-
Algemene verbeterpunten / kennelijke
misstanden!!
- Zoals ik in vanaf 2006 meermalen heb gemaild (zie
Nieuwsmail): uit de gepubliceerde
jurisprudentie blijkt tot mijn verbazing niet
alleen van een toenemend aantal verbeterpunten maar ook van
kennelijke misstanden waartegen de rechtgeaarde
opsporingsambtenaar en (hulp)OvJ zich met hand en tand moeten
verzetten.
Wat mij daarbij opvalt is dat rechters niet alleen een toenemende
belangstelling lijken te hebben voor de rechtmatige toepassing
van dwangmiddelen maar ook voor het waarheids- en
betrouwbaarheidsgehalte van afgelegde
getuigen/deskundigenverklaringen en pv's. En dat levert dan weer nieuwe
'verbeterpunten' op..... (een poreuze cirkel zouden Koot en Bie
zeggen).
Het gaat dan om de algemeen bekende punten als
- redenen van wetenschap (verdachte, getuige, opsp. ambt.,
deskundige);
- betrouwbaarheid van afgelegde verklaringen;
- consistentie van afgelegde verklaringen (niet tegenstrijdig);
- partijgetuigen;
- verwerking van verklaringen in het pv;
- confrontaties;
- de rechtmatige uitoefening van dwangmiddelen
- betrouwbaarheid van het pv; - enz.
Zo worden bij twijfel de betreffende verklaringen van de
getuigen zondermeer aan de kant geschoven (ook zonder dat
daarover een verweer gevoerd wordt) of wordt er aanvullend
onderzoek bevolen (verhoor getuigen/politie). En ook de
confrontatie heeft ambtshalve de extra aandacht van de rechter.
In het bijzon-der de daarvoor geldende regels uit het 'besluit
toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek' (zie het
zakboek Opsp. ambt. 2.22). Tot slot lijkt het erop dat rechters
steeds meer ambtshalve geluid- en/of beeldopnamen op de zitting
zelf willen horen en/of zien (bijv. het verhoor van een
verdachte en/of getuige) teneinde zo te controleren of de
weergave daarvan in het pv wel klopt.
Anders gezegd: "na enkele pijnlijke lessen uit het
verleden is er bij politie en justitie grote aandacht ontstaan
voor en wordt intensief samengewerkt aan een verbeterplan voor
de opsporing en vervolging. Doel is onder meer te
bewerkstelligen dat in de opsporingsfase op zuivere wijze aan
waarheidsvinding wordt gedaan. Dit heeft onder meer geleid tot
het meer en ook meer imperatief registreren van verhoren van
verdachten, zodat het betrouwbaarheidsgehalte van die
verklaringen achteraf kan worden getoetst. In zijn algemeenheid
kan zonder meer worden aangenomen dat de kwaliteit van de
opsporing de laatste jaren enorm is vooruitgegaan. In de
incidentele gevallen zoals de onderhavige kan niet anders dan
een duidelijk signaal worden afgegeven, niet in de laatste
plaats ter bewaking van de integriteit van de opsporing in het
algemeen" (Rechtbank
Arnhem 08-08-07, LJN BB1668).
Hieronder heb ik een hyperlink opgenomen naar een overzicht
met daarin een verzameling van zeer leerzame uitgewerkte
uitspraken van rechters. Met hyperlink voor directe toegang naar
de uitspraak op rechtspraak.nl. Een deel had ik al eerder kort
'gepubliceerd' maar de omvang blijft gestaag groeien. Ik zal het
overzicht actueel houden. Het verdient zeer sterke aanbeveling
om goed kennis te nemen van de verwerkte jurisprudentie én deze
als verbeterpunt uit te dragen én te bewaken.
En ik weet het: het overgrote deel van de zaken verloopt
prima. Mijn complimenten daarvoor. Maar toch, het beeld dat
langzamerhand uit de jurisprudentie is ontstaan, stemt absoluut
niet tot vrolijkheid. Er zal de komende jaren nog veel werk
verricht moeten worden. En dan niet alleen middels structuurwijzigingen
en onderwijs. Ook de cultuur zal de nodige aandacht moeten
hebben. Leidinggevenden dienen daarbij het voorbeeld te geven.
Klik hier
voor het overzicht
Inmiddels is e.e.a. ook besproken in de wetenschappelijke
literatuur: Y. Buruma, 'Onprofessioneel politieoptreden', Delikt
en Delinkwent januari 2008, nr 8. Buruma (zeer gewaardeerd
hoogleraar) bespreekt een
aantal rechterlijk uitspraken (door mij ook weergegeven in
voornoemd overzicht) en plaatst een aantal kritische
kanttekeningen, zoals de volgende.
- Heel goed dat de rechter controleert, maar het optreden van de
politie stemt echt niet tot vreugde (MH: of zoals ik het
regelmatig formuleerde: hier worden wij niet vrolijk van).
- In sommige van de besproken gevallen was eigenlijk
persoonlijke vervolging op zijn plaats geweest (MH: ook het
geval geweest, zie het overzicht).
- Een enkele zaak roept de vraag op of we nog wel pv's van de
politie mogen vertrouwen als de basis ervan niet controleerbaar
is (MH: vertrouwen is ook gelet op mijn persoonlijke ervaringen
fors afgenomen).
- Uit een enkele zaak blijkt hoe problematisch het is dat in
feite politiefunctionarissen selecteren welke informatie
belangrijk genoeg is om aan de beslissende autoriteiten te leveren
(MH: ook herkenbaar uit mijn eigen politie-ervaringen). In het
licht van de lopende discussie over onterechte veroordelingen is
dit uiteraard zorgwekkend.
- Dat rechters kritischer worden op de dossiervorming kan dan
ook alleen maar met vreugde worden begroet.
- De indruk bestaat dat er ook een fundamenteel verschil van
inzicht is tussen wat feitenrechters juist vinden en wat er in
de praktijk gebeurt.
- Het is hoogst zorgwekkend dat het kan voorkomen dat de politie
ontlastend (CIE-)materiaal weglaat en kan weglaten.
- De politie doet het vaak goed (MH: helemaal mee eens). Het
komt soms voor dat je van mening kunt verschillen over de
creativiteit van agenten (en creatieve agenten zullen mij al
snel aan hun kant vinden) of dat het gaat om kleine misstappen.
Maar er doen zich ook schandelijke incidenten voor. Het is
belangrijk dat feitenrechters op die incidenten de vinger
leggen. Dat ze dat nog steeds blijken te doen is loffelijk. Maar
het is tegelijkertijd zorgelijk vast te moeten stellen dat die
rechters net iets te vaak incidenten blootleggen die niet anders
kunnen worden geduid dan als tekenen van onprofessioneel
politieoptreden. Geleidelijk aan beginnen we de gevolgen te zien
van het vrijwel afsterven van het juridisch onderwijs voor
politieambtenaren in opleiding (MH: én actualisering daarvan na
de opleiding in de praktijk): dat ze de regels niet meer kennen
is misschien nog weg te relativeren, maar de instelling van de
agenten in veel van de hiervoor gegeven voorbeelden baart
zorgen. Die instelling geeft blijk van onvoldoende rekenschap
van waar een professionele politie voor staat.
Anker roept zelfs op tot discussie over de afschaffing van art.
344 lid 2 (unieke bewijskracht pv van bevoegde
opsporingsambtenaar) (Nieuwsbrief Strafrecht 2008, nr. 1).
Zo, daar kunnen we het weer even mee doen.....Maar zoals altijd:
bedreigingen vormen ook kansen. En die moeten we met z'n allen
pakken. Ik zal u op deze plaats en via mijn
Nieuwsmail op de
hoogte houden van verbeterpunten en ontwikkelingen op dit
gebied.
-
Anonieme tip en dwangmiddelentoepassing
(1.2)
-
Op dit gebied zijn de nodige ontwikkelingen waar te nemen. Het
is van groot belang daarvan zeer goed kennis te nemen voor de toepassing
van dwangmiddelen!!
