-
Algemene verbeterpunten / kennelijke
misstanden!!
-
Zoals ik in vanaf 2006 meermalen heb gemaild (zie
Nieuwsmail): uit de gepubliceerde
jurisprudentie blijkt tot mijn verbazing niet
alleen van een toenemend aantal verbeterpunten maar ook van
kennelijke misstanden waartegen de rechtgeaarde
opsporingsambtenaar en (hulp)OvJ zich met hand en tand moeten
verzetten.
Wat mij daarbij opvalt is dat rechters niet alleen een toenemende
belangstelling lijken te hebben voor de rechtmatige toepassing
van dwangmiddelen maar ook voor het waarheids- en
betrouwbaarheidsgehalte van afgelegde
getuigen/deskundigenverklaringen en pv's. En dat levert dan weer nieuwe
'verbeterpunten' op..... (een poreuze cirkel zouden Koot en Bie
zeggen).
Het gaat dan om de algemeen bekende punten als
- redenen van wetenschap (verdachte, getuige, opsp. ambt.,
deskundige);
- betrouwbaarheid van afgelegde verklaringen;
- consistentie van afgelegde verklaringen (niet tegenstrijdig);
- partijgetuigen;
- verwerking van verklaringen in het pv;
- confrontaties;
- de rechtmatige uitoefening van dwangmiddelen;
- betrouwbaarheid van het pv; - enz.
Zo worden bij twijfel de betreffende verklaringen van de
getuigen zondermeer aan de kant geschoven (ook zonder dat
daarover een verweer gevoerd wordt) of wordt er aanvullend
onderzoek bevolen (verhoor getuigen/politie). En ook de
confrontatie heeft ambtshalve de extra aandacht van de rechter.
In het bijzon-der de daarvoor geldende regels uit het 'besluit
toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek' (zie het
zakboek hulpOvJ 3.27). Tot slot lijkt het erop dat rechters
steeds meer ambtshalve geluid- en/of beeldopnamen op de zitting
zelf willen horen en/of zien (bijv. het verhoor van een
verdachte en/of getuige) teneinde zo te controleren of de
weergave daarvan in het pv wel klopt.
Anders gezegd: "na enkele pijnlijke lessen uit het
verleden is er bij politie en justitie grote aandacht ontstaan
voor en wordt intensief samengewerkt aan een verbeterplan voor
de opsporing en vervolging. Doel is onder meer te
bewerkstelligen dat in de opsporingsfase op zuivere wijze aan
waarheidsvinding wordt gedaan. Dit heeft onder meer geleid tot
het meer en ook meer imperatief registreren van verhoren van
verdachten, zodat het betrouwbaarheidsgehalte van die
verklaringen achteraf kan worden getoetst. In zijn algemeenheid
kan zonder meer worden aangenomen dat de kwaliteit van de
opsporing de laatste jaren enorm is vooruitgegaan. In de
incidentele gevallen zoals de onderhavige kan niet anders dan
een duidelijk signaal worden afgegeven, niet in de laatste
plaats ter bewaking van de integriteit van de opsporing in het
algemeen" (Rechtbank
Arnhem 08-08-07, LJN BB1668).
Hieronder heb ik een hyperlink opgenomen naar een overzicht
met daarin een verzameling van zeer leerzame uitgewerkte
uitspraken van rechters. Met hyperlink voor directe toegang naar
de uitspraak op rechtspraak.nl. Een deel had ik al eerder kort
'gepubliceerd' maar de omvang blijft gestaag groeien. Ik zal het
overzicht actueel houden. Het verdient zeer sterke aanbeveling
om goed kennis te nemen van de verwerkte jurisprudentie én deze
als verbeterpunt uit te dragen én te bewaken.
En ik weet het: het overgrote deel van de zaken verloopt
prima. Mijn complimenten daarvoor. Maar toch, het beeld dat
langzamerhand uit de jurisprudentie is ontstaan, stemt absoluut
niet tot vrolijkheid. Er zal de komende jaren nog veel werk
verricht moeten worden. En dan niet alleen middels structuurwijzigingen
en onderwijs. Ook de cultuur zal de nodige aandacht moeten
hebben. Leidinggevenden dienen daarbij het voorbeeld te geven.
Klik hier
voor het overzicht
Inmiddels is e.e.a. ook besproken in de wetenschappelijke
literatuur: Y. Buruma, 'Onprofessioneel politieoptreden', Delikt
en Delinkwent januari 2008, nr 8. Buruma (zeer gewaardeerd
hoogleraar) bespreekt een
aantal rechterlijke uitspraken (door mij ook weergegeven in
voornoemd overzicht) en plaatst een aantal kritische
kanttekeningen, zoals de volgende.
- Heel goed dat de rechter controleert, maar het optreden van de
politie stemt echt niet tot vreugde (MH: of zoals ik het
regelmatig formuleerde: hier worden wij niet vrolijk van).
- In sommige van de besproken gevallen was eigenlijk
persoonlijke vervolging op zijn plaats geweest (MH: ook het
geval geweest, zie het overzicht).
- Een enkele zaak roept de vraag op of we nog wel pv's van de
politie mogen vertrouwen als de basis ervan niet controleerbaar
is (MH: vertrouwen is ook gelet op mijn persoonlijke ervaringen
fors afgenomen).
- Uit een enkele zaak blijkt hoe problematisch het is dat in
feite politiefunctionarissen selecteren welke informatie
belangrijk genoeg is om aan de beslissende autoriteiten te leveren
(MH: ook herkenbaar uit mijn eigen politie-ervaringen). In het
licht van de lopende discussie over onterechte veroordelingen is
dit uiteraard zorgwekkend.
- Dat rechters kritischer worden op de dossiervorming kan dan
ook alleen maar met vreugde worden begroet.
- De indruk bestaat dat er ook een fundamenteel verschil van
inzicht is tussen wat feitenrechters juist vinden en wat er in
de praktijk gebeurt.
- Het is hoogst zorgwekkend dat het kan voorkomen dat de politie
ontlastend (CIE-)materiaal weglaat en kan weglaten.
- De politie doet het vaak goed (MH: helemaal mee eens). Het
komt soms voor dat je van mening kunt verschillen over de
creativiteit van agenten (en creatieve agenten zullen mij al
snel aan hun kant vinden) of dat het gaat om kleine misstappen.
Maar er doen zich ook schandelijke incidenten voor. Het is
belangrijk dat feitenrechters op die incidenten de vinger
leggen. Dat ze dat nog steeds blijken te doen is loffelijk. Maar
het is tegelijkertijd zorgelijk vast te moeten stellen dat die
rechters net iets te vaak incidenten blootleggen die niet anders
kunnen worden geduid dan als tekenen van onprofessioneel
politieoptreden. Geleidelijk aan beginnen we de gevolgen te zien
van het vrijwel afsterven van het juridisch onderwijs voor
politieambtenaren in opleiding (MH: én actualisering daarvan na
de opleiding in de praktijk): dat ze de regels niet meer kennen
is misschien nog weg te relativeren, maar de instelling van de
agenten in veel van de hiervoor gegeven voorbeelden baart
zorgen. Die instelling geeft blijk van onvoldoende rekenschap
van waar een professionele politie voor staat.
Anker roept zelfs op tot discussie over de afschaffing van art.
344 lid 2 (unieke bewijskracht pv van bevoegde
opsporingsambtenaar) (Nieuwsbrief Strafrecht 2008, nr. 1).
Zo, daar kunnen we het weer even mee doen.....Maar zoals altijd:
bedreigingen vormen ook kansen. En die moeten we met z'n allen
pakken. Ik zal u op deze plaats en via mijn
Nieuwsmail op de
hoogte houden van verbeterpunten en ontwikkelingen op dit
gebied.
-
Regeling hulpOvJ's 2008 (1.1)
-
Regeling hulpOvJ's 2008
-
Niet (meer) gecertificeerd hulpOvJ (1.1)
- Een hoofdinspecteur wiens certificaat hulpOvJ verlopen was
had een verdachte inverzekering gesteld. Daarover overwoog de
meervoudige strafkamer van de rechtbank Utrecht:
"De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de ivs onrechtmatig
is geweest en dat dit tot strafvermindering dient te leiden,
omdat het hulpOvJ-certificaat van de hoofdinspecteur die
verdachte in verzekering heeft gesteld, verlopen was. De
rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt
daartoe als volgt. Verdachte is in verzekering gesteld door een
hoofdinspecteur van politie. De rang van een hoofdinspecteur van
politie houdt automatisch in dat deze tevens een hulpOvJ is. Wel
moet deze hulpOvJ tijdig zijn of haar certificaten halen. Dit
laatste nu is niet gebeurd, maar houdt niets meer in dan een
administratieve omissie die in deze geen belang van verdachte
heeft geschaad en die geen consequenties heeft gehad ten aanzien
van de bewijsgaring."
Op de uitspraak lijkt mij nog wel wat af te dingen: lijkt meer
op de situatie van vóór de invoering van het hulpOvJ-certificaat,
waarbij het behalen van een bepaalde rang (bijv. hivp) voldoende
was. Ik ben dus benieuwd wat daar mogelijk in hoger beroep over
gezegd gaat worden, ik hou u op de hoogte.
Lijkt mij wél verstandig om de administratie inzake de
(verlenging van de) certificering in het korps goed te bewaken.
Rechtbank Utrecht 24-01-08, parketnummer 600715-07 (niet
gepubliceerd).
-
Verdachte? (2.1)
-
De omstandigheden genoemd in art. 27 lid 1 Sv
‘moeten naar objectieve maatstaven gemeten voldoende grond
opleveren voor de verdenking van het plegen van een strafbaar
feit. Of sprake is van een redelijk vermoeden wordt daarbij in
belangrijke mate aan de beoordelingsvrijheid van de opsp. ambt.
overgelaten. De feitenrechter moet derhalve nagaan of de opsp.
ambt., gemeten aan hetgeen ten tijde van zijn optreden bekend
was, tot de conclusie kon komen dat er sprake was van een
redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit’.
