In onderstaande openklapbare tabel worden per paragraaf de actualiteiten weergeven na het uitkomen van de editie 2008/2009 (in september 2007).
Door te klikken op de vetgedrukte tekst in de onderstaande tabel krijgt U de uitgewerkte teksten. 
Belangrijke nieuwe wetten of wetsvoorstellen kunnen gekozen worden door te klikken links op dit scherm onder het kopje "Wetgeving nieuws" of "Wetgeving voorstellen".

ZAKBOEK PROCES-VERBAAL (EN BEWIJSRECHT)
editie 2008/2009

Klik hier voor verkoop zakboek

  1. Het opnemen van een aangifte in het bijzijn van een getuige, van wie nadien ook een verklaring wordt opgenomen (nieuwe paragraaf zakboek 2010)
    1. 'Is (MH: uiteraard) zeer onwenselijk, met name omdat hierdoor niet meer is vast te stellen of de later door de getuige afgelegde verklaring berust op eigen waarneming of grotendeels is gekleurd door de verklaring, zoals die is afgelegd door de aangeefster. Daarnaast acht het hof het niet juist dat uit de pv's van de aangifte en het getuigenverhoor niet is af te leiden dat de aangeefster en de getuige in elkaars bijzijn hebben verklaard. Dit is enkel aan het licht gekomen, doordat de aangeefster hierover met de verdachte heeft gesproken en daarna de gang van zaken bij de RC heeft bevestigd. Zowel het hof, de AG, als de raadsman zijn hierdoor niet in staat geweest om deze bewijsmiddelen in volle omvang te toetsen op hun betrouwbaarheid. Dit klemt in dit geval temeer omdat de verklaring van de getuige met betrekking tot een belangrijk aantal aan verdachte tenlastegelegde handelingen het enige bewijsmiddel is dat de aangifte steunt'. Resultaat: bewijsuitsluiting en vrijspraak.
      Hof Amsterdam, NJFS 2008, 1 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl)
  2. Gebruik verklaring getuige door rechter indien verklaring alleen is afgelegd bij politie (nieuwe paragraaf zakboek 2010)
    1. Ook als de verdediging geen gelegenheid heeft gehad een persoon die een verklaring tegenover de politie heeft afgelegd te (doen) ondervragen mag het pv van de politie met een dergelijke verklaring als bewijs gebruikt worden. Daarvoor is wél vereist dat de betrokkenheid van verdachte bij het hem tenlastegelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en dit 'steunbewijs' betrekking heeft op die onderdelen van de hem belastende verklaring die hij betwist (vgl. HR LJN AO2601). 
      HR 04-09-07, LJN BA5836
  3. Aangeefster gebruikt op politiebureau door politie verstrekte cocaïne, niet ten spoedigste opmaken pv, geen volledige en een niet geheel juiste opening van zaken geven (2.7 en 5.15)
    1. 'In het aan de Rechtbank voorgelegde strafdossier bevindt zich een pv van bevindingen van 6 januari 2005 van de verbalisanten A en B. Door de behandelend OvJ is toen tevens overgelegd een notitie van 6 januari 2005 van de RC mr. C en een pv van 10 januari 2005 van de OvJ mr. D. Op grond van de in deze stukken gegeven informatie heeft de Rechtbank bij vonnis van 24 februari 2006 het OM ontvankelijk verklaard in de vervolging gelet op de ernst van het vermoedelijk gepleegde strafbare feit en in aanmerking genomen dat de verdachte niet in enig te respecteren belang was geschaad. Bij de behandeling van het hoger beroep zijn alle voornoemde personen en verbalisant E over een en ander als getuige gehoord.

      Op grond van vorenstaande is het Hof tot het volgende oordeel gekomen.