Kort (samengevat):
Hoofdregel: géén dwangmiddelentoepassing op basis van
uitsluitend anonieme info. Altijd onderzoek doen naar
een plusje en pas dwangmiddelen toepassen bij extra info. Dat
zou pas anders kunnen liggen bij verdenking van een zeer ernstig
misdrijf waarbij (verder) nader onderzoek en/of verificatie
onmogelijk is en politieoptreden in redelijkheid geen enkel
uitstel meer kan dulden. Uiteraard de gang van zaken tijdig en
juist relateren in het pv!
Als er géén plusje te vinden is (wat ontlastend kan werken) en
er tóch een dwangmiddel toegepast zou moeten worden: éérst
overleggen met de OvJ en ook hier pas dwangmiddelen toepassen
als (verder) nader onderzoek en/of verificatie onmogelijk is en
politieoptreden in redelijkheid geen enkel uitstel meer kan
dulden.
Uitgebreid:
klik
hier voor conceptparagraaf 2.2 editie 2009
-
Politie-info via MMA/CIE (1.2)
- Het staat de politie niet vrij al bij de politie bekende
informatie, ter bescherming van de bron, te verdoezelen door
deze informatie alsnog anoniem te laten binnenkomen via MMA
en/of de CIE.
Rechtbank
Zutphen 30-10-07, LJN BB7196.
-
Politie-info via MMA/CIE (2.2)
- Het staat de politie niet vrij al bij de recherche bekende
informatie, ter bescherming van de bron, te verdoezelen door
deze informatie alsnog anoniem te laten binnenkomen via MMA
en/of de CIE (en dat had de politie dan ook niet gedaan!).
'Verdachte heeft zich op 14 september 2006 op eigen initiatief
bij de politie gemeld, zijn identiteit kenbaar gemaakt en, na
ontvangst van de cautie, een verklaring afgelegd naar aanleiding
waarvan de verbalisant Nijman proces-verbaal heeft opgemaakt en
hem heeft geadviseerd, zijn voornemen om Apeldoorn te verlaten,
daadwerkelijk uit te voeren. De politie heeft daarbij nog
ondersteuning geboden door verdachtes situatie onder de aandacht
te brengen van de politie in de plaats waar verdachte
(voorlopig) zou gaan wonen. Nu verdachte echter heeft verkozen
te blijven wonen op zijn Apeldoornse adres en hij, anders dan de
politie, precies wist hoe de zaken zich daar ontwikkelden, valt
niet in te zien dat aan de politie verwijt kan worden gemaakt
van de voor verdachte onveilig gebleken situatie. Het verwijt
dat de politie door de door verdachte verstrekte informatie bij
proces-verbaal heeft vastgelegd in plaats van verdachte te
verwijzen naar M(eld) (M)isdaad (A)noniem en/of de CIE, miskent
dat het de politie nu juist niet vrijstaat al bij de recherche
bekende informatie, ter bescherming van de bron, te verdoezelen
door deze informatie alsnog anoniem te laten binnenkomen via MMA
en/of de CIE. Daarbij komt in dit geval nog, dat verdachte als
zodanig ook zelf in de onderhavige zaak betrokken was en
daardoor op dat moment geen voor de CIE bruikbare informatie kon
leveren.
Rechtbank
Zutphen 30-10-07, LJN BB7196.
-
Lokfiets (1.2)
- Geen rechtsregel verbiedt dat de politie, wanneer zij
concludeert dat iemand die haar ambtshalve als dief bekend is
veel belangstelling voor gestalde fietsen toont, een
onafgesloten fiets neerzet teneinde te zien of genoemde persoon
die fiets zal stelen. Met name is hiervoor niet vereist, dat ten
tijde van het plaatsen van die fiets al sprake is van een
redelijk vermoeden dat al een concreet strafbaar feit is
gepleegd.
Gerechtshof (niet gepubliceerd) maar weergegeven in een naar
de rechtbank terugverwezen zaak (wel gepubliceerd):
Rechtbank
Dordrecht 01-11-07, LJN BB6979.
Zie zonodig ook
Rechtbank
Dordrecht 02-01-07, LJN AZ5422.
Hetzelfde zal m.i. gelden voor vergelijkbare zaken zoals bijv.
een 'lok'-lcd-scherm in woning. Van belang bij
vorenstaande is dat de betreffende persoon niet gebracht wordt
tot het plegen van andere strafbare feiten dan waarop diens
opzet reeds tevoren was gericht (Talloncriterium, zie hierover
verder het zakboek Strafrecht 2.10).
-
Lokauto (1.2)
- Kort:
Inzet van lokauto als middel van opsporing (van autokrakers)
levert geen strijd op met bevoegdheden van politie tot
opsporing. Ook is niet aannemelijk geworden dat de verdachte
door die inzet is gebracht tot andere handelingen dan die,
waarop zijn opzet tevoren was gericht. Het gegeven dat de auto
door de politie is geprepareerd, geparkeerd en geobserveerd en
in die zin de politie de verdachte heeft gefopt is mogelijk niet
alledaags en kan in zoverre bijzonder worden genoemd, doch doet
aan deze conclusie niet af.
Uitgebreid:
'Op 10 maart 2006 te 20.00 uur is door de politie op de Plantage
Muidergracht te Amsterdam een personenauto geplaatst. De politie
heeft die auto voorzien van niet voor die auto afgegeven,
buitenlandse kentekenplaten. In deze afgesloten auto waren door
de politie onder meer een mobiele telefoon en een dummy van een
navigatiesysteem neergelegd c.q. aangebracht. Deze voorwerpen
waren van buiten die auto voor passanten zichtbaar. Tegenover
deze auto is door de politie een observatiepost geplaatst en
bemand. Ongeveer twintig minuten nadat deze auto ter plaatse was
geparkeerd, is door de verdachte een ruit van de auto vernield
en heeft hij het navigatiesysteem weggenomen. De verdachte is
terstond aangehouden. De politie is tot de inzet van deze auto
overgegaan met het oog op het grote aantal gepleegde inbraken
uit auto’s op de Plantage Muidergracht (en naar het hof
aanneemt: ook de directe omgeving van die gracht). Als doel van
deze actie is in het proces-verbaal van relaas vermeld: het
verminderen van voertuigcriminaliteit. De officier van justitie
heeft aan de politie voor de uitvoering van deze actie
toestemming verleend. Het hof zal in navolging van de politie de
term lokauto bezigen.
Gegeven de veelheid van gepleegde autokraken op en nabij de
plaats waar de lokauto door de politie is geplaatst en het
vorenweergegeven doel van de inzet van de lokauto, moet worden
aangenomen dat de politie de aanhouding op heterdaad van een
autokraker heeft beoogd.
Gelet op wat de ervaring leert met betrekking tot autokrakers
-in de regel gaat het om lieden die dit soort van feiten bij
herhaling plegen- en met betrekking tot autokraken -in de regel
gaat het om ergerlijke misdrijven waarvan de daders slechts
moeizaam kunnen worden geïdentificeerd-, getuigt de inzet van de
lokauto van een zekere creativiteit in de opsporing. Immers,
degene die overeenkomstig een daartoe genomen besluit de lokauto
kraakt, laadt niet slechts de verdenking op zich -onder het
toeziend oog van de politie- een misdrijf te hebben begaan, maar
laadt daardoor tevens de verdenking op zich dat hij zich daaraan
eerder heeft bezondigd. Aldus wordt de inzet van de lokauto
gelegitimeerd door in elk geval het belang dat bestaat bij de
zeer grote pakkans van een autokraker, van wie in redelijkheid
mag worden aangenomen dat hij zich niet voor het eerst op of
nabij die locatie aan een autokraak schuldig maakt.
Gegeven de aan de politie opgedragen taken -de opsporing van
strafbare feiten als ook de aan artikel 2 van de Politiewet 1993
te ontlenen taakstelling- valt niet in te zien dat de politie
met de inzet van de lokauto in het onderhavige geval aan een
rechtsregel is voorbij gegaan.
