In onderstaande openklapbare tabel worden per paragraaf de actualiteiten weergeven na de tot standkoming van de editie 2009 (01 september 2008) (papieren versie verkrijgbaar vanaf eind september 2008).  Tijdelijk is ook nog de tabel met daarin de actualiteiten behorende bij de editie 2008 opgenomen.
Door te klikken op de vetgedrukte tekst in de onderstaande tabel krijgt U de uitgewerkte teksten. 
Belangrijke nieuwe wetten of wetsvoorstellen kunnen gekozen worden door te klikken links op dit scherm onder het kopje "Wetgeving nieuws" of "Wetgeving voorstellen".

ACTUALITEITEN
ZAKBOEK
STRAFVORDERING VOOR DE HULPOFFICIER
editie 2009
Klik hier voor verkoop zakboek

  1. Doorlopend aandachtspunt: algemene verbeterpunten / kennelijke misstanden!!

    1. Zoals ik in vanaf 2006 meermalen heb gemaild (zie Nieuwsmail): uit de gepubliceerde jurisprudentie blijkt tot mijn verbazing niet alleen van een toenemend aantal verbeterpunten maar ook van kennelijke misstanden waartegen de rechtgeaarde opsporingsambtenaar en (hulp)OvJ zich met hand en tand moeten verzetten.

      Wat mij daarbij opvalt is dat rechters niet alleen een toenemende belangstelling lijken te hebben voor de rechtmatige toepassing van dwangmiddelen maar ook voor het waarheids- en betrouwbaarheidsgehalte van afgelegde getuigen/deskundigenverklaringen en pv's. En dat levert dan weer nieuwe 'verbeterpunten' op..... (een poreuze cirkel zouden Koot en Bie zeggen).

      Het gaat dan om de algemeen bekende punten als
      - redenen van wetenschap (verdachte, getuige, opsp. ambt., deskundige);
      - betrouwbaarheid van afgelegde verklaringen;
      - consistentie van afgelegde verklaringen (niet tegenstrijdig);
      - partijgetuigen (bijv. bij openlijk geweld zijn (bijna) alleen getuigen gehoord die bij de aangevers hoorden);
      - verwerking van verklaringen in het pv;
      - confrontaties;
      - de rechtmatige uitoefening van dwangmiddelen;
      - betrouwbaarheid van het pv;
      - enz.

      Zo worden bij twijfel de betreffende verklaringen van de getuigen zondermeer aan de kant geschoven (ook zonder dat daarover een verweer gevoerd wordt) of wordt er aanvullend onderzoek bevolen (verhoor getuigen/politie). En ook de confrontatie heeft ambtshalve de extra aandacht van de rechter. In het bijzonder de daarvoor geldende regels uit het 'besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek' (zie het zakboek hulpOvJ 3.27). Tot slot lijkt het erop dat rechters steeds meer ambtshalve geluid- en/of beeldopnamen op de zitting zelf willen horen en/of zien (bijv. het verhoor van een verdachte en/of getuige) teneinde zo te controleren of de weergave daarvan in het pv wel klopt (zie bijv. Rechtbank Roermond 11-12-08, LJN BG8226: vrijspraak na bekijken videobeelden).

      Anders gezegd: "na enkele pijnlijke lessen uit het verleden is er bij politie en justitie grote aandacht ontstaan voor en wordt intensief samengewerkt aan een verbeterplan voor de opsporing en vervolging. Doel is onder meer te bewerkstelligen dat in de opsporingsfase op zuivere wijze aan waarheidsvinding wordt gedaan. Dit heeft onder meer geleid tot het meer en ook meer imperatief registreren van verhoren van verdachten, zodat het betrouwbaarheidsgehalte van die verklaringen achteraf kan worden getoetst. In zijn algemeenheid kan zonder meer worden aangenomen dat de kwaliteit van de opsporing de laatste jaren enorm is vooruitgegaan. In de incidentele gevallen zoals de onderhavige kan niet anders dan een duidelijk signaal worden afgegeven, niet in de laatste plaats ter bewaking van de integriteit van de opsporing in het algemeen" (Rechtbank Arnhem 08-08-07, LJN BB1668).

      Hieronder heb ik een hyperlink opgenomen naar een overzicht met daarin een verzameling van zeer leerzame uitgewerkte uitspraken van rechters. Met hyperlink voor directe toegang naar de uitspraak op rechtspraak.nl. Een deel had ik al eerder kort 'gepubliceerd' maar de omvang blijft gestaag groeien. Ik zal het overzicht actueel houden. Het verdient zeer sterke aanbeveling om goed kennis te nemen van de verwerkte jurisprudentie én deze als verbeterpunt uit te dragen én te bewaken.

      En ik weet het: het overgrote deel van de zaken verloopt prima. Mijn complimenten daarvoor. Maar toch, het beeld dat langzamerhand uit de jurisprudentie is ontstaan, stemt absoluut niet tot vrolijkheid. Er zal de komende jaren nog veel werk verricht moeten worden. En dan niet alleen middels structuurwijzigingen en onderwijs. Ook de cultuur zal de nodige aandacht moeten hebben. Leidinggevenden dienen daarbij het voorbeeld te geven.

      Klik hier voor het overzicht

      Inmiddels is e.e.a. ook besproken in de wetenschappelijke literatuur: Y. Buruma, 'Onprofessioneel politieoptreden', Delikt en Delinkwent januari 2008, nr 8.  Buruma (zeer gewaardeerd hoogleraar) bespreekt een aantal rechterlijke uitspraken (door mij ook weergegeven in voornoemd overzicht) en plaatst een aantal kritische kanttekeningen, zoals de volgende.
      - Heel goed dat de rechter controleert, maar het optreden van de politie stemt echt niet tot vreugde (MH: of zoals ik het regelmatig formuleerde: hier worden wij niet vrolijk van).
      - In sommige van de besproken gevallen was eigenlijk persoonlijke vervolging op zijn plaats geweest (MH: ook het geval geweest, zie het overzicht).
      - Een enkele zaak roept de vraag op of we nog wel pv's van de politie mogen vertrouwen als de basis ervan niet controleerbaar is (MH: vertrouwen is ook gelet op mijn persoonlijke ervaringen fors afgenomen).
      - Uit een enkele zaak blijkt hoe problematisch het is dat in feite politiefunctionarissen selecteren welke informatie belangrijk genoeg is om aan de beslissende autoriteiten te leveren (MH: ook herkenbaar uit mijn eigen politie-ervaringen). In het licht van de lopende discussie over onterechte veroordelingen is dit uiteraard zorgwekkend.
      - Dat rechters kritischer worden op de dossiervorming kan dan ook alleen maar met vreugde worden begroet.
      - De indruk bestaat dat er ook een fundamenteel verschil van inzicht is tussen wat feitenrechters juist vinden en wat er in de praktijk gebeurt.
      - Het is hoogst zorgwekkend dat het kan voorkomen dat de politie ontlastend (CIE-)materiaal weglaat en kan weglaten.
      - De politie doet het vaak goed (MH: helemaal mee eens). Het komt soms voor dat je van mening kunt verschillen over de creativiteit van agenten (en creatieve agenten zullen mij al snel aan hun kant vinden) of dat het gaat om kleine misstappen. Maar er doen zich ook schandelijke incidenten voor. Het is belangrijk dat feitenrechters op die incidenten de vinger leggen. Dat ze dat nog steeds blijken te doen is loffelijk. Maar het is tegelijkertijd zorgelijk vast te moeten stellen dat die rechters net iets te vaak incidenten blootleggen die niet anders kunnen worden geduid dan als tekenen van onprofessioneel politieoptreden. Geleidelijk aan beginnen we de gevolgen te zien van het vrijwel afsterven van het juridisch onderwijs voor politieambtenaren in opleiding (MH: én actualisering daarvan na de opleiding in de praktijk): dat ze de regels niet meer kennen is misschien nog weg te relativeren, maar de instelling van de agenten in veel van de hiervoor gegeven voorbeelden baart zorgen. Die instelling geeft blijk van onvoldoende rekenschap van waar een professionele politie voor staat.

      Anker roept zelfs op tot discussie over de afschaffing van art. 344 lid 2 (unieke bewijskracht pv van bevoegde opsporingsambtenaar) (Nieuwsbrief Strafrecht 2008, nr. 1).

      Zo, daar kunnen we het weer even mee doen.....Maar zoals altijd: bedreigingen vormen ook kansen. En die moeten we met z'n allen pakken. Ik zal u op deze plaats en via mijn Nieuwsmail op de hoogte houden van verbeterpunten en ontwikkelingen op dit gebied.
  2. Doorzoeking op basis betrouwbare CIE-info die achteraf bezien niet of niet geheel juist was (2.2)
    1. Bij de CIE was info binnengekomen dat verdachte in het bezit zou zijn van een vuurwapen. Deze info was getoetst en, gelet op de achtergrond van de informant, bezien in samenhang met de door die informant aangedragen gegevens, als betrouwbaar aangemerkt. Aldus sprake van een redelijk vermoeden van het aanwezig zijn van wapens of munitie in de woning van verdachte, zodat die woning rechtmatig kon worden binnengetreden, teneinde ter inbeslagname doorzoeking te doen.

      Dat achteraf is gebleken dat de CIE-informatie niet of niet geheel juist was, doet niet af aan de omstandigheid dat op grond van de op het moment van de toetsing beschikbare gegevens de informatie als betrouwbaar werd aangemerkt
      Hof 's-Hertogenbosch 16-10-08, LJN BG1440.
  3. Lokfiets (2.3)
    1. Verbalisanten waren nabij een NS station aan het posten op fietsendieven in het kader van een fietsenproject. Ze hadden daartoe een zogenoemde (onafgesloten) lokfiets geplaatst op een plek waar veelvuldig fietsendiefstallen plaatsvonden. Volgens de HR is het plaatsen van een lokfiets om aldus fietsendieven op heterdaad te kunnen betrappen op zichzelf niet ongeoorloofd, ook al steunt dit handelen niet op een specifieke wettelijke regeling. Het handelen door de politie was voorts ook niet onrechtmatig omdat de verdachte door het plaatsen van de lokfiets niet was gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht. De HR nam hierbij in aanmerking dat de politie niet meer heeft gedaan dan het plaatsen van de desbetreffende fiets op een plek waar veel andere fietsen plegen te worden gestald en waar veelvuldig fietsen worden gestolen, om vervolgens af te wachten wat er met de lokfiets zou gebeuren. De enkele omstandigheid dat de fiets niet was afgesloten maakte dat ook niet anders.
      HR 28-10-08, LJN BE9817.
  4. Advocaat bij politieverhoor (2.7)?

    1. Op 27 november 2008 heeft het EHRM uitspraak gedaan in de zaak Salduz tegen Turkije over ondermeer het recht van een verdachte op rechtsbijstand bij het politieverhoor (EHRM, nr. 36391/02, terug te vinden op de site van het EHRM: www.echr.coe.int).

      De 17-jarige Salduz was gearresteerd op verdenking van deelname aan een onwettige demonstratie (PKK) en het ophangen van een spandoek. Een dag na zijn arrestatie legt Salduz bij de politie (antiterrorisme-eenheid) een bekennende verklaring af. Een dag later trekt Salduz zijn verklaring echter weer in tijdens zijn voorgeleiding aan de openbare aanklager en de onderzoeksrechter. Wel verklaart hij tijdens het politieverhoor onder druk te zijn gezet en te zijn geslagen. Pas na de voorgeleiding aan de aanklager en rechter wordt Salduz in de gelegenheid gesteld om met een advocaat te spreken.
      Alhoewel de gevolgen van het arrest van het EHRM nog niet zijn te overzien meen ik vooralsnog niet in het arrest te kunnen lezen dat de raadsman ook (altijd) toegang heeft tot het verhoor van de verdachte door de politie en dat de overheid (politie) dus (altijd) moet regelen dat er bij dat verhoor een raadsman aanwezig is
      . Voor de diepgravers: zie de overwegingen 50 t/m 55 in onderling verband. Tot dezelfde conclusie komt Borgers (hoogleraar straf(proces)recht aan de Vrije Universiteit Amsterdam) op www.njblog.nl. Prakken (hoogleraar (straf)procesrecht aan de universiteit van Maastricht, tevens advocaat) is een andere mening toegedaan: advocaat wél bij politieverhoor, zie eveneens voornoemd NJBlog.

      Wél
      lees ik in het arrest dat de verdachte het recht op bijstand van een raadsman dient te hebben, in ieder geval vanaf het eerste verhoor door de politie. En dat is in Nederland in de artikelen 28 en 38 Sv geregeld. 

