-
Het opnemen van een aangifte in het bijzijn van een getuige, van wie
nadien ook een verklaring wordt opgenomen (nieuwe paragraaf zakboek
2010)
- 'Is (MH: uiteraard) zeer onwenselijk, met name omdat hierdoor niet
meer is vast te stellen of de later door de getuige afgelegde verklaring
berust op eigen waarneming of grotendeels is gekleurd door de
verklaring, zoals die is afgelegd door de aangeefster. Daarnaast acht
het hof het niet juist dat uit de pv's van de aangifte en het
getuigenverhoor niet is af te leiden dat de aangeefster en de getuige in
elkaars bijzijn hebben verklaard. Dit is enkel aan het licht gekomen,
doordat de aangeefster hierover met de verdachte heeft gesproken en
daarna de gang van zaken bij de RC heeft bevestigd. Zowel het hof, de
AG, als de raadsman zijn hierdoor niet in staat geweest om deze
bewijsmiddelen in volle omvang te toetsen op hun betrouwbaarheid. Dit
klemt in dit geval temeer omdat de verklaring van de getuige met
betrekking tot een belangrijk aantal aan verdachte tenlastegelegde
handelingen het enige bewijsmiddel is dat de aangifte steunt'.
Resultaat: bewijsuitsluiting en vrijspraak.
Hof Amsterdam, NJFS 2008, 1 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl)
- Gebruik verklaring getuige door rechter indien verklaring alleen
is afgelegd bij politie (nieuwe paragraaf zakboek 2010)
- Ook als de verdediging geen gelegenheid heeft gehad een persoon die
een verklaring tegenover de politie heeft afgelegd te (doen) ondervragen
mag het pv van de politie met een dergelijke verklaring als bewijs
gebruikt worden. Daarvoor is wél vereist dat de betrokkenheid van
verdachte bij het hem tenlastegelegde feit in voldoende mate steun vindt
in andere bewijsmiddelen en dit 'steunbewijs' betrekking
heeft op die onderdelen van de hem belastende verklaring die
hij betwist (vgl. HR LJN AO2601).
HR 04-09-07, LJN BA5836
- Aangeefster gebruikt op politiebureau door politie verstrekte
cocaïne, niet ten spoedigste opmaken pv, geen volledige en een niet
geheel juiste opening van zaken geven (2.7 en 5.15)
- 'In het aan de Rechtbank voorgelegde strafdossier bevindt
zich een pv van bevindingen van 6 januari 2005 van de
verbalisanten A en B. Door de
behandelend OvJ is toen tevens overgelegd een notitie
van 6 januari 2005 van de RC mr. C en een pv van 10 januari 2005 van de
OvJ mr. D. Op grond van de in deze stukken gegeven informatie heeft de
Rechtbank bij vonnis van 24 februari 2006 het OM
ontvankelijk verklaard in de vervolging gelet op de ernst van het
vermoedelijk gepleegde strafbare feit en in aanmerking genomen dat de
verdachte niet in enig te respecteren belang was geschaad. Bij de
behandeling van het hoger beroep zijn alle voornoemde personen en
verbalisant E over een en ander als getuige gehoord.
Op grond van vorenstaande is het Hof tot het volgende oordeel gekomen.
Eerst kort vóór de eerste behandeling van de strafzaak bij de Rechtbank
op 8 februari 2005 is door de verbalisanten bij pv gemeld
dat aangeefster - die zwaar verslaafd was en wier aanwezigheid ten
behoeve van het in te stellen opsporingsonderzoek en het veilig stellen
van sporen gedurende langere tijd noodzakelijk werd geacht - in de
gelegenheid was gesteld een- of meermalen met een haar ter beschikking
gestelde diensttelefoon contact op te nemen met een persoon die cocaïne
zou kunnen komen brengen. Bovendien werd gerelateerd dat het betrokkene
niet was toegestaan die cocaïne in of nabij het bureau te gebruiken.