Aldus de PG in zijn conclusie (punt 4.6) onder
HR 03-06-08, LJN BC7921 (onder verwijzing naar Corstens, 5e
druk, p. 89) en overgenomen door HR.
-
Anonieme info en dwangmiddelentoepassing
(2.2)
-
Op dit gebied zijn de nodige veranderingen waar te nemen. Het
is van groot belang daarvan zeer goed kennis te nemen voor de toepassing
van dwangmiddelen!!
Hoofdregel: géén
dwangmiddelentoepassing op basis van uitsluitend anonieme
info. Altijd onderzoek doen naar een plusje (zie
bijgevoegde conceptparagraaf) en uitsluitend dwangmiddelen
toepassen bij het vinden van een plusje. Dit kan pas anders zijn
bij verdenking van een zeer ernstig misdrijf (of de angst
daarvoor) waarbij (verder) nader onderzoek onmogelijk is en
politieoptreden in redelijkheid geen enkel uitstel meer kan
dulden.
Als er na onderzoek géén plusje te vinden is (wat op zich als
ontlastend gezien zou kunnen worden) en er tóch een dwangmiddel
toegepast zou moeten worden: éérst overleggen met de OvJ en ook
hier als hoofdregel pas dwangmiddelen toepassen als (verder)
nader onderzoek onmogelijk is en politieoptreden in redelijkheid
geen enkel uitstel meer kan dulden.
Zie voor een mogelijke uitzondering op voornoemde hoofdregel bij
betrouwbare CIE-info de bijgevoegde conceptparagraaf 2.2.).
Uiteraard de gehele gang van zaken tijdig, juist én volledig
relateren in het pv!
Uitgebreid:
klik hier voor conceptparagraaf 2.2 editie 2009
-
Recent arrest HR (verwerkt in voorgaande notitie)
Casus
De AIVD was op 3 december gebeld door een onbekend gebleven
persoon die meldde dat er op een met name genoemd adres in een
met name genoemde plaats explosieven, handgranaten en wapens
aanwezig zouden zijn. Deze zouden zijn bedoeld voor een aanslag
op Hoog Catharijne voor januari. De betreffende tip was getoetst
en onderzocht door de AIVD, vervolgens door de rechercheofficier
in samenspraak met de districtsrecherche, de afdeling terreur,
en tenslotte door de districtsrecherche, afdeling zware
criminaliteit, zonder dat enige aanvullende belastende
informatie over het bewuste adres en zijn bewoner was gebleken
(MH: dat zou je als ontlastende omstandigheid kunnen zien). Het
hof was over de vervolgens ingestelde doorzoeking van
mening dat er onder deze omstandigheden (cursief MH) onvoldoende
grond was voor het ‘redelijkerwijs kunnen vermoeden’ dat op
voormeld adres wapens of munitie aanwezig waren. Gevolg:
bewijsuitsluiting van hetgeen bij de doorzoeking in beslag
genomen was (pistool, namaakpistool en een busje traangas) en
vervolgens vrijspraak bij gebrek aan ander bewijs.
HR De HR stelt vervolgens voorop dat een redelijk vermoeden van de
aanwezigheid van wapens en munitie als bedoeld in art. 49 WWM
kan worden aangenomen op basis van een anonieme melding. Maar
merkt ook op dat het Hof de aan de AIVD anoniem verstrekte
telefonische informatie uiteindelijk (cursief MH) onvoldoende
heeft geacht voor een redelijk vermoeden dat op het voormelde
adres wapens of munitie aanwezig waren en daarbij doorslaggevend
geacht dat die anoniem verstrekte informatie door de AIVD, de
rechercheofficier in samenspraak met de afdeling terreur van de
districtsrecherche en de afdeling zware criminaliteit van die
recherche is getoetst en onderzocht (waartoe ook de tijd was)
zonder dat van enige aanvullende belastende informatie is
gebleken (MH: zoals ik al opmerkte, dat zo’n diepgaand onderzoek
uiteindelijk niets oplevert zou je ook als ontlastende
omstandigheid kunnen zien). De HR laat vervolgens het oordeel
van het bewuste Hof in stand vanwege de verwevenheid met de aan
de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de
omstandigheden van het geval. E.e.a. zou mijns inziens mogelijk
anders zijn geweest als nader onderzoek en/of verificatie
onmogelijk was en politieoptreden in redelijkheid geen enkel
uitstel meer kon dulden.
En voor de diepgravers onder ons: de HR merkt ambtshalve nog
op dat het Hof kennelijk niet heeft onderzocht of de door hem
aan de onrechtmatigheid van de doorzoeking verbonden
bewijsuitsluiting in overeenstemming is met de maatstaven die
door de HR eerder zijn uiteengezet . Daarover werd echter niet
geklaagd bij de HR en dus ook niet over beslist... Zie over de
HR en de AIVD ook 3.56.
HR
11-03-08, LJN BB7662.
- Recent arrest hof 's-Hertogenbosch (eveneens verwerkt in
voorgaande notitie)
MMA melding inhoudende ‘[naam verdachte, anders gespeld] - een
Marokkaanse man - [adres] Helmond heeft een XTC-laboratorium in
huis. De tablettenmachine staat op de zolder van zijn woning. Op
dit moment heeft hij ongeveer 20.000 pillen klaarliggen’. Het
hof ’s-Hertogenbosch was hierover van oordeel ‘dat sprake is van
een melding die specifiek en gedetailleerd is, terwijl de
melding voorts zeer actueel is. Er heeft met betrekking tot de
naam van de in de MMA melding genoemde persoon een verificatie
plaatsgevonden in het GBA. Op grond hiervan is het hof van
oordeel dat toen en daar redelijkerwijze vermoed kon worden dat
sprake was van overtreding van de Opiumwet. Met betrekking tot
de toepassing van het specifieke dwangmiddel, het betreden van
de woning ter ibn, heeft het hof in de oordeelsvorming betrokken
dat het hier gaat om een ernstig misdrijf (harddrugs) waarbij
gesproken kan worden van gevaar voor de gezondheid van personen
indien deze harddrugs in het verkeer zouden komen. Ook heeft het
hof bij de beoordeling van de keuze voor dit dwangmiddel
betrokken dat de MMA melding inhield dat er sprake was van een
XTC laboratorium hetgeen als gevaarzettend kan worden
beschouwd.’ Overigens was bij controle van HKS naar voren
gekomen dat verdachte meerdere antecedenten had, zij het niet op
het gebied van de Opiumwet, maar dit speelde bij de overwegingen
van het hof kennelijk geen rol….. Kort na het binnentreden ter
ibn troffen de politieambtenaren voor de hand liggend op een
tafel een residu MDMA/MDA aan. Er vond vervolgens overleg met de
OvJ en RC plaats hetgeen ertoe leidde dat de RC een machtiging
ex art. 97 lid 2 en 3 Sv gaf. De daarop volgende door-zoeking
vond plaats onder leiding van een hulpOvJ. Aldus niet
onrechtmatig.
Hof
's-Hertogenbosch 01-07-08, LJN BD5851
-
Politie-info via MMA/CIE (2.2)
- Het staat de politie niet vrij al bij de recherche bekende
informatie, ter bescherming van de bron, te verdoezelen door
deze informatie alsnog anoniem te laten binnenkomen via MMA
en/of de CIE (en dat had de politie dan ook niet gedaan!).
'Verdachte heeft zich op 14 september 2006 op eigen initiatief
bij de politie gemeld, zijn identiteit kenbaar gemaakt en, na
ontvangst van de cautie, een verklaring afgelegd naar aanleiding
waarvan de verbalisant Nijman proces-verbaal heeft opgemaakt en
hem heeft geadviseerd, zijn voornemen om Apeldoorn te verlaten,
daadwerkelijk uit te voeren. De politie heeft daarbij nog
ondersteuning geboden door verdachtes situatie onder de aandacht
te brengen van de politie in de plaats waar verdachte
(voorlopig) zou gaan wonen. Nu verdachte echter heeft verkozen
te blijven wonen op zijn Apeldoornse adres en hij, anders dan de
politie, precies wist hoe de zaken zich daar ontwikkelden, valt
niet in te zien dat aan de politie verwijt kan worden gemaakt
van de voor verdachte onveilig gebleken situatie. Het verwijt
dat de politie door de door verdachte verstrekte informatie bij
proces-verbaal heeft vastgelegd in plaats van verdachte te
verwijzen naar M(eld) (M)isdaad (A)noniem en/of de CIE, miskent
dat het de politie nu juist niet vrijstaat al bij de recherche
bekende informatie, ter bescherming van de bron, te verdoezelen
door deze informatie alsnog anoniem te laten binnenkomen via MMA
en/of de CIE. Daarbij komt in dit geval nog, dat verdachte als
zodanig ook zelf in de onderhavige zaak betrokken was en
daardoor op dat moment geen voor de CIE bruikbare informatie kon
leveren.
Rechtbank
Zutphen 30-10-07, LJN BB7196.
-
Lokfiets (2.2)
- Geen rechtsregel verbiedt dat de politie, wanneer zij
concludeert dat iemand die haar ambtshalve als dief bekend is
veel belangstelling voor gestalde fietsen toont, een
onafgesloten fiets neerzet teneinde te zien of genoemde persoon
die fiets zal stelen. Met name is hiervoor niet vereist, dat ten
tijde van het plaatsen van die fiets al sprake is van een
redelijk vermoeden dat al een concreet strafbaar feit is
gepleegd.
Hof (niet gepubliceerd) maar weergegeven in een naar
de rechtbank terugverwezen zaak (wel gepubliceerd):
Rechtbank
Dordrecht 01-11-07, LJN BB6979.
Zie zonodig ook
Rechtbank
Dordrecht 02-01-07, LJN AZ5422.