      Art. 28 Sv
      1.         De verdachte is bevoegd zich, overeenkomstig de bepalingen van den Derden Titel van dit Boek, door een of meer gekozen of toegevoegde raadslieden te doen bijstaan.
      2.         Hem wordt daartoe, telkens wanneer hij dit verzoekt, zooveel mogelijk de gelegenheid verschaft om zich met zijn raadsman of met zijne raadslieden in verbinding te stellen.

      Art. 38 Sv
      1.         De verdachte is te allen tijde bevoegd een of meer raadslieden te kiezen.
      2.         Tot de keuze van een of meer raadslieden is ook de wettige vertegenwoordiger van den verdachte bevoegd.
      3.         Is de verdachte verhinderd van zijn wil te dien aanzien te doen blijken en heeft hij geen wettigen vertegenwoordiger, dan is zijn echtgenoot of geregistreerde partner of de meest gerede der bloed- of aanverwanten, tot den vierden graad ingesloten, tot die keuze bevoegd.
      4.         De ingevolge het tweede of het derde lid gekozen raadsman treedt af, zodra de verdachte zelf een raadsman heeft gekozen.

      Samengevat: de verdachte heeft op basis van deze artikelen 28 en 38 Sv te allen tijde recht op bijstand van een raadsman, ook al vóór de ivs. Als een verdachte tijdens het ophouden voor onderzoek om een advocaat vraagt, dan moet dat dus ook geregeld worden (verdachte moet dit dan wel zelf betalen). Het wegsturen van een raadsman die al tijdens het ophouden voor onderzoek aan het politiebureau verschijnt om zijn cliënt (de verdachte) rechtsbijstand te verlenen met de mededeling dat de verdachte nog niet in verzekering is gesteld en de raadsman na ivs nog maar eens terug moet komen is dus (op zijn zachts gezegd) goed fout. 
      Bij een ivs gelden aanvullende regels. Op grond van art. 40 Sv is de (hulp)­OvJ verplicht onverwijld een raadsman (via de piketdienst) over een ivs in te lichten. In de praktijk lijkt die onverwijldheid te wensen over te laten. Ook als er na onverwijlde inlichting geen raadsman binnen aan aantal uur verschijnt is het verstandig zo spoedig mogelijk nogmaals te faxen en/of te bellen. Praktijkervaring leert bijv. dat er met de verzending en/of ontvangst van een fax wel eens iets mis gegaan kan zijn. Niet inlichten of niet ten spoedigste inlichten van een raadsman kan leiden tot een onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte uit diens ivs door de RC en een afwijzing van een vordering ibs (zie hiervoor het zakboek hulpOvJ 4.29).

      Tot slot.
      Handelen in strijd met voornoemde regels kan leiden tot bewijsuitsluiting van de aldus verkregen bekennende verklaring van de verdachte (ook als hij zijn bekentenis heeft herhaald nadat hem bijstand door een raadsman is verleend). En als het bewijs hoofdzakelijk bestaat uit zo’n bekentenis dan zal het gevolg vrijspraak zijn. 
      EHRM, nr. 36391/02, terug te vinden op de site van het EHRM: www.echr.coe.int

    2. Kort geding advocaat bij politieverhoor.
      18 december is in kort geding de vordering van twee verdachten die in het politiebureau waren opgesloten om hun advocaat toe te laten tot de politieverhoren, afgewezen. 'Daarbij is onder meer overwogen dat niet zonder meer kan worden gezegd dat uit door de door het hof gebruikte woorden ‘access to a lawyer’ en ‘assistance of a lawyer’ kan worden afgeleid dat een advocaat toegang moet krijgen tot een politieverhoor van verdachte. Ook is overwogen dat op dit moment de uitspraak van het Europese hof door de verschillende rechtbanken en hoven wordt bestudeerd en inmiddels publicaties van enkele hoogleraren zijn verschenen die tot een verschillende interpretatie van de zaak Salduz komen. Onder deze omstandigheden is nader onderzoek nodig om de betekenis van het arrest van het Europese hof vast te stellen' (startpagina rechtspraak.nl 19-12-08, onder nieuws).
      Zie voor het complete vonnis:
      Rechtbank Amsterdam 18-12-08, LJN BG7496.
      Voor de liefhebbers / diepgravers kan ook nog verwezen worden naar Hof Arnhem 18-12-08, LJN BG7489: verdachte was niet van zijn vrijheid beroofd en 'geen enkele omstandigheid is gesteld of gebleken waardoor de toegankelijkheid van die of enige andere advocaat voor verdachte belemmerd werd, hetzij als gevolg van enig actief optreden van de autoriteiten, hetzij door financiële onmacht, hetzij anderszins. Hij had steeds het recht en de feitelijke mogelijkheid de telefoon te pakken en zijn advocaat te bellen'.
      Tot slot: voor eventueel laatste nieuws kan altijd binnen rechtspraak.nl gezocht worden op de zoekterm 'Salduz'.

  5. Verhoor verdachte als getuige (nieuw op te nemen paragraaf in editie 2010) (hoofdstuk 2)
    1. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat een verdachte tijdens het voorbereidend onderzoek (MH: opsporingsonderzoek, gvo en/of sfo) tevens als getuige wordt gehoord (MH: in een strafzaak van een andere verdachte) (HR, NJ 1990, 7).
      Uiteraard moet de verdachte daarbij ook de cautie krijgen voor zover hij mogelijk verklaringen aflegt die hemzelf kunnen belasten (en dat zal al snel het geval zijn)!
      Hof 's-Gravenhage 05-12-08, LJN BG6133.

  6. De politie dient zich onder bepaalde omstandigheden meer dan gebruikelijk in te spannen om ervoor zorg te dragen dat een inverzekeringgestelde verdachte tijdig van rechtbijstand wordt voorzien (2.7)
    1. Vast staat dat de verdachte vanaf het moment van zijn ivs recht had op bijstand van een advocaat en dat hij ook om bijstand van zijn (gekozen) raadsman heeft verzocht. Voorts staat vast dat de verdachte tot kort voor het moment waarop hij werd voorgeleid aan de RC om te worden gehoord op de vordering ibs, verstoken is geweest van rechtsbijstand.

      Met de OvJ is de Rechtbank van oordeel dat voldoende vaststaat dat de politie heeft voldaan aan de zogenaamde piketmelding zoals geregeld in art. 40 lid 2 Sv. Aan de piketcentrale is immers de gebruikelijke melding gedaan kort na de ivs.

      De politie heeft vervolgens niet gecontroleerd of de piketmelding op de juiste wijze was verzonden. Hiertoe bestaat normaliter ook geen noodzaak en ook zeker geen plicht. In de onderhavige zaak ligt dit anders. De verdachte is aangehouden op verdenking van 'handel e.d. harddrugs' zo blijkt uit het pv van aanhouding. Bij zijn eerste verhoor (in het kader van zijn verhoor ten tijde van de ivs) ontkent hij te hebben gehandeld in harddrugs. De verdachte wordt vervolgens gedurende het weekend zowel op de zaterdag als de zondag verhoord terwijl hij op die momenten nog geen rechtsbijstand heeft genoten.

      De politie had in dit geval niet met de piketmelding (‘op de gebruikelijke wijze’) mogen volstaan. Zij mocht er niet zonder meer vanuit gaan dat deze melding de gekozen raadsman op vrijdagavond via de piketcentrale zou bereiken. Aanvankelijk mocht de politie er wellicht nog op vertrouwen dat de piketcentrale wel contact op zou nemen met de gekozen raadsman of anders een piketadvocaat. Toen echter op zaterdag en zondag bleek dat geen advocaat zich voor verdachte had gemeld, had van de politie mogen worden verwacht dat zij zich actiever had opgesteld en nader onderzoek had ingesteld. Hiertoe is niet voldoende dat, zoals de OvJ betoogt, verdachte in de gelegenheid zou zijn gesteld om zijn advocaat te bellen. Daarbij biedt een dergelijke handelwijze van de politie verdachte geen soelaas als hij, zoals is gebleken, niet beschikt over het telefoonnummer van zijn advocaat en de politie hem dit nummer niet geeft.

      Ook het feit dat een verdachte krachtens de huidige wetgeving geen recht heeft zich tijdens een politieverhoor te laten bijstaan door een advocaat doet hier niet aan af.

      De politie dient zich onder bepaalde omstandigheden meer dan gebruikelijk in te spannen om ervoor zorg te dragen dat een inverzekeringgestelde verdachte tijdig van rechtbijstand wordt voorzien. Deze omstandigheden waren in het onderhavige geval aanwezig.
      Rechtbank Amsterdam 26-06-08, NS 2008, 320 (niet op rechtspraak.nl).

  7. Onderzoek naar zelfdoding tijdens vreemdelingenbewaring onvoldoende onderzocht (3.25)
    1. Betrokkene, lijdende aan een psychiatrische stoornis, zou zich aan veter hebben opgehangen. De vader van betrokkene gelooft dat niet en dient in het kader van de art.12 Sv-procedure een klacht in bij het hof. Ook het hof is van oordeel dat het onderzoek door politie en justitie erg summier is geweest. Het hof herhaalt zijn overwegingen uit een eerdere beschikking (LJN AZ8826) dat de enkele omstandigheid, dat iemand binnen de fysieke macht van de overheid op niet-reguliere wijze overlijdt, aanleiding dient te zijn voor een adequaat, effectief en onafhankelijk onderzoek, dat bij voorkeur dient plaats te vinden onder verantwoordelijkheid van een rechter-commissaris in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek en onder leiding van een officier van justitie van het landelijk parket die tevens de regie voert over de onderzoekshandelingen van de rijksrecherche. Aangezien het onderzoek niet volgens deze aanbeveling was uitgevoerd, beveelt het hof alsnog een gerechtelijk vooronderzoek.
      Hof Amsterdam 29-10-08, LJN BG3792.
  8. Geweldsgebruik door / overlijden bij politie en onderzoek daarnaar: concept herschreven par. 3.25 mede i.v.m. recente jurisprudentie.
    1. Mede gelet op voorgaand arrest van het hof Amsterdam. Klik hier voor bestand in Word.
  9. Afzien van opsporing op basis van beperkte (recherche)capaciteit (3.42)
    1. Het OM is ingevolge art. 124 Wet Rechterlijke Organisatie belast met de vervolging van strafbare feiten. Op grond van art. 167, tweede lid Sv kan van vervolging worden afgezien op gronden aan het algemeen belang ontleend. Onder ‘algemeen belang’ als bedoeld in art. 167, tweede lid Sv, kan niet worden gevat het niet overgaan tot opsporing in verband met een beperkte (recherche)capaciteit in die zaken die niet als gering feit kunnen worden aangemerkt of waarin geen bijzondere redenen aanwezig zijn om van strafvervolging af te zien. Ook de complexiteit van een zaak is op zichzelf geen reden om niet over te gaan tot opsporing c.q. vervolging. Immers, in een rechtstaat dient het rechtssysteem zo te zijn ingericht dat inhoud kan worden gegeven aan de in de wet verankerde normen en aan de verwachtingen die slachtoffers van strafbare feiten en de samenleving als geheel aan de wet mogen ontlenen. Het hof acht, gelet op de ernst en omvang van het beweerdelijk gepleegde strafbare feit en de zich in het dossier bevindende aanwijzingen, termen aanwezig om het beklag gegrond te verklaren en de vervolging van beklaagden te bevelen ter zake van computervredebreuk.
      Hof 's-Hertogenbosch 26-08-08, LJN BF3267
  10. Toezeggingen door politie (3.43)
    1. Volgens vaste rechtspraak van de HR kan het OM niet-ontvankelijk verklaard worden als bij de verdachte op grond van door het OM gedane of aan deze toe te rekenen toezeggingen, de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat hij niet zal worden vervolgd. Het handelen of nalaten van een niet voor het strafvervolgingsbeleid verantwoordelijk overheidsorgaan raakt in het algemeen niet het recht van het OM om tot strafvervolging over te gaan.
      HR 30-09-08, LJN BD4878 (conclusie AG).
  11. Wet tijdelijk huisverbod (nieuwe paragraaf) (4.46)
    1. Klik hier voor complete tekst in Word (kan dan ook in zakboek 'gehangen' worden).
      Wet tijdelijk huisverbod in staatsblad 2008, 422.
      Besluit tijdelijk huisverbod in staatsblad 2008, 421.
      Inwerkingtreding 01-01-08 (staatsblad 2008, 484).
      Zie voor de kamerstukken (MvT, MvA, enz.) overheid.nl > officiële publicaties > kamerstukken > nr. 30657.
  12. DNA-onderzoek veroordeelden: uitbreiding lijst strafbare feiten (5.6)
    1. De Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden treedt met ingang van 1 januari 2009 in werking, voor zover het gaat om een misdrijf als omschreven in art. 67, eerste lid, Sv dat is begaan door:
      a. een veroordeelde tegen wie in de vijf jaar die aan de veroordeling voor dat misdrijf zijn voorafgegaan, meer dan tien processen-verbaal wegens een misdrijf zijn opgemaakt die naar de officier van justitie zijn gezonden, en
      b. een veroordeelde aan wie een maatregel als bedoeld in artikel 38m, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd.
      Stb. 2008, 530 (met toelichting).
  13. DNA-referentiemonster ten onrechte niet uit DNA-databank verwijderd (5.8)
    1. Als een DNA-referentiemonster ten onrechte niet uit de DNA-databank is verwijderd (na vrijspraak) dan behoeft dat voor een daaropvolgende match niet altijd fataal te zijn. Met name niet als ingevolge de Wet DNA-onderzoek veroordeelden de OvJ (in een andere zaak) verplicht was celmateriaal ten be-hoeve van de DNA-databank af te nemen maar dat niet gedaan heeft omdat zich al materiaal in de DNA-databank bevond (waarvan later bleek dat dit ten onrechte niet verwijderd was).
      Rechtbank Utrecht 19-11-08, LJN BG4634.
  14. Schriftelijke vastlegging mondelinge machtiging doorzoeking (6.11)
    1. Ingevolge art. 97 Sv dient de (hulp)OvJ bij een spoedzoeking voorzien te zijn van een voorafgaande machtiging van de RC. Bij spoed kan die machtiging mondeling verleend worden maar dat zal dan in een later stadium alsnog schriftelijk vastgelegd en bij de processtukken gevoegd moeten worden.
      Rechtbank Zwolle-Lelystad 24-06-08, LJN BD9163.
      Zie eerder ook al Rechtbank Maastricht, NS 2003, 37 (niet op rechtspraak.nl).
  15. Schatting voordeel, matiging ontneming (draagkracht), rechten benadeelde  (6.21)
    1. ‘Het hof is van oordeel dat het noch in principe noch in de praktijk, in strijd is met het concept van een eerlijk proces dat klagers, nadat zij waren veroordeeld voor ernstige delicten in verband met drugshandel, de bewijslast hebben moeten dragen bij het aantonen van de legitieme oorsprong van vermogen waarvan is aangetoond dat zij daar in de relevante periode over hebben beschikt’.
      EHRM 23-09-08 (Grayson en Barnham tegen het VK), NJB 2008, 2017
  16. Imsi-catcher/vanger: wijziging telecommunicatiewet per 01-01-09 (9.14)
    1. Het eerste lid van artikel 3.10 Telecommunicatiewet komt te luiden:
      1. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, toestemming geven tot een gebruik van de frequentieruimte dat afwijkt van het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk, wanneer dit noodzakelijk is:
      a. ter voorkoming, beëindiging of opsporing van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere strafbare feiten een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert;
      b. ter vaststelling van de verblijfplaats van een aan te houden persoon op de voet van het bepaalde in artikel 565, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering;
      c. ter vaststelling van de plaats waar zich een persoon bevindt van wie moet worden gevreesd dat deze in acuut levensgevaar verkeert of ter beëindiging van een zodanig acuut levensgevaar;
      d. ten behoeve van oefendoeleinden.

