In onderstaande openklapbare tabel worden per paragraaf de actualiteiten weergeven na de tot standkoming van de editie 2009 (01 september 2008) (papieren versie verkrijgbaar vanaf eind september 2008). Tijdelijk is ook nog de tabel met daarin de actualiteiten behorende bij de editie 2008 opgenomen.
Door te klikken op de vetgedrukte tekst in de onderstaande tabel krijgt U de uitgewerkte teksten. 
Belangrijke nieuwe wetten of wetsvoorstellen kunnen gekozen worden door te klikken links op dit scherm onder het kopje "Wetgeving nieuws" of "Wetgeving voorstellen".

ACTUALITEITEN
ZAKBOEK STRAFVORDERING VOOR DE OPSPORINGSAMBTENAAR
editie 2009
Klik hier voor verkoop zakboek


 

ZIE HET ZAKBOEK HULPOFFICIER 

Zomer 2009 zal worden afgewogen welke actualiteiten in de nieuwe papieren editie van het zakboek opsporingsambtenaar 2010 zullen worden verwerkt.

 

 

 

ACTUALITEITEN
ZAKBOEK STRAFVORDERING VOOR DE OPSPORINGSAMBTENAAR
editie 2008
Klik hier voor verkoop zakboek

  1. Algemene verbeterpunten / kennelijke misstanden!!

    1. Zoals ik in vanaf 2006 meermalen heb gemaild (zie Nieuwsmail): uit de gepubliceerde jurisprudentie blijkt tot mijn verbazing niet alleen van een toenemend aantal verbeterpunten maar ook van kennelijke misstanden waartegen de rechtgeaarde opsporingsambtenaar en (hulp)OvJ zich met hand en tand moeten verzetten.

      Wat mij daarbij opvalt is dat rechters niet alleen een toenemende belangstelling lijken te hebben voor de rechtmatige toepassing van dwangmiddelen maar ook voor het waarheids- en betrouwbaarheidsgehalte van afgelegde getuigen/deskundigenverklaringen en pv's. En dat levert dan weer nieuwe 'verbeterpunten' op..... (een poreuze cirkel zouden Koot en Bie zeggen).

      Het gaat dan om de algemeen bekende punten als
      - redenen van wetenschap (verdachte, getuige, opsp. ambt., deskundige);
      - betrouwbaarheid van afgelegde verklaringen;
      - consistentie van afgelegde verklaringen (niet tegenstrijdig);
      - partijgetuigen;
      - verwerking van verklaringen in het pv;
      - confrontaties;
      - de rechtmatige uitoefening van dwangmiddelen
      - betrouwbaarheid van het pv; - enz.

      Zo worden bij twijfel de betreffende verklaringen van de getuigen zondermeer aan de kant geschoven (ook zonder dat daarover een verweer gevoerd wordt) of wordt er aanvullend onderzoek bevolen (verhoor getuigen/politie). En ook de confrontatie heeft ambtshalve de extra aandacht van de rechter. In het bijzon-der de daarvoor geldende regels uit het 'besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek' (zie het zakboek Opsp. ambt. 2.22). Tot slot lijkt het erop dat rechters steeds meer ambtshalve geluid- en/of beeldopnamen op de zitting zelf willen horen en/of zien (bijv. het verhoor van een verdachte en/of getuige) teneinde zo te controleren of de weergave daarvan in het pv wel klopt.

      Anders gezegd: "na enkele pijnlijke lessen uit het verleden is er bij politie en justitie grote aandacht ontstaan voor en wordt intensief samengewerkt aan een verbeterplan voor de opsporing en vervolging. Doel is onder meer te bewerkstelligen dat in de opsporingsfase op zuivere wijze aan waarheidsvinding wordt gedaan. Dit heeft onder meer geleid tot het meer en ook meer imperatief registreren van verhoren van verdachten, zodat het betrouwbaarheidsgehalte van die verklaringen achteraf kan worden getoetst. In zijn algemeenheid kan zonder meer worden aangenomen dat de kwaliteit van de opsporing de laatste jaren enorm is vooruitgegaan. In de incidentele gevallen zoals de onderhavige kan niet anders dan een duidelijk signaal worden afgegeven, niet in de laatste plaats ter bewaking van de integriteit van de opsporing in het algemeen" (Rechtbank Arnhem 08-08-07, LJN BB1668).

      Hieronder heb ik een hyperlink opgenomen naar een overzicht met daarin een verzameling van zeer leerzame uitgewerkte uitspraken van rechters. Met hyperlink voor directe toegang naar de uitspraak op rechtspraak.nl. Een deel had ik al eerder kort 'gepubliceerd' maar de omvang blijft gestaag groeien. Ik zal het overzicht actueel houden. Het verdient zeer sterke aanbeveling om goed kennis te nemen van de verwerkte jurisprudentie én deze als verbeterpunt uit te dragen én te bewaken.

      En ik weet het: het overgrote deel van de zaken verloopt prima. Mijn complimenten daarvoor. Maar toch, het beeld dat langzamerhand uit de jurisprudentie is ontstaan, stemt absoluut niet tot vrolijkheid. Er zal de komende jaren nog veel werk verricht moeten worden. En dan niet alleen middels structuurwijzigingen en onderwijs. Ook de cultuur zal de nodige aandacht moeten hebben. Leidinggevenden dienen daarbij het voorbeeld te geven.

      Klik hier voor het overzicht

      Inmiddels is e.e.a. ook besproken in de wetenschappelijke literatuur: Y. Buruma, 'Onprofessioneel politieoptreden', Delikt en Delinkwent januari 2008, nr 8.  Buruma (zeer gewaardeerd hoogleraar) bespreekt een aantal rechterlijk uitspraken (door mij ook weergegeven in voornoemd overzicht) en plaatst een aantal kritische kanttekeningen, zoals de volgende.
      - Heel goed dat de rechter controleert, maar het optreden van de politie stemt echt niet tot vreugde (MH: of zoals ik het regelmatig formuleerde: hier worden wij niet vrolijk van).
      - In sommige van de besproken gevallen was eigenlijk persoonlijke vervolging op zijn plaats geweest (MH: ook het geval geweest, zie het overzicht).
      - Een enkele zaak roept de vraag op of we nog wel pv's van de politie mogen vertrouwen als de basis ervan niet controleerbaar is (MH: vertrouwen is ook gelet op mijn persoonlijke ervaringen fors afgenomen).
      - Uit een enkele zaak blijkt hoe problematisch het is dat in feite politiefunctionarissen selecteren welke informatie belangrijk genoeg is om aan de beslissende autoriteiten te leveren (MH: ook herkenbaar uit mijn eigen politie-ervaringen). In het licht van de lopende discussie over onterechte veroordelingen is dit uiteraard zorgwekkend.
      - Dat rechters kritischer worden op de dossiervorming kan dan ook alleen maar met vreugde worden begroet.
      - De indruk bestaat dat er ook een fundamenteel verschil van inzicht is tussen wat feitenrechters juist vinden en wat er in de praktijk gebeurt.
      - Het is hoogst zorgwekkend dat het kan voorkomen dat de politie ontlastend (CIE-)materiaal weglaat en kan weglaten.
      - De politie doet het vaak goed (MH: helemaal mee eens). Het komt soms voor dat je van mening kunt verschillen over de creativiteit van agenten (en creatieve agenten zullen mij al snel aan hun kant vinden) of dat het gaat om kleine misstappen. Maar er doen zich ook schandelijke incidenten voor. Het is belangrijk dat feitenrechters op die incidenten de vinger leggen. Dat ze dat nog steeds blijken te doen is loffelijk. Maar het is tegelijkertijd zorgelijk vast te moeten stellen dat die rechters net iets te vaak incidenten blootleggen die niet anders kunnen worden geduid dan als tekenen van onprofessioneel politieoptreden. Geleidelijk aan beginnen we de gevolgen te zien van het vrijwel afsterven van het juridisch onderwijs voor politieambtenaren in opleiding (MH: én actualisering daarvan na de opleiding in de praktijk): dat ze de regels niet meer kennen is misschien nog weg te relativeren, maar de instelling van de agenten in veel van de hiervoor gegeven voorbeelden baart zorgen. Die instelling geeft blijk van onvoldoende rekenschap van waar een professionele politie voor staat.