Daartoe overweegt het hof in het bijzonder dat de hier aan de
orde zijnde inzet van de lokauto als middel van opsporing geen
strijd oplevert met de in boek I van het Wetboek van
Strafvordering neergelegde regeling van bijzondere bevoegdheden
tot opsporing, terwijl evenmin aannemelijk is geworden dat de
verdachte door die inzet is gebracht tot andere handelingen dan
die, waarop zijn opzet tevoren was gericht. Het gegeven dat de
auto door de politie is geprepareerd, geparkeerd en geobserveerd
en in die zin de politie de verdachte heeft gefopt is mogelijk
niet alledaags en kan in zoverre bijzonder worden genoemd, doch
doet aan deze conclusie niet af.
Overigens is niet aannemelijk geworden dat de verdachte doordat
de politie op de lokauto buitenlandse kentekenplaten heeft
aangebracht -indien al in strijd met de wet- is geschonden in
een rechtens te respecteren belang.
Evenmin kan -in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen
ten aanzien van de frequentie, aard en ernst van autokraken en
de in de regel moeizame opsporing van de daders van deze
misdrijven- met vrucht kan worden gesteld dat door de politie
onder gezag van de officier van justitie in het onderhavige
geval voorbij is gegaan aan de in acht te nemen beginselen van
subsidiariteit en proportionaliteit.'
Gerechtshof Amsterdam 28-06-07, LJN BC4796. (pas
gepubliceerd op 20-02-08)
-
Lokwoning (1.2)
- Bijv. door een zicht lcd-scherm achter woonkamerraam. Zal
gelet op voorgaande jurisprudentie (lokfiets en lokauto) als regel niet onrechtmatig
zijn.
-
Verdachte? (1.2)
- Verbalisanten krijgen melding van straatroof terwijl ze (met
hun kennis, ervaring en locale bekendheid) een drietal mannen
gedurende een korte tijdsspanne reeds waarnemen die hollen,
elkaar iets laten zien, daarover plezier hebben en iets
verstoppen bij een auto, komend uit de richting van plaats
delict. ‘Gelet op de zeer korte tijdspanne waarbinnen de
gebeurtenissen elkaar opvolgen, het door de verbalisanten
geobserveerde gedrag van de drie mannen, onder wie de verdachte,
en de kennis en ervaring waarover verbalisanten die werkzaam
zijn in de stad Amsterdam, naar algemene ervaringsregels leren,
beschikken, was er naar het oordeel van het hof om 4:50 uur
voldoende aanleiding om hen staande te houden ter vaststelling
van hun identiteit. Gelet op de melding via de portofoon van een
straatroof die kort voor die tijd zou hebben plaatsgevonden in
het gebied waar de mannen vandaan kwamen en gelet op het daarbij
doorgegeven signalement van de daders, was er naar het oordeel
van het hof om 4:50 uur vervolgens, gege-ven alle inmiddels
bekende feiten en omstandigheden, sprake van een redelijke
verdenking van schuld in de zin van art. 27 Sv aan diefstal met
geweld en is de verdachte mitsdien rechtmatig aangehouden. Zie
nog uitgebreider het arrest. E.e.a. mede dankzij goede
relatering in pv bevindingen!!
Hof Amsterdam 09-05-08, LJN BD1817.
-
Ontbreken tolk bij verhoor: bewijsuitsluiting (1.9)
- De rechtbank komt tot uitsluiting van het bewijs van
alle verhoren van verdachte bij de politie vanwege het
ontbreken van een tolk tijdens deze verhoren.
Rechtbank Groningen 13-09-07, LJN BB4076.
-
Zwijgen gebruikt bij bewijsoverwegingen (Samir A) (1.9)
- Verdachte was zowel door de rechtbank Rotterdam als het gerechtshof
te 's-Gravenhage vrijgesproken van de ten laste gelegde voorbereiding.
De HR (HR
20-02-07, LJN AZ2013) kon zich daar niet in vinden en verwees de
zaak naar het Hof Amsterdam. Dat hof is van oordeel dat de in 2004 in de
woning van verdachte aangetroffen stoffen en informatiedragers kennelijk
bestemd waren voor het plegen van een aanslag op één of meer
(overheids)gebouwen. De aangetroffen objecten verkrijgen een
strafwaardig karakter en betekenis in hun onderlinge samenhang. Hoewel
de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen op zichzelf in het
stadium waarin deze werden aangetroffen (nog) niet in alle opzichten
geschikt waren om een dergelijke aanslag te plegen, waren zij daartoe in
deze voorbereidende fase wel kennelijk bestemd in de zin van art. 46 Sr.
Daarbij betrok het Hof ook het zwijgen van de verdachte in de
bewijsoverwegingen: 'het zwijgrecht betreft een van de elementaire
rechten van de verdachte in het strafproces; een beroep op dit recht kan
nimmer aan de verdachte worden tegengeworpen. De rechter is evenwel vrij
om, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in
samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd
redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem
tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende,
verklaring geeft of heeft gegeven, dit in zijn overwegingen omtrent het
gebezigde bewijsmateriaal te betrekken (MH: zie HR 15-06-04, LJN AO9639,
14-03-06, LJN AU5496, 05-12-06, LJN AZ0651 en NJ 2002, 567). Het hof
laat het ontbreken van een verklaring van de verdachte op dit punt dan
ook meewegen bij de waardering van het voorhanden zijnde bewijs.'
Hof Amsterdam 17-09-07, LJN BB3756.
- Aangeefster gebruikt op politiebureau door politie verstrekte
cocaïne, niet ten spoedigste opmaken pv, geen volledige en een niet
geheel juiste opening van zaken geven (3.14)
- 'In het aan de Rechtbank voorgelegde strafdossier bevindt
zich een pv van bevindingen van 6 januari 2005 van de
verbalisanten A en B. Door de
behandelend OvJ is toen tevens overgelegd een notitie
van 6 januari 2005 van de RC mr. C en een pv van 10 januari 2005 van de
OvJ mr. D. Op grond van de in deze stukken gegeven informatie heeft de
Rechtbank bij vonnis van 24 februari 2006 het OM
ontvankelijk verklaard in de vervolging gelet op de ernst van het
vermoedelijk gepleegde strafbare feit en in aanmerking genomen dat de
verdachte niet in enig te respecteren belang was geschaad. Bij de
behandeling van het hoger beroep zijn alle voornoemde personen en
verbalisant E over een en ander als getuige gehoord.
Op grond van vorenstaande is het Hof tot het volgende oordeel gekomen.
Eerst kort vóór de eerste behandeling van de strafzaak bij de Rechtbank
op 8 februari 2005 is door de verbalisanten bij pv gemeld
dat aangeefster - die zwaar verslaafd was en wier aanwezigheid ten
behoeve van het in te stellen opsporingsonderzoek en het veilig stellen
van sporen gedurende langere tijd noodzakelijk werd geacht - in de
gelegenheid was gesteld een- of meermalen met een haar ter beschikking
gestelde diensttelefoon contact op te nemen met een persoon die cocaïne
zou kunnen komen brengen. Bovendien werd gerelateerd dat het betrokkene
niet was toegestaan die cocaïne in of nabij het bureau te gebruiken.
Uit de getuigenverklaringen van 27 september 2007 respectievelijk 9
januari 2008 is gebleken dat voornoemd pv onvolledig en
onjuist is. Immers, door de getuige E is verklaard dat zij op 3
november 2004 in de vroege ochtend op bureau Karnebeek een bolletje
kennelijk bevattende cocaïne in ontvangst heeft genomen en naar
aangeefster heeft gebracht die het vervolgens in een oponthoudkamer van
het bureau heeft gebruikt. Voorts is door de getuigen A en B verklaard dat aangeefster ten tijde van het opnemen van de
aangifte op 4 november 2004 in de gelegenheid is gesteld door haar zelf
meegenomen cocaïne buiten aanwezigheid van verbalisanten doch op het
bureau te gebruiken.
Aldus is gehandeld in strijd met het bepaalde in art. 152 Sv. Weliswaar
is - echter eerst na herhaald aandringen van de behandelend OvJ - een pv opgemaakt doch in deze verslaglegging is
geen volledige en een niet geheel juiste opening van zaken gegeven.