      MH:
      Imsi is de afkorting van International Mobile Subscriber Identity en is een uniek nummer dat is gekoppeld aan een SIM-kaart. Aan de hand van het IMSI-nummer kan het 06-nummer en het IMEI-nummer (is het nummer van het randapparaat) worden achterhaald.

      Een imsi-vanger/catcher is een apparaat waarmee het IMSI-nummer én het IMEI-nummer kunnen worden achterhaald door een inbreuk te maken op de frequentieruimte voor mobiele telecommunicatie.

      ‘Art. 3.10 van de Telecommunicatiewet onderscheidt drie gronden voor het maken van inbreuk op de frequentieruimte met elk hun eigen procedurele waarborgen:
      - In het eerste lid is bepaald dat inbreuk gemaakt mag worden op de frequentieruimte voor het vaststellen van de verblijfplaats van een aan te houden persoon en van de plaats waar zich een persoon bevindt van wie moet worden gevreesd dat deze in acuut levensgevaar verkeert of ter beëindiging van een zodanig acuut levensgevaar. Voor inzet op grond van het 3.10, eerste lid is voorafgaand toestemming van de minister van Economische Zaken, in overeenstemming met de minister van Justitie vereist. De combinatie van voorafgaande toestemming en een beperkt aantal wettelijke omschreven gevallen voorkomt buitenproportionele inzet en waarborgt dat de belangen van mobiele telecommunicatieaanbieders en van politie en justitie zorgvuldig tegen elkaar worden afgewogen.
      - Inzet op grond van 3.10, tweede lid is alleen toegestaan wanneer dit noodzakelijk is in het belang van de veiligheid van de staat. De minister van Economische Zaken moet, in overeenstemming met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voorafgaand toestemming verlenen.
      - Art 3.10, vierde lid, geeft de mogelijkheid tot het onderzoek van de inhoud van telecommunicatieverkeer (aftappen). Inzet is alleen toegestaan als een OvJ of een RC vooraf toestemming heeft gegeven en aan de overige voorwaarden van het vierde lid is voldaan. De OvJ of een RC beoordelen of de gronden van aanvraag de inzet rechtvaardigen en of andere opsporingsmiddelen en/of technieken niet het gewenste resultaat hebben gehad of niet ingezet kunnen worden. Daarnaast is ook het Wetboek van Strafvordering van toepassing.' aldus de Kamerstukken 30661, memorie van antwoord.
  17. Tappen (verdachte) en professioneel verschoningsgerechtigden (bijv. advocaat)(rechtbank en vervolgens gerechtshof) (9.16)
    1. 'De inhoudelijke kennisneming van tapgesprekken tussen een verdachte en een advocaat door een opsporingsambtenaar en/of een officier van justitie is op zichzelf niet in strijd is met artikel 126aa Sv en/of de ratio van het verschoningsrecht en/of de artikelen 6 en 8 EVRM. In de praktijk geschieden het afluisteren en het uitwerken van de tapgesprekken door politieambtenaren die betrokken zijn bij het bewuste strafrechtelijke onderzoek en is het vervolgens de behandelende officier van justitie (de zaaksofficier) die besluit tot vernietiging van de gesprekken. Dit is volgens de rechtbank in strijd met de ratio van het verschoningsrecht. De inhoudelijke kennisneming van telefoongesprekken (tapgesprekken) tussen een burger (verdachte) en een advocaat door opsporingsambtenaren en officieren van justitie is onrechtmatig als deze geschiedt door opsporingsambtenaren en officieren van justitie die inhoudelijk betrokken zijn bij het bewuste strafrechtelijke onderzoek en/of daarin formele bevoegdheden hebben of krijgen. De Staat handelt onrechtmatig door de inhoudelijke kennisneming te laten geschieden door genoemde personen en dient binnen drie maanden maatregelen te nemen die ertoe strekken dat de inhoudelijke kennisneming niet langer door deze personen geschiedt (cursief MH, ik hou u op de hoogte!).'
      Rechtbank 's-Gravenhage (civiele kamer) 03-09-08, LJN BE9675.
    2. Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft inmiddels in afwachting van een definitieve uitspraak in hoger beroep de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank geschorst.
      Gerechtshof 's-Gravenhage (civiele kamer) 28-10-08, LJN BG3454.
  18. Opnemen (tele)communicatie ex art. 126m en 126l Sv en beoordelingskader OvJ, RC en zittingsrechter (9.17)
    1. Al eerder overwoog de HR (al in zakboek opgenomen):

      ‘Het staat in eerste instantie ter beoordeling van de OvJ of er sprake is van een verdenking als bedoeld in art. 126m of l lid 1 Sv en of het onderzoek dringend vordert dat gegevensverkeer wordt opgenomen Bij deze laatste toetsing spelen beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol De RC dient vervolgens bij de vraag of een machtiging kan worden verstrekt, te toetsen of aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.
      Aan de zittingsrechter staat de rechtmatigheid van de toepassing van de bevoegdheid ter beoordeling. In het wettelijk systeem houdt die beoordeling een beantwoording in van de vraag of de RC in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent die machtiging heeft kunnen komen Voorts omvat die beoordeling de vraag of het gebruik dat de OvJ vervolgens heeft gemaakt van zijn bevoegdheid (…) in overeenstemming is met die machtiging en ook overigens rechtmatig is’. HR 11-10-05, LJN AT4351, zie ook HR 21-11-06, LJN AY9673.

      Aanvullend overwoog de HR over de hiervoor besproken RC-toetsing:

      ‘van de aan de RC opgedragen toetsing of aan de wettelijke voorwaarden voor toepassing van art. 126m (oud) Sv is voldaan, is een toetsing van de rechtmatigheid van de vergaring van de aan de verzochte machtiging ten grondslag liggende gegevens niet uitgesloten, hoewel van de RC, gelet onder meer op het veelal spoedeisende karakter van deze procedure, in het algemeen niet verlangd kan worden daarnaar uitvoerig onderzoek te doen

      Opmerking verdient daarbij dat, indien de RC tot het oordeel komt dat sprake is geweest van een onrechtmatigheid in de hiervoor bedoelde gegevensvergaring, dit niet zonder nadere belangenafweging (MH: art. 359a) noopt tot afwijzing van de door de OvJ gevorderde machtiging als bedoeld in art. 126m Sv’.
      HR 17-06-08, LJN BG1663  (onder verwijzing naar de in vorige dia genoemde jurisprudentie).

  19. Art. 167a Sv: horen van betrokken minderjarigen bij zedenmisdrijven (10.6)
    1. Ingevolge art. 167a Sv dient het OM terzake van een misdrijf, omschreven in art. 245, 247 of 248a Sr en gepleegd ten aanzien van een minderjarige die twaalf jaren of ouder is, de minderjarige zo mogelijk in de gelegenheid te stellen zijn mening over het gepleegde feit kenbaar te maken.

      'De enkele omstandigheid dat de minderjarige, hoewel daartoe de mogelijkheid bestond, door het OM niet in de gelegenheid is gesteld zijn mening over het gepleegde feit kenbaar te maken, is niet voldoende om de gevolgtrekking te wettigen dat het OM in redelijkheid niet tot vervolging van verdachte heeft kunnen overgaan. Het komt immers erop aan of door dit verzuim aan de belangen van het kind ernstig is tekortgedaan. In het geval (zonodig achteraf) voldoende duidelijk is gebleken dat het minderjarige slachtoffer geen bezwaar heeft tegen de vervolging van verdachte bestaat voor een niet-ontvankelijkheid geen grond’
      HR 18-11-08, LJN BF1183.

 

ACTUALITEITEN
ZAKBOEK
STRAFVORDERING VOOR DE HULPOFFICIER
editie 2008
Klik hier voor verkoop zakboek

  1. Algemene verbeterpunten / kennelijke misstanden!!

    1. Zoals ik in vanaf 2006 meermalen heb gemaild (zie Nieuwsmail): uit de gepubliceerde jurisprudentie blijkt tot mijn verbazing niet alleen van een toenemend aantal verbeterpunten maar ook van kennelijke misstanden waartegen de rechtgeaarde opsporingsambtenaar en (hulp)OvJ zich met hand en tand moeten verzetten.

      Wat mij daarbij opvalt is dat rechters niet alleen een toenemende belangstelling lijken te hebben voor de rechtmatige toepassing van dwangmiddelen maar ook voor het waarheids- en betrouwbaarheidsgehalte van afgelegde getuigen/deskundigenverklaringen en pv's. En dat levert dan weer nieuwe 'verbeterpunten' op..... (een poreuze cirkel zouden Koot en Bie zeggen).

      Het gaat dan om de algemeen bekende punten als
      - redenen van wetenschap (verdachte, getuige, opsp. ambt., deskundige);
      - betrouwbaarheid van afgelegde verklaringen;
      - consistentie van afgelegde verklaringen (niet tegenstrijdig);
      - partijgetuigen;
      - verwerking van verklaringen in het pv;
      - confrontaties;
      - de rechtmatige uitoefening van dwangmiddelen;
      - betrouwbaarheid van het pv; - enz.

      Zo worden bij twijfel de betreffende verklaringen van de getuigen zondermeer aan de kant geschoven (ook zonder dat daarover een verweer gevoerd wordt) of wordt er aanvullend onderzoek bevolen (verhoor getuigen/politie). En ook de confrontatie heeft ambtshalve de extra aandacht van de rechter. In het bijzon-der de daarvoor geldende regels uit het 'besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek' (zie het zakboek hulpOvJ 3.27). Tot slot lijkt het erop dat rechters steeds meer ambtshalve geluid- en/of beeldopnamen op de zitting zelf willen horen en/of zien (bijv. het verhoor van een verdachte en/of getuige) teneinde zo te controleren of de weergave daarvan in het pv wel klopt.