      Anker roept zelfs op tot discussie over de afschaffing van art. 344 lid 2 (unieke bewijskracht pv van bevoegde opsporingsambtenaar) (Nieuwsbrief Strafrecht 2008, nr. 1).

      Zo, daar kunnen we het weer even mee doen.....Maar zoals altijd: bedreigingen vormen ook kansen. En die moeten we met z'n allen pakken. Ik zal u op deze plaats en via mijn Nieuwsmail op de hoogte houden van verbeterpunten en ontwikkelingen op dit gebied.
  2. Anonieme tip en dwangmiddelentoepassing (1.2)

    1. Op dit gebied zijn de nodige ontwikkelingen waar te nemen. Het is van groot belang daarvan zeer goed kennis te nemen voor de toepassing van dwangmiddelen!! 

      Kort (samengevat):
      Hoofdregel: géén dwangmiddelentoepassing op basis van uitsluitend anonieme info. Altijd onderzoek doen naar een plusje en pas dwangmiddelen toepassen bij extra info. Dat zou pas anders kunnen liggen bij verdenking van een zeer ernstig misdrijf waarbij (verder) nader onderzoek en/of verificatie onmogelijk is en politieoptreden in redelijkheid geen enkel uitstel meer kan dulden. Uiteraard de gang van zaken tijdig en juist relateren in het pv!
      Als er géén plusje te vinden is (wat ontlastend kan werken) en er tóch een dwangmiddel toegepast zou moeten worden: éérst overleggen met de OvJ en ook hier pas dwangmiddelen toepassen als (verder) nader onderzoek en/of verificatie onmogelijk is en politieoptreden in redelijkheid geen enkel uitstel meer kan dulden.

      Uitgebreid: klik hier voor conceptparagraaf 2.2 editie 2009

  3. Politie-info via MMA/CIE (1.2)
    1. Het staat de politie niet vrij al bij de politie bekende informatie, ter bescherming van de bron, te verdoezelen door deze informatie alsnog anoniem te laten binnenkomen via MMA en/of de CIE.
      Rechtbank Zutphen 30-10-07, LJN BB7196.
  4. Politie-info via MMA/CIE (2.2)
    1. Het staat de politie niet vrij al bij de recherche bekende informatie, ter bescherming van de bron, te verdoezelen door deze informatie alsnog anoniem te laten binnenkomen via MMA en/of de CIE (en dat had de politie dan ook niet gedaan!).

      'Verdachte heeft zich op 14 september 2006 op eigen initiatief bij de politie gemeld, zijn identiteit kenbaar gemaakt en, na ontvangst van de cautie, een verklaring afgelegd naar aanleiding waarvan de verbalisant Nijman proces-verbaal heeft opgemaakt en hem heeft geadviseerd, zijn voornemen om Apeldoorn te verlaten, daadwerkelijk uit te voeren. De politie heeft daarbij nog ondersteuning geboden door verdachtes situatie onder de aandacht te brengen van de politie in de plaats waar verdachte (voorlopig) zou gaan wonen. Nu verdachte echter heeft verkozen te blijven wonen op zijn Apeldoornse adres en hij, anders dan de politie, precies wist hoe de zaken zich daar ontwikkelden, valt niet in te zien dat aan de politie verwijt kan worden gemaakt van de voor verdachte onveilig gebleken situatie. Het verwijt dat de politie door de door verdachte verstrekte informatie bij proces-verbaal heeft vastgelegd in plaats van verdachte te verwijzen naar M(eld) (M)isdaad (A)noniem en/of de CIE, miskent dat het de politie nu juist niet vrijstaat al bij de recherche bekende informatie, ter bescherming van de bron, te verdoezelen door deze informatie alsnog anoniem te laten binnenkomen via MMA en/of de CIE. Daarbij komt in dit geval nog, dat verdachte als zodanig ook zelf in de onderhavige zaak betrokken was en daardoor op dat moment geen voor de CIE bruikbare informatie kon leveren.
      Rechtbank Zutphen 30-10-07, LJN BB7196.
  5. Lokfiets (1.2)
    1. Geen rechtsregel verbiedt dat de politie, wanneer zij concludeert dat iemand die haar ambtshalve als dief bekend is veel belangstelling voor gestalde fietsen toont, een onafgesloten fiets neerzet teneinde te zien of genoemde persoon die fiets zal stelen. Met name is hiervoor niet vereist, dat ten tijde van het plaatsen van die fiets al sprake is van een redelijk vermoeden dat al een concreet strafbaar feit is gepleegd.
      Gerechtshof (niet gepubliceerd) maar weergegeven in een naar de rechtbank terugverwezen zaak (wel gepubliceerd): Rechtbank Dordrecht 01-11-07, LJN BB6979.
      Zie zonodig ook Rechtbank Dordrecht 02-01-07, LJN AZ5422.
      Hetzelfde zal m.i. gelden voor vergelijkbare zaken zoals bijv. een 'lok'-lcd-scherm in woning. Van belang bij vorenstaande is dat de betreffende persoon niet gebracht wordt tot het plegen van andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht (Talloncriterium, zie hierover verder het zakboek Strafrecht 2.10).
  6. Lokauto (1.2)
    1. Kort:

      Inzet van lokauto als middel van opsporing (van autokrakers) levert geen strijd op met bevoegdheden van politie tot opsporing. Ook is niet aannemelijk geworden dat de verdachte door die inzet is gebracht tot andere handelingen dan die, waarop zijn opzet tevoren was gericht. Het gegeven dat de auto door de politie is geprepareerd, geparkeerd en geobserveerd en in die zin de politie de verdachte heeft gefopt is mogelijk niet alledaags en kan in zoverre bijzonder worden genoemd, doch doet aan deze conclusie niet af.

      Uitgebreid:

      'Op 10 maart 2006 te 20.00 uur is door de politie op de Plantage Muidergracht te Amsterdam een personenauto geplaatst. De politie heeft die auto voorzien van niet voor die auto afgegeven, buitenlandse kentekenplaten. In deze afgesloten auto waren door de politie onder meer een mobiele telefoon en een dummy van een navigatiesysteem neergelegd c.q. aangebracht. Deze voorwerpen waren van buiten die auto voor passanten zichtbaar. Tegenover deze auto is door de politie een observatiepost geplaatst en bemand. Ongeveer twintig minuten nadat deze auto ter plaatse was geparkeerd, is door de verdachte een ruit van de auto vernield en heeft hij het navigatiesysteem weggenomen. De verdachte is terstond aangehouden. De politie is tot de inzet van deze auto overgegaan met het oog op het grote aantal gepleegde inbraken uit auto’s op de Plantage Muidergracht (en naar het hof aanneemt: ook de directe omgeving van die gracht). Als doel van deze actie is in het proces-verbaal van relaas vermeld: het verminderen van voertuigcriminaliteit. De officier van justitie heeft aan de politie voor de uitvoering van deze actie toestemming verleend. Het hof zal in navolging van de politie de term lokauto bezigen.

      Gegeven de veelheid van gepleegde autokraken op en nabij de plaats waar de lokauto door de politie is geplaatst en het vorenweergegeven doel van de inzet van de lokauto, moet worden aangenomen dat de politie de aanhouding op heterdaad van een autokraker heeft beoogd.