      Eerst kort vóór de eerste behandeling van de strafzaak bij de Rechtbank op 8 februari 2005 is door de verbalisanten bij pv gemeld dat aangeefster - die zwaar verslaafd was en wier aanwezigheid ten behoeve van het in te stellen opsporingsonderzoek en het veilig stellen van sporen gedurende langere tijd noodzakelijk werd geacht - in de gelegenheid was gesteld een- of meermalen met een haar ter beschikking gestelde diensttelefoon contact op te nemen met een persoon die cocaïne zou kunnen komen brengen. Bovendien werd gerelateerd dat het betrokkene niet was toegestaan die cocaïne in of nabij het bureau te gebruiken.

      Uit de getuigenverklaringen van 27 september 2007 respectievelijk 9 januari 2008 is gebleken dat voornoemd pv onvolledig en onjuist is. Immers, door de getuige E is verklaard dat zij op 3 november 2004 in de vroege ochtend op bureau Karnebeek een bolletje kennelijk bevattende cocaïne in ontvangst heeft genomen en naar aangeefster heeft gebracht die het vervolgens in een oponthoudkamer van het bureau heeft gebruikt. Voorts is door de getuigen A en B verklaard dat aangeefster ten tijde van het opnemen van de aangifte op 4 november 2004 in de gelegenheid is gesteld door haar zelf meegenomen cocaïne buiten aanwezigheid van verbalisanten doch op het bureau te gebruiken.

      Aldus is gehandeld in strijd met het bepaalde in art. 152 Sv. Weliswaar is - echter eerst na herhaald aandringen van de behandelend OvJ - een pv opgemaakt doch in deze verslaglegging is geen volledige en een niet geheel juiste opening van zaken gegeven. Bovendien is er in casu sprake van meerdere door de verbalisanten gepleegde strafbare feiten, immers telkens een schending van de in de Opiumwet gegeven verbodsnormen.

      Daarbij komt dat de op 3 november 2004 dienstdoende OvJ - die ervan op de hoogte was dat er iemand van buiten cocaïne naar het bureau zou komen brengen ten behoeve van aangeefster - op geen enkele wijze hier corrigerend is opgetreden jegens de verbalisanten.

      Het vorenstaande leidt allereerst tot de gevolgtrekking dat sprake is van een ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor - minst genomen - met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces is tekort gedaan. Immers als de verbalisanten niet zowel op 3 als op 4 november 2004 met overtreding van de Opiumwet aangeefster ter beschikking hadden gehouden van het onderzoek, was vermoedelijk noch de verdachte aangehouden kunnen worden noch was het tot het opnemen van een aangifte gekomen, nog daargelaten in hoeverre het cocaïnegebruik de inhoud van de verklaring(en) van aangeefster heeft beïnvloed.

      Naar het oordeel van het Hof is voorts tevens sprake van een zodanig fundamentele inbreuk dat die - los van de vraag of de verdachte in zijn belangen is geschaad - tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM in zijn vervolging dient te leiden. Het Hof neemt hierbij met name in aanmerking dat de gemeenschap een wezenlijk belang heeft bij eerlijke en volledige verbalisering door de politie, goede invulling van diens verantwoordelijkheid voor de opsporing door het OM, en juiste informering van de rechter.

      Het Hof is allesoverziend van oordeel dat de niet-ontvankelijkheid van het OM in de strafvervolging van de verdachte wat betreft het bij dagvaarding I onder 2 tenlastegelegde dient te volgen.

      Einde zaak.