      Anders gezegd: "na enkele pijnlijke lessen uit het verleden is er bij politie en justitie grote aandacht ontstaan voor en wordt intensief samengewerkt aan een verbeterplan voor de opsporing en vervolging. Doel is onder meer te bewerkstelligen dat in de opsporingsfase op zuivere wijze aan waarheidsvinding wordt gedaan. Dit heeft onder meer geleid tot het meer en ook meer imperatief registreren van verhoren van verdachten, zodat het betrouwbaarheidsgehalte van die verklaringen achteraf kan worden getoetst. In zijn algemeenheid kan zonder meer worden aangenomen dat de kwaliteit van de opsporing de laatste jaren enorm is vooruitgegaan. In de incidentele gevallen zoals de onderhavige kan niet anders dan een duidelijk signaal worden afgegeven, niet in de laatste plaats ter bewaking van de integriteit van de opsporing in het algemeen" (Rechtbank Arnhem 08-08-07, LJN BB1668).

      Hieronder heb ik een hyperlink opgenomen naar een overzicht met daarin een verzameling van zeer leerzame uitgewerkte uitspraken van rechters. Met hyperlink voor directe toegang naar de uitspraak op rechtspraak.nl. Een deel had ik al eerder kort 'gepubliceerd' maar de omvang blijft gestaag groeien. Ik zal het overzicht actueel houden. Het verdient zeer sterke aanbeveling om goed kennis te nemen van de verwerkte jurisprudentie én deze als verbeterpunt uit te dragen én te bewaken.

      En ik weet het: het overgrote deel van de zaken verloopt prima. Mijn complimenten daarvoor. Maar toch, het beeld dat langzamerhand uit de jurisprudentie is ontstaan, stemt absoluut niet tot vrolijkheid. Er zal de komende jaren nog veel werk verricht moeten worden. En dan niet alleen middels structuurwijzigingen en onderwijs. Ook de cultuur zal de nodige aandacht moeten hebben. Leidinggevenden dienen daarbij het voorbeeld te geven.

      Klik hier voor het overzicht

      Inmiddels is e.e.a. ook besproken in de wetenschappelijke literatuur: Y. Buruma, 'Onprofessioneel politieoptreden', Delikt en Delinkwent januari 2008, nr 8.  Buruma (zeer gewaardeerd hoogleraar) bespreekt een aantal rechterlijke uitspraken (door mij ook weergegeven in voornoemd overzicht) en plaatst een aantal kritische kanttekeningen, zoals de volgende.
      - Heel goed dat de rechter controleert, maar het optreden van de politie stemt echt niet tot vreugde (MH: of zoals ik het regelmatig formuleerde: hier worden wij niet vrolijk van).
      - In sommige van de besproken gevallen was eigenlijk persoonlijke vervolging op zijn plaats geweest (MH: ook het geval geweest, zie het overzicht).
      - Een enkele zaak roept de vraag op of we nog wel pv's van de politie mogen vertrouwen als de basis ervan niet controleerbaar is (MH: vertrouwen is ook gelet op mijn persoonlijke ervaringen fors afgenomen).
      - Uit een enkele zaak blijkt hoe problematisch het is dat in feite politiefunctionarissen selecteren welke informatie belangrijk genoeg is om aan de beslissende autoriteiten te leveren (MH: ook herkenbaar uit mijn eigen politie-ervaringen). In het licht van de lopende discussie over onterechte veroordelingen is dit uiteraard zorgwekkend.
      - Dat rechters kritischer worden op de dossiervorming kan dan ook alleen maar met vreugde worden begroet.
      - De indruk bestaat dat er ook een fundamenteel verschil van inzicht is tussen wat feitenrechters juist vinden en wat er in de praktijk gebeurt.
      - Het is hoogst zorgwekkend dat het kan voorkomen dat de politie ontlastend (CIE-)materiaal weglaat en kan weglaten.
      - De politie doet het vaak goed (MH: helemaal mee eens). Het komt soms voor dat je van mening kunt verschillen over de creativiteit van agenten (en creatieve agenten zullen mij al snel aan hun kant vinden) of dat het gaat om kleine misstappen. Maar er doen zich ook schandelijke incidenten voor. Het is belangrijk dat feitenrechters op die incidenten de vinger leggen. Dat ze dat nog steeds blijken te doen is loffelijk. Maar het is tegelijkertijd zorgelijk vast te moeten stellen dat die rechters net iets te vaak incidenten blootleggen die niet anders kunnen worden geduid dan als tekenen van onprofessioneel politieoptreden. Geleidelijk aan beginnen we de gevolgen te zien van het vrijwel afsterven van het juridisch onderwijs voor politieambtenaren in opleiding (MH: én actualisering daarvan na de opleiding in de praktijk): dat ze de regels niet meer kennen is misschien nog weg te relativeren, maar de instelling van de agenten in veel van de hiervoor gegeven voorbeelden baart zorgen. Die instelling geeft blijk van onvoldoende rekenschap van waar een professionele politie voor staat.

      Anker roept zelfs op tot discussie over de afschaffing van art. 344 lid 2 (unieke bewijskracht pv van bevoegde opsporingsambtenaar) (Nieuwsbrief Strafrecht 2008, nr. 1).

      Zo, daar kunnen we het weer even mee doen.....Maar zoals altijd: bedreigingen vormen ook kansen. En die moeten we met z'n allen pakken. Ik zal u op deze plaats en via mijn Nieuwsmail op de hoogte houden van verbeterpunten en ontwikkelingen op dit gebied.
  2. Regeling hulpOvJ's 2008 (1.1)
    1. Regeling hulpOvJ's 2008
  3. Niet (meer) gecertificeerd hulpOvJ (1.1)
    1. Een hoofdinspecteur wiens certificaat hulpOvJ verlopen was had een verdachte inverzekering gesteld. Daarover overwoog de meervoudige strafkamer van de rechtbank Utrecht:
      "De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de ivs onrechtmatig is geweest en dat dit tot strafvermindering dient te leiden, omdat het hulpOvJ-certificaat van de hoofdinspecteur die verdachte in verzekering heeft gesteld, verlopen was. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe als volgt. Verdachte is in verzekering gesteld door een hoofdinspecteur van politie. De rang van een hoofdinspecteur van politie houdt automatisch in dat deze tevens een hulpOvJ is. Wel moet deze hulpOvJ tijdig zijn of haar certificaten halen. Dit laatste nu is niet gebeurd, maar houdt niets meer in dan een administratieve omissie die in deze geen belang van verdachte heeft geschaad en die geen consequenties heeft gehad ten aanzien van de bewijsgaring."
      Op de uitspraak lijkt mij nog wel wat af te dingen: lijkt meer op de situatie van vóór de invoering van het hulpOvJ-certificaat, waarbij het behalen van een bepaalde rang (bijv. hivp) voldoende was. Ik ben dus benieuwd wat daar mogelijk in hoger beroep over gezegd gaat worden, ik hou u op de hoogte.
      Lijkt mij wél verstandig om de administratie inzake de (verlenging van de) certificering in het korps goed te bewaken.
      Rechtbank Utrecht 24-01-08, parketnummer 600715-07 (niet gepubliceerd).
  4. Verdachte? (2.1)

    1. De omstandigheden genoemd in art. 27 lid 1 Sv ‘moeten naar objectieve maatstaven gemeten voldoende grond opleveren voor de verdenking van het plegen van een strafbaar feit. Of sprake is van een redelijk vermoeden wordt daarbij in belangrijke mate aan de beoordelingsvrijheid van de opsp. ambt. overgelaten. De feitenrechter moet derhalve nagaan of de opsp. ambt., gemeten aan hetgeen ten tijde van zijn optreden bekend was, tot de conclusie kon komen dat er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit’.
      Aldus de PG in zijn conclusie (punt 4.6) onder HR 03-06-08, LJN BC7921 (onder verwijzing naar Corstens, 5e druk, p. 89) en overgenomen door HR.

  5. Anonieme info en dwangmiddelentoepassing (2.2)

    1. Op dit gebied zijn de nodige veranderingen waar te nemen. Het is van groot belang daarvan zeer goed kennis te nemen voor de toepassing van dwangmiddelen!! 

      Hoofdregel: géén dwangmiddelentoepassing op basis van uitsluitend anonieme info. Altijd onderzoek doen naar een plusje (zie bijgevoegde conceptparagraaf) en uitsluitend dwangmiddelen toepassen bij het vinden van een plusje. Dit kan pas anders zijn bij verdenking van een zeer ernstig misdrijf (of de angst daarvoor) waarbij (verder) nader onderzoek onmogelijk is en politieoptreden in redelijkheid geen enkel uitstel meer kan dulden.

      Als er na onderzoek géén plusje te vinden is (wat op zich als ontlastend gezien zou kunnen worden) en er tóch een dwangmiddel toegepast zou moeten worden: éérst overleggen met de OvJ en ook hier als hoofdregel pas dwangmiddelen toepassen als (verder) nader onderzoek onmogelijk is en politieoptreden in redelijkheid geen enkel uitstel meer kan dulden.

      Zie voor een mogelijke uitzondering op voornoemde hoofdregel bij betrouwbare CIE-info de bijgevoegde conceptparagraaf 2.2.).

      Uiteraard de gehele gang van zaken tijdig, juist én volledig relateren in het pv!

      Uitgebreid: klik hier voor conceptparagraaf 2.2 editie 2009
       

    2. Recent arrest HR (verwerkt in voorgaande notitie)

      Casus
      De AIVD was op 3 december gebeld door een onbekend gebleven persoon die meldde dat er op een met name genoemd adres in een met name genoemde plaats explosieven, handgranaten en wapens aanwezig zouden zijn. Deze zouden zijn bedoeld voor een aanslag op Hoog Catharijne voor januari. De betreffende tip was getoetst en onderzocht door de AIVD, vervolgens door de rechercheofficier in samenspraak met de districtsrecherche, de afdeling terreur, en tenslotte door de districtsrecherche, afdeling zware criminaliteit, zonder dat enige aanvullende belastende informatie over het bewuste adres en zijn bewoner was gebleken (MH: dat zou je als ontlastende omstandigheid kunnen zien). Het hof was over de vervolgens ingestelde doorzoeking van mening dat er onder deze omstandigheden (cursief MH) onvoldoende grond was voor het ‘redelijkerwijs kunnen vermoeden’ dat op voormeld adres wapens of munitie aanwezig waren. Gevolg: bewijsuitsluiting van hetgeen bij de doorzoeking in beslag genomen was (pistool, namaakpistool en een busje traangas) en vervolgens vrijspraak bij gebrek aan ander bewijs.

      HR
      De HR stelt vervolgens voorop dat een redelijk vermoeden van de aanwezigheid van wapens en munitie als bedoeld in art. 49 WWM kan worden aangenomen op basis van een anonieme melding. Maar merkt ook op dat het Hof de aan de AIVD anoniem verstrekte telefonische informatie uiteindelijk (cursief MH) onvoldoende heeft geacht voor een redelijk vermoeden dat op het voormelde adres wapens of munitie aanwezig waren en daarbij doorslaggevend geacht dat die anoniem verstrekte informatie door de AIVD, de rechercheofficier in samenspraak met de afdeling terreur van de districtsrecherche en de afdeling zware criminaliteit van die recherche is getoetst en onderzocht (waartoe ook de tijd was) zonder dat van enige aanvullende belastende informatie is gebleken (MH: zoals ik al opmerkte, dat zo’n diepgaand onderzoek uiteindelijk niets oplevert zou je ook als ontlastende omstandigheid kunnen zien). De HR laat vervolgens het oordeel van het bewuste Hof in stand vanwege de verwevenheid met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval. E.e.a. zou mijns inziens mogelijk anders zijn geweest als nader onderzoek en/of verificatie onmogelijk was en politieoptreden in redelijkheid geen enkel uitstel meer kon dulden.

      En voor de diepgravers onder ons: de HR merkt ambtshalve nog op dat het Hof kennelijk niet heeft onderzocht of de door hem aan de onrechtmatigheid van de doorzoeking verbonden bewijsuitsluiting in overeenstemming is met de maatstaven die door de HR eerder zijn uiteengezet . Daarover werd echter niet geklaagd bij de HR en dus ook niet over beslist... Zie over de HR en de AIVD ook 3.56.
      HR 11-03-08, LJN BB7662.
       