Bovendien is er in casu sprake van meerdere door de verbalisanten
gepleegde strafbare feiten, immers telkens een schending van de in de
Opiumwet gegeven verbodsnormen.
Daarbij komt dat de op 3 november 2004 dienstdoende OvJ - die ervan op de hoogte was dat er iemand van buiten cocaïne
naar het bureau zou komen brengen ten behoeve van aangeefster - op geen
enkele wijze hier corrigerend is opgetreden jegens de verbalisanten.
Het vorenstaande leidt allereerst tot de gevolgtrekking dat sprake is
van een ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke
procesorde waardoor - minst genomen - met grove veronachtzaming van de
belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces is
tekort gedaan. Immers als de verbalisanten niet zowel op 3 als op 4
november 2004 met overtreding van de Opiumwet aangeefster ter
beschikking hadden gehouden van het onderzoek, was vermoedelijk noch de
verdachte aangehouden kunnen worden noch was het tot het opnemen van een
aangifte gekomen, nog daargelaten in hoeverre het cocaïnegebruik de
inhoud van de verklaring(en) van aangeefster heeft beïnvloed.
Naar het oordeel van het Hof is voorts tevens sprake van een zodanig
fundamentele inbreuk dat die - los van de vraag of de verdachte in zijn
belangen is geschaad - tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM in zijn vervolging dient te leiden. Het Hof neemt hierbij met
name in aanmerking dat de gemeenschap een wezenlijk belang heeft bij
eerlijke en volledige verbalisering door de politie, goede invulling van
diens verantwoordelijkheid voor de opsporing door het OM, en juiste informering van de rechter.
Het Hof is allesoverziend van oordeel dat de niet-ontvankelijkheid van
het OM in de strafvervolging van de verdachte wat
betreft het bij dagvaarding I onder 2 tenlastegelegde dient te volgen.
Einde zaak.
Hof 's-Gravenhage 21-02-08, NS 2008, 126 (niet op rechtspraak.nl).
-
Niet-ontvankelijkheid OM wegens tegenstrijdigheden in pv en onder ede afgelegde verklaringen
van opsporingsambtenaren (2.10 en 2.14)
- In de betreffende zaak ging het om de rechtmatigheid van een
doorzoeking. In de pv's en onder ede afgelegde verklaringen bij
de RC waren over de feitelijke gang van zaken met betrekking tot
die doorzoeking volgens de rechtbank onverklaarbare
tegenstrijdigheden opgenomen.
De rechtbank is van oordeel dat in op ambtseed opgemaakte pv's
en onder ede afgelegde verklaringen van opsporingsambtenaren
zeker over voor de juridische beoordeling essentiële onderdelen
geen onverklaarbare tegenstrijdigheden mogen voorkomen. Het
betrof verklaringen over de aanvang van opeenvolgende
gebeurtenissen en de aanwezigheid daarbij van verbalisanten
(zoals het openen van de doos waarin zich pakken hennep bevonden
en het openen van een lade waaruit een plak met hasj werd
gehaald). Onderdelen die van belang zijn voor de beoordeling van
de rechtmatigheid van de doorzoeking.
Daarbij kan dan in het midden blijven of het vergissingen of
verklaringen in strijd met de waarheid betreffen. De rechtbank
is dan ook van oordeel dat gegeven de tegenstrijdigheden er
sprake is van een ernstige inbreuk op de procesorde, waardoor
met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan
diens recht op een faire behandeling van de zaak tekort is
gedaan.
OM niet-ontvankelijk (einde zaak).
Rechtbank Roermond 06-11-07, LJN BB7558
-
Zedenzaak: wijze van verhoor en weergave in
pv: niet ontvankelijkheid (1.9 en 2.11)
-
De verhorende ambtenaren hebben door de wijze
van verhoor en vervolgens de weergave van het verhoor in het pv
de grens van rechtmatigheid overschreden. Verhoorders hebben verdachte, gelet op zijn geestvermogens en mede gelet op de aard
van het delict, niet in alle vrijheid laten verklaren.
Vervolgens is de weergave van dit verhoor ook nog eens op
misleidende wijze verwoord. Hierdoor is het OM de kans ontnomen
om tot een eerlijke afweging omtrent vervolging te komen. Gezien
de combinatie en samenhang van deze omstandigheden is sprake van
een zodanige strijd met de beginselen van behoorlijke
procesorde, dat niet volstaan kan worden met bewijsuitsluiting
of strafverlaging en wordt het OM niet ontvankelijk verklaard in
zijn vervolging (MH: einde zedenzaak).
Rechtbank Arnhem 06-03-07, Nieuwsbrief Strafrecht 2007-180 (niet
op rechtspraak.nl).
-
Geuridentificatieproef in strijd met daarvoor
geldende regels niet "blind" uitgevoerd (2.21)
-
Dat de geuridentificatieproef
'blind' moet worden uitgevoerd is neergelegd in supplement 2
behorende bij het hier geldende Keuringsreglement
Politiespeurhond menselijke geur 1997 (herzien in september
2005). Daar luidt het op pagina 23: 'De helper bepaalt met
behulp van een dobbelsteen welk schema gekozen wordt en stelt op
de daartoe bestemde plaats de geurdragers op in twee rijen van
ieder 7 verschillende geurdragers (eventueel na elkaar), volgens
de voor de hond bekende (en in het certificaat omschreven)
aanbiedingsmethode. Dit gebeurt in afwezigheid van de hond en de
geleider, de geleider kent de volgorde van de geurdragers in de
rij niet en verklaart dit ook (onder ede!) in zijn
proces-verbaal.'
Het niet 'blind' uitvoeren van de
geuridentificatieproef betekent dat niet alleen de
gecertificeerd helper maar ook de speurhondengeleider wetenschap
heeft van de posities van de verschillende geurdragers. In een
concreet geval hield dat in - zo heeft verbalisant [verbalisant
2] ter zitting verduidelijkt - dat het zogenoemde uitlegschema
dat ter voorbereiding op een bord werd geschreven bij de
uitvoering van de proef zichtbaar was voor de
speurhondengeleider en dat laatstgenoemde dus wist waar de
geurdrager van verdachte lag.
Voornoemd voorschrift is
kennelijk in het Keuringsreglement opgenomen om uit te sluiten
dat de speurhondengeleider de speurhond op enigerlei wijze
beïnvloedt bij het maken van een keuze voor een bepaalde
geurdrager.
Ook is niet uit te sluiten dat de
speurhondengeleider zelf (onbewust) door deze wetenschap wordt
beïnvloed bij het beoordelen van het gedrag van de hond, in het
bijzonder bij het moment waarop de hond een keuze maakt een
bepaalde geurdrager te willen apporteren. De getuige-deskundige
prof. dr. Frijters heeft ter zitting benadrukt dat het 'blind'
uitvoeren van de geuridentificatieproef vanuit gedragskundig
oogpunt een belangrijk vereiste is.
Het hof acht het -
in strijd met het daarvoor geldende reglement - niet 'blind'
uitvoeren van de geuridentificatieproef een dermate ernstige
procedurele fout, dat de resultaten van die proef terzijde
moeten worden gesteld. Het hof concludeert dat op basis van
deze, niet herstelbare, tekortkoming de geuridentificatieproef
in dit geval als onvoldoende betrouwbaar moet worden
gekwalificeerd om daaraan (enige) bewijswaarde te kunnen
hechten, zodat de resultaten daarvan worden uitgesloten van het
bewijs.
Hof Leeuwarden 10-11-06, LJN AZ1983.
Dat geldt ook voor
proeven waarvan niet vaststaat dat zij "blind" zijn uitgevoerd.
Hof Leeuwarden 13-12-06, LJN AZ4429.
Hof
Den Bosch 08-08-07, LJN BB2810.