      Gelet op wat de ervaring leert met betrekking tot autokrakers -in de regel gaat het om lieden die dit soort van feiten bij herhaling plegen- en met betrekking tot autokraken -in de regel gaat het om ergerlijke misdrijven waarvan de daders slechts moeizaam kunnen worden geïdentificeerd-, getuigt de inzet van de lokauto van een zekere creativiteit in de opsporing. Immers, degene die overeenkomstig een daartoe genomen besluit de lokauto kraakt, laadt niet slechts de verdenking op zich -onder het toeziend oog van de politie- een misdrijf te hebben begaan, maar laadt daardoor tevens de verdenking op zich dat hij zich daaraan eerder heeft bezondigd. Aldus wordt de inzet van de lokauto gelegitimeerd door in elk geval het belang dat bestaat bij de zeer grote pakkans van een autokraker, van wie in redelijkheid mag worden aangenomen dat hij zich niet voor het eerst op of nabij die locatie aan een autokraak schuldig maakt.

      Gegeven de aan de politie opgedragen taken -de opsporing van strafbare feiten als ook de aan artikel 2 van de Politiewet 1993 te ontlenen taakstelling- valt niet in te zien dat de politie met de inzet van de lokauto in het onderhavige geval aan een rechtsregel is voorbij gegaan.

      Daartoe overweegt het hof in het bijzonder dat de hier aan de orde zijnde inzet van de lokauto als middel van opsporing geen strijd oplevert met de in boek I van het Wetboek van Strafvordering neergelegde regeling van bijzondere bevoegdheden tot opsporing, terwijl evenmin aannemelijk is geworden dat de verdachte door die inzet is gebracht tot andere handelingen dan die, waarop zijn opzet tevoren was gericht. Het gegeven dat de auto door de politie is geprepareerd, geparkeerd en geobserveerd en in die zin de politie de verdachte heeft gefopt is mogelijk niet alledaags en kan in zoverre bijzonder worden genoemd, doch doet aan deze conclusie niet af.

      Overigens is niet aannemelijk geworden dat de verdachte doordat de politie op de lokauto buitenlandse kentekenplaten heeft aangebracht -indien al in strijd met de wet- is geschonden in een rechtens te respecteren belang.

      Evenmin kan -in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de frequentie, aard en ernst van autokraken en de in de regel moeizame opsporing van de daders van deze misdrijven- met vrucht kan worden gesteld dat door de politie onder gezag van de officier van justitie in het onderhavige geval voorbij is gegaan aan de in acht te nemen beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit.'
      Gerechtshof Amsterdam 28-06-07, LJN BC4796. (pas gepubliceerd op 20-02-08)
  7. Lokwoning (1.2)
    1. Bijv. door een zicht lcd-scherm achter woonkamerraam. Zal gelet op voorgaande jurisprudentie (lokfiets en lokauto) als regel niet onrechtmatig zijn.
  8. Verdachte? (1.2)
    1. Verbalisanten krijgen melding van straatroof terwijl ze (met hun kennis, ervaring en locale bekendheid) een drietal mannen gedurende een korte tijdsspanne reeds waarnemen die hollen, elkaar iets laten zien, daarover plezier hebben en iets verstoppen bij een auto, komend uit de richting van plaats delict. ‘Gelet op de zeer korte tijdspanne waarbinnen de gebeurtenissen elkaar opvolgen, het door de verbalisanten geobserveerde gedrag van de drie mannen, onder wie de verdachte, en de kennis en ervaring waarover verbalisanten die werkzaam zijn in de stad Amsterdam, naar algemene ervaringsregels leren, beschikken, was er naar het oordeel van het hof om 4:50 uur voldoende aanleiding om hen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit. Gelet op de melding via de portofoon van een straatroof die kort voor die tijd zou hebben plaatsgevonden in het gebied waar de mannen vandaan kwamen en gelet op het daarbij doorgegeven signalement van de daders, was er naar het oordeel van het hof om 4:50 uur vervolgens, gege-ven alle inmiddels bekende feiten en omstandigheden, sprake van een redelijke verdenking van schuld in de zin van art. 27 Sv aan diefstal met geweld en is de verdachte mitsdien rechtmatig aangehouden. Zie nog uitgebreider het arrest. E.e.a. mede dankzij goede relatering in pv bevindingen!!
      Hof Amsterdam 09-05-08,  LJN BD1817.
  9. Ontbreken tolk bij verhoor: bewijsuitsluiting (1.9)
    1. De rechtbank komt tot uitsluiting van het bewijs van alle verhoren van verdachte bij de politie vanwege het ontbreken van een tolk tijdens deze verhoren.
      Rechtbank Groningen 13-09-07, LJN BB4076.
  10. Zwijgen gebruikt bij bewijsoverwegingen (Samir A) (1.9)
    1. Verdachte was zowel door de rechtbank Rotterdam als het gerechtshof te 's-Gravenhage vrijgesproken van de ten laste gelegde voorbereiding.
      De HR (HR 20-02-07, LJN AZ2013) kon zich daar niet in vinden en verwees de zaak naar het Hof Amsterdam. Dat hof is van oordeel dat de in 2004 in de woning van verdachte aangetroffen stoffen en informatiedragers kennelijk bestemd waren voor het plegen van een aanslag op één of meer (overheids)gebouwen. De aangetroffen objecten verkrijgen een strafwaardig karakter en betekenis in hun onderlinge samenhang. Hoewel de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen op zichzelf in het stadium waarin deze werden aangetroffen (nog) niet in alle opzichten geschikt waren om een dergelijke aanslag te plegen, waren zij daartoe in deze voorbereidende fase wel kennelijk bestemd in de zin van art. 46 Sr.

      Daarbij betrok het Hof ook het zwijgen van de verdachte in de bewijsoverwegingen: 'het zwijgrecht betreft een van de elementaire rechten van de verdachte in het strafproces; een beroep op dit recht kan nimmer aan de verdachte worden tegengeworpen. De rechter is evenwel vrij om, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring geeft of heeft gegeven, dit in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal te betrekken (MH: zie HR 15-06-04, LJN AO9639, 14-03-06, LJN AU5496, 05-12-06, LJN AZ0651 en NJ 2002, 567). Het hof laat het ontbreken van een verklaring van de verdachte op dit punt dan ook meewegen bij de waardering van het voorhanden zijnde bewijs.'
      Hof Amsterdam 17-09-07, LJN BB3756.
  11. Aangeefster gebruikt op politiebureau door politie verstrekte cocaïne, niet ten spoedigste opmaken pv, geen volledige en een niet geheel juiste opening van zaken geven (3.14)
    1. 'In het aan de Rechtbank voorgelegde strafdossier bevindt zich een pv van bevindingen van 6 januari 2005 van de verbalisanten A en B. Door de behandelend OvJ is toen tevens overgelegd een notitie van 6 januari 2005 van de RC mr. C en een pv van 10 januari 2005 van de OvJ mr. D. Op grond van de in deze stukken gegeven informatie heeft de Rechtbank bij vonnis van 24 februari 2006 het OM ontvankelijk verklaard in de vervolging gelet op de ernst van het vermoedelijk gepleegde strafbare feit en in aanmerking genomen dat de verdachte niet in enig te respecteren belang was geschaad. Bij de behandeling van het hoger beroep zijn alle voornoemde personen en verbalisant E over een en ander als getuige gehoord.

      Op grond van vorenstaande is het Hof tot het volgende oordeel gekomen.

      Eerst kort vóór de eerste behandeling van de strafzaak bij de Rechtbank op 8 februari 2005 is door de verbalisanten bij pv gemeld dat aangeefster - die zwaar verslaafd was en wier aanwezigheid ten behoeve van het in te stellen opsporingsonderzoek en het veilig stellen van sporen gedurende langere tijd noodzakelijk werd geacht - in de gelegenheid was gesteld een- of meermalen met een haar ter beschikking gestelde diensttelefoon contact op te nemen met een persoon die cocaïne zou kunnen komen brengen. Bovendien werd gerelateerd dat het betrokkene niet was toegestaan die cocaïne in of nabij het bureau te gebruiken.