    3. Recent arrest hof 's-Hertogenbosch (eveneens verwerkt in voorgaande notitie)

      MMA melding inhoudende ‘[naam verdachte, anders gespeld] - een Marokkaanse man - [adres] Helmond heeft een XTC-laboratorium in huis. De tablettenmachine staat op de zolder van zijn woning. Op dit moment heeft hij ongeveer 20.000 pillen klaarliggen’. Het hof ’s-Hertogenbosch was hierover van oordeel ‘dat sprake is van een melding die specifiek en gedetailleerd is, terwijl de melding voorts zeer actueel is. Er heeft met betrekking tot de naam van de in de MMA melding genoemde persoon een verificatie plaatsgevonden in het GBA. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat toen en daar redelijkerwijze vermoed kon worden dat sprake was van overtreding van de Opiumwet. Met betrekking tot de toepassing van het specifieke dwangmiddel, het betreden van de woning ter ibn, heeft het hof in de oordeelsvorming betrokken dat het hier gaat om een ernstig misdrijf (harddrugs) waarbij gesproken kan worden van gevaar voor de gezondheid van personen indien deze harddrugs in het verkeer zouden komen. Ook heeft het hof bij de beoordeling van de keuze voor dit dwangmiddel betrokken dat de MMA melding inhield dat er sprake was van een XTC laboratorium hetgeen als gevaarzettend kan worden beschouwd.’ Overigens was bij controle van HKS naar voren gekomen dat verdachte meerdere antecedenten had, zij het niet op het gebied van de Opiumwet, maar dit speelde bij de overwegingen van het hof kennelijk geen rol….. Kort na het binnentreden ter ibn troffen de politieambtenaren voor de hand liggend op een tafel een residu MDMA/MDA aan. Er vond vervolgens overleg met de OvJ en RC plaats hetgeen ertoe leidde dat de RC een machtiging ex art. 97 lid 2 en 3 Sv gaf. De daarop volgende door-zoeking vond plaats onder leiding van een hulpOvJ. Aldus niet onrechtmatig.
      Hof 's-Hertogenbosch 01-07-08, LJN BD5851
  6. Politie-info via MMA/CIE (2.2)
    1. Het staat de politie niet vrij al bij de recherche bekende informatie, ter bescherming van de bron, te verdoezelen door deze informatie alsnog anoniem te laten binnenkomen via MMA en/of de CIE (en dat had de politie dan ook niet gedaan!).

      'Verdachte heeft zich op 14 september 2006 op eigen initiatief bij de politie gemeld, zijn identiteit kenbaar gemaakt en, na ontvangst van de cautie, een verklaring afgelegd naar aanleiding waarvan de verbalisant Nijman proces-verbaal heeft opgemaakt en hem heeft geadviseerd, zijn voornemen om Apeldoorn te verlaten, daadwerkelijk uit te voeren. De politie heeft daarbij nog ondersteuning geboden door verdachtes situatie onder de aandacht te brengen van de politie in de plaats waar verdachte (voorlopig) zou gaan wonen. Nu verdachte echter heeft verkozen te blijven wonen op zijn Apeldoornse adres en hij, anders dan de politie, precies wist hoe de zaken zich daar ontwikkelden, valt niet in te zien dat aan de politie verwijt kan worden gemaakt van de voor verdachte onveilig gebleken situatie. Het verwijt dat de politie door de door verdachte verstrekte informatie bij proces-verbaal heeft vastgelegd in plaats van verdachte te verwijzen naar M(eld) (M)isdaad (A)noniem en/of de CIE, miskent dat het de politie nu juist niet vrijstaat al bij de recherche bekende informatie, ter bescherming van de bron, te verdoezelen door deze informatie alsnog anoniem te laten binnenkomen via MMA en/of de CIE. Daarbij komt in dit geval nog, dat verdachte als zodanig ook zelf in de onderhavige zaak betrokken was en daardoor op dat moment geen voor de CIE bruikbare informatie kon leveren.
      Rechtbank Zutphen 30-10-07, LJN BB7196.
  7. Lokfiets (2.2)
    1. Geen rechtsregel verbiedt dat de politie, wanneer zij concludeert dat iemand die haar ambtshalve als dief bekend is veel belangstelling voor gestalde fietsen toont, een onafgesloten fiets neerzet teneinde te zien of genoemde persoon die fiets zal stelen. Met name is hiervoor niet vereist, dat ten tijde van het plaatsen van die fiets al sprake is van een redelijk vermoeden dat al een concreet strafbaar feit is gepleegd.
      Hof (niet gepubliceerd) maar weergegeven in een naar de rechtbank terugverwezen zaak (wel gepubliceerd): Rechtbank Dordrecht 01-11-07, LJN BB6979.
      Zie zonodig ook Rechtbank Dordrecht 02-01-07, LJN AZ5422.
      Hetzelfde zal m.i. gelden voor vergelijkbare zaken zoals bijv. een 'lok'-lcd-scherm in woning. Van belang bij vorenstaande is dat de betreffende persoon niet gebracht wordt tot het plegen van andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht (Talloncriterium, zie hierover verder het zakboek Strafrecht 2.10).
  8. Lokauto (2.2)
    1. Kort:

      Inzet van lokauto als middel van opsporing (van autokrakers) levert geen strijd op met bevoegdheden van politie tot opsporing. Ook is niet aannemelijk geworden dat de verdachte door die inzet is gebracht tot andere handelingen dan die, waarop zijn opzet tevoren was gericht. Het gegeven dat de auto door de politie is geprepareerd, geparkeerd en geobserveerd en in die zin de politie de verdachte heeft gefopt is mogelijk niet alledaags en kan in zoverre bijzonder worden genoemd, doch doet aan deze conclusie niet af.

      Uitgebreid:

      'Op 10 maart 2006 te 20.00 uur is door de politie op de Plantage Muidergracht te Amsterdam een personenauto geplaatst. De politie heeft die auto voorzien van niet voor die auto afgegeven, buitenlandse kentekenplaten. In deze afgesloten auto waren door de politie onder meer een mobiele telefoon en een dummy van een navigatiesysteem neergelegd c.q. aangebracht. Deze voorwerpen waren van buiten die auto voor passanten zichtbaar. Tegenover deze auto is door de politie een observatiepost geplaatst en bemand. Ongeveer twintig minuten nadat deze auto ter plaatse was geparkeerd, is door de verdachte een ruit van de auto vernield en heeft hij het navigatiesysteem weggenomen. De verdachte is terstond aangehouden. De politie is tot de inzet van deze auto overgegaan met het oog op het grote aantal gepleegde inbraken uit auto’s op de Plantage Muidergracht (en naar het hof aanneemt: ook de directe omgeving van die gracht). Als doel van deze actie is in het proces-verbaal van relaas vermeld: het verminderen van voertuigcriminaliteit. De officier van justitie heeft aan de politie voor de uitvoering van deze actie toestemming verleend. Het hof zal in navolging van de politie de term lokauto bezigen.

      Gegeven de veelheid van gepleegde autokraken op en nabij de plaats waar de lokauto door de politie is geplaatst en het vorenweergegeven doel van de inzet van de lokauto, moet worden aangenomen dat de politie de aanhouding op heterdaad van een autokraker heeft beoogd.

      Gelet op wat de ervaring leert met betrekking tot autokrakers -in de regel gaat het om lieden die dit soort van feiten bij herhaling plegen- en met betrekking tot autokraken -in de regel gaat het om ergerlijke misdrijven waarvan de daders slechts moeizaam kunnen worden geïdentificeerd-, getuigt de inzet van de lokauto van een zekere creativiteit in de opsporing. Immers, degene die overeenkomstig een daartoe genomen besluit de lokauto kraakt, laadt niet slechts de verdenking op zich -onder het toeziend oog van de politie- een misdrijf te hebben begaan, maar laadt daardoor tevens de verdenking op zich dat hij zich daaraan eerder heeft bezondigd. Aldus wordt de inzet van de lokauto gelegitimeerd door in elk geval het belang dat bestaat bij de zeer grote pakkans van een autokraker, van wie in redelijkheid mag worden aangenomen dat hij zich niet voor het eerst op of nabij die locatie aan een autokraak schuldig maakt.

      Gegeven de aan de politie opgedragen taken -de opsporing van strafbare feiten als ook de aan artikel 2 van de Politiewet 1993 te ontlenen taakstelling- valt niet in te zien dat de politie met de inzet van de lokauto in het onderhavige geval aan een rechtsregel is voorbij gegaan.

      Daartoe overweegt het hof in het bijzonder dat de hier aan de orde zijnde inzet van de lokauto als middel van opsporing geen strijd oplevert met de in boek I van het Wetboek van Strafvordering neergelegde regeling van bijzondere bevoegdheden tot opsporing, terwijl evenmin aannemelijk is geworden dat de verdachte door die inzet is gebracht tot andere handelingen dan die, waarop zijn opzet tevoren was gericht. Het gegeven dat de auto door de politie is geprepareerd, geparkeerd en geobserveerd en in die zin de politie de verdachte heeft gefopt is mogelijk niet alledaags en kan in zoverre bijzonder worden genoemd, doch doet aan deze conclusie niet af.

      Overigens is niet aannemelijk geworden dat de verdachte doordat de politie op de lokauto buitenlandse kentekenplaten heeft aangebracht -indien al in strijd met de wet- is geschonden in een rechtens te respecteren belang.