Hetzelfde zal m.i. gelden voor vergelijkbare zaken zoals bijv.
een 'lok'-lcd-scherm in woning. Van belang bij
vorenstaande is dat de betreffende persoon niet gebracht wordt
tot het plegen van andere strafbare feiten dan waarop diens
opzet reeds tevoren was gericht (Talloncriterium, zie hierover
verder het zakboek Strafrecht 2.10).
-
Lokauto (2.2)
- Kort:
Inzet van lokauto als middel van opsporing (van autokrakers)
levert geen strijd op met bevoegdheden van politie tot
opsporing. Ook is niet aannemelijk geworden dat de verdachte
door die inzet is gebracht tot andere handelingen dan die,
waarop zijn opzet tevoren was gericht. Het gegeven dat de auto
door de politie is geprepareerd, geparkeerd en geobserveerd en
in die zin de politie de verdachte heeft gefopt is mogelijk niet
alledaags en kan in zoverre bijzonder worden genoemd, doch doet
aan deze conclusie niet af.
Uitgebreid:
'Op 10 maart 2006 te 20.00 uur is door de politie op de Plantage
Muidergracht te Amsterdam een personenauto geplaatst. De politie
heeft die auto voorzien van niet voor die auto afgegeven,
buitenlandse kentekenplaten. In deze afgesloten auto waren door
de politie onder meer een mobiele telefoon en een dummy van een
navigatiesysteem neergelegd c.q. aangebracht. Deze voorwerpen
waren van buiten die auto voor passanten zichtbaar. Tegenover
deze auto is door de politie een observatiepost geplaatst en
bemand. Ongeveer twintig minuten nadat deze auto ter plaatse was
geparkeerd, is door de verdachte een ruit van de auto vernield
en heeft hij het navigatiesysteem weggenomen. De verdachte is
terstond aangehouden. De politie is tot de inzet van deze auto
overgegaan met het oog op het grote aantal gepleegde inbraken
uit auto’s op de Plantage Muidergracht (en naar het hof
aanneemt: ook de directe omgeving van die gracht). Als doel van
deze actie is in het proces-verbaal van relaas vermeld: het
verminderen van voertuigcriminaliteit. De officier van justitie
heeft aan de politie voor de uitvoering van deze actie
toestemming verleend. Het hof zal in navolging van de politie de
term lokauto bezigen.
Gegeven de veelheid van gepleegde autokraken op en nabij de
plaats waar de lokauto door de politie is geplaatst en het
vorenweergegeven doel van de inzet van de lokauto, moet worden
aangenomen dat de politie de aanhouding op heterdaad van een
autokraker heeft beoogd.
Gelet op wat de ervaring leert met betrekking tot autokrakers
-in de regel gaat het om lieden die dit soort van feiten bij
herhaling plegen- en met betrekking tot autokraken -in de regel
gaat het om ergerlijke misdrijven waarvan de daders slechts
moeizaam kunnen worden geïdentificeerd-, getuigt de inzet van de
lokauto van een zekere creativiteit in de opsporing. Immers,
degene die overeenkomstig een daartoe genomen besluit de lokauto
kraakt, laadt niet slechts de verdenking op zich -onder het
toeziend oog van de politie- een misdrijf te hebben begaan, maar
laadt daardoor tevens de verdenking op zich dat hij zich daaraan
eerder heeft bezondigd. Aldus wordt de inzet van de lokauto
gelegitimeerd door in elk geval het belang dat bestaat bij de
zeer grote pakkans van een autokraker, van wie in redelijkheid
mag worden aangenomen dat hij zich niet voor het eerst op of
nabij die locatie aan een autokraak schuldig maakt.
Gegeven de aan de politie opgedragen taken -de opsporing van
strafbare feiten als ook de aan artikel 2 van de Politiewet 1993
te ontlenen taakstelling- valt niet in te zien dat de politie
met de inzet van de lokauto in het onderhavige geval aan een
rechtsregel is voorbij gegaan.
Daartoe overweegt het hof in het bijzonder dat de hier aan de
orde zijnde inzet van de lokauto als middel van opsporing geen
strijd oplevert met de in boek I van het Wetboek van
Strafvordering neergelegde regeling van bijzondere bevoegdheden
tot opsporing, terwijl evenmin aannemelijk is geworden dat de
verdachte door die inzet is gebracht tot andere handelingen dan
die, waarop zijn opzet tevoren was gericht. Het gegeven dat de
auto door de politie is geprepareerd, geparkeerd en geobserveerd
en in die zin de politie de verdachte heeft gefopt is mogelijk
niet alledaags en kan in zoverre bijzonder worden genoemd, doch
doet aan deze conclusie niet af.
Overigens is niet aannemelijk geworden dat de verdachte doordat
de politie op de lokauto buitenlandse kentekenplaten heeft
aangebracht -indien al in strijd met de wet- is geschonden in
een rechtens te respecteren belang.
Evenmin kan -in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen
ten aanzien van de frequentie, aard en ernst van autokraken en
de in de regel moeizame opsporing van de daders van deze
misdrijven- met vrucht kan worden gesteld dat door de politie
onder gezag van de officier van justitie in het onderhavige
geval voorbij is gegaan aan de in acht te nemen beginselen van
subsidiariteit en proportionaliteit.'
Hof Amsterdam 28-06-07, LJN BC4796. (pas
gepubliceerd op 20-02-08)
-
Lokwoning (2.2)
- Bijv. door een zicht lcd-scherm achter woonkamerraam. Zal
gelet op voorgaande jurisprudentie (lokfiets en lokauto) als regel niet onrechtmatig
zijn.
-
Verdachte? (2.2)
- Verbalisanten krijgen melding van straatroof terwijl ze (met
hun kennis, ervaring en locale bekendheid) een drietal mannen
gedurende een korte tijdsspanne reeds waarnemen die hollen,
elkaar iets laten zien, daarover plezier hebben en iets
verstoppen bij een auto, komend uit de richting van plaats
delict. ‘Gelet op de zeer korte tijdspanne waarbinnen de
gebeurtenissen elkaar opvolgen, het door de verbalisanten
geobserveerde gedrag van de drie mannen, onder wie de verdachte,
en de kennis en ervaring waarover verbalisanten die werkzaam
zijn in de stad Amsterdam, naar algemene ervaringsregels leren,
beschikken, was er naar het oordeel van het hof om 4:50 uur
voldoende aanleiding om hen staande te houden ter vaststelling
van hun identiteit. Gelet op de melding via de portofoon van een
straatroof die kort voor die tijd zou hebben plaatsgevonden in
het gebied waar de mannen vandaan kwamen en gelet op het daarbij
doorgegeven signalement van de daders, was er naar het oordeel
van het hof om 4:50 uur vervolgens, gegeven alle inmiddels
bekende feiten en omstandigheden, sprake van een redelijke
verdenking van schuld in de zin van art. 27 Sv aan diefstal met
geweld en is de verdachte mitsdien rechtmatig aangehouden. Zie
nog uitgebreider het arrest. E.e.a. mede dankzij goede
relatering in pv bevindingen!!
Hof Amsterdam 09-05-08, LJN BD1817.
-
Processtukken (2.8)
- Omschrijving en kennisneming (ook van stukken
die géén processtukken zijn) (2.8)
- 'In het dossier dienen te worden gevoegd stukken die
redelijkerwijze van belang kunnen zijn hetzij in voor de
betrokkene ongunstige hetzij in voor hem gunstige zin. (...) Indien de verdediging de betrouwbaarheid of rechtmatigheid
van de verkrijging van enig bewijsmiddel aanvecht, brengen
beginselen van een behoorlijke procesorde mee dat de verdediging
in beginsel ook de kennisneming van voor de beoordeling daarvan
van belang zijnde, niet tot de processtukken behorende,
documenten niet mag worden onthouden’. In het betreffende geval
kon desalniettemin toch in het kader van een belangenafweging de anonieme brief die
niet bij het dossier gevoegd was toch ter kennisneming worden
onthouden.
HR
22-01-08, LJN BA7648.
- EHRM (2.8)
- Ook het EHRM ‘erkent dat strafvorderlijke onderzoeken
effectief dienen te worden uitgevoerd, hetgeen met zich mee kan
brengen dat daarin vergaarde informatie gedeeltelijk kan worden
afgeschermd in verband met collusiegevaar. Dit legitiem doel kan
evenwel niet worden nagestreefd indien daarbij de rechten van de
verdediging substantieel worden beperkt. Informatie die
essentieel is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de
voorlopige hechtenis dient op geschikte wijze ter beschikking
van de raadsman (MH: verdediging) te worden gesteld. ’
EHRM 13-12-07, NJB 2008, 500 (Mooren tegen Duitsland).
-
Omschrijving en foto's van Foslo (2.8)
- In de onderhavige zaak draait het om de vraag of de
verzochte stukken - de foto's die zijn gebruikt bij de
foslo-confrontatie - moeten worden aangemerkt als processtukken
en als zodanig aan het dossier dienen te worden toegevoegd.
Processtukken zijn die stukken die door de opsporende en
vervolgende instanties aan het dossier worden of dienen te
worden toegevoegd. De verdachte heeft recht op kennisneming van
die stukken die redelijkerwijze van belang kunnen zijn in voor
verdachte belastende of in voor hem ontlastende zin, hetzij van
belang zijn bij de beoordeling van de rechtmatigheid of
betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal of anderszins van belang
zijn voor beantwoording van een van de vragen van de art. 348 en
350 Sv.
Op grond van het bepaalde in art. 30 lid 2 Sv kan, indien het
belang van het onderzoek dit vordert, de verdachte de
kennisneming van bepaalde processtukken onthouden worden
Onthouding van processtukken is alleen dan gerechtvaardigd
indien ernstig is te vrezen dat de verdachte door kennisneming
van de stukken de waarheidsvinding zou kunnen belemmeren.