      Hof 's-Gravenhage 21-02-08, NS 2008, 126 (niet op rechtspraak.nl).
  4. Niet in de wettelijke vorm (ondertekend) opgemaakt pv (5.2)
    1. Een ambtsedig pv zonder vereiste ondertekening is niet in de wettelijk voorgeschreven vorm (art. 153 Sv) opgemaakt en kan dus slechts als ‘ander’ geschrift (art. 344 lid 1 onder 5º Sv) tot het bewijs meewerken (en heeft dus geen unieke bewijskracht, zie daarover art. 344 lid 2 Sv in 8.14). Dat geldt ook als dat pv vergezeld gaat van een door een opsporingsambtenaar geschreven kennisgeving van bekeuring die inhoudelijk met het uitgetypte (electronische) pv overeenstemt en wel is ondertekend.
      HR 22-04-08, LJN BC9954
  5. Redenen van wetenschap opsp. ambt. betreffende wel/niet kinderporno (van groot belang voor zedenspecialisten) (5.10) (ook in zakboek hulpOvJ 9.5)
    1. Ingevolge art. 153 Sv moet het pv zoveel mogelijk uitdrukkelijk de redenen van wetenschap bevatten. Onder redenen van wetenschap zijn de bronnen van kennis te verstaan van datgene wat de opsp. ambt. in het pv heeft gerelateerd [1] (bijv. zien, horen, voelen, ruiken, enz.). Door de opname van redenen van wetenschap kunnen waarnemingen en ondervindingen van de verbalisant onderscheiden worden van conclusies die hij aan die waarnemingen en/of bevindingen verbindt [2]. De rechter mag dus geen conclusies uit een pv overnemen als deze door de betreffende verbalisant niet zijn onderbouwd door redenen van wetenschap [3] (let dus op: in het pv mogen wel conclusies staan maar die conclusies mogen door de rechter niet als bewijs gebruikt worden). En dat geldt natuurlijk ook voor de/een conclusie dat er sprake is van kinderporno. De HR overwoog daarover recent dat (kort gezegd) niet voor het bewijs gebruikt mag worden de verklaring van een opsp. ambt. in een pv ‘dat 299 van de onderzochte beeldfiles kinderporno bleken te bevatten, dat 314 beeldfiles voldeden aan de criteria voor overtreding van art. 240b Sr, en dat zij in hoofdzaak bleken te bestaan uit beeldfiles met meisjes wier leeftijd varieert tussen de vijf tot zes en dertien tot veertien jaar die seksuele handelingen plegen met of ondergaan van volwassenen’. Bedoeld relaas hield echter (op twee afbeeldingen na) niets in omtrent de wijze waarop de verbalisant was gekomen tot zijn bevinding dat de afbeeldingen voldeden aan ‘de criteria voor overtreding van art. 240b Sr’ en zijn bevindingen ten aanzien van de leeftijd van de afgebeelde kinderen. De gerelateerde omstandigheid dat ‘vrijwel alle kinderpornografische afbeeldingen, op één na, bekend bleken in de Landelijke Database kinderpornografie’ maakte dat niet anders, nu de bewijsvoering (bijv. het pv) niets inhield omtrent de status van die Database en de criteria die worden aangelegd bij de opneming van afbeeldingen in die Database.
      [1]. T&C, art. 153, aant. 2e.
      [2]. Melai, art. 153, aant. 7.
      [3]. HR 15-11-05, LJN AU2711 (dat iemand houder was van duiven). Zie ook HR 30-11-99, LJN ZD1635 (dat redelijkerwijs kon worden aangenomen dat e.e.a. gebeurde om middelen als bedoeld in art. 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, dan wel slaap- of kalmeringsmiddelen of daarop gelijkende waar te kopen (niet op rechtspraak.nl, wel op JOL 1999, 271) en HR 28-03-06, LJN AV1614 (dat de verdachte op de Waldorpstraat te 's-Gravenhage postvatte of zich daar heen en weer bewoog met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in art. 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar aan te bieden of te verwerven).