      Evenmin kan -in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de frequentie, aard en ernst van autokraken en de in de regel moeizame opsporing van de daders van deze misdrijven- met vrucht kan worden gesteld dat door de politie onder gezag van de officier van justitie in het onderhavige geval voorbij is gegaan aan de in acht te nemen beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit.'
      Hof Amsterdam 28-06-07, LJN BC4796. (pas gepubliceerd op 20-02-08)
  9. Lokwoning (2.2)
    1. Bijv. door een zicht lcd-scherm achter woonkamerraam. Zal gelet op voorgaande jurisprudentie (lokfiets en lokauto) als regel niet onrechtmatig zijn.
  10. Verdachte? (2.2)
    1. Verbalisanten krijgen melding van straatroof terwijl ze (met hun kennis, ervaring en locale bekendheid) een drietal mannen gedurende een korte tijdsspanne reeds waarnemen die hollen, elkaar iets laten zien, daarover plezier hebben en iets verstoppen bij een auto, komend uit de richting van plaats delict. ‘Gelet op de zeer korte tijdspanne waarbinnen de gebeurtenissen elkaar opvolgen, het door de verbalisanten geobserveerde gedrag van de drie mannen, onder wie de verdachte, en de kennis en ervaring waarover verbalisanten die werkzaam zijn in de stad Amsterdam, naar algemene ervaringsregels leren, beschikken, was er naar het oordeel van het hof om 4:50 uur voldoende aanleiding om hen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit. Gelet op de melding via de portofoon van een straatroof die kort voor die tijd zou hebben plaatsgevonden in het gebied waar de mannen vandaan kwamen en gelet op het daarbij doorgegeven signalement van de daders, was er naar het oordeel van het hof om 4:50 uur vervolgens, gegeven alle inmiddels bekende feiten en omstandigheden, sprake van een redelijke verdenking van schuld in de zin van art. 27 Sv aan diefstal met geweld en is de verdachte mitsdien rechtmatig aangehouden. Zie nog uitgebreider het arrest. E.e.a. mede dankzij goede relatering in pv bevindingen!!
      Hof Amsterdam 09-05-08,  LJN BD1817.
  11. Processtukken (2.8)
    1. Omschrijving en kennisneming (ook van stukken die géén processtukken zijn) (2.8)
      1. 'In het dossier dienen te worden gevoegd stukken die redelijkerwijze van belang kunnen zijn hetzij in voor de betrokkene ongunstige hetzij in voor hem gunstige zin. (...) Indien de verdediging de betrouwbaarheid of rechtmatigheid van de verkrijging van enig bewijsmiddel aanvecht, brengen beginselen van een behoorlijke procesorde mee dat de verdediging in beginsel ook de kennisneming van voor de beoordeling daarvan van belang zijnde, niet tot de processtukken behorende, documenten niet mag worden onthouden’. In het betreffende geval kon desalniettemin toch in het kader van een belangenafweging de anonieme brief die niet bij het dossier gevoegd was toch ter kennisneming worden onthouden.
        HR 22-01-08, LJN BA7648.
    2. EHRM (2.8)
      1. Ook het EHRM ‘erkent dat strafvorderlijke onderzoeken effectief dienen te worden uitgevoerd, hetgeen met zich mee kan brengen dat daarin vergaarde informatie gedeeltelijk kan worden afgeschermd in verband met collusiegevaar. Dit legitiem doel kan evenwel niet worden nagestreefd indien daarbij de rechten van de verdediging substantieel worden beperkt. Informatie die essentieel is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de voorlopige hechtenis dient op geschikte wijze ter beschikking van de raadsman (MH: verdediging) te worden gesteld. ’
        EHRM 13-12-07, NJB 2008, 500 (Mooren tegen Duitsland).
    3. Omschrijving en foto's van Foslo (2.8)
      1. In de onderhavige zaak draait het om de vraag of de verzochte stukken - de foto's die zijn gebruikt bij de foslo-confrontatie - moeten worden aangemerkt als processtukken en als zodanig aan het dossier dienen te worden toegevoegd.
        Processtukken zijn die stukken die door de opsporende en vervolgende instanties aan het dossier worden of dienen te worden toegevoegd. De verdachte heeft recht op kennisneming van die stukken die redelijkerwijze van belang kunnen zijn in voor verdachte belastende of in voor hem ontlastende zin, hetzij van belang zijn bij de beoordeling van de rechtmatigheid of betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal of anderszins van belang zijn voor beantwoording van een van de vragen van de art. 348 en 350 Sv.
        Op grond van het bepaalde in art. 30 lid 2 Sv kan, indien het belang van het onderzoek dit vordert, de verdachte de kennisneming van bepaalde processtukken onthouden worden Onthouding van processtukken is alleen dan gerechtvaardigd indien ernstig is te vrezen dat de verdachte door kennisneming van de stukken de waarheidsvinding zou kunnen belemmeren.
        De Rechtbank stelt voorop dat een beslissing tot het onthouden van processtukken slechts met terughoudendheid kan worden genomen vanwege de zeer ingrijpende - zij het tijdelijke - aantasting van de rechten van de verdediging. Een behoorlijke procesgang brengt immers met zich dat een verdachte kennis moet kunnen nemen van de processtukken teneinde de verdediging daarop te kunnen baseren.
        De Rechtbank zal in de eerste plaats dienen te beoordelen of de foto's die zijn gebruikt bij de foslo-confrontatie kunnen worden aangemerkt als ''processtukken'' in de hierboven weergegeven zin.
        In de wet is niet gedefinieerd wat onder het begrip processtukken dient te worden verstaan. Naar het oordeel van de Rechtbank dient daaronder in ieder geval te worden verstaan het bewijsmateriaal dat in de vorm van een wettig bewijsmiddel het resultaat van het opsporingsonderzoek bevat, alsmede de stukken of voorwerpen die voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van dat bewijsmiddel nodig zijn. In de onderhavige zaak overweegt de Rechtbank dat als wettig bewijsmiddel is toegelaten een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, waarin de uitkomst van een foslo-confrontatie is neergelegd. Bij een dergelijke confrontatie worden verscheidene portretfoto's, waaronder die van de verdachte, aan de aan de confrontatie deelnemende persoon voorgelegd. De Rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat het voor een beoordeling van de betrouwbaarheid van het bewijsmiddel - het proces-verbaal van de uitkomst van de foslo-confrontatie - voor de verdediging en de Rechtbank van belang is dat kennis genomen kan worden van de foto's die zijn voorgehouden. Immers, alleen op die wijze kan worden beoordeeld of alle op de verschillende foto's afgebeelde personen voldoen aan het signalement van de verdachte. Reeds gelet hierop dienen de aan het proces-verbaal van de uitkomst ten grondslag liggende foto's als processtukken in bovenvermelde zin te worden aangemerkt.
        In de tweede plaats zal de Rechtbank beoordelen of er afdoende redenen zijn de verdachte de kennisneming van deze processtukken te onthouden.
        De Rechtbank stelt vast dat de officier van justitie als reden voor het niet verstrekken van de gevraagde foto's uitsluitend het privacybelang van de daarop afgebeelde personen heeft gesteld. Enig onderzoeks- of collusiebelang is niet gesteld. Gelet hierop kan de weigering van de officier van justitie om de foto's aan het dossier toe te voegen niet zijn gebaseerd op art. 30 lid 2 Sv.
        De Rechtbank merkt nog het volgende op. Dat aan de raadsvrouw is aangeboden de foto's op het politiebureau in te zien is onvoldoende. Nu de foto's als processtukken moeten worden aangemerkt, dienen deze aan het strafdossier te worden toegevoegd.
        Ter zake van het door de officier van justitie gestelde privacybelang overweegt de Rechtbank nog het volgende. Gelet op de nadere toelichting ter zitting vreest de officier van justitie dat de betreffende foto's in bredere kring, bijvoorbeeld via internet, kunnen worden verspreid. De Rechtbank overweegt dat zij het afdoende aannemelijk acht dat de personen op de foto's bekend zijn met het doel waarvoor de foto's worden gebruikt, namelijk in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. Verstrekking (van afschriften) daarvan aan de verdediging en de Rechtbank is een ten tijde van de opnames voorzienbaar gebruik. Daarenboven betreft het uitsluitend portretfoto's zonder aanvullende identificerende gegevens zoals een naam of (woon)adres. Gelet op het vorenstaande is de Rechtbank van oordeel dat het gestelde privacybelang van onvoldoende gewicht is om toevoeging van (afschriften van) de foto's aan het dossier te blokkeren, daargelaten dat het bepaalde in art. 30 lid 2 Sv de officier van justitie daartoe geen ruimte laat.
        Voor zover de officier van justitie nog heeft opgemerkt dat het Amsterdams parket om meer principiële redenen nimmer (afschriften van de) foto's van de foslo-controntatie verstrekt, merkt de Rechtbank op dat aan die principiële stellingname - blijkbaar - niet strikt de hand wordt gehouden, gelet op de door de raadsvrouw in raadkamer genoemde voorbeelden van zaken waarin wel foto's werden verstrekt en gelet op het feit dat de Rechtbank in andere zaken ook dergelijke foto's in dossiers van het Amsterdams parket heeft aangetroffen.
        NS 08, 131 (niet op rechtspraak.nl).
    4. Klik hier voor herschreven conceptparagraaf voor zakboek 2009
  12. Ontbreken tolk bij verhoor: bewijsuitsluiting (2.9)
    1. De rechtbank komt tot uitsluiting van het bewijs van alle verhoren van verdachte bij de politie vanwege het ontbreken van een tolk tijdens deze verhoren.
      Rechtbank Groningen 13-09-07, LJN BB4076.
  13. Zwijgen gebruikt bij bewijsoverwegingen (Samir A) (2.9)
    1. Verdachte was zowel door de rechtbank Rotterdam als het hof te 's-Gravenhage vrijgesproken van de ten laste gelegde voorbereiding.
      De HR (HR 20-02-07, LJN AZ2013) kon zich daar niet in vinden en verwees de zaak naar het hof Amsterdam. Dat hof is van oordeel dat de in 2004 in de woning van verdachte aangetroffen stoffen en informatiedragers kennelijk bestemd waren voor het plegen van een aanslag op één of meer (overheids)gebouwen. De aangetroffen objecten verkrijgen een strafwaardig karakter en betekenis in hun onderlinge samenhang. Hoewel de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen op zichzelf in het stadium waarin deze werden aangetroffen (nog) niet in alle opzichten geschikt waren om een dergelijke aanslag te plegen, waren zij daartoe in deze voorbereidende fase wel kennelijk bestemd in de zin van art. 46 Sr.

      Daarbij betrok het hof ook het zwijgen van de verdachte in de bewijsoverwegingen: 'het zwijgrecht betreft een van de elementaire rechten van de verdachte in het strafproces; een beroep op dit recht kan nimmer aan de verdachte worden tegengeworpen. De rechter is evenwel vrij om, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring geeft of heeft gegeven, dit in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal te betrekken (MH: zie HR 15-06-04, LJN AO9639, 14-03-06, LJN AU5496, 05-12-06, LJN AZ0651 en NJ 2002, 567). Het hof laat het ontbreken van een verklaring van de verdachte op dit punt dan ook meewegen bij de waardering van het voorhanden zijnde bewijs.'
      Hof Amsterdam 17-09-07, LJN BB375
  14. Schending pressieverbod (vrijspraak poging tot moord) (pressieverbod) (2.9)

    1. 'In het dossier bevinden zich diverse pv's waarin de verhoren van de verdachte op schrift zijn weergegeven. Deze verhoren zijn tevens vastgelegd op DVD. Het hof heeft delen uit deze DVD’s bekeken. Verder zijn alle op DVD opgenomen verhoren woordelijk uitgeschreven. T.a.v. de verhoren van de verdachte is het volgende gebleken. De verdachte is verspreid over een vijftal dagen twaalfmaal verhoord. Tijdens de verhoren hebben de verbalisanten veelvuldig gebruik gemaakt van suggestieve en sturende vraagstellingen. Zo werd het onderwerp ‘benzine’ ter sprake gebracht door de verdachte op 11 januari 2006. Aan de verdachte werd gevraagd wat hij bij Karwei had gekocht. Het antwoord van de verdachte was dat hij alleen lampjes had gekocht. Vervolgens werd gevraagd of de verdachte zeker wist dat hij geen brandbare middelen had gekocht. De verdachte ontkende en voerde toen aan zeker geen benzine te hebben gekocht. De reactie hierop van de verhorende verbalisanten was dat dit daderkennis was. Verder is door de verbalisanten herhaaldelijk op een bijkans manipulatieve wijze benadrukt dat de verdachte psychisch ziek zou zijn. Zo hield een van de verbalisanten de verdachte, nadat deze zich vertwijfeld had afgevraagd waarom hij het gedaan zou hebben, voor: “omdat je ziek bent”.'

      Het hof acht de hiervoor omschreven wijze van verhoor ongeoorloofd en in strijd met het pressieverbod zoals dit is neergelegd in art. 29 Sv. (Net?) geen niet-ontvankelijkheid maar wel vrijspaak door uitsluiting aanvankelijke bekentenis van verdachte. 
      Hof 's-Hertogenbosch 04-03-08, LJN BC5638
  15. Schending pressieverbod (vrijspraak dubbele moord/doodslag) (2.9)

    1. Kort:
      Verdachte was tenlastegelegd dat zij haar kinderen door middel van messteken om het leven zou hebben gebracht. De rechtbank spreekt verdachte vrij van de dubbele moord/doodslag. De rechtbank komt tot deze conclusie op grond van het volgende:
      1. De twee door verdachte afgelegde bekentenissen zijn naar het oordeel van de rechtbank respectievelijk onrechtmatig verkregen (22 juni 2006) en onvoldoende betrouwbaar verkregen (29 juni 2006);
      2. Het technisch onderzoek levert onvoldoende bewijs op dat verdachte haar kinderen heeft gedood en;
      3. De stelling van verdachte dat (de onbekende) de kinderen heeft gedood kan niet worden uitgesloten.

      Meer uitgebreid:
      'Op 22 juni 2006 had verdachte slechts een week daarvoor haar twee jonge kinderen verloren, zij is vrijwel direct aangehouden en zat sindsdien in volledige beperkingen, zij wist niet of zij de crematie van haar kinderen zou mogen bijwonen en zij had eerst op 22 juni 2006 gehoord dat zij op die dag afscheid mocht nemen van haar kinderen. Zij is direct voorafgaande aan dit laatste afscheid van haar kinderen op intimiderende wijze benaderd en haar zijn niet bevestigde dan wel onjuiste gegevens als vaststaande feiten voorgehouden. Na terugkomst uit het rouwcentrum is verdachte wederom langdurig en zonder advocaat op een sturende wijze verhoord. Dit alles maakt, bezien in het licht van de jeugdige leeftijd en de persoonlijkheid van verdachte, zoals die uit het onderzoek door de gedragsdeskundigen, waaronder het Pieter Baan Centrum, is gebleken, dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte op 22 juni 2006 onder een dermate druk heeft gestaan, dat niet gezegd kan worden dat zij haar bekennende verklaringen in vrijheid heeft afgelegd.

      Op grond van het bovenstaande neemt de rechtbank de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op 22 juni 2006, niet mee als bewijs.

      Verklaring 29 juni 2006: Na haar bekentenis van 22 juni 2006 zijn de beperkingen opgeheven. Tussen 22 en 29 juni 2006 is verdachte niet gehoord. Zij is niet bezocht door haar raadsman. Voor zover de rechtbank in het dossier kan zien heeft er geen onderzoek plaats gevonden in die periode. De kinderen zijn in de tussenliggende periode gecremeerd. Verdachte is daarbij aanwezig geweest. Op 29 juni 2006 heeft hetzelfde verhoorkoppel dat haar op 22 juni 2006 heeft verhoord, haar wederom verhoord, nu in aanwezigheid van haar raadsman.