De Rechtbank stelt voorop dat een beslissing tot het onthouden
van processtukken slechts met terughoudendheid kan worden
genomen vanwege de zeer ingrijpende - zij het tijdelijke -
aantasting van de rechten van de verdediging. Een behoorlijke
procesgang brengt immers met zich dat een verdachte kennis moet
kunnen nemen van de processtukken teneinde de verdediging daarop
te kunnen baseren.
De Rechtbank zal in de eerste plaats dienen te beoordelen of de
foto's die zijn gebruikt bij de foslo-confrontatie kunnen worden
aangemerkt als ''processtukken'' in de hierboven weergegeven
zin.
In de wet is niet gedefinieerd wat onder het begrip
processtukken dient te worden verstaan. Naar het oordeel van de
Rechtbank dient daaronder in ieder geval te worden verstaan het
bewijsmateriaal dat in de vorm van een wettig bewijsmiddel het
resultaat van het opsporingsonderzoek bevat, alsmede de stukken
of voorwerpen die voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van
dat bewijsmiddel nodig zijn. In de onderhavige zaak overweegt de
Rechtbank dat als wettig bewijsmiddel is toegelaten een op
ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, waarin de
uitkomst van een foslo-confrontatie is neergelegd. Bij een
dergelijke confrontatie worden verscheidene portretfoto's,
waaronder die van de verdachte, aan de aan de confrontatie
deelnemende persoon voorgelegd. De Rechtbank is met de
raadsvrouw van oordeel dat het voor een beoordeling van de
betrouwbaarheid van het bewijsmiddel - het proces-verbaal van de
uitkomst van de foslo-confrontatie - voor de verdediging en de
Rechtbank van belang is dat kennis genomen kan worden van de
foto's die zijn voorgehouden. Immers, alleen op die wijze kan
worden beoordeeld of alle op de verschillende foto's afgebeelde
personen voldoen aan het signalement van de verdachte. Reeds
gelet hierop dienen de aan het proces-verbaal van de uitkomst
ten grondslag liggende foto's als processtukken in bovenvermelde
zin te worden aangemerkt.
In de tweede plaats zal de Rechtbank beoordelen of er afdoende
redenen zijn de verdachte de kennisneming van deze processtukken
te onthouden.
De Rechtbank stelt vast dat de officier van justitie als reden
voor het niet verstrekken van de gevraagde foto's uitsluitend
het privacybelang van de daarop afgebeelde personen heeft
gesteld. Enig onderzoeks- of collusiebelang is niet gesteld.
Gelet hierop kan de weigering van de officier van justitie om de
foto's aan het dossier toe te voegen niet zijn gebaseerd op art.
30 lid 2 Sv.
De Rechtbank merkt nog het volgende op. Dat aan de raadsvrouw is
aangeboden de foto's op het politiebureau in te zien is
onvoldoende. Nu de foto's als processtukken moeten worden
aangemerkt, dienen deze aan het strafdossier te worden
toegevoegd.
Ter zake van het door de officier van justitie gestelde
privacybelang overweegt de Rechtbank nog het volgende. Gelet op
de nadere toelichting ter zitting vreest de officier van
justitie dat de betreffende foto's in bredere kring,
bijvoorbeeld via internet, kunnen worden verspreid. De Rechtbank
overweegt dat zij het afdoende aannemelijk acht dat de personen
op de foto's bekend zijn met het doel waarvoor de foto's worden
gebruikt, namelijk in het kader van een strafrechtelijk
onderzoek. Verstrekking (van afschriften) daarvan aan de
verdediging en de Rechtbank is een ten tijde van de opnames
voorzienbaar gebruik. Daarenboven betreft het uitsluitend
portretfoto's zonder aanvullende identificerende gegevens zoals
een naam of (woon)adres. Gelet op het vorenstaande is de
Rechtbank van oordeel dat het gestelde privacybelang van
onvoldoende gewicht is om toevoeging van (afschriften van) de
foto's aan het dossier te blokkeren, daargelaten dat het
bepaalde in art. 30 lid 2 Sv de officier van justitie daartoe
geen ruimte laat.
Voor zover de officier van justitie nog heeft opgemerkt dat het
Amsterdams parket om meer principiële redenen nimmer
(afschriften van de) foto's van de foslo-controntatie verstrekt,
merkt de Rechtbank op dat aan die principiële stellingname -
blijkbaar - niet strikt de hand wordt gehouden, gelet op de door
de raadsvrouw in raadkamer genoemde voorbeelden van zaken waarin
wel foto's werden verstrekt en gelet op het feit dat de
Rechtbank in andere zaken ook dergelijke foto's in dossiers van
het Amsterdams parket heeft aangetroffen.
NS 08, 131 (niet op rechtspraak.nl).
-
Klik
hier voor herschreven conceptparagraaf voor zakboek 2009
-
Ontbreken tolk bij verhoor: bewijsuitsluiting (2.9)
- De rechtbank komt tot uitsluiting van het bewijs van
alle verhoren van verdachte bij de politie vanwege het
ontbreken van een tolk tijdens deze verhoren.
Rechtbank Groningen 13-09-07, LJN BB4076.
-
Zwijgen gebruikt bij bewijsoverwegingen (Samir A) (2.9)
- Verdachte was zowel door de rechtbank Rotterdam als het hof
te 's-Gravenhage vrijgesproken van de ten laste gelegde voorbereiding.
De HR (HR
20-02-07, LJN AZ2013) kon zich daar niet in vinden en verwees de
zaak naar het hof Amsterdam. Dat hof is van oordeel dat de in 2004 in de
woning van verdachte aangetroffen stoffen en informatiedragers kennelijk
bestemd waren voor het plegen van een aanslag op één of meer
(overheids)gebouwen. De aangetroffen objecten verkrijgen een
strafwaardig karakter en betekenis in hun onderlinge samenhang. Hoewel
de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen op zichzelf in het
stadium waarin deze werden aangetroffen (nog) niet in alle opzichten
geschikt waren om een dergelijke aanslag te plegen, waren zij daartoe in
deze voorbereidende fase wel kennelijk bestemd in de zin van art. 46 Sr.
Daarbij betrok het hof ook het zwijgen van de verdachte in de
bewijsoverwegingen: 'het zwijgrecht betreft een van de elementaire
rechten van de verdachte in het strafproces; een beroep op dit recht kan
nimmer aan de verdachte worden tegengeworpen. De rechter is evenwel vrij
om, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in
samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd
redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem
tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende,
verklaring geeft of heeft gegeven, dit in zijn overwegingen omtrent het
gebezigde bewijsmateriaal te betrekken (MH: zie HR 15-06-04, LJN AO9639,
14-03-06, LJN AU5496, 05-12-06, LJN AZ0651 en NJ 2002, 567). Het hof
laat het ontbreken van een verklaring van de verdachte op dit punt dan
ook meewegen bij de waardering van het voorhanden zijnde bewijs.'
Hof Amsterdam 17-09-07, LJN BB375
-
Schending pressieverbod (vrijspraak poging
tot moord) (pressieverbod) (2.9)
- 'In het dossier bevinden zich diverse pv's waarin de
verhoren van de verdachte op schrift zijn weergegeven. Deze
verhoren zijn tevens vastgelegd op DVD. Het hof heeft delen uit
deze DVD’s bekeken. Verder zijn alle op DVD opgenomen verhoren
woordelijk uitgeschreven. T.a.v. de verhoren van de verdachte is
het volgende gebleken. De verdachte is verspreid over een
vijftal dagen twaalfmaal verhoord. Tijdens de verhoren hebben de
verbalisanten veelvuldig gebruik gemaakt van suggestieve en
sturende vraagstellingen. Zo werd het onderwerp ‘benzine’ ter
sprake gebracht door de verdachte op 11 januari 2006. Aan de
verdachte werd gevraagd wat hij bij Karwei had gekocht. Het
antwoord van de verdachte was dat hij alleen lampjes had
gekocht. Vervolgens werd gevraagd of de verdachte zeker wist dat
hij geen brandbare middelen had gekocht. De verdachte ontkende
en voerde toen aan zeker geen benzine te hebben gekocht. De
reactie hierop van de verhorende verbalisanten was dat dit
daderkennis was. Verder is door de verbalisanten herhaaldelijk
op een bijkans manipulatieve wijze benadrukt dat de verdachte
psychisch ziek zou zijn. Zo hield een van de verbalisanten de
verdachte, nadat deze zich vertwijfeld had afgevraagd waarom hij
het gedaan zou hebben, voor: “omdat je ziek bent”.'
Het hof acht de hiervoor omschreven wijze van verhoor
ongeoorloofd en in strijd met het pressieverbod zoals dit is
neergelegd in art. 29 Sv. (Net?) geen niet-ontvankelijkheid maar
wel vrijspaak door uitsluiting aanvankelijke bekentenis van
verdachte.
Hof 's-Hertogenbosch 04-03-08, LJN BC5638
-
Schending pressieverbod (vrijspraak dubbele
moord/doodslag) (2.9)
-
Kort:
Verdachte was tenlastegelegd dat zij haar
kinderen door middel van messteken om het leven zou hebben
gebracht. De rechtbank spreekt verdachte vrij van de dubbele
moord/doodslag. De rechtbank komt tot deze conclusie op grond
van het volgende:
1. De twee door verdachte afgelegde bekentenissen zijn naar het
oordeel van de rechtbank respectievelijk onrechtmatig verkregen
(22 juni 2006) en onvoldoende betrouwbaar verkregen (29 juni
2006);
2. Het technisch onderzoek levert onvoldoende bewijs op dat
verdachte haar kinderen heeft gedood en;
3. De stelling van verdachte dat (de onbekende) de kinderen
heeft gedood kan niet worden uitgesloten.
