 73 van de Gezondheids- en welzijnswet
voor dieren. Op basis daarvan was het verboden pitbulls te fokken, in
Nederland te brengen, te koop aan te bieden of te verkopen maar ook
voorhanden te hebben. De HR overwoog daarover dat de vraag of een dier
kon worden aangemerkt als een hond van het pitbullterriërtype diende te
worden beantwoord aan de hand van de maatstaf of het dier ‘in
belangrijke mate’ voldeed aan de in de bij art. 2 van de RAD behorende
bijlage genoemde (33) karakteristieken. Een hond behoefde dus niet aan
al die karakteristieken te voldoen om te kunnen worden aangemerkt als
een pitbull.
Een commissie van wijzen heeft echter geconstateerd dat na vijftien jaar
de RAD niet heeft geresulteerd in minder bijtincidenten waarbij pitbulls
zijn betrokken en dat daarnaast de RAD zich te eenzijdig richt op
pitbulls, terwijl ook andere type honden veelvuldig bij bijtincidenten
zijn betrokken. In voorbereiding is dan ook een nieuwe regeling op basis
van voornoemd art. 73 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Deze
regeling moet het mogelijk maken om honden in beslag te nemen met een
schofthoogte van ten minste 35 centimeter die abnormaal agressief gedrag
vertonen. Honden die op basis van dit vermeende abnormale agressieve
gedrag in beslag zijn genomen ondergaan een gevalideerde gedragstest die
afgenomen wordt door gedragsdeskundigen. Deze test moet nog worden
ontwikkeld.
Hoewel de nieuwe regeling nog in de maak is, zullen honden die vanaf 30
mei 2008 in beslag zijn of worden genomen op basis van de RAD niet meer
worden gedood. Pitbulls mogen ook niet meer uitsluitend op basis van
uiterlijke kernmerken in beslag worden genomen. Ibn van honden die
daadwerkelijk agressief gedrag vertonen blijft evenwel nog wel mogelijk
op basis van de huidige RAD en op basis van art. 350 en 425 Sr. Op basis
van de RAD zullen echter alleen honden worden in beslag genomen die
voldoen aan de uiterlijke kenmerken van een pitbull én die agressief
gedrag vertonen. In overleg met gedragsdeskundigen zal een aanpak worden
geformuleerd voor deze honden totdat de gevalideerde test beschikbaar
is. Blijkt de hond abnormaal agressief te zijn dan zal hij alsnog worden
geëuthanaseerd.
Bovenstaande is gebaseerd op de brief van het college van PG’s aan de
hoofd-ovj’s en hoofd-ag’s d.d. 09-06-08. Zie ook de brief van de
minister van LNV aan de Tweede kamer, kamerstukken 28286, nr. 218 (te
vinden via
www.overheid.nl.
- Controlebevoegdheden toezichthouders (Douane) Opiumwet (21.7)
- Art. 8j Opiumwet jo. art. 5:11 en 5:18 Awb biedt een toereikende
wettelijke grondslag voor de in het kader van de 100%-controle door de
douaneambtenaren uitgeoefende bevoegdheid de tas van verdachte te
onderzoeken. Voor de toepassing van de in art. 8j Opiumwet bedoelde
controlebevoegdheid is niet vereist dat sprake is van een verdenking ter
zake van enig strafbaar feit.
HR
02-10-07, LJN BA7911.
- Strafbare voorbereidingshandelingen Opiumwet gericht op
ontvangst/aflevering pakketje waarin in tegenstelling tot
verwachting verdachte géén drugs (want ibn) (21.11)
- De omstandigheid dat het door de verdachte in ontvangst genomen
pakketje anders dan hij veronderstelde geen cocaïne bleek te bevatten,
doet aan de mogelijke strafbaarheid terzake voorbereidingshandelingen
niet af.
HR
27-11-07, LJN BB8762.
- Opiumwet: in de uitoefening van beroep of bedrijf in de zin van
art. 11 Opiumwet (21.12)
- 'In de uitoefening van een beroep of bedrijf': geregelde en
stelselmatige verkoop van softdrugs (softdrugs verhandelen in woning
'als ware die woning een coffeeshop).
HR
02-07-08, LJN BC8654.
- Straf bij verlengde invoer drugs na gedeeltelijke ibn (Opiumwet) (21.17)
- Na de vondst van 500 kg cocaïne in 2 metalen kisten in de haven van
Rotterdam, werd de cocaïne op 10 kg na verwijderd en werden de kisten
verzwaard met bakstenen doorgelaten. Verdachte werd aangehouden in
Amsterdam toen hij probeerde de metalen kisten te openen. Aldus mag bij
de strafmaat rekening gehouden worden dat verdachtes handelen was
gericht op de invoer van een aanzienlijke grotere hoeveelheid cocaïne
dan die welke bij zijn aanhouding is aangetroffen. MH: als er niets was
doorgelaten zou er dus géén verlengde invoer zijn, zie hiervoor het in
het zakboek besprokene bij ‘drugs in pakketje voor bezorging
verwijderd’!!
HR
15-01-08, LJN BC0828
- 6 WVW: schuld (23.4)
- 'Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van
verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van
het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de
gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke
gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van
schuld in vorenbedoelde zin (vgl. HR LJN AO5822). Anders dan het Hof
kennelijk heeft geoordeeld, kan uit de enkele omstandigheid dat
verdachte, toen hij zich vergewiste van mogelijk naderend verkeer, de
motorrijdster niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel zichtbaar moet
zijn geweest, niet volgen dat verdachte, zoals is bewezenverklaard
“aanmerkelijk onoplettend en met aanmerkelijke verwaarlozing van de te
dezen geboden zorgvuldigheid heeft gereden”.'
HR
29-04-08, LJN BD0544.
|