Uit de getuigenverklaringen van 27 september 2007 respectievelijk 9
januari 2008 is gebleken dat voornoemd pv onvolledig en
onjuist is. Immers, door de getuige E is verklaard dat zij op 3
november 2004 in de vroege ochtend op bureau Karnebeek een bolletje
kennelijk bevattende cocaïne in ontvangst heeft genomen en naar
aangeefster heeft gebracht die het vervolgens in een oponthoudkamer van
het bureau heeft gebruikt. Voorts is door de getuigen A en B verklaard dat aangeefster ten tijde van het opnemen van de
aangifte op 4 november 2004 in de gelegenheid is gesteld door haar zelf
meegenomen cocaïne buiten aanwezigheid van verbalisanten doch op het
bureau te gebruiken.
Aldus is gehandeld in strijd met het bepaalde in art. 152 Sv. Weliswaar
is - echter eerst na herhaald aandringen van de behandelend OvJ - een pv opgemaakt doch in deze verslaglegging is
geen volledige en een niet geheel juiste opening van zaken gegeven.
Bovendien is er in casu sprake van meerdere door de verbalisanten
gepleegde strafbare feiten, immers telkens een schending van de in de
Opiumwet gegeven verbodsnormen.
Daarbij komt dat de op 3 november 2004 dienstdoende OvJ - die ervan op de hoogte was dat er iemand van buiten cocaïne
naar het bureau zou komen brengen ten behoeve van aangeefster - op geen
enkele wijze hier corrigerend is opgetreden jegens de verbalisanten.
Het vorenstaande leidt allereerst tot de gevolgtrekking dat sprake is
van een ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke
procesorde waardoor - minst genomen - met grove veronachtzaming van de
belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces is
tekort gedaan. Immers als de verbalisanten niet zowel op 3 als op 4
november 2004 met overtreding van de Opiumwet aangeefster ter
beschikking hadden gehouden van het onderzoek, was vermoedelijk noch de
verdachte aangehouden kunnen worden noch was het tot het opnemen van een
aangifte gekomen, nog daargelaten in hoeverre het cocaïnegebruik de
inhoud van de verklaring(en) van aangeefster heeft beïnvloed.
Naar het oordeel van het Hof is voorts tevens sprake van een zodanig
fundamentele inbreuk dat die - los van de vraag of de verdachte in zijn
belangen is geschaad - tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM in zijn vervolging dient te leiden. Het Hof neemt hierbij met
name in aanmerking dat de gemeenschap een wezenlijk belang heeft bij
eerlijke en volledige verbalisering door de politie, goede invulling van
diens verantwoordelijkheid voor de opsporing door het OM, en juiste informering van de rechter.
Het Hof is allesoverziend van oordeel dat de niet-ontvankelijkheid van
het OM in de strafvervolging van de verdachte wat
betreft het bij dagvaarding I onder 2 tenlastegelegde dient te volgen.
Einde zaak.
Hof 's-Gravenhage 21-02-08, NS 2008, 126 (niet op rechtspraak.nl).
- Niet in de wettelijke vorm (ondertekend) opgemaakt pv (5.2)
- Een ambtsedig pv zonder vereiste ondertekening is niet in de
wettelijk voorgeschreven vorm (art. 153 Sv) opgemaakt en kan dus slechts
als ‘ander’ geschrift (art. 344 lid 1 onder 5º Sv) tot het bewijs
meewerken (en heeft dus geen unieke bewijskracht, zie daarover art. 344
lid 2 Sv in 8.14). Dat geldt ook als dat pv vergezeld gaat van een door
een opsporingsambtenaar geschreven kennisgeving van bekeuring die
inhoudelijk met het uitgetypte (electronische) pv overeenstemt en wel is
ondertekend.