Meer uitgebreid:
'Op 22 juni 2006 had verdachte slechts een week daarvoor haar
twee jonge kinderen verloren, zij is vrijwel direct aangehouden
en zat sindsdien in volledige beperkingen, zij wist niet of zij
de crematie van haar kinderen zou mogen bijwonen en zij had
eerst op 22 juni 2006 gehoord dat zij op die dag afscheid mocht
nemen van haar kinderen. Zij is direct voorafgaande aan dit
laatste afscheid van haar kinderen op intimiderende wijze
benaderd en haar zijn niet bevestigde dan wel onjuiste gegevens
als vaststaande feiten voorgehouden. Na terugkomst uit het
rouwcentrum is verdachte wederom langdurig en zonder advocaat op
een sturende wijze verhoord. Dit alles maakt, bezien in het
licht van de jeugdige leeftijd en de persoonlijkheid van
verdachte, zoals die uit het onderzoek door de
gedragsdeskundigen, waaronder het Pieter Baan Centrum, is
gebleken, dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte op 22
juni 2006 onder een dermate druk heeft gestaan, dat niet gezegd
kan worden dat zij haar bekennende verklaringen in vrijheid
heeft afgelegd.
Op grond van het bovenstaande neemt de rechtbank de bekennende
verklaring van verdachte, afgelegd op 22 juni 2006, niet mee als
bewijs.
Verklaring 29 juni 2006: Na haar bekentenis van 22 juni 2006
zijn de beperkingen opgeheven. Tussen 22 en 29 juni 2006 is
verdachte niet gehoord. Zij is niet bezocht door haar raadsman.
Voor zover de rechtbank in het dossier kan zien heeft er geen
onderzoek plaats gevonden in die periode. De kinderen zijn in de
tussenliggende periode gecremeerd. Verdachte is daarbij aanwezig
geweest. Op 29 juni 2006 heeft hetzelfde verhoorkoppel dat haar
op 22 juni 2006 heeft verhoord, haar wederom verhoord, nu in
aanwezigheid van haar raadsman.
Verdachte heeft steeds - met uitzondering van de hierboven
gerelateerde bekentenis op 22 juni 2006 - verklaard, dat zij
zich van de betreffende nacht, vanaf het moment dat een derde
persoon haar woning binnenkwam niets, of in elk geval heel
weinig, kan herinneren. In het verhoor van 29 juni 2006 heeft
verdachte opnieuw een verklaring afgelegd over de wijze waarop
zij de kinderen zou hebben gedood. De rechtbank kan zich niet
aan de indruk onttrekken dat de veelvuldige en sturende verhoren
voor verdachte, vanwege haar zwakke identiteit, zo indringend
zijn geweest, dat zij het scenario, dat verbalisanten haar op de
22ste juni 2006 hebben aangereikt, is gaan inkleuren en aldus
heeft geleid tot de bekennende verklaring van de 29ste juni
2006. De rechtbank acht voorts de weinige details die verdachte
in haar verklaring van 29 juni 2006 beschrijft niet dermate
specifiek, dat uit die details daderkennis mag worden afgeleid.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de verklaring
van verdachte van 29 juni 2006 onvoldoende betrouwbaar om als
bewijsmiddel te hanteren.'
Zie uitgebreid het vonnis zelf.
Rechtbank Haarlem 09-11-07, LJN BB7483
-
Plichten van de verdachte / gebruik van verklaring die een
burger (kentekenhouder) verplicht was af te leggen (2.16)
- Het beginsel dat men zichzelf niet hoeft te belasten (én het
zwijgrecht) zijn niet absoluut. Van belang is ondermeer de aard
en mate van de toegepaste dwang bij de bewijsverkrijging. In het
betreffende geval ging het om kentekenhouders die verplicht
werden de identiteit van de bestuurder op het moment van de
snelheidsovertreding bekend te maken. Eigendom en gebruik van
voertuigen (net als vuurwapens) kunnen ernstig lichamelijk
letsel veroorzaken. Degenen die er voor kiezen voertuigen te
houden en besturen kunnen worden geacht bepaalde
verantwoordelijkheden en verplichtingen te hebben aanvaard. De
uitgeoefende dwang was ook beperkt: het betrof alleen relevante
delicten en de identiteit van de bestuurder. De strafbedreiging
was niet aanzienlijk en niet vrijheidsbenemend. Bovendien was in
de betreffende wetgeving opgenomen dat het niet opgeven van de
identiteit van de bestuurder niet strafbaar is als de
kentekenhouder aantoont dat hij niet weet of redelijkerwijs kon
weten wie de bestuurder was. Daarnaast kan een opgave niet de
uitsluitende basis voor een veroordeling zijn (maar moet er
aanvullend bewijs zijn: zoals in het betreffende geval een foto
van de overtreding).
EHRM 29-06-07, NJB 2007,1689 (O’Halloran en Francis tegen het VK).
- Zedenzaak: handelen in strijd met Aanwijzing opsporing en
vervolging inzake seksueel misbruik: vrijspraak (3.13)
- 'De rechtbank constateert dat niet vast is komen te staan dat de
opsporing is geschied door een deskundige rechercheur die voor 50% van
een volledige werkweek is belast met de behandeling van zedenzaken.
Eveneens is niet vast komen te staan dat [slachtoffer]'s moeder, die
later als getuige is gehoord, slechts aanwezig is geweest bij het
informatieve gesprek met [slachtoffer] daar waar het de uitleg van de
procedure betreft. De aanwezigheid van een vertrouwenspersoon bij het
informatieve gesprek wordt, blijkens de Aanwijzing, onwenselijk geacht.
Ook [getuige], die later is gehoord in het kader van de namens haar
gedane aangifte, is aanwezig geweest bij dit gesprek. Verder is de
zedenaanspreekofficier niet in de zaak betrokken. Ten slotte is gebleken
dat de gemaakte bandopnamen niet volledig zijn en derhalve niet
controleerbaar.'
'De rechtbank stelt vast dat (...) de opsporingsambtenaren in de
onderhavige strafzaak niet conform de regels zoals neergelegd in de
Aanwijzing hebben gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat het niet
naleven van deze Aanwijzing niet zonder consequenties kan blijven. Er is
immers in de onderhavige zaak niet gehandeld met de in zedenzaken,
overeenkomstig de genoemde Aanwijzing, vereiste zorgvuldigheid, terwijl
de geconstateerde verzuimen niet meer kunnen worden hersteld. Dit
betekent dat na te noemen onderdelen van het dossier als onvoldoende
controleerbaar op hun bewijskracht van het bewijs zullen worden
uitgesloten. Het proces-verbaal van de aangifte van [slachtoffer] tegen
verdachte d.d. 25 juni 2007 (p. 94) wordt van het bewijs uitgesloten.
Dit betreft een uitwerking van een op band opgenomen verhoor. Gebleken
is dat dit verhoor niet geheel op band is opgenomen en derhalve niet
controleerbaar is. Ook de getuigenverklaring van de moeder van
aangeefster wordt, omdat zij bij het informatieve gesprek aanwezig is
geweest en niet valt uit te sluiten dat tijdens dit gesprek over de
inhoud van de zaak is gesproken en niet slechts over de formaliteiten,
van het bewijs uitgesloten. Bovendien heeft zij slechts kunnen verklaren
over hetgeen aangeefster aan haar heeft verteld. Voorts stelt de
rechtbank vast dat de dossiers van verdachte en zijn vader niet zijn
gevoegd, zodat de inhoud van het dossier van zijn vader -die bij
uitspraak van heden door deze rechtbank van het hem tenlastegelegde
seksueel misbruik is vrijgesproken- eveneens niet tot het bewijs
gebezigd kan worden.'
Bewijsuitsluiting en vervolgens vrijspraak wegens onvoldoende bewijs.
Rechtbank
Groningen 25-03-08, LJN BC7524.
Zie eerder ook
Rechtbank
Middelburg 02-04-07, LJN BA2579 en
Rechtbank
Leeuwarden 03-01-08, LJN BC1128.
-
Zedenzaak: wijze van verhoor en weergave in
pv: niet ontvankelijkheid (2.9 en 3.14)
-
De verhorende ambtenaren hebben door de wijze
van verhoor en vervolgens de weergave van het verhoor in het pv
de grens van rechtmatigheid overschreden. Verhoorders hebben verdachte, gelet op zijn geestvermogens en mede gelet op de aard
van het delict, niet in alle vrijheid laten verklaren.
Vervolgens is de weergave van dit verhoor ook nog eens op
misleidende wijze verwoord. Hierdoor is het OM de kans ontnomen
om tot een eerlijke afweging omtrent vervolging te komen. Gezien
de combinatie en samenhang van deze omstandigheden is sprake van
een zodanige strijd met de beginselen van behoorlijke
procesorde, dat niet volstaan kan worden met bewijsuitsluiting
of strafverlaging en wordt het OM niet ontvankelijk verklaard in
zijn vervolging (MH: einde zedenzaak).
Rechtbank Arnhem 06-03-07, Nieuwsbrief Strafrecht 2007-180 (niet
op rechtspraak.nl).
- Aangeefster gebruikt op politiebureau door politie verstrekte
cocaïne, niet ten spoedigste opmaken pv, geen volledige en een niet
geheel juiste opening van zaken geven (3.14)
- 'In het aan de Rechtbank voorgelegde strafdossier bevindt
zich een pv van bevindingen van 6 januari 2005 van de
verbalisanten A en B. Door de
behandelend OvJ is toen tevens overgelegd een notitie
van 6 januari 2005 van de RC mr. C en een pv van 10 januari 2005 van de
OvJ mr. D. Op grond van de in deze stukken gegeven informatie heeft de
Rechtbank bij vonnis van 24 februari 2006 het OM
ontvankelijk verklaard in de vervolging gelet op de ernst van het
vermoedelijk gepleegde strafbare feit en in aanmerking genomen dat de
verdachte niet in enig te respecteren belang was geschaad. Bij de
behandeling van het hoger beroep zijn alle voornoemde personen en
verbalisant E over een en ander als getuige gehoord.
Op grond van vorenstaande is het Hof tot het volgende oordeel gekomen.