      HR 01-07-08, LJN BC8645. Zie eerder inzake kinderporno ook al HR 07-12-04, LJN AQ8936.
    2. Daar is inmiddels bijgekomen:

      Een voorbeeld van hoe het wel zou kunnen is terug te vinden in een recent arrest van de HR : conclusies van verbalisanten zijn gegrond op een door het team Jeugd en Zeden gegeven referentiekader, te weten: - het gebruiken van een map, waarin aan de hand van foto's en tekeningen, in het bijzonder foto's van de primaire en secundaire geslachtskenmerken van een meisje (de vagina, de schaamlippen, het schaamhaar en de borsten) de ontwikkeling van het lichaam van een meisje schematisch in kaart was gebracht met daarbij de leeftijd van het meisje in categorieën vermeld; - het maken van werkafspraken over het gezamenlijk beoordelen van de afbeeldingen, het dienaangaande opstellen van de pv’s en de handelswijze bij twijfel (het bij blijvende twijfel buiten beschouwing laten van de afbeelding). - uiteraard dient het pv van deze werkwijze melding te maken. Uiteraard is er een kans dat de rechter (al dan niet na een daartoe strekkend verweer) de voornoemde map zelf ook wil inzien en/of één of meer van de gecertificeerd zedenrechercheurs (als getuige-deskundige) op de zitting of door de RC wil (laten) horen.
      HR 30-09-08, LJN BD4872
  6. Tegenstrijdigheden in pv en onder ede afgelegde verklaringen van opsporingsambtenaren (5.15 t/m 5.17)
    1. Het betrof hier verklaringen die van essentieel belang zijn voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het binnentreden, voor de beoordeling of er al dan niet sprake is geweest van ongeoorloofde doorzoeking na het binnentreden en voor de beoordeling van de vraag wie er aanwezig zijn geweest bij het binnentreden en wanneer en op welke wijze de instemmingsverklaring van de bewoonster tot stand is gekomen. De rechtbank is van oordeel dat in op ambtseed opgemaakte processen-verbaal en onder ede afgelegde verklaringen van opsporingsambtenaren zeker over dit soort voor de juridische beoordeling essentiële onderdelen geen onverklaarbare tegenstrijdigheden mogen voorkomen. Daarbij kan dan in het midden blijven of het vergissingen of verklaringen in strijd met de waarheid betreffen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat gegeven de tegenstrijdigheden er sprake is van een ernstige inbreuk op de procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een faire behandeling van de zaak tekort is gedaan. OM niet-ontvankelijk, einde zaak.
      Rechtbank Roermond 06-11-07, LJN BB7558
      .
  7. Niet-ontvankelijkheid OM wegens onvoldoende pv (webcamzaak studentenhuis) (5.15 t/m 5.17)
    1. De rechtbank Amsterdam heeft het OM niet-ontvankelijk verklaard in de strafzaak tegen een verdachte die met een webcam studenten zou hebben gefilmd in het naastgelegen studentenhuis. De niet-ontvankelijkheid komt voort uit het feit dat de politie in eerste instantie zonder machtiging is binnengetreden in het huis van verdachte. Van dit onbevoegde binnentreden is geen verslag gedaan door de politie. Deze omissie beschouwt de rechtbank als een zeer grove nalatigheid, waarmee de belangen van de verdachte en die van een behoorlijke rechtspleging in zeer ernstige mate zijn veronachtzaamd. Bij een zo grove schending van het vertrouwen dat doorgaans in ambtsedige processen-verbaal wordt gesteld past geen andere sanctie dan de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, die formeel verantwoordelijk is voor de integriteit van de opsporing.
      Rechtbank Amsterdam 29-11-07, LJN BB9065.
  8. Niet relateren onderzoeksbevindingen (5.17)
    1. Recent overwoog de rechtbank Amsterdam dat ‘door de gebrekkige weergave van de verkregen wetenschap van de verbalisant, is (gelet op het gewicht dat een pv van een opsp. ambt. voor het bewijs heeft) sprake van een ernstig verzuim in het voorbereidend onderzoek dat niet meer kan worden hersteld (MH: in het betreffende geval was ontlastende info niet gerelateerd in het pv). Gelet op de grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte van diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak, kan door dit verzuim geen sprake zijn van een behandeling van het ten laste gelegde feit die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet. De sanctie van niet-ontvankelijkheid van het OM ten aanzien van dat feit is gelet daarop passend’. Einde zaak.
      Rechtbank Amsterdam 13-09-07, LJN BB6000 (niet op rechtspraak.nl)
  9. Feit van algemene bekendheid: de afstand van de woning van de verdachte tot de plaats delict (8.24)