- Ramsahai tegen Nederland
Verdachte doodgeschoten door Amsterdamse politieagent
Onderzoek ontoereikend
Onderzoek aanvankelijk door eigen korps, daarna onder leiding van
rijksrecherche
Positie openbare aanklager
Nieuwe paragraaf 3.54 in editie 2009
- 1. Onderzoek naar schietincident ontoereikend. EHRM wijst op
een reeks van onverklaarbare tekortkomingen, zoals
a. het nalaten van onderzoek van de handen van de betreffende
politieambtenaren op 1. kruitresten
b. het niet maken van een reconstructie van de gebeurtenissen
c. de kennelijke afwezigheid van een onderzoek van wapens en
munitie
d. het niet gescheiden houden van de betreffende
politieambtenaren
e. het pas drie dagen later ondervragen van de betreffende
politieambtenaren
2. Het EHRM acht dit des te betreurenswaardiger nu er geen
getuigen zijn die het fatale schot hebben gezien. Schending van
art. 2 EVRM.
3. Schietincident als zodanig geen schending van EVRM.
4. Onderzoek is onvoldoende onafhankelijk verricht (door
korps waartoe betreffende politieambtenaren behoorden):
schending EVRM.
5. Positie openbare aanklager geen schending EVRM (het
betreffende politieonderzoek stond onder leiding van een
Amsterdamse OvJ die speciaal verantwoordelijk was voor het
politiewerk aan het betreffende politiebureau. Dezelfde OvJ nam
de beslissing niet tot vervolging over te gaan (door hoofdOvJ
gedelegeerde beslissing).
EHRM 15-05-07,
klik hier voor volledig arrest (in Engelse taal).
Ook kort gepubliceerd in NJB 2007,1398 (in Nederlandse taal).
Zie inmiddels ook de Aanwijzing
handelwijze bij geweldsaanwending (politie)ambtenaar
van het college van PG's op OM.nl (onder beleid), ook
gepubliceerd in Stcrt. 2006, 143.
Deze aanwijzing is van toepassing op de ambtenaren als bedoeld
in art. 1 lid 1 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Kmar
en de buitengewoon opsporingsambtenaar en geldt in de volgende
gevallen van geweldsaanwending:
a) Gevallen van vuurwapengebruik met de dood of enig lichamelijk
letsel tot gevolg;
b) Overige geweldsaanwendingen met de dood of zwaar lichamelijk
letsel tot gevolg.
In deze gevallen zal het onderzoek naar de toedracht van de
feiten plaatsvinden door de Rijksrecherche. De criteria voor en
de procedure van de inzet van de Rijksrecherche zijn opgenomen
in de Aanwijzing taken en inzet Rijksrecherche. In deze gevallen
wordt de Rijksrecherche onmiddellijk door het betreffende
regiokorps via de meldkamer van het Korps Landelijke
Politiediensten (KLPD) geïnformeerd. Tevens wordt het lokale OM
(of in het geval de DSI betrokken is bij het voorval de in
hoofdstuk 4.6 genoemde hoofdofficier van justitie) zo spoedig
mogelijk ingelicht. De betreffende piketambtenaar van de
Rijksrecherche zal zo snel mogelijk naar de plaats van het
voorval komen. Tot het moment dat deze daar is aangekomen, treft
het lokale politiekorps de eerste maatregelen ter bevriezing van
de situatie, zoals het afzetten van de plaats van het voorval,
zorg voor slachtoffers en inventariseren van getuigen.
Opsporingshandelingen worden echter in beginsel niet gedaan door
het lokale korps. Indien echter daartoe de noodzaak bestaat
kunnen noodzakelijke onderzoekshandelingen verricht worden ten
behoeve van het onderzoek van de Rijksrecherche. Deze
onderzoekshandelingen worden in dat onderzoek, indien daar
aanleiding voor bestaat, opnieuw uitgevoerd of gecontroleerd
door de Rijksrecherche op volledigheid en betrouwbaarheid. Deze
handelingen door personeel van het lokale politiekorps,
voorafgaande aan de komst van de Rijksrecherche, vinden plaats
in opdracht van en onder verantwoordelijkheid van de
dienstdoende hulpOvJ.
Indien de Rijksrecherche, om capacitaire redenen voor het horen
van getuigen, het verrichten van een buurtonderzoek, of het
verrichten van overige onderzoekshandelingen, de bijstand
behoeft van andere opsporingsambtenaren, dan wordt op haar
verzoek bijstand verleend door medewerkers van het Bureau
Interne Onderzoeken (BIO) van de betreffende politieregio of
door medewerkers van een naburig politiekorps.
Voor het verrichten van het technisch onderzoek naar de
toedracht van het voorval zal in eerste instantie de bijstand
worden gevraagd van de Technische Recherche uit een andere regio
dan die van het betreffende regiokorps waar het geweldsincident
is voorgevallen.
- Optreden politie op basis art. 2 Politiewet en 184 Sr
(2.28)
- Art. 184, eerste lid, Sr (niet voldoen aan ambtelijk bevel /
beletten/belemmeren/verijdelen) eist een "krachtens wettelijk
voorschrift" gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet
uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is
tot het doen van een vordering. Art. 2 Politiewet 1993 bevat een
algemene taakomschrijving voor de politie en kan
niet worden
aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan
vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe
van overtreding van art. 184, eerste lid, Sr moet worden
voldaan. Daarbij verdient echter opmerking dat art. 2 Politiewet
1993 wel als een wettelijk voorschrift kan worden aangemerkt ter
uitvoering waarvan de in art. 184 Sr bedoelde ambtenaren
handelingen kunnen ondernemen waarvan het beletten, belemmeren
of verijdelen overtreding van art. 184, eerste lid, Sr kan
opleveren.
HR 29-01-08, LJN BB4108
Kortom, kijk ook goed naar mogelijk toepasbare APV-artikelen:
opzettelijk niet voldoen aan strafbaarstellingen inzake
'bevelen' uit APV's kan ook 184 Sr opleveren (zie daarover ook
het zakboek Strafrecht voor de politie 6.9).
Klik hier voor de complete concepttekst van de herschreven
paragraaf 3.36 voor het zakboek 2009 (Optreden politie op basis
van art. 2 Politiewet 1993)
- Aanhouding voor betekening/kennisgeving noh-vonnis niet
toegestaan (nieuwe paragraaf 2.36 in editie 2009)
- Onder een noh-vonnis wordt verstaan een vonnis wat nog niet
onherroepelijk vaststaat (vandaar de naam ‘noh’-vonnis). Een
noh-vonnis kan daarom nog niet geëxecuteerd (ten uitvoer gelegd)
worden. Tegen een niet-onherroepelijk vonnis kan vaak nog een
gewoon rechtsmiddel ingediend worden: hoger beroep of cassatie.
Niet-onherroepelijke vonnissen moeten vaak nog ‘betekend’
(kennisgegeven) worden aan de veroordeelde. En voor die
betekening/kennisgeving mag een veroordeelde niet worden
aangehouden. De betreffende persoon kan slechts op vrijwillige
basis mee naar het bureau gaan om die kennisgeving te doen.
Formulieren daarvoor zijn terug te vinden in de computersystemen
van bijv. de politie. En voor de zekerheid nog het volgende. Dat
een verdachte niet aangehouden kan worden en ook niet vrijwillig
mee wil naar het politiebureau betekent niet dat vonnissen niet
betekend kunnen worden. Dat kan bijv. ook via de gewone post
(zie art. 585 Sv e.v.). Aanhouding voor betekening/kennisgeving
is dus ook niet nodig.
- Niet voldoen aan een ambtelijk bevel door te weigeren een oorbel
uit te doen (Sr 6.9 en Hovj 2.27)?
- Een politieambtenaar is o.g.v. art. 28 van de Ambtsinstructie
bevoegd een ingeslotene door het aftasten en doorzoeken van diens
kleding te onderzoeken op de aanwezigheid van voorwerpen die tijdens de
insluiting een gevaar voor de veiligheid van de betrokkene of voor
anderen kunnen vormen, en deze, indien ze worden aangetroffen, in
bewaring te nemen. Uit dien hoofde komt een politieambtenaar de
bevoegdheid toe iemand die wordt ingesloten, te bevelen zijn oorbel uit
te doen.