Eerst kort vóór de eerste behandeling van de strafzaak bij de Rechtbank
op 8 februari 2005 is door de verbalisanten bij pv gemeld
dat aangeefster - die zwaar verslaafd was en wier aanwezigheid ten
behoeve van het in te stellen opsporingsonderzoek en het veilig stellen
van sporen gedurende langere tijd noodzakelijk werd geacht - in de
gelegenheid was gesteld een- of meermalen met een haar ter beschikking
gestelde diensttelefoon contact op te nemen met een persoon die cocaïne
zou kunnen komen brengen. Bovendien werd gerelateerd dat het betrokkene
niet was toegestaan die cocaïne in of nabij het bureau te gebruiken.
Uit de getuigenverklaringen van 27 september 2007 respectievelijk 9
januari 2008 is gebleken dat voornoemd pv onvolledig en
onjuist is. Immers, door de getuige E is verklaard dat zij op 3
november 2004 in de vroege ochtend op bureau Karnebeek een bolletje
kennelijk bevattende cocaïne in ontvangst heeft genomen en naar
aangeefster heeft gebracht die het vervolgens in een oponthoudkamer van
het bureau heeft gebruikt. Voorts is door de getuigen A en B verklaard dat aangeefster ten tijde van het opnemen van de
aangifte op 4 november 2004 in de gelegenheid is gesteld door haar zelf
meegenomen cocaïne buiten aanwezigheid van verbalisanten doch op het
bureau te gebruiken.
Aldus is gehandeld in strijd met het bepaalde in art. 152 Sv. Weliswaar
is - echter eerst na herhaald aandringen van de behandelend OvJ - een pv opgemaakt doch in deze verslaglegging is
geen volledige en een niet geheel juiste opening van zaken gegeven.
Bovendien is er in casu sprake van meerdere door de verbalisanten
gepleegde strafbare feiten, immers telkens een schending van de in de
Opiumwet gegeven verbodsnormen.
Daarbij komt dat de op 3 november 2004 dienstdoende OvJ - die ervan op de hoogte was dat er iemand van buiten cocaïne
naar het bureau zou komen brengen ten behoeve van aangeefster - op geen
enkele wijze hier corrigerend is opgetreden jegens de verbalisanten.
Het vorenstaande leidt allereerst tot de gevolgtrekking dat sprake is
van een ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke
procesorde waardoor - minst genomen - met grove veronachtzaming van de
belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces is
tekort gedaan. Immers als de verbalisanten niet zowel op 3 als op 4
november 2004 met overtreding van de Opiumwet aangeefster ter
beschikking hadden gehouden van het onderzoek, was vermoedelijk noch de
verdachte aangehouden kunnen worden noch was het tot het opnemen van een
aangifte gekomen, nog daargelaten in hoeverre het cocaïnegebruik de
inhoud van de verklaring(en) van aangeefster heeft beïnvloed.
Naar het oordeel van het Hof is voorts tevens sprake van een zodanig
fundamentele inbreuk dat die - los van de vraag of de verdachte in zijn
belangen is geschaad - tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM in zijn vervolging dient te leiden. Het Hof neemt hierbij met
name in aanmerking dat de gemeenschap een wezenlijk belang heeft bij
eerlijke en volledige verbalisering door de politie, goede invulling van
diens verantwoordelijkheid voor de opsporing door het OM, en juiste informering van de rechter.
Het Hof is allesoverziend van oordeel dat de niet-ontvankelijkheid van
het OM in de strafvervolging van de verdachte wat
betreft het bij dagvaarding I onder 2 tenlastegelegde dient te volgen.
Einde zaak.
Hof 's-Gravenhage 21-02-08, NS 2008, 126 (niet op rechtspraak.nl).
-
Niet-ontvankelijkheid OM wegens geantedateerd
aanwijzingsbesluit ademanalyse opsp. ambt. (3.10 en 3.14)
- Het aan het dossier toegevoegde aanwijzingsbesluit opsp.
ambt. ademanalyse kan niet worden aangemerkt als een
rechtsgeldig aanwijzingsbesluit. De rechter is van oordeel dat
het niet anders kan dan dat de handtekening op dat
aanwijzingsbesluit niet van de directeur bedrijfsvoering is, dan
wel dat de datum 11 november 1999 onjuist is. Niettegenstaande
de omstandigheid dat het document van de politie is uitgegaan
moet dit aan het OM worden toegerekend, nu dit de integriteit
van de opsporing in de kern raakt. Rechter acht het opstellen
van een dergelijk document en voorts het in de strafzaak tegen
verdachte inbrengen daarvan, zodanig in strijd met beginselen
van een behoorlijke procesorde dat dit niet anders dan tot
niet-ontvankelijkheid van het OM moet leiden. Einde strafzaak.
Hof
's-Hertogenbosch 28-09-07, LJN BB4852.
-
Niet-ontvankelijkheid OM wegens tegenstrijdigheden in pv en onder ede afgelegde verklaringen
van opsporingsambtenaren (3.10 en 3.14)
- In de betreffende zaak ging het om de rechtmatigheid van een
doorzoeking. In de pv's en onder ede afgelegde verklaringen bij
de RC waren over de feitelijke gang van zaken met betrekking tot
die doorzoeking volgens de rechtbank onverklaarbare
tegenstrijdigheden opgenomen.
De rechtbank is van oordeel dat in op ambtseed opgemaakte pv's
en onder ede afgelegde verklaringen van opsporingsambtenaren
zeker over voor de juridische beoordeling essentiële onderdelen
geen onverklaarbare tegenstrijdigheden mogen voorkomen. Het
betrof verklaringen over de aanvang van opeenvolgende
gebeurtenissen en de aanwezigheid daarbij van verbalisanten
(zoals het openen van de doos waarin zich pakken hennep bevonden
en het openen van een lade waaruit een plak met hasj werd
gehaald). Onderdelen die van belang zijn voor de beoordeling van
de rechtmatigheid van de doorzoeking.
Daarbij kan dan in het midden blijven of het vergissingen of
verklaringen in strijd met de waarheid betreffen. De rechtbank
is dan ook van oordeel dat gegeven de tegenstrijdigheden er
sprake is van een ernstige inbreuk op de procesorde, waardoor
met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan
diens recht op een faire behandeling van de zaak tekort is
gedaan.
OM niet-ontvankelijk (einde zaak).
Rechtbank Roermond 06-11-07, LJN BB7558
- Niet-ontvankelijkheid OM wegens onvoldoende pv (webcamzaak
studentenhuis) (3.10 en 3.14)
- De rechtbank Amsterdam heeft het OM niet-ontvankelijk verklaard in
de strafzaak tegen een verdachte die met een webcam studenten zou hebben
gefilmd in het naastgelegen studentenhuis. De niet-ontvankelijkheid komt
voort uit het feit dat de politie in eerste instantie zonder machtiging
is binnengetreden in het huis van verdachte. Van dit onbevoegde
binnentreden is geen verslag gedaan door de politie. Deze omissie
beschouwt de rechtbank als een zeer grove nalatigheid, waarmee de
belangen van de verdachte en die van een behoorlijke rechtspleging in
zeer ernstige mate zijn veronachtzaamd. Bij een zo grove schending van
het vertrouwen dat doorgaans in ambtsedige processen-verbaal wordt
gesteld past geen andere sanctie dan de niet-ontvankelijkheid van de
officier van justitie, die formeel verantwoordelijk is voor de
integriteit van de opsporing.
Rechtbank
Amsterdam 29-11-07, LJN BB9065.
-
Strafmatiging na niet verstrekken van belangrijke informatie
door OM en politie (3.10 en 3.12)
- De stukken in de zaak X zijn van groot belang voor de
bewijsvraag in de zaak tegen de verdachte. Betrof in beide zaken
een overeenkomstige MO gecombineerd met tijd en plaats (diefstal
d.m.v. inklimming gecombineerd met aanranding oudere dames)
Het lijkt er op dat als de voorzitter een nieuwsuitzending van
TV Gelderland had gemist, de rechter en de verdachte geen kennis
zouden hebben gekregen van die stukken.
Het mag niet zo zijn dat kennisname van voor het bewijs
relevante stukken afhangt van een dergelijke toevalligheid.
Politie en OM zouden zodanig georganiseerd moeten zijn dat ook
na aanvang van de zitting in eerste en tweede aanleg bij de
politie en het OM binnengekomen en voor de zaak relevante
stukken spontaan ter kennis worden gebracht van de rechter en de
verdediging.
De stukken in de zaak X waren vóór de aanvang van het onderzoek
in hoger beroep bekend bij het politiekorps en het
arrondissementsparket die onderzoek deden in de zaak tegen de
verdachte
Deze bekendheid leidde er evenwel niet toe dat die stukken
ter kennis van het hof en de verdediging werden gebracht.
Ook de opdracht van de rechter tot het opmaken van aanvullend
pv omtrent de vraag of er na de aanhouding van verdachte nieuwe
aangiften van soortgelijke delicten waren gedaan, leidde niet
tot het verstrekken van de relevante stukken.
Ook als de rechter er van uit gaat dat de teamleider van het
onderzoek de opdracht van het hof anders heeft gelezen dan was
bedoeld, begrijpt de rechter niet goed waarom deze niet uit zich
zelf die informatie heeft gegeven.
Zelfs de mail aan de advocaat-generaal waarin de voorzitter
uitlegt dat de opdracht niet goed is uitgevoerd, heeft niet
geleid tot het verstrekken van de relevante stukken.
Hoewel het zo is dat de opdracht van het hof (...) niet goed is
uitgevoerd, de AG aanvankelijk niet de mogelijkheid heeft benut
de opdracht alsnog goed te laten uitvoeren, is uiteindelijk de
opdracht wel uitgevoerd. Daarom geen niet-ontvankelijkheid.