    1. Aangezien de afstand tussen verdachte's woning en de plaats waar de overval heeft plaatsgevonden, alsmede de gemiddelde reisduur voor deze afstand zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen zijn te achterhalen (routeplaner), zijn deze gegevens aan te merken als feiten van algemene bekendheid.
      HR 13-11-07, LJN BB6374

  10. De bewijsminima gelden voor de tenlastelegging van het strafbare feit in zijn geheel en niet voor ieder bestanddeel van die tenlastelegging (8.25)
    1. 1. "Het hof kan de raadsvrouw niet volgen in haar standpunt dat de voorbedachte rade, gelet op het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, niet kan worden bewezen verklaard, omdat slechts sprake is van een verklaring van aangeefster ter zake, welke verklaring door verdachte is ontkend. Voorop staat dat de verklaringen van aangeefster en van verdachte op wezenlijke onderdelen wel degelijk overeenkomen. Het hof heeft voorts geen reden te twijfelen aan hetgeen aangeefster heeft verklaard. Immers, zij heeft kort nadat zij door haar ex-vriend in haar woning was aangevallen met een honkbalknuppel en ter zake van haar verwondingen werd behandeld in het ziekenhuis een zeer gedetailleerde verklaring over het gebeuren afgelegd. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft de aangeefster over het gebeurde in mei 2007 nader verklaard, en haar verklaringen zijn - anders dan die van verdachte - consistent gebleken . Afgezien daarvan: het gaat hier om één onderdeel van het tenlastegelegde, en voor het bewijs daarvan is de verklaring van aangeefster voldoende."
      Gerechtshof Amsterdam, 29-01-0, LJN BC3084
      .
  11. Veroordeling op één getuige, getuigen van horen zeggen en verklaring verdachte (ik was er wel maar heb het niet gedaan) (zedenzaak) (8.25)

    1. In dit soort zaken draait het uiteindelijk om de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen (wettig bewijs is er (gelet op de bewijsminima, zie zakboek), alles draait vervolgens om de overtuiging).

      Het hof concludeert dat aangeefster op de voor de bewijsvoering essentiële onderdelen duidelijk en consistent heeft verklaard en dat daarom geen twijfel bestaat dat haar verklaringen geloofwaardig en betrouwbaar zijn te noemen.
      Het hof acht het tevens van belang dat de verdachte voor de omstandigheid dat verdachte, buiten medeweten van haar moeder, in een camper Engelse bijles is gaan geven, geen aannemelijke verklaring heeft gegeven.

      Zie uitgebreid het arrest zelf.

      Hof 's-Gravenhage 13-11-07, LJN BB8132
  12. Zedenzaak: wijze van verhoor en weergave in pv: niet ontvankelijkheid (hoofdstuk 10)

    1. De verhorende ambtenaren hebben door de wijze van verhoor en vervolgens de weergave van het verhoor in het pv de grens van rechtmatigheid overschreden. Verhoorders hebben verdachte, gelet op zijn geestvermogens en mede gelet op de aard van het delict, niet in alle vrijheid laten verklaren. Vervolgens is de weergave van dit verhoor ook nog eens op misleidende wijze verwoord. Hierdoor is het OM de kans ontnomen om tot een eerlijke afweging omtrent vervolging te komen. Gezien de combinatie en samenhang van deze omstandigheden is sprake van een zodanige strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde, dat niet volstaan kan worden met bewijsuitsluiting of strafverlaging en wordt het OM niet ontvankelijk verklaard in zijn vervolging (MH: einde zedenzaak).
      Rechtbank Arnhem 06-03-07, Nieuwsbrief Strafrecht 2007-180 (niet op rechtspraak.nl).