HR 22-04-08, LJN BC9954
- Redenen van wetenschap opsp. ambt. betreffende wel/niet
kinderporno (van groot belang voor zedenspecialisten) (5.10) (ook in
zakboek hulpOvJ 9.5)
- Ingevolge art. 153 Sv moet het pv zoveel mogelijk uitdrukkelijk de
redenen van wetenschap bevatten. Onder redenen van wetenschap zijn de
bronnen van kennis te verstaan van datgene wat de opsp. ambt. in het pv
heeft gerelateerd [1] (bijv. zien, horen, voelen, ruiken, enz.). Door de
opname van redenen van wetenschap kunnen waarnemingen en ondervindingen
van de verbalisant onderscheiden worden van conclusies die hij aan die
waarnemingen en/of bevindingen verbindt [2]. De rechter mag dus geen
conclusies uit een pv overnemen als deze door de betreffende verbalisant
niet zijn onderbouwd door redenen van wetenschap [3] (let dus op: in het
pv mogen wel conclusies staan maar die conclusies mogen door de rechter
niet als bewijs gebruikt worden). En dat geldt natuurlijk ook voor
de/een conclusie dat er sprake is van kinderporno. De HR overwoog
daarover recent dat (kort gezegd) niet voor het bewijs gebruikt mag
worden de verklaring van een opsp. ambt. in een pv ‘dat 299 van de
onderzochte beeldfiles kinderporno bleken te bevatten, dat 314
beeldfiles voldeden aan de criteria voor overtreding van art. 240b Sr,
en dat zij in hoofdzaak bleken te bestaan uit beeldfiles met meisjes
wier leeftijd varieert tussen de vijf tot zes en dertien tot veertien
jaar die seksuele handelingen plegen met of ondergaan van volwassenen’.
Bedoeld relaas hield echter (op twee afbeeldingen na) niets in omtrent
de wijze waarop de verbalisant was gekomen tot zijn bevinding dat de
afbeeldingen voldeden aan ‘de criteria voor overtreding van art. 240b
Sr’ en zijn bevindingen ten aanzien van de leeftijd van de afgebeelde
kinderen. De gerelateerde omstandigheid dat ‘vrijwel alle
kinderpornografische afbeeldingen, op één na, bekend bleken in de
Landelijke Database kinderpornografie’ maakte dat niet anders, nu de
bewijsvoering (bijv. het pv) niets inhield omtrent de status van die
Database en de criteria die worden aangelegd bij de opneming van
afbeeldingen in die Database.
[1]. T&C, art. 153, aant. 2e.
[2]. Melai, art. 153, aant. 7.
[3].
HR
15-11-05, LJN AU2711 (dat iemand houder was van duiven). Zie ook
HR
30-11-99, LJN ZD1635 (dat redelijkerwijs kon worden aangenomen
dat e.e.a. gebeurde om middelen als bedoeld in art. 2 en 3 van de
Opiumwet of daarop gelijkende waar, dan wel slaap- of kalmeringsmiddelen
of daarop gelijkende waar te kopen (niet op rechtspraak.nl, wel op JOL
1999, 271) en
HR
28-03-06, LJN AV1614 (dat de verdachte op de Waldorpstraat te
's-Gravenhage postvatte of zich daar heen en weer bewoog met het
kennelijke doel om middelen als bedoeld in art. 2 en 3 van de Opiumwet
of daarop gelijkende waar aan te bieden of te verwerven).
HR
01-07-08, LJN BC8645. Zie eerder inzake kinderporno ook al
HR
07-12-04, LJN AQ8936.
- Daar is inmiddels bijgekomen:
Een voorbeeld van hoe het wel zou kunnen is terug te vinden in een
recent arrest van de HR : conclusies van verbalisanten zijn gegrond op
een door het team Jeugd en Zeden gegeven referentiekader, te weten: -
het gebruiken van een map, waarin aan de hand van foto's en tekeningen,
in het bijzonder foto's van de primaire en secundaire geslachtskenmerken
van een meisje (de vagina, de schaamlippen, het schaamhaar en de
borsten) de ontwikkeling van het lichaam van een meisje schematisch in
kaart was gebracht met daarbij de leeftijd van het meisje in categorieën
vermeld; - het maken van werkafspraken over het gezamenlijk beoordelen
van de afbeeldingen, het dienaangaande opstellen van de pv’s en de
handelswijze bij twijfel (het bij blijvende twijfel buiten beschouwing
laten van de afbeelding). - uiteraard dient het pv van deze werkwijze
melding te maken. Uiteraard is er een kans dat de rechter (al dan niet
na een daartoe strekkend verweer) de voornoemde map zelf ook wil inzien
en/of één of meer van de gecertificeerd zedenrechercheurs (als
getuige-deskundige) op de zitting of door de RC wil (laten) horen.