      Uit de getuigenverklaringen van 27 september 2007 respectievelijk 9 januari 2008 is gebleken dat voornoemd pv onvolledig en onjuist is. Immers, door de getuige E is verklaard dat zij op 3 november 2004 in de vroege ochtend op bureau Karnebeek een bolletje kennelijk bevattende cocaïne in ontvangst heeft genomen en naar aangeefster heeft gebracht die het vervolgens in een oponthoudkamer van het bureau heeft gebruikt. Voorts is door de getuigen A en B verklaard dat aangeefster ten tijde van het opnemen van de aangifte op 4 november 2004 in de gelegenheid is gesteld door haar zelf meegenomen cocaïne buiten aanwezigheid van verbalisanten doch op het bureau te gebruiken.

      Aldus is gehandeld in strijd met het bepaalde in art. 152 Sv. Weliswaar is - echter eerst na herhaald aandringen van de behandelend OvJ - een pv opgemaakt doch in deze verslaglegging is geen volledige en een niet geheel juiste opening van zaken gegeven. Bovendien is er in casu sprake van meerdere door de verbalisanten gepleegde strafbare feiten, immers telkens een schending van de in de Opiumwet gegeven verbodsnormen.

      Daarbij komt dat de op 3 november 2004 dienstdoende OvJ - die ervan op de hoogte was dat er iemand van buiten cocaïne naar het bureau zou komen brengen ten behoeve van aangeefster - op geen enkele wijze hier corrigerend is opgetreden jegens de verbalisanten.

      Het vorenstaande leidt allereerst tot de gevolgtrekking dat sprake is van een ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor - minst genomen - met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces is tekort gedaan. Immers als de verbalisanten niet zowel op 3 als op 4 november 2004 met overtreding van de Opiumwet aangeefster ter beschikking hadden gehouden van het onderzoek, was vermoedelijk noch de verdachte aangehouden kunnen worden noch was het tot het opnemen van een aangifte gekomen, nog daargelaten in hoeverre het cocaïnegebruik de inhoud van de verklaring(en) van aangeefster heeft beïnvloed.

      Naar het oordeel van het Hof is voorts tevens sprake van een zodanig fundamentele inbreuk dat die - los van de vraag of de verdachte in zijn belangen is geschaad - tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM in zijn vervolging dient te leiden. Het Hof neemt hierbij met name in aanmerking dat de gemeenschap een wezenlijk belang heeft bij eerlijke en volledige verbalisering door de politie, goede invulling van diens verantwoordelijkheid voor de opsporing door het OM, en juiste informering van de rechter.

      Het Hof is allesoverziend van oordeel dat de niet-ontvankelijkheid van het OM in de strafvervolging van de verdachte wat betreft het bij dagvaarding I onder 2 tenlastegelegde dient te volgen.

      Einde zaak.

      Hof 's-Gravenhage 21-02-08, NS 2008, 126 (niet op rechtspraak.nl).
  12. Niet-ontvankelijkheid OM wegens tegenstrijdigheden in pv en onder ede afgelegde verklaringen van opsporingsambtenaren (2.10 en 2.14)
    1. In de betreffende zaak ging het om de rechtmatigheid van een doorzoeking. In de pv's en onder ede afgelegde verklaringen bij de RC waren over de feitelijke gang van zaken met betrekking tot die doorzoeking volgens de rechtbank onverklaarbare tegenstrijdigheden opgenomen.

      De rechtbank is van oordeel dat in op ambtseed opgemaakte pv's en onder ede afgelegde verklaringen van opsporingsambtenaren zeker over voor de juridische beoordeling essentiële onderdelen geen onverklaarbare tegenstrijdigheden mogen voorkomen. Het betrof verklaringen over de aanvang van opeenvolgende gebeurtenissen en de aanwezigheid daarbij van verbalisanten (zoals het openen van de doos waarin zich pakken hennep bevonden en het openen van een lade waaruit een plak met hasj werd gehaald). Onderdelen die van belang zijn voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de doorzoeking.

      Daarbij kan dan in het midden blijven of het vergissingen of verklaringen in strijd met de waarheid betreffen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat gegeven de tegenstrijdigheden er sprake is van een ernstige inbreuk op de procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een faire behandeling van de zaak tekort is gedaan.
      OM niet-ontvankelijk (einde zaak).
      Rechtbank Roermond 06-11-07, LJN BB7558
  13. Zedenzaak: wijze van verhoor en weergave in pv: niet ontvankelijkheid (1.9 en 2.11)

    1. De verhorende ambtenaren hebben door de wijze van verhoor en vervolgens de weergave van het verhoor in het pv de grens van rechtmatigheid overschreden. Verhoorders hebben verdachte, gelet op zijn geestvermogens en mede gelet op de aard van het delict, niet in alle vrijheid laten verklaren. Vervolgens is de weergave van dit verhoor ook nog eens op misleidende wijze verwoord. Hierdoor is het OM de kans ontnomen om tot een eerlijke afweging omtrent vervolging te komen. Gezien de combinatie en samenhang van deze omstandigheden is sprake van een zodanige strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde, dat niet volstaan kan worden met bewijsuitsluiting of strafverlaging en wordt het OM niet ontvankelijk verklaard in zijn vervolging (MH: einde zedenzaak).
      Rechtbank Arnhem 06-03-07, Nieuwsbrief Strafrecht 2007-180 (niet op rechtspraak.nl).

  14. Geuridentificatieproef in strijd met daarvoor geldende regels niet "blind" uitgevoerd (2.21)

    1. Dat de geuridentificatieproef 'blind' moet worden uitgevoerd is neergelegd in supplement 2 behorende bij het hier geldende Keuringsreglement Politiespeurhond menselijke geur 1997 (herzien in september 2005). Daar luidt het op pagina 23: 'De helper bepaalt met behulp van een dobbelsteen welk schema gekozen wordt en stelt op de daartoe bestemde plaats de geurdragers op in twee rijen van ieder 7 verschillende geurdragers (eventueel na elkaar), volgens de voor de hond bekende (en in het certificaat omschreven) aanbiedingsmethode. Dit gebeurt in afwezigheid van de hond en de geleider, de geleider kent de volgorde van de geurdragers in de rij niet en verklaart dit ook (onder ede!) in zijn proces-verbaal.'

      Het niet 'blind' uitvoeren van de geuridentificatieproef betekent dat niet alleen de gecertificeerd helper maar ook de speurhondengeleider wetenschap heeft van de posities van de verschillende geurdragers. In een concreet geval hield dat in - zo heeft verbalisant [verbalisant 2] ter zitting verduidelijkt - dat het zogenoemde uitlegschema dat ter voorbereiding op een bord werd geschreven bij de uitvoering van de proef zichtbaar was voor de speurhondengeleider en dat laatstgenoemde dus wist waar de geurdrager van verdachte lag.

      Voornoemd voorschrift is kennelijk in het Keuringsreglement opgenomen om uit te sluiten dat de speurhondengeleider de speurhond op enigerlei wijze beïnvloedt bij het maken van een keuze voor een bepaalde geurdrager.

      Ook is niet uit te sluiten dat de speurhondengeleider zelf (onbewust) door deze wetenschap wordt beïnvloed bij het beoordelen van het gedrag van de hond, in het bijzonder bij het moment waarop de hond een keuze maakt een bepaalde geurdrager te willen apporteren. De getuige-deskundige prof. dr. Frijters heeft ter zitting benadrukt dat het 'blind' uitvoeren van de geuridentificatieproef vanuit gedragskundig oogpunt een belangrijk vereiste is.

      Het hof acht het - in strijd met het daarvoor geldende reglement - niet 'blind' uitvoeren van de geuridentificatieproef een dermate ernstige procedurele fout, dat de resultaten van die proef terzijde moeten worden gesteld. Het hof concludeert dat op basis van deze, niet herstelbare, tekortkoming de geuridentificatieproef in dit geval als onvoldoende betrouwbaar moet worden gekwalificeerd om daaraan (enige) bewijswaarde te kunnen hechten, zodat de resultaten daarvan worden uitgesloten van het bewijs.
      Hof Leeuwarden 10-11-06, LJN AZ1983.
      Dat geldt ook voor proeven waarvan niet vaststaat dat zij "blind" zijn uitgevoerd.
      Hof Leeuwarden 13-12-06, LJN AZ4429.
      Hof Den Bosch 08-08-07, LJN BB2810.