      Verdachte heeft steeds - met uitzondering van de hierboven gerelateerde bekentenis op 22 juni 2006 - verklaard, dat zij zich van de betreffende nacht, vanaf het moment dat een derde persoon haar woning binnenkwam niets, of in elk geval heel weinig, kan herinneren. In het verhoor van 29 juni 2006 heeft verdachte opnieuw een verklaring afgelegd over de wijze waarop zij de kinderen zou hebben gedood. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de veelvuldige en sturende verhoren voor verdachte, vanwege haar zwakke identiteit, zo indringend zijn geweest, dat zij het scenario, dat verbalisanten haar op de 22ste juni 2006 hebben aangereikt, is gaan inkleuren en aldus heeft geleid tot de bekennende verklaring van de 29ste juni 2006. De rechtbank acht voorts de weinige details die verdachte in haar verklaring van 29 juni 2006 beschrijft niet dermate specifiek, dat uit die details daderkennis mag worden afgeleid.

      Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte van 29 juni 2006 onvoldoende betrouwbaar om als bewijsmiddel te hanteren.'

      Zie uitgebreid het vonnis zelf.
      Rechtbank Haarlem 09-11-07, LJN BB7483

  16. Plichten van de verdachte / gebruik van verklaring die een burger (kentekenhouder) verplicht was af te leggen (2.16)
    1. Het beginsel dat men zichzelf niet hoeft te belasten (én het zwijgrecht) zijn niet absoluut. Van belang is ondermeer de aard en mate van de toegepaste dwang bij de bewijsverkrijging. In het betreffende geval ging het om kentekenhouders die verplicht werden de identiteit van de bestuurder op het moment van de snelheidsovertreding bekend te maken. Eigendom en gebruik van voertuigen (net als vuurwapens) kunnen ernstig lichamelijk letsel veroorzaken. Degenen die er voor kiezen voertuigen te houden en besturen kunnen worden geacht bepaalde verantwoordelijkheden en verplichtingen te hebben aanvaard. De uitgeoefende dwang was ook beperkt: het betrof alleen relevante delicten en de identiteit van de bestuurder. De strafbedreiging was niet aanzienlijk en niet vrijheidsbenemend. Bovendien was in de betreffende wetgeving opgenomen dat het niet opgeven van de identiteit van de bestuurder niet strafbaar is als de kentekenhouder aantoont dat hij niet weet of redelijkerwijs kon weten wie de bestuurder was. Daarnaast kan een opgave niet de uitsluitende basis voor een veroordeling zijn (maar moet er aanvullend bewijs zijn: zoals in het betreffende geval een foto van de overtreding).
      EHRM 29-06-07, NJB 2007,1689 (O’Halloran en Francis tegen het VK).
  17. Zedenzaak: handelen in strijd met Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik: vrijspraak (3.13)
    1. 'De rechtbank constateert dat niet vast is komen te staan dat de opsporing is geschied door een deskundige rechercheur die voor 50% van een volledige werkweek is belast met de behandeling van zedenzaken. Eveneens is niet vast komen te staan dat [slachtoffer]'s moeder, die later als getuige is gehoord, slechts aanwezig is geweest bij het informatieve gesprek met [slachtoffer] daar waar het de uitleg van de procedure betreft. De aanwezigheid van een vertrouwenspersoon bij het informatieve gesprek wordt, blijkens de Aanwijzing, onwenselijk geacht. Ook [getuige], die later is gehoord in het kader van de namens haar gedane aangifte, is aanwezig geweest bij dit gesprek. Verder is de zedenaanspreekofficier niet in de zaak betrokken. Ten slotte is gebleken dat de gemaakte bandopnamen niet volledig zijn en derhalve niet controleerbaar.'

      'De rechtbank stelt vast dat (...) de opsporingsambtenaren in de onderhavige strafzaak niet conform de regels zoals neergelegd in de Aanwijzing hebben gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat het niet naleven van deze Aanwijzing niet zonder consequenties kan blijven. Er is immers in de onderhavige zaak niet gehandeld met de in zedenzaken, overeenkomstig de genoemde Aanwijzing, vereiste zorgvuldigheid, terwijl de geconstateerde verzuimen niet meer kunnen worden hersteld. Dit betekent dat na te noemen onderdelen van het dossier als onvoldoende controleerbaar op hun bewijskracht van het bewijs zullen worden uitgesloten. Het proces-verbaal van de aangifte van [slachtoffer] tegen verdachte d.d. 25 juni 2007 (p. 94) wordt van het bewijs uitgesloten. Dit betreft een uitwerking van een op band opgenomen verhoor. Gebleken is dat dit verhoor niet geheel op band is opgenomen en derhalve niet controleerbaar is. Ook de getuigenverklaring van de moeder van aangeefster wordt, omdat zij bij het informatieve gesprek aanwezig is geweest en niet valt uit te sluiten dat tijdens dit gesprek over de inhoud van de zaak is gesproken en niet slechts over de formaliteiten, van het bewijs uitgesloten. Bovendien heeft zij slechts kunnen verklaren over hetgeen aangeefster aan haar heeft verteld. Voorts stelt de rechtbank vast dat de dossiers van verdachte en zijn vader niet zijn gevoegd, zodat de inhoud van het dossier van zijn vader -die bij uitspraak van heden door deze rechtbank van het hem tenlastegelegde seksueel misbruik is vrijgesproken- eveneens niet tot het bewijs gebezigd kan worden.'
      Bewijsuitsluiting en vervolgens vrijspraak wegens onvoldoende bewijs.
      Rechtbank Groningen 25-03-08, LJN BC7524.
      Zie eerder ook Rechtbank Middelburg 02-04-07, LJN BA2579 en
      Rechtbank Leeuwarden 03-01-08, LJN BC1128.
  18. Zedenzaak: wijze van verhoor en weergave in pv: niet ontvankelijkheid (2.9 en 3.14)

    1. De verhorende ambtenaren hebben door de wijze van verhoor en vervolgens de weergave van het verhoor in het pv de grens van rechtmatigheid overschreden. Verhoorders hebben verdachte, gelet op zijn geestvermogens en mede gelet op de aard van het delict, niet in alle vrijheid laten verklaren. Vervolgens is de weergave van dit verhoor ook nog eens op misleidende wijze verwoord. Hierdoor is het OM de kans ontnomen om tot een eerlijke afweging omtrent vervolging te komen. Gezien de combinatie en samenhang van deze omstandigheden is sprake van een zodanige strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde, dat niet volstaan kan worden met bewijsuitsluiting of strafverlaging en wordt het OM niet ontvankelijk verklaard in zijn vervolging (MH: einde zedenzaak).
      Rechtbank Arnhem 06-03-07, Nieuwsbrief Strafrecht 2007-180 (niet op rechtspraak.nl).

  19. Aangeefster gebruikt op politiebureau door politie verstrekte cocaïne, niet ten spoedigste opmaken pv, geen volledige en een niet geheel juiste opening van zaken geven (3.14)
    1. 'In het aan de Rechtbank voorgelegde strafdossier bevindt zich een pv van bevindingen van 6 januari 2005 van de verbalisanten A en B. Door de behandelend OvJ is toen tevens overgelegd een notitie van 6 januari 2005 van de RC mr. C en een pv van 10 januari 2005 van de OvJ mr. D. Op grond van de in deze stukken gegeven informatie heeft de Rechtbank bij vonnis van 24 februari 2006 het OM ontvankelijk verklaard in de vervolging gelet op de ernst van het vermoedelijk gepleegde strafbare feit en in aanmerking genomen dat de verdachte niet in enig te respecteren belang was geschaad. Bij de behandeling van het hoger beroep zijn alle voornoemde personen en verbalisant E over een en ander als getuige gehoord.

      Op grond van vorenstaande is het Hof tot het volgende oordeel gekomen.

      Eerst kort vóór de eerste behandeling van de strafzaak bij de Rechtbank op 8 februari 2005 is door de verbalisanten bij pv gemeld dat aangeefster - die zwaar verslaafd was en wier aanwezigheid ten behoeve van het in te stellen opsporingsonderzoek en het veilig stellen van sporen gedurende langere tijd noodzakelijk werd geacht - in de gelegenheid was gesteld een- of meermalen met een haar ter beschikking gestelde diensttelefoon contact op te nemen met een persoon die cocaïne zou kunnen komen brengen. Bovendien werd gerelateerd dat het betrokkene niet was toegestaan die cocaïne in of nabij het bureau te gebruiken.

      Uit de getuigenverklaringen van 27 september 2007 respectievelijk 9 januari 2008 is gebleken dat voornoemd pv onvolledig en onjuist is. Immers, door de getuige E is verklaard dat zij op 3 november 2004 in de vroege ochtend op bureau Karnebeek een bolletje kennelijk bevattende cocaïne in ontvangst heeft genomen en naar aangeefster heeft gebracht die het vervolgens in een oponthoudkamer van het bureau heeft gebruikt. Voorts is door de getuigen A en B verklaard dat aangeefster ten tijde van het opnemen van de aangifte op 4 november 2004 in de gelegenheid is gesteld door haar zelf meegenomen cocaïne buiten aanwezigheid van verbalisanten doch op het bureau te gebruiken.

      Aldus is gehandeld in strijd met het bepaalde in art. 152 Sv. Weliswaar is - echter eerst na herhaald aandringen van de behandelend OvJ - een pv opgemaakt doch in deze verslaglegging is geen volledige en een niet geheel juiste opening van zaken gegeven. Bovendien is er in casu sprake van meerdere door de verbalisanten gepleegde strafbare feiten, immers telkens een schending van de in de Opiumwet gegeven verbodsnormen.

      Daarbij komt dat de op 3 november 2004 dienstdoende OvJ - die ervan op de hoogte was dat er iemand van buiten cocaïne naar het bureau zou komen brengen ten behoeve van aangeefster - op geen enkele wijze hier corrigerend is opgetreden jegens de verbalisanten.

      Het vorenstaande leidt allereerst tot de gevolgtrekking dat sprake is van een ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor - minst genomen - met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces is tekort gedaan. Immers als de verbalisanten niet zowel op 3 als op 4 november 2004 met overtreding van de Opiumwet aangeefster ter beschikking hadden gehouden van het onderzoek, was vermoedelijk noch de verdachte aangehouden kunnen worden noch was het tot het opnemen van een aangifte gekomen, nog daargelaten in hoeverre het cocaïnegebruik de inhoud van de verklaring(en) van aangeefster heeft beïnvloed.

      Naar het oordeel van het Hof is voorts tevens sprake van een zodanig fundamentele inbreuk dat die - los van de vraag of de verdachte in zijn belangen is geschaad - tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM in zijn vervolging dient te leiden. Het Hof neemt hierbij met name in aanmerking dat de gemeenschap een wezenlijk belang heeft bij eerlijke en volledige verbalisering door de politie, goede invulling van diens verantwoordelijkheid voor de opsporing door het OM, en juiste informering van de rechter.

      Het Hof is allesoverziend van oordeel dat de niet-ontvankelijkheid van het OM in de strafvervolging van de verdachte wat betreft het bij dagvaarding I onder 2 tenlastegelegde dient te volgen.

      Einde zaak.

      Hof 's-Gravenhage 21-02-08, NS 2008, 126 (niet op rechtspraak.nl).
  20. Niet-ontvankelijkheid OM wegens geantedateerd aanwijzingsbesluit ademanalyse opsp. ambt. (3.10 en 3.14)
    1. Het aan het dossier toegevoegde aanwijzingsbesluit opsp. ambt. ademanalyse kan niet worden aangemerkt als een rechtsgeldig aanwijzingsbesluit. De rechter is van oordeel dat het niet anders kan dan dat de handtekening op dat aanwijzingsbesluit niet van de directeur bedrijfsvoering is, dan wel dat de datum 11 november 1999 onjuist is. Niettegenstaande de omstandigheid dat het document van de politie is uitgegaan moet dit aan het OM worden toegerekend, nu dit de integriteit van de opsporing in de kern raakt. Rechter acht het opstellen van een dergelijk document en voorts het in de strafzaak tegen verdachte inbrengen daarvan, zodanig in strijd met beginselen van een behoorlijke procesorde dat dit niet anders dan tot niet-ontvankelijkheid van het OM moet leiden. Einde strafzaak.
      Hof 's-Hertogenbosch 28-09-07, LJN BB4852.
  21. Niet-ontvankelijkheid OM wegens tegenstrijdigheden in pv en onder ede afgelegde verklaringen van opsporingsambtenaren (3.10 en 3.14)
    1. In de betreffende zaak ging het om de rechtmatigheid van een doorzoeking. In de pv's en onder ede afgelegde verklaringen bij de RC waren over de feitelijke gang van zaken met betrekking tot die doorzoeking volgens de rechtbank onverklaarbare tegenstrijdigheden opgenomen.