HR
30-09-08, LJN BD4872
- Tegenstrijdigheden in pv en onder ede afgelegde
verklaringen van opsporingsambtenaren (5.15 t/m 5.17)
- Het betrof hier verklaringen die van essentieel belang zijn voor de
beoordeling van de rechtmatigheid van het binnentreden, voor de
beoordeling of er al dan niet sprake is geweest van ongeoorloofde
doorzoeking na het binnentreden en voor de beoordeling van de vraag wie
er aanwezig zijn geweest bij het binnentreden en wanneer en op welke
wijze de instemmingsverklaring van de bewoonster tot stand is gekomen.
De rechtbank is van oordeel dat in op ambtseed opgemaakte
processen-verbaal en onder ede afgelegde verklaringen van
opsporingsambtenaren zeker over dit soort voor de juridische beoordeling
essentiële onderdelen geen onverklaarbare tegenstrijdigheden mogen
voorkomen. Daarbij kan dan in het midden blijven of het vergissingen of
verklaringen in strijd met de waarheid betreffen. De rechtbank is dan
ook van oordeel dat gegeven de tegenstrijdigheden er sprake is van een
ernstige inbreuk op de procesorde, waardoor met grove veronachtzaming
van de belangen van de verdachte aan diens recht op een faire
behandeling van de zaak tekort is gedaan. OM niet-ontvankelijk, einde
zaak.
Rechtbank Roermond 06-11-07, LJN BB7558.
- Niet-ontvankelijkheid OM wegens onvoldoende pv (webcamzaak
studentenhuis) (5.15 t/m 5.17)
- De rechtbank Amsterdam heeft het OM niet-ontvankelijk verklaard in
de strafzaak tegen een verdachte die met een webcam studenten zou hebben
gefilmd in het naastgelegen studentenhuis. De niet-ontvankelijkheid komt
voort uit het feit dat de politie in eerste instantie zonder machtiging
is binnengetreden in het huis van verdachte. Van dit onbevoegde
binnentreden is geen verslag gedaan door de politie. Deze omissie
beschouwt de rechtbank als een zeer grove nalatigheid, waarmee de
belangen van de verdachte en die van een behoorlijke rechtspleging in
zeer ernstige mate zijn veronachtzaamd. Bij een zo grove schending van
het vertrouwen dat doorgaans in ambtsedige processen-verbaal wordt
gesteld past geen andere sanctie dan de niet-ontvankelijkheid van de
officier van justitie, die formeel verantwoordelijk is voor de
integriteit van de opsporing.
Rechtbank
Amsterdam 29-11-07, LJN BB9065.
- Niet relateren onderzoeksbevindingen (5.17)
- Recent overwoog de rechtbank Amsterdam dat ‘door de gebrekkige
weergave van de verkregen wetenschap van de verbalisant, is (gelet op
het gewicht dat een pv van een opsp. ambt. voor het bewijs heeft)
sprake van een ernstig verzuim in het voorbereidend onderzoek dat niet
meer kan worden hersteld (MH: in het betreffende geval was ontlastende
info niet gerelateerd in het pv). Gelet op de grove veronachtzaming van
de belangen van de verdachte van diens recht op een eerlijke behandeling
van zijn zaak, kan door dit verzuim geen sprake zijn van een behandeling
van het ten laste gelegde feit die aan de beginselen van een behoorlijke
procesorde voldoet. De sanctie van niet-ontvankelijkheid van het OM ten
aanzien van dat feit is gelet daarop passend’. Einde zaak.