Indien de ingeslotene daaraan niet voldoet, kan de politieambtenaar zelf
en zonodig (mede gelet op art. 8.1 Politiewet 1993) binnen de door
beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit getrokken grenzen de
oorbel uit het oor van de ingeslotene nemen. Indien verdachte deze
handeling zou hebben belet, verijdeld of belemmerd, zou hij zich hebben
kunnen schuldig maken aan art. 184.1 Sr (beletten, verijdelen,
belemmeren), terwijl bij verzet van verdachte tegen de politieambtenaar
sprake zou kunnen zijn van de in art.180 Sr bedoelde wederspannigheid.
Art. 2 Politiewet 1993 biedt echter géén grond voor een veroordeling ter
zake van het in de eerste zinsnede van art. 184.1 Sr bedoelde strafbare
feit (niet voldoen aan ambtelijke bevel, omdat aan deze bepaling in dit
geval niet een rechtsplicht van de verdachte kan worden ontleend zijn
medewerking te verlenen aan het bevel.
HR
04-09-07, LJN BA5832.
- Binnentreden zonder machtiging bij wateroverlast (6.2)
- Art. 2 Awbi
1. Voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de
bewoner is een schriftelijke machtiging vereist.
3. Een schriftelijke machtiging als bedoeld in het 1e lid is
niet vereist, indien ter voorkoming of bestrijding van ernstig
en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of
goederen terstond in de woning moet worden binnengetreden.
Binnentreden zonder machtiging terzake wateroverlast in
betreffende geval niet onrechtmatig (onderbuurman van verdachte
ondervond wateroverlast van de woning van verdachte:
vochtplekken in het plafond en water langs de muur sijpelde). Na
binnentreden woning overlastveroorzaker werd (aldus ook niet
onrechtmatig) een hennepkwekerij aangetroffen.
HR 22-01-08, LJN BC0811.
- Woning bij gebruik als hennepkwekerij (6.4)?
- In betreffende geval volgens rechter géén sprake van een
woning omdat de verdachte nooit de bedoeling heeft gehad om in
het betreffende pand te wonen en daar ook nooit daadwerkelijk
heeft gewoond. Verdachte huurde de woning alleen om daarin
uitsluitend voor zichzelf een hennepkwekerij te vestigen.
Verdachte heeft steeds bij zijn ouders gewoond waar hij ook
stond ingeschreven. Vanwege het compleet ontbreken van de
woonbestemming van het pand en van enig ander privé-leven
aldaar, was de rechter van oordeel dat in dit geval geen sprake
is van privé-leven dat op grond van art. 8 EVRM bescherming
verdient. De omstandigheid dat de verbalisanten dit tevoren niet
wisten, doet niet aan dit oordeel af.
MH: bij twijfel kan men zich uiteraard maar beter wél voorzien
van een machtiging binnentreden!
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 04-09-07, LJN BB2828
- Verklaring verdachte over telefoongesprek met (afgeleid)
verschoningsgerechtigde (8.16)
- Als de verdachte tijdens diens verhoor (door de politie) is
geconfronteerd met de weergave van een telefoongesprek met een
(afgeleid) professioneel verschoningsgerechtigde, dan mag diens
verklaring daarover niet voor het bewijs gebruikt worden (uiteraard
tenzij blijkt dat de in het zakboek besproken
regelgeving/jurisprudentie in acht is genomen).
HR 02-10-07, LJN BA5632
E.e.a. zou mijns inziens zelfs tot niet-ontvankelijkheid (einde hele
zaak) kunnen leiden: zie daarover het zakboek.
- Hells Angels-zaak: ernstige, grootschalige en herhaalde
inbreuken op art. 126aa Sv (8.16)
- Schending regels t.a.v. gesprekken met geheimhouders even
ernstig als directe schending verschoningsrecht; gebrek aan
verantwoording door OM; vertrouwen in de rechtspleging geschaad.
OM niet ontvankelijk.
'2.1.3.3. Beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat het in artikel 218 Wetboek van
Strafvordering opgenomen verschoningsrecht berust op de eis, dat
iedere burger die zich om hulp of bijstand tot de in dit artikel
bedoelde hulpverleners, waaronder de advocaat, richt, erop moet
kunnen rekenen dat hetgeen hen wordt toevertrouwd, geheim
blijft. De wetgever heeft dit recht zo belangrijk gevonden, dat
de waarheidsvinding in de strafzaak in het algemeen ervoor moet
wijken. Het verschoningsrecht van de advocaat is ook van
essentieel belang voor het contact tussen advocaat en cliënt en
daarmee voor een goed functionerende verdediging. En een goed
functionerende verdediging is mede bepalend voor de kwaliteit
van de strafrechtspleging.
De regelgeving met betrekking tot afgeluisterde gesprekken met
advocaten, zoals neergelegd in artikel 126aa van het Wetboek van
Strafvordering en de daarbij behorende uitvoeringsregeling dient
ertoe het verschoningsrecht te waarborgen door gesprekken die
onder het verschoningsrecht vallen zo snel mogelijk en op
afdoende wijze te doen vernietigen.
Nu deze regelgeving strekt ter bescherming van het
hooggewaardeerde beginsel van het verschoningsrecht, acht de
rechtbank schending van deze regels even ernstig als een directe
schending van het verschoningsrecht zelf.
In het Acroniemonderzoek is deze regelgeving niet nageleefd.
Opsporingsambtenaren hebben jarenlang kennis kunnen nemen van
vele gesprekken tussen diverse advocaten en hun cliënten. Eerst
na jaren zijn 128 van die gesprekken door het Openbaar
Ministerie beoordeeld als vallend onder het verschoningsrecht en
uiteindelijk vernietigd. Wanneer die vernietiging heeft
plaatsgevonden en hoe, met name hoe afdoende dat is gebeurd, is
niet duidelijk geworden. De rechtbank constateert in ieder geval
dat – wederom in strijd met de regelgeving - een aantal
onder het verschoningsrecht vallende gesprekken in het aan de
rechtbank overgelegde procesdossier is terechtgekomen, te weten
in het deeldossier Gamilton en het deeldossier Kraakactie
Pretoriusstraat. Door toedoen van de huidige zaaksofficieren
zijn deze gesprekken inmiddels conform de regelgeving
vernietigd. Echter, tijdens het onderzoek ter zitting, zijn
opnieuw gesprekken met verschoningsgerechtigden opgedoken in de
processtukken die betrekking hebben op de toepassing van
bijzondere opsporingsmethoden. Deze zijn door de politie
gebruikt bij het aanvragen van een bevel tot stelselmatige
observatie en bij verzoeken het afluisteren van
telefoongesprekken te mogen verlengen.
Het Openbaar Ministerie geeft leiding aan het
opsporingsonderzoek en is in de regelgeving aangewezen als de
autoriteit die voor de onmiddellijke vernietiging van gesprekken
die onder het verschoningsrecht vallen dient te zorgen. Aldus is
bij uitstek de officier van justitie de hoeder van de belangen
van de verschoningsgerechtigde advocaat en daarmee van diens
cliënt, de verdachte. Het Openbaar Ministerie is in dit
maatschappelijk belangwekkende Acroniemonderzoek bij herhaling
schromelijk tekort geschoten in deze taak. Zo bleef ook na
herhaalde aansporing daartoe door de leiding van het
opsporingsteam van de politie de verzochte beoordeling van
vermoedelijke geheimhoudersgesprekken door de officier van
justitie langdurig uit, evenals de volgens de wettelijke
regeling vereiste schriftelijke bevelen tot vernietiging.
De toenmalige zaaksofficier, ter zitting hieromtrent gehoord,
heeft zijn handelwijze niet inzichtelijk gemaakt. De huidige
zaaksofficieren hebben meegedeeld niet meer te kunnen
achterhalen hoe het kon gebeuren dat onder het verschoningsrecht
vallende gesprekken in het procesdossier terecht zijn gekomen.
Dit gebrek aan informatie van de zijde van het Openbaar
Ministerie heeft de rechtbank in ernstige mate belemmerd in de
controlerende taak die zij heeft inzake de rechtmatigheid van
het toepassen van dwangmiddelen in het strafproces.