  15. Ramsahai tegen Nederland
    Verdachte doodgeschoten door Amsterdamse politieagent
    Onderzoek ontoereikend
    Onderzoek aanvankelijk door eigen korps, daarna onder leiding van rijksrecherche
    Positie openbare aanklager
    Nieuwe paragraaf 3.54 in editie 2009
    1. 1. Onderzoek naar schietincident ontoereikend. EHRM wijst op een reeks van onverklaarbare tekortkomingen, zoals
      a. het nalaten van onderzoek van de handen van de betreffende politieambtenaren op 1. kruitresten
      b. het niet maken van een reconstructie van de gebeurtenissen
      c. de kennelijke afwezigheid van een onderzoek van wapens en munitie
      d. het niet gescheiden houden van de betreffende politieambtenaren
      e. het pas drie dagen later ondervragen van de betreffende politieambtenaren
      2. Het EHRM acht dit des te betreurenswaardiger nu er geen getuigen zijn die het fatale schot hebben gezien. Schending van art. 2 EVRM.
      3. Schietincident als zodanig geen schending van EVRM.
      4. Onderzoek is onvoldoende onafhankelijk verricht (door korps waartoe betreffende politieambtenaren behoorden): schending EVRM.
      5. Positie openbare aanklager geen schending EVRM (het betreffende politieonderzoek stond onder leiding van een Amsterdamse OvJ die speciaal verantwoordelijk was voor het politiewerk aan het betreffende politiebureau. Dezelfde OvJ nam de beslissing niet tot vervolging over te gaan (door hoofdOvJ gedelegeerde beslissing).
      EHRM 15-05-07, klik hier voor volledig arrest (in Engelse taal).
      Ook kort gepubliceerd in NJB 2007,1398 (in Nederlandse taal).

      Zie inmiddels ook de Aanwijzing handelwijze bij geweldsaanwending (politie)ambtenaar van het college van PG's op OM.nl (onder beleid), ook gepubliceerd in Stcrt. 2006, 143.

      Deze aanwijzing is van toepassing op de ambtenaren als bedoeld in art. 1 lid 1 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Kmar en de buitengewoon opsporingsambtenaar en geldt in de volgende gevallen van geweldsaanwending:
      a) Gevallen van vuurwapengebruik met de dood of enig lichamelijk letsel tot gevolg;
      b) Overige geweldsaanwendingen met de dood of zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.
      In deze gevallen zal het onderzoek naar de toedracht van de feiten plaatsvinden door de Rijksrecherche. De criteria voor en de procedure van de inzet van de Rijksrecherche zijn opgenomen in de Aanwijzing taken en inzet Rijksrecherche. In deze gevallen wordt de Rijksrecherche onmiddellijk door het betreffende regiokorps via de meldkamer van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) geïnformeerd. Tevens wordt het lokale OM (of in het geval de DSI betrokken is bij het voorval de in hoofdstuk 4.6 genoemde hoofdofficier van justitie) zo spoedig mogelijk ingelicht. De betreffende piketambtenaar van de Rijksrecherche zal zo snel mogelijk naar de plaats van het voorval komen. Tot het moment dat deze daar is aangekomen, treft het lokale politiekorps de eerste maatregelen ter bevriezing van de situatie, zoals het afzetten van de plaats van het voorval, zorg voor slachtoffers en inventariseren van getuigen. Opsporingshandelingen worden echter in beginsel niet gedaan door het lokale korps. Indien echter daartoe de noodzaak bestaat kunnen noodzakelijke onderzoekshandelingen verricht worden ten behoeve van het onderzoek van de Rijksrecherche. Deze onderzoekshandelingen worden in dat onderzoek, indien daar aanleiding voor bestaat, opnieuw uitgevoerd of gecontroleerd door de Rijksrecherche op volledigheid en betrouwbaarheid. Deze handelingen door personeel van het lokale politiekorps, voorafgaande aan de komst van de Rijksrecherche, vinden plaats in opdracht van en onder verantwoordelijkheid van de dienstdoende hulpOvJ.

      Indien de Rijksrecherche, om capacitaire redenen voor het horen van getuigen, het verrichten van een buurtonderzoek, of het verrichten van overige onderzoekshandelingen, de bijstand behoeft van andere opsporingsambtenaren, dan wordt op haar verzoek bijstand verleend door medewerkers van het Bureau Interne Onderzoeken (BIO) van de betreffende politieregio of door medewerkers van een naburig politiekorps.

      Voor het verrichten van het technisch onderzoek naar de toedracht van het voorval zal in eerste instantie de bijstand worden gevraagd van de Technische Recherche uit een andere regio dan die van het betreffende regiokorps waar het geweldsincident is voorgevallen.
  16. Optreden politie op basis art. 2 Politiewet en 184 Sr (2.28)
    1. Art. 184, eerste lid, Sr (niet voldoen aan ambtelijk bevel / beletten/belemmeren/verijdelen) eist een "krachtens wettelijk voorschrift" gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering. Art. 2 Politiewet 1993 bevat een algemene taakomschrijving voor de politie en kan niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van art. 184, eerste lid, Sr moet worden voldaan. Daarbij verdient echter opmerking dat art. 2 Politiewet 1993 wel als een wettelijk voorschrift kan worden aangemerkt ter uitvoering waarvan de in art. 184 Sr bedoelde ambtenaren handelingen kunnen ondernemen waarvan het beletten, belemmeren of verijdelen overtreding van art. 184, eerste lid, Sr kan opleveren.
      HR 29-01-08, LJN BB4108
      Kortom, kijk ook goed naar mogelijk toepasbare APV-artikelen: opzettelijk niet voldoen aan strafbaarstellingen inzake 'bevelen' uit APV's kan ook 184 Sr opleveren (zie daarover ook het zakboek Strafrecht voor de politie 6.9).
      Klik hier voor de complete concepttekst van de herschreven paragraaf 3.36 voor het zakboek 2009 (Optreden politie op basis van art. 2 Politiewet 1993)
  17. Aanhouding voor betekening/kennisgeving noh-vonnis niet toegestaan (nieuwe paragraaf 2.36 in editie 2009)
    1. Onder een noh-vonnis wordt verstaan een vonnis wat nog niet onherroepelijk vaststaat (vandaar de naam ‘noh’-vonnis). Een noh-vonnis kan daarom nog niet geëxecuteerd (ten uitvoer gelegd) worden. Tegen een niet-onherroepelijk vonnis kan vaak nog een gewoon rechtsmiddel ingediend worden: hoger beroep of cassatie. Niet-onherroepelijke vonnissen moeten vaak nog ‘betekend’ (kennisgegeven) worden aan de veroordeelde. En voor die betekening/kennisgeving mag een veroordeelde niet worden aangehouden. De betreffende persoon kan slechts op vrijwillige basis mee naar het bureau gaan om die kennisgeving te doen. Formulieren daarvoor zijn terug te vinden in de computersystemen van bijv. de politie. En voor de zekerheid nog het volgende. Dat een verdachte niet aangehouden kan worden en ook niet vrijwillig mee wil naar het politiebureau betekent niet dat vonnissen niet betekend kunnen worden. Dat kan bijv. ook via de gewone post (zie art. 585 Sv e.v.). Aanhouding voor betekening/kennisgeving is dus ook niet nodig.
  18. Niet voldoen aan een ambtelijk bevel door te weigeren een oorbel uit te doen (Sr 6.9 en Hovj 2.27)?
    1. Een politieambtenaar is o.g.v. art. 28 van de Ambtsinstructie bevoegd een ingeslotene door het aftasten en doorzoeken van diens kleding te onderzoeken op de aanwezigheid van voorwerpen die tijdens de insluiting een gevaar voor de veiligheid van de betrokkene of voor anderen kunnen vormen, en deze, indien ze worden aangetroffen, in bewaring te nemen. Uit dien hoofde komt een politieambtenaar de bevoegdheid toe iemand die wordt ingesloten, te bevelen zijn oorbel uit te doen.
      Indien de ingeslotene daaraan niet voldoet, kan de politieambtenaar zelf en zonodig (mede gelet op art. 8.1 Politiewet 1993) binnen de door beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit getrokken grenzen de oorbel uit het oor van de ingeslotene nemen. Indien verdachte deze handeling zou hebben belet, verijdeld of belemmerd, zou hij zich hebben kunnen schuldig maken aan art. 184.1 Sr (beletten, verijdelen, belemmeren), terwijl bij verzet van verdachte tegen de politieambtenaar sprake zou kunnen zijn van de in art.180 Sr bedoelde wederspannigheid.
      Art. 2 Politiewet 1993 biedt echter géén grond voor een veroordeling ter zake van het in de eerste zinsnede van art. 184.1 Sr bedoelde strafbare feit (niet voldoen aan ambtelijke bevel, omdat aan deze bepaling in dit geval niet een rechtsplicht van de verdachte kan worden ontleend zijn medewerking te verlenen aan het bevel.
      HR 04-09-07, LJN BA5832.
  19. Binnentreden zonder machtiging bij wateroverlast (6.2)
    1. Art. 2 Awbi
      1. Voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is een schriftelijke machtiging vereist.
      3. Een schriftelijke machtiging als bedoeld in het 1e lid is niet vereist, indien ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen terstond in de woning moet worden binnengetreden.