  13. Verhoor verdachte als getuige (10.11)
    1. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat een verdachte tijdens het voorbereidend onderzoek (MH: opsporingsonderzoek, gvo en/of sfo) tevens als getuige wordt gehoord (MH: in een strafzaak van een andere verdachte) (HR, NJ 1990, 7).
      Uiteraard moet de verdachte daarbij ook de cautie krijgen voor zover hij mogelijk verklaringen aflegt die hemzelf kunnen belasten (en dat zal al snel het geval zijn)!
      Hof 's-Gravenhage 05-12-08, LJN BG6133.

  14. Verschil tussen pv verhoor verdachte en de woordelijk uitgetypte verslagen van dat verhoor: OM niet-ontvankelijk
    1. Na een vergelijking tussen de processen-verbaal van de politie inhoudende de verklaringen van de verdachte en de woordelijk uitgetypte verslagen van de verhoren door die politie, blijkt er sprake te zijn van een zodanig ernstige schending van beginselen van een goede procesorde dat de meervoudige kamer van de rechtbank te Arnhem de OvJ (op diens vordering) niet-ontvankelijk in zijn vervolging verklaart (MH: wederom einde zedenzaak).
      Rechtbank Arnhem 08-08-07, LJN BB1668
      .
  15. Strafmatiging na niet verstrekken van belangrijke informatie door OM en politie (5.17 en 15.1)
    1. Vast staat dat de stukken van het opsporingsonderzoek in de zaak X van groot belang zijn voor de bewijsvraag in de zaak tegen de verdachte. 'Het lijkt er op dat als de voorzitter de betreffende nieuwsuitzending van TV Gelderland had gemist, noch het hof, noch de verdachte kennis zouden hebben gekregen van die stukken. Het mag niet zo zijn dat kennisname van voor het bewijs relevante stukken afhangt van een dergelijke toevalligheid. De politie en het OM zouden zodanig georganiseerd moeten zijn dat ook na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in eerste en tweede aanleg bij de politie en het OM binnengekomen en voor de zaak relevante stukken spontaan ter kennis worden gebracht van de rechter en de verdediging. De stukken in de zaak X waren vóór de aanvang van het onderzoek in hoger beroep bekend bij het politiekorps en het arrondissementsparket die onderzoek deden in de zaak tegen de verdachte. Deze bekendheid leidde er evenwel niet toe dat die stukken ter kennis van het hof en de verdediging werden gebracht. Ook het tussenarrest waarin het hof opdracht gaf tot het opmaken van aanvullend pv omtrent de vraag of er na de aanhouding van verdachte nieuwe aangiften van soortgelijke delicten waren gedaan, leidde niet tot het verstrekken van de relevante stukken. Ook als het hof er van uit gaat dat de teamleider van het Tuinboononderzoek de opdracht van het hof anders heeft gelezen dan was bedoeld, begrijpt het hof niet goed waarom deze niet uit zich zelf die informatie heeft gegeven. Zelfs de mail aan de advocaat-generaal waarin de voorzitter uitlegt dat de opdracht niet goed is uitgevoerd, heeft niet geleid tot het verstrekken van de relevante stukken.

      Hoewel het zo is dat de opdracht van het hof (...) niet goed is uitgevoerd, de advocaat-generaal aanvankelijk niet de mogelijkheid heeft benut de opdracht alsnog goed te laten uitvoeren, is uiteindelijk de opdracht wel uitgevoerd. In zoverre ziet het hof geen aanleiding om het OM niet-ontvankelijk te verklaren en verwerpt het hof het verweer.

      Wel is het OM te kort geschoten. De kennis die aanwezig was bij het arrondissementsparket had in een veel eerder stadium terecht moeten komen in het dossier van de verdachte. Voorts heeft de advocaat-generaal, die aanvankelijk de zaak behandelde, niet adequaat gereageerd op de aanwijzingen dat relevante informatie ontbrak.
      Strafmatiging.
      Hof Arnhem 21-09-07, LJN BB4001.