Rechtbank Amsterdam 13-09-07, LJN BB6000 (niet op rechtspraak.nl)
-
Feit van algemene bekendheid: de afstand van
de woning van de verdachte tot de plaats delict (8.24)
-
Aangezien de afstand tussen verdachte's woning en de
plaats waar de overval heeft plaatsgevonden, alsmede de gemiddelde
reisduur voor deze afstand zonder noemenswaardige moeite uit algemeen
toegankelijke bronnen zijn te achterhalen (routeplaner), zijn deze
gegevens aan te merken als feiten van algemene bekendheid.
HR 13-11-07, LJN BB6374
-
De bewijsminima gelden voor de tenlastelegging van het
strafbare feit in zijn geheel en niet voor ieder bestanddeel van
die tenlastelegging (8.25)
- 1. "Het hof kan de raadsvrouw niet volgen in haar standpunt dat de
voorbedachte rade, gelet op het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van
het Wetboek van Strafrecht, niet kan worden bewezen verklaard, omdat
slechts sprake is van een verklaring van aangeefster ter zake, welke
verklaring door verdachte is ontkend. Voorop staat dat de verklaringen
van aangeefster en van verdachte op wezenlijke onderdelen wel degelijk
overeenkomen. Het hof heeft voorts geen reden te twijfelen aan hetgeen
aangeefster heeft verklaard. Immers, zij heeft kort nadat zij door haar
ex-vriend in haar woning was aangevallen met een honkbalknuppel en ter
zake van haar verwondingen werd behandeld in het ziekenhuis een zeer
gedetailleerde verklaring over het gebeuren afgelegd. Ten overstaan van
de rechter-commissaris heeft de aangeefster over het gebeurde in mei
2007 nader verklaard, en haar verklaringen zijn - anders dan die van
verdachte - consistent gebleken . Afgezien daarvan: het gaat hier om één
onderdeel van het tenlastegelegde, en voor het bewijs daarvan is de
verklaring van aangeefster voldoende."
Gerechtshof Amsterdam, 29-01-0, LJN BC3084.
-
Veroordeling op één getuige, getuigen van
horen zeggen en verklaring verdachte (ik was er wel maar heb het
niet gedaan) (zedenzaak) (8.25)
- In dit soort zaken draait het uiteindelijk om de betrouwbaarheid van
de afgelegde verklaringen (wettig bewijs is er (gelet op de
bewijsminima, zie zakboek), alles draait vervolgens om de overtuiging).
Het hof concludeert dat aangeefster op de voor de bewijsvoering
essentiële onderdelen duidelijk en consistent heeft verklaard en dat
daarom geen twijfel bestaat dat haar verklaringen geloofwaardig en
betrouwbaar zijn te noemen.
Het hof acht het tevens van belang dat de verdachte voor de
omstandigheid dat verdachte, buiten medeweten van haar moeder, in een
camper Engelse bijles is gaan geven, geen aannemelijke verklaring heeft
gegeven.
Zie uitgebreid het arrest zelf.
Hof 's-Gravenhage 13-11-07, LJN BB8132
-
Zedenzaak: wijze van verhoor en weergave in
pv: niet ontvankelijkheid (hoofdstuk 10)
-
De verhorende ambtenaren hebben door de wijze
van verhoor en vervolgens de weergave van het verhoor in het pv
de grens van rechtmatigheid overschreden. Verhoorders hebben verdachte, gelet op zijn geestvermogens en mede gelet op de aard
van het delict, niet in alle vrijheid laten verklaren.
Vervolgens is de weergave van dit verhoor ook nog eens op
misleidende wijze verwoord. Hierdoor is het OM de kans ontnomen
om tot een eerlijke afweging omtrent vervolging te komen. Gezien
de combinatie en samenhang van deze omstandigheden is sprake van
een zodanige strijd met de beginselen van behoorlijke
procesorde, dat niet volstaan kan worden met bewijsuitsluiting
of strafverlaging en wordt het OM niet ontvankelijk verklaard in
zijn vervolging (MH: einde zedenzaak).
Rechtbank Arnhem 06-03-07, Nieuwsbrief Strafrecht 2007-180 (niet
op rechtspraak.nl).