      Binnentreden zonder machtiging terzake wateroverlast in betreffende geval niet onrechtmatig (onderbuurman van verdachte ondervond wateroverlast van de woning van verdachte: vochtplekken in het plafond en water langs de muur sijpelde). Na binnentreden woning overlastveroorzaker werd (aldus ook niet onrechtmatig) een hennepkwekerij aangetroffen.
      HR 22-01-08, LJN BC0811.
  20. Woning bij gebruik als hennepkwekerij (6.4)?
    1. In betreffende geval volgens rechter géén sprake van een woning omdat de verdachte nooit de bedoeling heeft gehad om in het betreffende pand te wonen en daar ook nooit daadwerkelijk heeft gewoond. Verdachte huurde de woning alleen om daarin uitsluitend voor zichzelf een hennepkwekerij te vestigen. Verdachte heeft steeds bij zijn ouders gewoond waar hij ook stond ingeschreven. Vanwege het compleet ontbreken van de woonbestemming van het pand en van enig ander privé-leven aldaar, was de rechter van oordeel dat in dit geval geen sprake is van privé-leven dat op grond van art. 8 EVRM bescherming verdient. De omstandigheid dat de verbalisanten dit tevoren niet wisten, doet niet aan dit oordeel af.
      MH: bij twijfel kan men zich uiteraard maar beter wél voorzien van een machtiging binnentreden!
      Gerechtshof 's-Hertogenbosch 04-09-07, LJN BB2828
  21. Verklaring verdachte over telefoongesprek met (afgeleid) verschoningsgerechtigde (8.16)
    1. Als de verdachte tijdens diens verhoor (door de politie) is geconfronteerd met de weergave van een telefoongesprek met een (afgeleid) professioneel verschoningsgerechtigde, dan mag diens verklaring daarover niet voor het bewijs gebruikt worden (uiteraard tenzij blijkt dat de in het zakboek besproken regelgeving/jurisprudentie in acht is genomen).
      HR 02-10-07, LJN BA5632
      E.e.a. zou mijns inziens zelfs tot niet-ontvankelijkheid (einde hele zaak) kunnen leiden: zie daarover het zakboek.
  22. Hells Angels-zaak: ernstige, grootschalige en herhaalde inbreuken op art. 126aa Sv (8.16)
    1. Schending regels t.a.v. gesprekken met geheimhouders even ernstig als directe schending verschoningsrecht; gebrek aan verantwoording door OM; vertrouwen in de rechtspleging geschaad. OM niet ontvankelijk.

      '2.1.3.3. Beoordeling
      De rechtbank stelt voorop dat het in artikel 218 Wetboek van Strafvordering opgenomen verschoningsrecht berust op de eis, dat iedere burger die zich om hulp of bijstand tot de in dit artikel bedoelde hulpverleners, waaronder de advocaat, richt, erop moet kunnen rekenen dat hetgeen hen wordt toevertrouwd, geheim blijft. De wetgever heeft dit recht zo belangrijk gevonden, dat de waarheidsvinding in de strafzaak in het algemeen ervoor moet wijken. Het verschoningsrecht van de advocaat is ook van essentieel belang voor het contact tussen advocaat en cliënt en daarmee voor een goed functionerende verdediging. En een goed functionerende verdediging is mede bepalend voor de kwaliteit van de strafrechtspleging.

      De regelgeving met betrekking tot afgeluisterde gesprekken met advocaten, zoals neergelegd in artikel 126aa van het Wetboek van Strafvordering en de daarbij behorende uitvoeringsregeling dient ertoe het verschoningsrecht te waarborgen door gesprekken die onder het verschoningsrecht vallen zo snel mogelijk en op afdoende wijze te doen vernietigen.

      Nu deze regelgeving strekt ter bescherming van het hooggewaardeerde beginsel van het verschoningsrecht, acht de rechtbank schending van deze regels even ernstig als een directe schending van het verschoningsrecht zelf.

      In het Acroniemonderzoek is deze regelgeving niet nageleefd. Opsporingsambtenaren hebben jarenlang kennis kunnen nemen van vele gesprekken tussen diverse advocaten en hun cliënten. Eerst na jaren zijn 128 van die gesprekken door het Openbaar Ministerie beoordeeld als vallend onder het verschoningsrecht en uiteindelijk vernietigd. Wanneer die vernietiging heeft plaatsgevonden en hoe, met name hoe afdoende dat is gebeurd, is niet duidelijk geworden. De rechtbank constateert in ieder geval dat – wederom in strijd met de regelgeving  - een aantal onder het verschoningsrecht vallende gesprekken in het aan de rechtbank overgelegde procesdossier is terechtgekomen, te weten in het deeldossier Gamilton en het deeldossier Kraakactie Pretoriusstraat. Door toedoen van de huidige zaaksofficieren zijn deze gesprekken inmiddels conform de regelgeving vernietigd. Echter, tijdens het onderzoek ter zitting, zijn opnieuw gesprekken met verschoningsgerechtigden opgedoken in de processtukken die betrekking hebben op de toepassing van bijzondere opsporingsmethoden. Deze zijn door de politie gebruikt bij het aanvragen van een bevel tot stelselmatige observatie en bij verzoeken het afluisteren van telefoongesprekken te mogen verlengen.

      Het Openbaar Ministerie geeft leiding aan het opsporingsonderzoek en is in de regelgeving aangewezen als de autoriteit die voor de onmiddellijke vernietiging van gesprekken die onder het verschoningsrecht vallen dient te zorgen. Aldus is bij uitstek de officier van justitie de hoeder van de belangen van de verschoningsgerechtigde advocaat en daarmee van diens cliënt, de verdachte. Het Openbaar Ministerie is in dit maatschappelijk belangwekkende Acroniemonderzoek bij herhaling schromelijk tekort geschoten in deze taak. Zo bleef ook na herhaalde aansporing daartoe door de leiding van het opsporingsteam van de politie de verzochte beoordeling van vermoedelijke geheimhoudersgesprekken door de officier van justitie langdurig uit, evenals de volgens de wettelijke regeling vereiste schriftelijke bevelen tot vernietiging.

      De toenmalige zaaksofficier, ter zitting hieromtrent gehoord, heeft zijn handelwijze niet inzichtelijk gemaakt. De huidige zaaksofficieren hebben meegedeeld niet meer te kunnen achterhalen hoe het kon gebeuren dat onder het verschoningsrecht vallende gesprekken in het procesdossier terecht zijn gekomen.