Wel is het OM te kort geschoten. De kennis die aanwezig was bij
het arrondissementsparket had in een veel eerder stadium terecht
moeten komen in het dossier van de verdachte. Voorts heeft de
AG, die aanvankelijk de zaak behandelde, niet adequaat
gereageerd op de aanwijzingen dat relevante informatie ontbrak.
Strafmatiging.
Hof
Arnhem 21-09-07, LJN BB4001.
-
Professioneel verschoningsrecht: journalist (3.19)
- Bescherming van journalistieke bronnen is een van de basale
voorwaarden voor persvrijheid. Een bevel tot onthulling van
bronnen is onverenigbaar met art. 10 EVRM, tenzij het wordt
gerechtvaardigd door een doorslaggevende noodzaak vanwege het
algemeen belang. In de onderhavige zaak woog dat belang niet
zwaarder dan het belang van klager zijn bron te mogen
beschermen. De gijzeling van klager hield dan ook een schending
van art. 10 EVRM in. Eveneens is art. 5 lid 1 EVRM geschonden
omdat klager niet binnen 24 uur de beschikking kreeg over het
geschreven bevel tot gijzeling.
Een bevel tot het afleggen van een getuigenis valt niet onder
het bereik van art. 6 EVRM.
EHRM 22-11-07, Voskuil versus Nederland, NbSr 2007, 428.
-
Professioneel verschoningsrecht: ook de
apotheker (3.19)
-
HR
27-05-08, LJN BC1369.
-
Herhaalde
toepassing van dwangmiddelen: herschreven par. 3.24 (concepttekst editie 2009)
- Klik
hier voor conceptparagraaf 2009
-
Wet op de uitgebreide identificatieplicht
(3.31)
-
Reparatiewet justitie III (stb. 2008, 85, inwtr.
14-03-08): nieuw art. 6a Wet op de bijzondere
opsporingsdiensten: De opsporingsambtenaar is bevoegd tot het
vorderen van inzage in een identiteitsbewijs als bedoeld in
artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen,
voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de
uitoefening van zijn taak.
- Inwerkingtreding Wet politiegegevens per 01-01-08 (3.34)
-
Klik hier voor inwerkingtreding Wet politiegegevens
- Optreden politie op basis art. 2 Politiewet en 184 Sr
(3.36)
- Art. 184, eerste lid, Sr (niet voldoen aan ambtelijk bevel /
beletten/belemmeren/verijdelen) eist een "krachtens wettelijk
voorschrift" gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet
uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is
tot het doen van een vordering. Art. 2 Politiewet 1993 bevat een
algemene taakomschrijving voor de politie en kan
niet worden
aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan
vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe
van overtreding van art. 184, eerste lid, Sr moet worden
voldaan. Daarbij verdient echter opmerking dat art. 2 Politiewet
1993 wel als een wettelijk voorschrift kan worden aangemerkt ter
uitvoering waarvan de in art. 184 Sr bedoelde ambtenaren
handelingen kunnen ondernemen waarvan het beletten, belemmeren
of verijdelen overtreding van art. 184, eerste lid, Sr kan
opleveren.
HR 29-01-08, LJN BB4108 ook in NJ 2008, 206 met uitgebreide
noot van Mevis.
Kortom, kijk ook goed naar mogelijk toepasbare APV-artikelen:
opzettelijk niet voldoen aan strafbaarstellingen inzake
'bevelen' uit APV's kan ook 184 Sr opleveren (zie daarover ook
het zakboek Strafrecht voor de politie 6.9).
Klik hier voor de complete concepttekst van de herschreven
paragraaf 3.36 voor het zakboek 2009 (Optreden politie op basis
van art. 2 Politiewet 1993)
-
Geuridentificatieproef in strijd met daarvoor
geldende regels niet "blind" uitgevoerd (3.38)
-
Dat de geuridentificatieproef
'blind' moet worden uitgevoerd is neergelegd in supplement 2
behorende bij het hier geldende Keuringsreglement
Politiespeurhond menselijke geur 1997 (herzien in september
2005). Daar luidt het op pagina 23: 'De helper bepaalt met
behulp van een dobbelsteen welk schema gekozen wordt en stelt op
de daartoe bestemde plaats de geurdragers op in twee rijen van
ieder 7 verschillende geurdragers (eventueel na elkaar), volgens
de voor de hond bekende (en in het certificaat omschreven)
aanbiedingsmethode. Dit gebeurt in afwezigheid van de hond en de
geleider, de geleider kent de volgorde van de geurdragers in de
rij niet en verklaart dit ook (onder ede!) in zijn
proces-verbaal.'
Het niet 'blind' uitvoeren van de
geuridentificatieproef betekent dat niet alleen de
gecertificeerd helper maar ook de speurhondengeleider wetenschap
heeft van de posities van de verschillende geurdragers. In een
concreet geval hield dat in - zo heeft verbalisant [verbalisant
2] ter zitting verduidelijkt - dat het zogenoemde uitlegschema
dat ter voorbereiding op een bord werd geschreven bij de
uitvoering van de proef zichtbaar was voor de
speurhondengeleider en dat laatstgenoemde dus wist waar de
geurdrager van verdachte lag.
Voornoemd voorschrift is
kennelijk in het Keuringsreglement opgenomen om uit te sluiten
dat de speurhondengeleider de speurhond op enigerlei wijze
beïnvloedt bij het maken van een keuze voor een bepaalde
geurdrager.
Ook is niet uit te sluiten dat de
speurhondengeleider zelf (onbewust) door deze wetenschap wordt
beïnvloed bij het beoordelen van het gedrag van de hond, in het
bijzonder bij het moment waarop de hond een keuze maakt een
bepaalde geurdrager te willen apporteren. De getuige-deskundige
prof. dr. Frijters heeft ter zitting benadrukt dat het 'blind'
uitvoeren van de geuridentificatieproef vanuit gedragskundig
oogpunt een belangrijk vereiste is.
Het hof acht het -
in strijd met het daarvoor geldende reglement - niet 'blind'
uitvoeren van de geuridentificatieproef een dermate ernstige
procedurele fout, dat de resultaten van die proef terzijde
moeten worden gesteld. Het hof concludeert dat op basis van
deze, niet herstelbare, tekortkoming de geuridentificatieproef
in dit geval als onvoldoende betrouwbaar moet worden
gekwalificeerd om daaraan (enige) bewijswaarde te kunnen
hechten, zodat de resultaten daarvan worden uitgesloten van het
bewijs.
Hof Leeuwarden 10-11-06, LJN AZ1983.
Dat geldt ook voor
proeven waarvan niet vaststaat dat zij "blind" zijn uitgevoerd.
Hof Leeuwarden 13-12-06, LJN AZ4429.
Hof
Den Bosch 08-08-07, LJN BB2810.
Veroordelingen voor meineed
Inmiddels zijn hondengeleiders door de rechtbank Zutphen
voor meineed (in strijd met de waarheid in een strafzaak ten
nadele van de verdachte vermelden in het pv dat de gewraakte
geurproeven blind en (dus) overeenkomstig de Regeling
Speurhonden hebben plaatsgevonden) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf
van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren (niet geëist door
OM) en werkstraffen tot 210 uur. De rechtbank overwoog daarbij:
'Het spijt de rechtbank bijzonder dat het blijkbaar nodig is dat
dit laatste nota bene aan diegenen die met het toezicht op de
naleving van regels belast zijn, onder de aandacht moet worden
gebracht.
De rechtbank stelt voorop dat het hier een bijzonder ernstige
zaak betreft, waarin strafbare feiten aan de orde zijn die het
rechtssysteem en het vertrouwen dat de samenleving daarin moet
kunnen hebben, ernstig ondermijnen. Verdachten, hun raadslieden,
officieren van justitie, wetenschappers, rechters en de
samenleving als geheel, hebben elk op hun eigen wijze een enorme
teleurstelling opgelopen, die naar mag worden verondersteld
slechts geleidelijk zal wegebben.
Gebleken is, dat deze kwestie heeft geleid tot aanzienlijke
gevolgen. Reeds afgedane strafzaken zijn voorgedragen voor
herziening door de Hoge Raad, zich in voorarrest bevindende
verdachten die in eerst instantie tot gevangenisstraf waren
veroordeeld, zijn in hoger beroep vrijgesproken, om nog maar te
zwijgen van het feit dat het handelen van verdachte en zijn
medeverdachten het aanzien van en het vertrouwen in de
integriteit van het opsporingsapparaat ernstig heeft geschaad.
Dat rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Rechtbank Zutphen 11-12-07, LJN BB9812,
BB9835,
BB9859 en
BB9860
- Regels geurproef niet opgevolgd: herziening onherroepelijk vonnis
mogelijk (3.38)
-
Ingeval het resultaat van een
onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het
desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet
aannemelijk is dat zonder deze uitkomst van de
geuridentificatieproef de feitenrechter op grond van het
beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn
gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de
aanvrager terzake zou hebben vrijgesproken. In dat geval is
derhalve sprake van een omstandigheid als bedoeld in art. 457,
eerste lid aanhef en onder 2°, Sv.
HR
22-04-08, LJN BC9637,
HR
22-04-08, LJN BC8789 en
HR
29-04-08, LJN BC9956.
- Ramsahai tegen Nederland (3.26)
Verdachte doodgeschoten door Amsterdamse politieagent
Onderzoek ontoereikend
Onderzoek aanvankelijk door eigen korps, daarna onder leiding van
rijksrecherche
Positie openbare aanklager
- 1. Onderzoek naar schietincident ontoereikend. EHRM wijst op
een reeks van onverklaarbare tekortkomingen, zoals
a. het nalaten van onderzoek van de handen van de betreffende
politieambtenaren op kruitresten
b. het niet maken van een reconstructie van de gebeurtenissen
c. de kennelijke afwezigheid van een onderzoek van wapens en
munitie
d. het niet gescheiden houden van de betreffende
politieambtenaren
e. het pas drie dagen later ondervragen van de betreffende
politieambtenaren
2. Het EHRM acht dit des te betreurenswaardiger nu er geen
getuigen zijn die het fatale schot hebben gezien. Schending van
art. 2 EVRM.