- Verhoor verdachte als getuige (10.11)
-
Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat een
verdachte tijdens het voorbereidend onderzoek (MH: opsporingsonderzoek,
gvo en/of sfo) tevens als getuige wordt gehoord (MH: in een strafzaak
van een andere verdachte) (HR, NJ 1990, 7).
Uiteraard moet de verdachte daarbij ook de cautie krijgen voor zover hij
mogelijk verklaringen aflegt die hemzelf kunnen belasten (en dat zal al
snel het geval zijn)!
Hof 's-Gravenhage
05-12-08, LJN BG6133.
- Verschil tussen pv verhoor verdachte en de woordelijk uitgetypte
verslagen van dat verhoor: OM niet-ontvankelijk
-
Na een vergelijking tussen de processen-verbaal van de politie
inhoudende de verklaringen van de verdachte en de woordelijk uitgetypte
verslagen van de verhoren door die politie, blijkt er sprake te zijn van
een zodanig ernstige schending van beginselen van een goede procesorde
dat de meervoudige kamer van de rechtbank te Arnhem de OvJ (op diens vordering) niet-ontvankelijk in zijn vervolging
verklaart (MH: wederom einde zedenzaak).
Rechtbank Arnhem 08-08-07, LJN BB1668.
-
Strafmatiging na niet verstrekken van belangrijke informatie
door OM en politie (5.17 en 15.1)
- Vast staat dat de stukken van het opsporingsonderzoek in de
zaak X van groot belang zijn voor de bewijsvraag in de zaak
tegen de verdachte. 'Het lijkt er op dat als de voorzitter de
betreffende nieuwsuitzending van TV Gelderland had gemist, noch
het hof, noch de verdachte kennis zouden hebben gekregen van die
stukken. Het mag niet zo zijn dat kennisname van voor het bewijs
relevante stukken afhangt van een dergelijke toevalligheid. De
politie en het OM zouden zodanig georganiseerd moeten zijn dat
ook na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in eerste en
tweede aanleg bij de politie en het OM binnengekomen en voor de
zaak relevante stukken spontaan ter kennis worden gebracht van
de rechter en de verdediging. De stukken in de zaak X waren vóór
de aanvang van het onderzoek in hoger beroep bekend bij het
politiekorps en het arrondissementsparket die onderzoek deden in
de zaak tegen de verdachte. Deze bekendheid leidde er evenwel
niet toe dat die stukken ter kennis van het hof en de
verdediging werden gebracht. Ook het tussenarrest waarin het hof
opdracht gaf tot het opmaken van aanvullend pv omtrent de vraag
of er na de aanhouding van verdachte nieuwe aangiften van
soortgelijke delicten waren gedaan, leidde niet tot het
verstrekken van de relevante stukken. Ook als het hof er van uit
gaat dat de teamleider van het Tuinboononderzoek de opdracht van
het hof anders heeft gelezen dan was bedoeld, begrijpt het hof
niet goed waarom deze niet uit zich zelf die informatie heeft
gegeven. Zelfs de mail aan de advocaat-generaal waarin de
voorzitter uitlegt dat de opdracht niet goed is uitgevoerd,
heeft niet geleid tot het verstrekken van de relevante stukken.
Hoewel het zo is dat de opdracht van het hof (...) niet goed is
uitgevoerd, de advocaat-generaal aanvankelijk niet de
mogelijkheid heeft benut de opdracht alsnog goed te laten
uitvoeren, is uiteindelijk de opdracht wel uitgevoerd. In
zoverre ziet het hof geen aanleiding om het OM
niet-ontvankelijk te verklaren en verwerpt het hof het verweer.
Wel is het OM te kort geschoten. De kennis
die aanwezig was bij het arrondissementsparket had in een veel
eerder stadium terecht moeten komen in het dossier van de
verdachte. Voorts heeft de advocaat-generaal, die aanvankelijk
de zaak behandelde, niet adequaat gereageerd op de aanwijzingen
dat relevante informatie ontbrak.
Strafmatiging.
Hof
Arnhem 21-09-07, LJN BB4001.
|