De geconstateerde ernstige, grootschalige en herhaaldelijke
inbreuken op de regelgeving welke het verschoningsrecht moet
waarborgen door het Openbaar Ministerie ondergraven het
vertrouwen van de burger in dat wat hij in vertrouwen met een
advocaat bespreekt ook geheim blijft. Het gebrek aan
verantwoording hieromtrent door het Openbaar Ministerie
versterkt die vertrouwensbreuk. Deze kwestie stijgt uit boven
schending van de individuele rechtsbelangen van een verdachte in
een concrete strafzaak en raakt het vertrouwen in de
rechtspleging in zijn geheel. Gelet hierop acht de rechtbank de
niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de
strafvervolging van de verdachten de enig passende sanctie.
De rechtbank heeft hierbij meegewogen de ernst van de tegen de
terechtstaande verdachten ingebrachte beschuldigingen, waaronder
deelneming aan een criminele organisatie gedurende een lange
periode. De rechtbank acht echter het belang dat de samenleving
heeft bij de vervolging en berechting van deze serieuze
verdenkingen ondergeschikt aan de hiervoor genoemde
rechtsbelangen.
Aangezien de geconstateerde gang van zaken het gehele
Acroniem-onderzoek betreft, ziet de rechtbank geen aanleiding
onderscheid te maken tussen afzonderlijke verdachten of anders
te oordelen ten aanzien van afzonderlijke telastegelegde feiten,
nu alle aan de terechtstaande 22 verdachten telastegelegde
feiten voortkomen uit het Acroniem-onderzoek.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank niet
toe aan de vraag of sprake is geweest van sturing van het
onderzoek op basis van geheimhoudersgesprekken.
Hetgeen overigens is gesteld van de zijde van de verdediging en
het Openbaar Ministerie behoeft, gelet op al het voorgaande,
geen verdere bespreking.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende
beslissing.
3. Beslissing
Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de
strafvervolging van verdachte.
Rechtbank Amsterdam 20-12-07, LJN BC0685
- Opname van telefoongesprekken door private individu met
door publieke autoriteiten (rijksrecherche) verschafte
apparatuur. Cruciale bijdrage door publieke autoriteiten.
Schending EVRM (Van Vondel tegen NL) (8.17)!!
- In de lijn van eerdere jurisprudentie stelt het EHRM vast
dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen:
1. opname van persoonlijke (telefoon)gesprekken door een
deelnemer aan die gesprekken en het private gebruik van
dergelijke opnames (niet per definitie onrechtmatig)
2. heimelijke waarneming en opname van communicatie door een
private persoon voor een strafrechtelijk onderzoek,
met medewerking en technische bijstand van publieke
onderzoeksautoriteiten (onrechtmatig).
Uitgebreid: 'het Hof stelt vast dat de verkrijging door
de rijksrecherche (ten behoeve van een rijksrechercheonderzoek)
van door R. opgenomen (telefoon)gesprekken, kan worden
aangemerkt als een inbreuk op het recht op de persoonlijke
levenssfeer en/of correspondentie door het openbaar gezag. De
opname van persoonlijke (telefoon)gesprekken door een deelnemer
aan die gesprekken en het private gebruik van dergelijke
opnames, raakt art. 8 EVRM niet per sé, indien zulks met private
middelen wordt gedaan.
Door de aard daarvan bestaat echter een belangrijk onderscheid
met heimelijke waarneming en opname van communicatie door een
private persoon in de context en ten behoeve van een formeel
(strafvorderlijk) onderzoek, met medewerking en technische
bijstand van publieke onderzoeksautoriteiten. Ondanks dat de
opnames in casu vrijwillig en voor zijn eigen doelen zijn
gemaakt door R., is de apparatuur verschaft door de
autoriteiten, die ten minste in één geval R. specifieke
instructies hebben gegeven ten aanzien van welke informatie van
klager diende te worden verkregen. Onder die omstandigheden is
het Hof van oordeel dat de autoriteiten een cruciale bijdrage
aan de tenuitvoerlegging van de operatie hebben geleverd. Het
Hof is er niet van overtuigd dat het uiteindelijk R. is geweest
die controle had over het gebeuren. Een andere conclusie zou
daarop neerkomen dat het onderzoeksautoriteiten wordt toegestaan
hun verdragsverantwoordelijkheden te ontwijken door de inzet van
private agenten. De overheid heeft niet aangetoond dat de
inbreuk gebaseerd of in overeenstemming was met enig wettelijk
voorschrift of andere regel. Nu het onderzoek waarbinnen de
inbreuk zich heeft voorgedaan een (niet strafvorderlijk)
feitenonderzoek betrof, was de rijksrecherche niet bevoegd
onderzoeksbevoegdheden zoals het opnemen van
(telefoon)gesprekken, toe te passen. Het Hof heeft er begrip
voor dat een individu die (vreest dat hij) niet wordt geloofd
door onderzoeksautoriteiten praktische moeilijkheden kan
ondervinden bij de ondersteuning van de geloofwaardigheid van
zijn verklaringen en daarom behoefte kan hebben aan technische
bijstand van autoriteiten. Het Hof kan evenwel niet accepteren
dat het verschaffen van dergelijke bijstand niet wordt beheerst
door regels die juridische waarborgen tegen willekeurig optreden
bieden. Het Hof is derhalve van oordeel dat klager, in verband
met de gewraakte inbreuk, niet heeft genoten van de minimale
bescherming die hem onder de rule of law in een democratische
samenleving toekomt. Het Hof is aldus van oordeel dat de inbreuk
in kwestie niet in overeenstemming met het recht was. EHRM
25-10-07, NJB 2007, 2171. Ook terug te vinden via
www.ehcr.coe.int nr.
38258/03 (in Engelse of Franse taal).
Zie eerder ook (uit mijn zakboek hulpOvJ 2008, 9.17): In de
regel levert het enkele zonder toestemming van de opbellende
gesprekspartner op een geluidsband vastleggen van een inkomend
telefoongesprek door de opgebelde gesprekspartner niet reeds een
inbreuk door die opgebelde gesprekspartner op het recht van de
opbellende gesprekspartner op eerbiediging van zijn persoonlijke
levenssfeer. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist
(MH: bijvoorbeeld dat de opbellende gesprekspartner er op mocht
vertrouwen dat de gesprekken niet werden opgenomen en/of dat de
politie overmatig sturend te werk is gegaan). De omstandigheid
dat verdachte daarbij als advocaat professioneel
verschoningsgerechtigde was, werd door de HR niet van belang
geacht (HR, NJ 1997, 500. Zie ook NJB 2000, 4). Het EHRM vond
echter in deze zaak dat juist door de facilitering door de
politie er wél sprake was van schending van het Europese recht:
door het slachtoffer waren (als gesprekspartner) in haar eigen
woning buiten aanwezigheid van de politie de inkomende
telefoongesprekken opgenomen met door politie ter beschikking
gestelde en geplaatste apparatuur, waarbij de politie
instructies had gegeven over het gebruik van de cassetterecorder
en had gesuggereerd een eventueel telefoongesprek te sturen naar
seksuele avances (EHRM, NJB 2003, 18).
Zie zonodig ook de bespreking van Spong in NbSr (warme gevoelen
en irritaties vice versa): 'Nederlands rechtsstaat is zelden zo
te kijk gezet als door deze uitspraak van het EHRM'.
- Hervertaling tap: bewijsuitsluiting (8.17)
- Alle tapverslagen worden door de rechtbank uitgesloten van
het bewijs nadat bij een hervertaling bleek van verschil op
essentiële onderdelen met de eerste vertaling.
Rechtbank Groningen 13-09-07, LJN BB4076
- Tapgesprek met professioneel verschoningsgerechtigde
(advocaat, pastoor, arts, incl. afgeleid verschoningsgerechtigde
zoals secretaresse, verpleegster, enz. enz.) (8.16)
- De regels rond de afhandeling van een tapgesprek met een
professioneel verschoningsgerechtigde behoeven helaas wederom de
aandacht. Vandaar nogmaals de onderstaande punten.