      Dit gebrek aan informatie van de zijde van het Openbaar Ministerie heeft de rechtbank in ernstige mate belemmerd in de controlerende taak die zij heeft inzake de rechtmatigheid van het toepassen van dwangmiddelen in het strafproces.

      De geconstateerde ernstige, grootschalige en herhaaldelijke inbreuken op de regelgeving welke het verschoningsrecht moet waarborgen door het Openbaar Ministerie ondergraven het vertrouwen van de burger in dat wat hij in vertrouwen met een advocaat bespreekt ook geheim blijft. Het gebrek aan verantwoording hieromtrent door het Openbaar Ministerie versterkt die vertrouwensbreuk. Deze kwestie stijgt uit boven schending van de individuele rechtsbelangen van een verdachte in een concrete strafzaak en raakt het vertrouwen in de rechtspleging in zijn geheel. Gelet hierop acht de rechtbank de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging van de verdachten de enig passende sanctie.

      De rechtbank heeft hierbij meegewogen de ernst van de tegen de terechtstaande verdachten ingebrachte beschuldigingen, waaronder deelneming aan een criminele organisatie gedurende een lange periode. De rechtbank acht echter het belang dat de samenleving heeft bij de vervolging en berechting van deze serieuze verdenkingen ondergeschikt aan de hiervoor genoemde rechtsbelangen.

      Aangezien de geconstateerde gang van zaken het gehele Acroniem-onderzoek betreft, ziet de rechtbank geen aanleiding onderscheid te maken tussen afzonderlijke verdachten of anders te oordelen ten aanzien van afzonderlijke telastegelegde feiten, nu alle aan de terechtstaande 22 verdachten telastegelegde feiten voortkomen uit het Acroniem-onderzoek.

      Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank niet toe aan de vraag of sprake is geweest van sturing van het onderzoek op basis van geheimhoudersgesprekken.

      Hetgeen overigens is gesteld van de zijde van de verdediging en het Openbaar Ministerie behoeft, gelet op al het voorgaande, geen verdere bespreking.

      De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

      3. Beslissing
      Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging van verdachte.
      Rechtbank Amsterdam 20-12-07, LJN BC0685
  23. Opname van telefoongesprekken door private individu met door publieke autoriteiten (rijksrecherche) verschafte apparatuur. Cruciale bijdrage door publieke autoriteiten. Schending EVRM (Van Vondel tegen NL) (8.17)!!
    1. In de lijn van eerdere jurisprudentie stelt het EHRM vast dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen:
      1. opname van persoonlijke (telefoon)gesprekken door een deelnemer aan die gesprekken en het private gebruik van dergelijke opnames (niet per definitie onrechtmatig)
      2. heimelijke waarneming en opname van communicatie door een private persoon voor een strafrechtelijk onderzoek, met medewerking en technische bijstand van publieke onderzoeksautoriteiten (onrechtmatig).

      Uitgebreid: 'het Hof stelt vast dat de verkrijging door de rijksrecherche (ten behoeve van een rijksrechercheonderzoek) van door R. opgenomen (telefoon)gesprekken, kan worden aangemerkt als een inbreuk op het recht op de persoonlijke levenssfeer en/of correspondentie door het openbaar gezag. De opname van persoonlijke (telefoon)gesprekken door een deelnemer aan die gesprekken en het private gebruik van dergelijke opnames, raakt art. 8 EVRM niet per sé, indien zulks met private middelen wordt gedaan.

      Door de aard daarvan bestaat echter een belangrijk onderscheid met heimelijke waarneming en opname van communicatie door een private persoon in de context en ten behoeve van een formeel (strafvorderlijk) onderzoek, met medewerking en technische bijstand van publieke onderzoeksautoriteiten. Ondanks dat de opnames in casu vrijwillig en voor zijn eigen doelen zijn gemaakt door R., is de apparatuur verschaft door de autoriteiten, die ten minste in één geval R. specifieke instructies hebben gegeven ten aanzien van welke informatie van klager diende te worden verkregen. Onder die omstandigheden is het Hof van oordeel dat de autoriteiten een cruciale bijdrage aan de tenuitvoerlegging van de operatie hebben geleverd. Het Hof is er niet van overtuigd dat het uiteindelijk R. is geweest die controle had over het gebeuren. Een andere conclusie zou daarop neerkomen dat het onderzoeksautoriteiten wordt toegestaan hun verdragsverantwoordelijkheden te ontwijken door de inzet van private agenten. De overheid heeft niet aangetoond dat de inbreuk gebaseerd of in overeenstemming was met enig wettelijk voorschrift of andere regel. Nu het onderzoek waarbinnen de inbreuk zich heeft voorgedaan een (niet strafvorderlijk) feitenonderzoek betrof, was de rijksrecherche niet bevoegd onderzoeksbevoegdheden zoals het opnemen van (telefoon)gesprekken, toe te passen. Het Hof heeft er begrip voor dat een individu die (vreest dat hij) niet wordt geloofd door onderzoeksautoriteiten praktische moeilijkheden kan ondervinden bij de ondersteuning van de geloofwaardigheid van zijn verklaringen en daarom behoefte kan hebben aan technische bijstand van autoriteiten. Het Hof kan evenwel niet accepteren dat het verschaffen van dergelijke bijstand niet wordt beheerst door regels die juridische waarborgen tegen willekeurig optreden bieden. Het Hof is derhalve van oordeel dat klager, in verband met de gewraakte inbreuk, niet heeft genoten van de minimale bescherming die hem onder de rule of law in een democratische samenleving toekomt. Het Hof is aldus van oordeel dat de inbreuk in kwestie niet in overeenstemming met het recht was. EHRM 25-10-07, NJB 2007, 2171. Ook terug te vinden via www.ehcr.coe.int nr. 38258/03 (in Engelse of Franse taal).

      Zie eerder ook (uit mijn zakboek hulpOvJ 2008, 9.17): In de regel levert het enkele zonder toestemming van de opbellende gesprekspartner op een geluidsband vastleggen van een inkomend telefoongesprek door de opgebelde gesprekspartner niet reeds een inbreuk door die opgebelde gesprekspartner op het recht van de opbellende gesprekspartner op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist (MH: bijvoorbeeld dat de opbellende gesprekspartner er op mocht vertrouwen dat de gesprekken niet werden opgenomen en/of dat de politie overmatig sturend te werk is gegaan). De omstandigheid dat verdachte daarbij als advocaat professioneel verschoningsgerechtigde was, werd door de HR niet van belang geacht (HR, NJ 1997, 500. Zie ook NJB 2000, 4). Het EHRM vond echter in deze zaak dat juist door de facilitering door de politie er wél sprake was van schending van het Europese recht: door het slachtoffer waren (als gesprekspartner) in haar eigen woning buiten aanwezigheid van de politie de inkomende telefoongesprekken opgenomen met door politie ter beschikking gestelde en geplaatste apparatuur, waarbij de politie instructies had gegeven over het gebruik van de cassetterecorder en had gesuggereerd een eventueel telefoongesprek te sturen naar seksuele avances (EHRM, NJB 2003, 18).
      Zie zonodig ook de bespreking van Spong in NbSr (warme gevoelen en irritaties vice versa): 'Nederlands rechtsstaat is zelden zo te kijk gezet als door deze uitspraak van het EHRM'.
  24. Hervertaling tap: bewijsuitsluiting (8.17)
    1. Alle tapverslagen worden door de rechtbank uitgesloten van het bewijs nadat bij een hervertaling bleek van verschil op essentiële onderdelen met de eerste vertaling.
      Rechtbank Groningen 13-09-07, LJN BB4076
  25. Tapgesprek met professioneel verschoningsgerechtigde (advocaat, pastoor, arts, incl. afgeleid verschoningsgerechtigde zoals secretaresse, verpleegster, enz. enz.) (8.16)
    1. De regels rond de afhandeling van een tapgesprek met een professioneel verschoningsgerechtigde behoeven helaas wederom de aandacht. Vandaar nogmaals de onderstaande punten.
      1. De OvJ voegt pv´s en andere voorwerpen verkregen door bijzondere opsporingsbevoegdheden (zoals tappen) bij de processtukken
      2. echter: indien vallend onder verschoningsrecht van professioneel verschoningsgerechtigde: vernietigen na opdracht OvJ
      3. indien niet vallend onder verschoningsrecht: alleen voegen/gebruiken met machtiging RC
      4. de opsp. ambt. die kennisneemt van mededelingen gedaan door of aan een professioneel verschoningsgerechtigde, stelt hiervan de OvJ onverwijld in kennis (zie vervolgens weer punt 2 en 3).