3. Schietincident als zodanig geen schending van EVRM.
4. Onderzoek is onvoldoende onafhankelijk verricht (door
korps waartoe betreffende politieambtenaren behoorden):
schending EVRM.
5. Positie openbare aanklager geen schending EVRM (het
betreffende politieonderzoek stond onder leiding van een
Amsterdamse OvJ die speciaal verantwoordelijk was voor het
politiewerk aan het betreffende politiebureau. Dezelfde OvJ nam
de beslissing niet tot vervolging over te gaan (door hoofdOvJ
gedelegeerde beslissing).
EHRM 15-05-07, NJ 2007, 618 met noot Schalken.
Klik hier voor volledig arrest (in Engelse taal).
Ook kort gepubliceerd in NJB 2007,1398 (in Nederlandse taal).
Klik
hier voor conceptparagraaf 'Onderzoek naar geweld door
politie' (3.54) editie 2009
- Optreden inlichtingen- veiligheidsdiensten en
opsporingsdiensten (nieuwe paragraaf 3.56 in editie 2009)
- ‘De wetgever heeft een duidelijk juridisch en feitelijk
onderscheid voor ogen gestaan tussen enerzijds het optreden van
de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en anderzijds het
optreden van de opsporingsdiensten, waarbij de onderscheiden
bevoegdheidstoedeling niet in de weg staat aan
informatieverstrekking door de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten aan de opsporingsdiensten en andersom. Op
grond van de WIV 2002 zijn wederkerige contacten tussen de
verschillende diensten mogelijk, maar daarbij geldt dat de
inlichtingen- en veiligheidsdiensten bevoegdheden uitsluitend
voor de eigen taakstelling mogen aanwenden. De WIV 2002 verleent
evenwel aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de
discretionaire bevoegdheid tot het verstrekken van informatie
aan het OM. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten zijn daarin
autonoom en dienen binnen het wettelijk kader een eigen afweging
te maken. De WIV 2002, noch het doel of de strekking van deze
wet, verzet zich tegen informatieverstrekking op verzoek van het
OM of de opsporingsdiensten. Voorts belet geen rechtsregel het
OM of de opsporingsdiensten nadere informatie aan de
inlichtingen- en veiligheidsdiensten te vragen. Daarbij verdient
echter opmerking dat het met het oog op het buiten toepassing
laten van strafvorderlijke waarborgen doelbewust niet aanwenden
van opsporingsbevoegdheden teneinde gebruik te kunnen maken van
door een inlichtingen- en veiligheidsdienst vergaarde
informatie, evenals het door een inlichtingen- en
veiligheidsdienst aanwenden van zijn bevoegdheden voor
strafvorderlijke doeleinden, in strijd is met de wet. Het
voorgaande in aanmerking genomen en gelet op de onderscheiden
taakstelling, moet tevens worden geoordeeld dat geen rechtsregel
zich ertegen verzet dat zowel een inlichtingen- en
veiligheidsdienst als het OM of een opsporingsdienst elk voor
zich (en daardoor mogelijk parallel) onderzoek doet naar
bepaalde personen of groeperingen, indien daartoe vanuit de
vervulling van hun taak aanleiding bestaat.'
HR 13-11-07, LJN BA2553.
- Aanhouding buiten heterdaad zonder vereist bevel OvJ
(4.7)
- De rechtbank stelt vast dat verdachte zonder enige
betrokkenheid van een OvJ buiten heterdaad is aangehouden,
terwijl uit niets blijkt dat niet op het optreden c.q. de
toestemming van een OvJ kon worden gewacht. De rechtbank
constateert dat er sprake is van een onherstelbaar
vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Doch, aangezien
de OvJ in het onderhavige geval zonder twijfel toestemming
zou hebben verleend tot aanhouding buiten heterdaad, acht de
rechtbank geen grond aanwezig voor enige consequentie als
bedoeld in genoemd wetsartikel en zoals door de raadsvrouwe
is bepleit (strafvermindering). De rechtbank zal ter
compensatie van deze schending volstaan met de constatering
dat daarvan sprake is geweest.
Rechtbank 's-Hertogenbosch 18-01-08, LJN BC1798
- Toetsing ivs door RC (4.29)
- De RC dient de
rechtmatigheid van de ivs (inclusief de verlenging en dus
niet de dringende noodzakelijkheid van een eventuele
verlenging ) te toetsen::
- er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld; - er sprake is van een verdenking ter zake een strafbaar feit
waarvoor vh is toegelaten; - de ivs in het belang is van het onderzoek; - de vormvoorschriften terzake ivs in acht zijn genomen; - de ivs niet in strijd is met het ongeschreven recht, meer in
het bijzonder de beginselen van een goede procesorde. Aangenomen moet worden dat de RC de ivs van verdachte hieraan
volledig heeft getoetst en geen onrechtmatigheden heeft
geconstateerd, in welk geval hij verdachte niet in vrijheid had
mogen stellen (ook niet als der RC de verlenging ivs niet
dringend noodzakelijk vindt).
Rechtbank
Amsterdam 10-09-07, LJN BB3597.
- Toetsing door RC zich beperkt tot vormverzuimen die
rechtstreeks verband houden met het dwangmiddel van de ivs.
Verweren aangaande vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek,
die niet rechtstreeks verband houden met de ivs (MH: zoals in
het betreffende geval een mogelijk onrechtmatige aanhouding)
kunnen, gelet op art. 359a Sv, aan de zittingsrechter worden
voorgelegd.
Rechtbank
's-Gravenhage 09-07-08, LJN BD7002.
- Geschokte rechtsorde als grond voor vh (EHRM: Letelier en Smirnova
gerelativeerd door Kanzi en Hendriks) (4.36)
- 1. Uitgebreid besproken door Borgers in Ars Aequi
2007-30 ('het Straatburgse oordeel over de ernstig geschokte
rechtsorde, het slot van een trilogie'), hieronder door mij
kort samengevat.
Kanzi werd verdacht van handel in drugs. Hendriks werd
verdacht van verkrachting en poging tot doodslag en/of zware
mishandeling.
Ingevolge standaard jurisprudentie van het EHRM kan 'public
disorder' (maatschappelijke onrust) of de dreiging daarvan
vh rechtvaardigen. Al jarenlang deed zich daarbij de vraag
voor hoe het in Nederland gehanteerde criterium 'geschokte
rechtsorde' zich verhoudt tot die 'public disorder'. Uit
recente jurisprudentie van het EHRM (Kanzi en Hendriks)
blijkt dat beide criteria niet wezenlijk van inhoud
verschillen.
'Public disorder':
1. centraal staat de bijzondere ernst van het vermoedelijk
gepleegde misdrijf en niet zozeer het te verwachten gedrag
van de verdachte na vrijlating;
2. niet vereist is het reeds bestaan van 'public disorder';
3. voldoende is ook de mogelijkheid van 'public disorder'
bij vrijlating (door bekendwording van de vrijlating).
Borgers merkt nog op dat het gaat om het inschatten van de
maatschappelijke reactie op de vrijlating van een persoon
die van een tamelijk ernstig strafbaar feit wordt verdacht;
4. de mate van publiciteit is in principe niet beslissend
(maar kan natuurlijk wel een rol spelen);
5. met het verstrijken van de tijd dient het oordeel dat de
vh moet voortduren sterker onderbouwd te worden. In de zaken
Kanzi en Hendriks was de vh resp. drie tot zes maanden (en
geen enkel probleem) en aldus niet te vergelijken met eerder
door het EHRM beoordeelde zaken (Letelier en Smirnova). Dit
betekent mijns inziens niet dat in iedere zaak er telkens
sprake moet zijn van een gedurende de vh steeds sterkere
onderbouwing van die vh. De ernstige bezwaren kunnen immers
van een zaak afdruipen en de zaak zelf kan zo ernstig zijn
(moord, doodslag, verkrachting, handel in harddrugs) dat de
reeds bestaande onderbouwing voldoende sterk is voor het
gehele (en ook lange) vh-traject.
6. bij Kanzi overweegt het EHRM nog dat het begrip heeft
voor de fermheid waarmee nationale autoriteiten optreden
tegen personen die betrokken zijn bij drugscriminaliteit.
Borgers merkt hierbij nog dat hier mogelijk impliciet de
Nederlandse praktijk goedgekeurd wordt waarin koeriers van
niet al te grote hoeveelheden drugs die op Schiphol worden
aangehouden, een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
hebben en niet eerder met justitie in aanraking zijn geweest
in vh worden genomen met de geschokte rechtsorde als enige
grond (MH: zie hierover recent bijv. het
hof Amsterdam 16-05-07, LJN BA6642).
Borgers besluit zijn bespreking dan ook met de
opmerkingen:
1. dat de toepassing van het Nederlandse criterium van de
geschokte rechtsorde in doorsnee strafzaken niet in strijd
is met art. 5 EVRM;
2. dat aan de motivering geen hoge eisen worden gesteld;
3. dat dit anders zal zijn als de vh van (zeer) lange duur
is (MH: (veel) langer dan 6 maanden).
Kanzi tegen NL en Hendriks tegen NL (resp. EHRM 05-07-07,
appl.no. 28831/04 appl.no. 43701/04), samengevat in Ars Aequi 2007-30.
Zie ook NJ 2007, 632 en 633 met noot Schalken.
Zie recent ook
Rechtbank Groningen 05-12-07, LJN BC0666 (verlenging
gevangenhouding ‘voetbalsupporter’).
- Vluchtgevaar als grond voor vh (bij ongewenst
vreemdeling) (4.36)
- Voorop staat ‘dat het verzekeren van de aanwezigheid van een
verdachte bij zijn berechting en/of van zijn onderwerping aan
een eventueel op te leggen vrijheidsstraf algemeen aanvaard is
|