1. De OvJ voegt pv´s en andere voorwerpen verkregen door
bijzondere opsporingsbevoegdheden (zoals tappen) bij de
processtukken
2. echter: indien vallend onder verschoningsrecht van
professioneel verschoningsgerechtigde: vernietigen na opdracht
OvJ
3. indien niet vallend onder verschoningsrecht: alleen
voegen/gebruiken met machtiging RC
4. de opsp. ambt. die kennisneemt van mededelingen gedaan door
of aan een professioneel verschoningsgerechtigde, stelt hiervan
de OvJ onverwijld in kennis (zie vervolgens weer punt 2 en 3).
Aldus 126aa, het daarop gebaseerde besluit én de instructie van
de PG's. Zie tevens het zakboek hulpOvJ 9.17 en 9.21 of opsp.
ambt. 8.17 en 8.21.
En aanvullend uit jurisprudentie:
5. voornoemde regels gelden ook bij een afgeleid
verschoningsrecht;
6. niet van belang is of een verdachte of een derde de
betreffende gesprekken met de verschoningsgerechtigde voerde;
7. bij schending van het verschoningsrecht mag het verkregen
bewijs tegen geen enkele verdachte gebruikt worden;
8. een tap op de aansluiting van een (afgeleid) professioneel
verschoningsgerechtigde is niet geoorloofd, tenzij deze zelf
verdachte is;
9. ook een gesprek met een professioneel verschoningsgerechtigde
waarbij alleen een afspraak gemaakt wordt valt onder voornoemd
verschoningsrecht (bijvoorbeeld een afspraak tussen een
verdachte en de secretaresse van een advocaat). Aanhouding
verdachte dankzij afspraak aldus onrechtmatig;
10. schending van de met de bescherming van het
verschoningsrecht samenhangende rechtsregels is even ernstig als
een mogelijk directe schending van het verschoningsrecht zelf;
11. gebruik van dit soort info als ‘sturingsinfo' of binnen het
verhoor van een verdachte of getuige is ook niet toegestaan
(tenzij er uiteraard een machtiging van de RC is).
Handelen in strijd met deze regelgeving en jurisprudentie zal
leiden tot bewijsuitsluiting en mogelijk zelfs
niet-ontvankelijkheid van het OM (einde zaak) (en ook mogelijk
een intern onderzoek naar deze 'misser')!!
Slechts in zéér uitzonderlijke gevallen zou een uitzondering
gemaakt kunnen worden op voornoemde regelgeving. Neem daarvoor
altijd contact op met de OvJ.
Zie uitgebreid (inclusief recente jurisprudentie) het zakboek
HulpOvJ en zakboekenpolitie.com en vertel het door!!!
Zakboek Opsporingsambtenaar 8.16 en 8.21
- Berekening van de verjaringstermijnen zedenmisdrijven
(9.7).
- Zie voor de berekening van de verjaringstermijnen ook
het op initiatief van en onder coördinatie van de
Politieacademie ontwikkelde programma op internet:
http://ecampus.politieacademie.nl/zeden.
- Besturen in de zin van art. 163,1 en 2 WVW (10.10)
- Onder ‘bestuurder’ in art. 163.1 en 2 WVW 1994 (ademanalyse)
moet worden verstaan: degene die ervan wordt verdacht als
bestuurder van een voertuig te hebben gehandeld in strijd met
art. 8 WVW 1994, onder wie is begrepen degene t.a.v. wie de
verdenking is gerezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan
een poging tot handelen in strijd met genoemd art. 8 WVW.
Voorgaande geldt mijns inziens ook voor de voorlopige
ademanalyse (art. 160.5), zie hierover het zakboek.
HR
11-12-07, LJN BB7658
- Onderzoek ex art. 8.2.a WVW 1994, ademanalyse door
niet-aangewezen opsp. ambt. (10.11)
- Art. 7 Besluit alcoholonderzoeken
1. Het ademanalyseapparaat wordt bediend door een opsp. ambt. als
bedoeld in art. 141 Sv, die daartoe door de betrokken korpschef,
bedoeld in art. 24, onderscheidenlijk 38 van de Politiewet 1993, of
de betrokken brigadecommandant van de Koninklijke marechaussee is
aangewezen.
2. Een aanwijzing als bedoeld in het 1e lid geschiedt slechts,
indien de betrokken ambt. heeft getoond de voor het bedienen van het
adem-analyseapparaat benodigde kennis en vaardigheden te bezitten.
Volgens de HR strekt het voorschrift van art. 7 Besluit
alcoholonderzoeken ertoe de juistheid te waarborgen van het
resultaat van een ademanalyse door de uitvoering van een dergelijk
onderzoek uitsluitend op te dragen aan opsporingsambtenaren die de
benodigde kennis en vaardigheden bezitten om het ademanalyseapparaat
te bedienen. Indien per ongeluk verzuimd is de opsporingsambtenaar
die wél beschikt over de voor het bedienen van het
ademanalyse-apparaat vereiste kennis en vaardigheden ook
daadwerkelijk aan te wijzen als bedienaar dan behoeft dat voor het
betreffend ademanalyseonderzoek niet fataal te zijn.
HR
02-10-07, LJN BA7952.
- Aangetroffen cocaïne in tas vliegtuigpassagier (10.22).
- Vastgesteld was
- dat de verdachte een tas nodig had;
- dat X, die zij van de straat kende, zei dat hij een goede tas
had die zij wel mocht lenen;
- dat zij die kleine tas van X heeft geleend en als ruimbagage
heeft ingecheckt en
- dat in die tas 491,3 gram cocaïne is aangetroffen (bij een
100%-controle, zie hierover de actualiteiten bij art. 8j
Opiumwet in 11.22). De HR overwoog vervolgens dat de verdachte,
die geen nadere informatie heeft kunnen of willen verstrekken
over X, voor de in-houd van de tas verantwoordelijk was, en dat
de verdachte, door zonder de tas grondig te controleren die tas
te vervoeren, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft
aanvaard dat zich in de bagage die zij meenam uit Curaçao
(waarvan bekend is dat het als uitvalsbasis dient voor
drugstransporten) cocaïne zou bevinden.
HR
02-10-07, LJN BA7911.
- Controlebevoegdheden toezichthouders (Douane) Opiumwet
(10.22)
- Art. 8j Opiumwet jo. art. 5:11 en 5:18 Awb biedt een toereikende
wettelijke grondslag voor de in het kader van de 100%-controle door de
douaneambtenaren uitgeoefende bevoegdheid de tas van verdachte te
onderzoeken. Voor de toepassing van de in art. 8j Opiumwet bedoelde
controlebevoegdheid is niet vereist dat sprake is van een verdenking ter
zake van enig strafbaar feit.
HR
02-10-07, LJN BA7911.
- Inwerkingtreding Algemene douanewet per 01-08-08 (nieuwe
par. 10.28 editie 2009)
- Per 01-08-08 is in werking getreden de nieuwe Algemene
douanewet. In deze wet zijn opgenomen:
1. zéér vergaande bevoegdheden/dwangmiddelen (zie par. 1.2.4:
Overige bepalingen inzake douane toezicht en douanecontrole),
bijv.
- betreden van plaatsen incl. woningen;
- onderzoek van goederen;
- monsterneming;
- stilhouden vervoermiddelen;
- doorzoeken;
- lijfsvisitatie;
- aanbrengen versperringen;
- gebruik geweld;
- veiligheidsfouillering;
- vordering identificatie;
- opening brieven (na machtiging RC);
- ibn.
Zie voor de voorwaarden voor toepassing van voornoemde
bevoegdheden/dwangmiddelen de Algemene douanewet.
2. heel veel (andere) van Sr en Sv afwijkende bepalingen (zie
bijv. hoofdstuk 10 en 11).
Zie verder overheid.nl > officiële publicaties > Staatsblad.
2008, 111 (wettekst), 112 (aanpassingswet) en 286 en 287
(inwerkingtreding).
Zie voor de Kamerstukken (MvT, enz.) eveneens overheid.nl >
officiële publicaties > publicatienummer 30580.
|