      Aldus 126aa, het daarop gebaseerde besluit én de instructie van de PG's. Zie tevens het zakboek hulpOvJ 9.17 en 9.21 of opsp. ambt. 8.17 en 8.21.

      En aanvullend uit jurisprudentie:
      5. voornoemde regels gelden ook bij een afgeleid verschoningsrecht;
      6. niet van belang is of een verdachte of een derde de betreffende gesprekken met de verschoningsgerechtigde voerde;
      7. bij schending van het verschoningsrecht mag het verkregen bewijs tegen geen enkele verdachte gebruikt worden;
      8. een tap op de aansluiting van een (afgeleid) professioneel verschoningsgerechtigde is niet geoorloofd, tenzij deze zelf verdachte is;
      9. ook een gesprek met een professioneel verschoningsgerechtigde waarbij alleen een afspraak gemaakt wordt valt onder voornoemd verschoningsrecht (bijvoorbeeld een afspraak tussen een verdachte en de secretaresse van een advocaat). Aanhouding verdachte dankzij afspraak aldus onrechtmatig;
      10. schending van de met de bescherming van het verschoningsrecht samenhangende rechtsregels is even ernstig als een mogelijk directe schending van het verschoningsrecht zelf;
      11. gebruik van dit soort info als ‘sturingsinfo' of binnen het verhoor van een verdachte of getuige is ook niet toegestaan (tenzij er uiteraard een machtiging van de RC is).

      Handelen in strijd met deze regelgeving en jurisprudentie zal leiden tot bewijsuitsluiting en mogelijk zelfs niet-ontvankelijkheid van het OM (einde zaak) (en ook mogelijk een intern onderzoek naar deze 'misser')!!

      Slechts in zéér uitzonderlijke gevallen zou een uitzondering gemaakt kunnen worden op voornoemde regelgeving. Neem daarvoor altijd contact op met de OvJ.

      Zie uitgebreid (inclusief recente jurisprudentie) het zakboek HulpOvJ en zakboekenpolitie.com en vertel het door!!!
      Zakboek Opsporingsambtenaar 8.16 en 8.21
  26. Berekening van de verjaringstermijnen zedenmisdrijven (9.7).
    1. Zie voor de berekening van de verjaringstermijnen ook het op initiatief van en onder coördinatie van de Politieacademie ontwikkelde programma op internet: http://ecampus.politieacademie.nl/zeden.
  27. Besturen in de zin van art. 163,1 en 2 WVW (10.10)
    1. Onder ‘bestuurder’ in art. 163.1 en 2 WVW 1994 (ademanalyse) moet worden verstaan: degene die ervan wordt verdacht als bestuurder van een voertuig te hebben gehandeld in strijd met art. 8 WVW 1994, onder wie is begrepen degene t.a.v. wie de verdenking is gerezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot handelen in strijd met genoemd art. 8 WVW.
      Voorgaande geldt mijns inziens ook voor de voorlopige ademanalyse (art. 160.5), zie hierover het zakboek.
      HR 11-12-07, LJN BB7658
  28. Onderzoek ex art. 8.2.a WVW 1994, ademanalyse door niet-aangewezen opsp. ambt. (10.11)
    1. Art. 7 Besluit alcoholonderzoeken
      1. Het ademanalyseapparaat wordt bediend door een opsp. ambt. als bedoeld in art. 141 Sv, die daartoe door de betrokken korpschef, bedoeld in art. 24, onderscheidenlijk 38 van de Politiewet 1993, of de betrokken brigadecommandant van de Koninklijke marechaussee is aangewezen.
      2. Een aanwijzing als bedoeld in het 1e lid geschiedt slechts, indien de betrokken ambt. heeft getoond de voor het bedienen van het adem-analyseapparaat benodigde kennis en vaardigheden te bezitten.

      Volgens de HR strekt het voorschrift van art. 7 Besluit alcoholonderzoeken ertoe de juistheid te waarborgen van het resultaat van een ademanalyse door de uitvoering van een dergelijk onderzoek uitsluitend op te dragen aan opsporingsambtenaren die de benodigde kennis en vaardigheden bezitten om het ademanalyseapparaat te bedienen. Indien per ongeluk verzuimd is de opsporingsambtenaar die wél beschikt over de voor het bedienen van het ademanalyse-apparaat vereiste kennis en vaardigheden ook daadwerkelijk aan te wijzen als bedienaar dan behoeft dat voor het betreffend ademanalyseonderzoek niet fataal te zijn.
      HR 02-10-07, LJN BA7952.
  29. Aangetroffen cocaïne in tas vliegtuigpassagier (10.22).
    1. Vastgesteld was
      - dat de verdachte een tas nodig had;
      - dat X, die zij van de straat kende, zei dat hij een goede tas had die zij wel mocht lenen;
      - dat zij die kleine tas van X heeft geleend en als ruimbagage heeft ingecheckt en
      - dat in die tas 491,3 gram cocaïne is aangetroffen (bij een 100%-controle, zie hierover de actualiteiten bij art. 8j Opiumwet in 11.22). De HR overwoog vervolgens dat de verdachte, die geen nadere informatie heeft kunnen of willen verstrekken over X, voor de in-houd van de tas verantwoordelijk was, en dat de verdachte, door zonder de tas grondig te controleren die tas te vervoeren, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zich in de bagage die zij meenam uit Curaçao (waarvan bekend is dat het als uitvalsbasis dient voor drugstransporten) cocaïne zou bevinden.
      HR 02-10-07, LJN BA7911.
  30. Controlebevoegdheden toezichthouders (Douane) Opiumwet (10.22)
    1. Art. 8j Opiumwet jo. art. 5:11 en 5:18 Awb biedt een toereikende wettelijke grondslag voor de in het kader van de 100%-controle door de douaneambtenaren uitgeoefende bevoegdheid de tas van verdachte te onderzoeken. Voor de toepassing van de in art. 8j Opiumwet bedoelde controlebevoegdheid is niet vereist dat sprake is van een verdenking ter zake van enig strafbaar feit.
      HR 02-10-07, LJN BA7911.
  31. Inwerkingtreding Algemene douanewet per 01-08-08 (nieuwe par. 10.28 editie 2009)
    1. Per 01-08-08 is in werking getreden de nieuwe Algemene douanewet. In deze wet zijn opgenomen:
      1. zéér vergaande bevoegdheden/dwangmiddelen (zie par. 1.2.4: Overige bepalingen inzake douane toezicht en douanecontrole), bijv.
      - betreden van plaatsen incl. woningen;
      - onderzoek van goederen;
      - monsterneming;
      - stilhouden vervoermiddelen;
      - doorzoeken;
      - lijfsvisitatie;
      - aanbrengen versperringen;
      - gebruik geweld;
      - veiligheidsfouillering;
      - vordering identificatie;
      - opening brieven (na machtiging RC);
      - ibn.
      Zie voor de voorwaarden voor toepassing van voornoemde bevoegdheden/dwangmiddelen de Algemene douanewet.
      2. heel veel (andere) van Sr en Sv afwijkende bepalingen (zie bijv. hoofdstuk 10 en 11).
      Zie verder overheid.nl > officiële publicaties > Staatsblad. 2008, 111 (wettekst), 112 (aanpassingswet) en 286 en 287 (inwerkingtreding).
      Zie voor de Kamerstukken (MvT, enz.) eveneens overheid.nl > officiële publicaties > publicatienummer 30580.