      De rechtbank is van oordeel dat in op ambtseed opgemaakte pv's en onder ede afgelegde verklaringen van opsporingsambtenaren zeker over voor de juridische beoordeling essentiële onderdelen geen onverklaarbare tegenstrijdigheden mogen voorkomen. Het betrof verklaringen over de aanvang van opeenvolgende gebeurtenissen en de aanwezigheid daarbij van verbalisanten (zoals het openen van de doos waarin zich pakken hennep bevonden en het openen van een lade waaruit een plak met hasj werd gehaald). Onderdelen die van belang zijn voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de doorzoeking.

      Daarbij kan dan in het midden blijven of het vergissingen of verklaringen in strijd met de waarheid betreffen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat gegeven de tegenstrijdigheden er sprake is van een ernstige inbreuk op de procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een faire behandeling van de zaak tekort is gedaan.
      OM niet-ontvankelijk (einde zaak).
      Rechtbank Roermond 06-11-07, LJN BB7558
  22. Niet-ontvankelijkheid OM wegens onvoldoende pv (webcamzaak studentenhuis) (3.10 en 3.14)
    1. De rechtbank Amsterdam heeft het OM niet-ontvankelijk verklaard in de strafzaak tegen een verdachte die met een webcam studenten zou hebben gefilmd in het naastgelegen studentenhuis. De niet-ontvankelijkheid komt voort uit het feit dat de politie in eerste instantie zonder machtiging is binnengetreden in het huis van verdachte. Van dit onbevoegde binnentreden is geen verslag gedaan door de politie. Deze omissie beschouwt de rechtbank als een zeer grove nalatigheid, waarmee de belangen van de verdachte en die van een behoorlijke rechtspleging in zeer ernstige mate zijn veronachtzaamd. Bij een zo grove schending van het vertrouwen dat doorgaans in ambtsedige processen-verbaal wordt gesteld past geen andere sanctie dan de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, die formeel verantwoordelijk is voor de integriteit van de opsporing.
      Rechtbank Amsterdam 29-11-07, LJN BB9065.
  23. Strafmatiging na niet verstrekken van belangrijke informatie door OM en politie (3.10 en 3.12)
    1. De stukken in de zaak X zijn van groot belang voor de bewijsvraag in de zaak tegen de verdachte. Betrof in beide zaken een overeenkomstige MO gecombineerd met tijd en plaats (diefstal d.m.v. inklimming gecombineerd met aanranding oudere dames)

      Het lijkt er op dat als de voorzitter een nieuwsuitzending van TV Gelderland had gemist, de rechter en de verdachte geen kennis zouden hebben gekregen van die stukken.

      Het mag niet zo zijn dat kennisname van voor het bewijs relevante stukken afhangt van een dergelijke toevalligheid.

      Politie en OM zouden zodanig georganiseerd moeten zijn dat ook na aanvang van de zitting in eerste en tweede aanleg bij de politie en het OM binnengekomen en voor de zaak relevante stukken spontaan ter kennis worden gebracht van de rechter en de verdediging.

      De stukken in de zaak X waren vóór de aanvang van het onderzoek in hoger beroep bekend bij het politiekorps en het arrondissementsparket die onderzoek deden in de zaak tegen de verdachte

      Deze bekendheid leidde er evenwel niet toe dat die stukken ter kennis van het hof en de verdediging werden gebracht.

      Ook de opdracht van de rechter tot het opmaken van aanvullend pv omtrent de vraag of er na de aanhouding van verdachte nieuwe aangiften van soortgelijke delicten waren gedaan, leidde niet tot het verstrekken van de relevante stukken.

      Ook als de rechter er van uit gaat dat de teamleider van het onderzoek de opdracht van het hof anders heeft gelezen dan was bedoeld, begrijpt de rechter niet goed waarom deze niet uit zich zelf die informatie heeft gegeven.

      Zelfs de mail aan de advocaat-generaal waarin de voorzitter uitlegt dat de opdracht niet goed is uitgevoerd, heeft niet geleid tot het verstrekken van de relevante stukken.

      Hoewel het zo is dat de opdracht van het hof (...) niet goed is uitgevoerd, de AG aanvankelijk niet de mogelijkheid heeft benut de opdracht alsnog goed te laten uitvoeren, is uiteindelijk de opdracht wel uitgevoerd. Daarom geen niet-ontvankelijkheid.

      Wel is het OM te kort geschoten. De kennis die aanwezig was bij het arrondissementsparket had in een veel eerder stadium terecht moeten komen in het dossier van de verdachte. Voorts heeft de AG, die aanvankelijk de zaak behandelde, niet adequaat gereageerd op de aanwijzingen dat relevante informatie ontbrak.

      Strafmatiging.
      Hof Arnhem 21-09-07, LJN BB4001.

  24. Professioneel verschoningsrecht: journalist (3.19)
    1. Bescherming van journalistieke bronnen is een van de basale voorwaarden voor persvrijheid. Een bevel tot onthulling van bronnen is onverenigbaar met art. 10 EVRM, tenzij het wordt gerechtvaardigd door een doorslaggevende noodzaak vanwege het algemeen belang. In de onderhavige zaak woog dat belang niet zwaarder dan het belang van klager zijn bron te mogen beschermen. De gijzeling van klager hield dan ook een schending van art. 10 EVRM in. Eveneens is art. 5 lid 1 EVRM geschonden omdat klager niet binnen 24 uur de beschikking kreeg over het geschreven bevel tot gijzeling.
      Een bevel tot het afleggen van een getuigenis valt niet onder het bereik van art. 6 EVRM.
      EHRM 22-11-07, Voskuil versus Nederland, NbSr 2007, 428.
  25. Professioneel verschoningsrecht: ook de apotheker (3.19)

    1. HR 27-05-08,  LJN BC1369.

  26. Herhaalde toepassing van dwangmiddelen: herschreven par. 3.24 (concepttekst editie 2009)

    1. Klik hier voor conceptparagraaf 2009
  27. Wet op de uitgebreide identificatieplicht (3.31)

    1. Reparatiewet justitie III (stb. 2008, 85, inwtr. 14-03-08): nieuw art. 6a Wet op de bijzondere opsporingsdiensten: De opsporingsambtenaar is bevoegd tot het vorderen van inzage in een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn taak.

  28. Inwerkingtreding Wet politiegegevens per 01-01-08 (3.34)
    1. Klik hier voor inwerkingtreding Wet politiegegevens
  29. Optreden politie op basis art. 2 Politiewet en 184 Sr (3.36)
    1. Art. 184, eerste lid, Sr (niet voldoen aan ambtelijk bevel / beletten/belemmeren/verijdelen) eist een "krachtens wettelijk voorschrift" gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering. Art. 2 Politiewet 1993 bevat een algemene taakomschrijving voor de politie en kan niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van art. 184, eerste lid, Sr moet worden voldaan. Daarbij verdient echter opmerking dat art. 2 Politiewet 1993 wel als een wettelijk voorschrift kan worden aangemerkt ter uitvoering waarvan de in art. 184 Sr bedoelde ambtenaren handelingen kunnen ondernemen waarvan het beletten, belemmeren of verijdelen overtreding van art. 184, eerste lid, Sr kan opleveren.
      HR 29-01-08, LJN BB4108 ook in NJ 2008, 206 met uitgebreide noot van Mevis.
      Kortom, kijk ook goed naar mogelijk toepasbare APV-artikelen: opzettelijk niet voldoen aan strafbaarstellingen inzake 'bevelen' uit APV's kan ook 184 Sr opleveren (zie daarover ook het zakboek Strafrecht voor de politie 6.9).
      Klik hier voor de complete concepttekst van de herschreven paragraaf 3.36 voor het zakboek 2009 (Optreden politie op basis van art. 2 Politiewet 1993)
  30. Geuridentificatieproef in strijd met daarvoor geldende regels niet "blind" uitgevoerd (3.38)

    1. Dat de geuridentificatieproef 'blind' moet worden uitgevoerd is neergelegd in supplement 2 behorende bij het hier geldende Keuringsreglement Politiespeurhond menselijke geur 1997 (herzien in september 2005). Daar luidt het op pagina 23: 'De helper bepaalt met behulp van een dobbelsteen welk schema gekozen wordt en stelt op de daartoe bestemde plaats de geurdragers op in twee rijen van ieder 7 verschillende geurdragers (eventueel na elkaar), volgens de voor de hond bekende (en in het certificaat omschreven) aanbiedingsmethode. Dit gebeurt in afwezigheid van de hond en de geleider, de geleider kent de volgorde van de geurdragers in de rij niet en verklaart dit ook (onder ede!) in zijn proces-verbaal.'

      Het niet 'blind' uitvoeren van de geuridentificatieproef betekent dat niet alleen de gecertificeerd helper maar ook de speurhondengeleider wetenschap heeft van de posities van de verschillende geurdragers. In een concreet geval hield dat in - zo heeft verbalisant [verbalisant 2] ter zitting verduidelijkt - dat het zogenoemde uitlegschema dat ter voorbereiding op een bord werd geschreven bij de uitvoering van de proef zichtbaar was voor de speurhondengeleider en dat laatstgenoemde dus wist waar de geurdrager van verdachte lag.

      Voornoemd voorschrift is kennelijk in het Keuringsreglement opgenomen om uit te sluiten dat de speurhondengeleider de speurhond op enigerlei wijze beïnvloedt bij het maken van een keuze voor een bepaalde geurdrager.

      Ook is niet uit te sluiten dat de speurhondengeleider zelf (onbewust) door deze wetenschap wordt beïnvloed bij het beoordelen van het gedrag van de hond, in het bijzonder bij het moment waarop de hond een keuze maakt een bepaalde geurdrager te willen apporteren. De getuige-deskundige prof. dr. Frijters heeft ter zitting benadrukt dat het 'blind' uitvoeren van de geuridentificatieproef vanuit gedragskundig oogpunt een belangrijk vereiste is.

      Het hof acht het - in strijd met het daarvoor geldende reglement - niet 'blind' uitvoeren van de geuridentificatieproef een dermate ernstige procedurele fout, dat de resultaten van die proef terzijde moeten worden gesteld. Het hof concludeert dat op basis van deze, niet herstelbare, tekortkoming de geuridentificatieproef in dit geval als onvoldoende betrouwbaar moet worden gekwalificeerd om daaraan (enige) bewijswaarde te kunnen hechten, zodat de resultaten daarvan worden uitgesloten van het bewijs.
      Hof Leeuwarden 10-11-06, LJN AZ1983.
      Dat geldt ook voor proeven waarvan niet vaststaat dat zij "blind" zijn uitgevoerd.
      Hof Leeuwarden 13-12-06, LJN AZ4429.
      Hof Den Bosch 08-08-07, LJN BB2810.

      Veroordelingen voor meineed
      Inmiddels zijn hondengeleiders door de rechtbank Zutphen voor meineed (in strijd met de waarheid in een strafzaak ten nadele van de verdachte vermelden in het pv dat de gewraakte geurproeven blind en (dus) overeenkomstig de Regeling Speurhonden hebben plaatsgevonden) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren (niet geëist door OM) en werkstraffen tot 210 uur. De rechtbank overwoog daarbij:

      'Het spijt de rechtbank bijzonder dat het blijkbaar nodig is dat dit laatste nota bene aan diegenen die met het toezicht op de naleving van regels belast zijn, onder de aandacht moet worden gebracht.

      De rechtbank stelt voorop dat het hier een bijzonder ernstige zaak betreft, waarin strafbare feiten aan de orde zijn die het rechtssysteem en het vertrouwen dat de samenleving daarin moet kunnen hebben, ernstig ondermijnen. Verdachten, hun raadslieden, officieren van justitie, wetenschappers, rechters en de samenleving als geheel, hebben elk op hun eigen wijze een enorme teleurstelling opgelopen, die naar mag worden verondersteld slechts geleidelijk zal wegebben.

      Gebleken is, dat deze kwestie heeft geleid tot aanzienlijke gevolgen. Reeds afgedane strafzaken zijn voorgedragen voor herziening door de Hoge Raad, zich in voorarrest bevindende verdachten die in eerst instantie tot gevangenisstraf waren veroordeeld, zijn in hoger beroep vrijgesproken, om nog maar te zwijgen van het feit dat het handelen van verdachte en zijn medeverdachten het aanzien van en het vertrouwen in de integriteit van het opsporingsapparaat ernstig heeft geschaad. Dat rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
      Rechtbank Zutphen 11-12-07, LJN BB9812, BB9835, BB9859 en BB9860

  31. Regels geurproef niet opgevolgd: herziening onherroepelijk vonnis mogelijk (3.38)
    1. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef de feitenrechter op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager terzake zou hebben vrijgesproken. In dat geval is derhalve sprake van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv.
      HR 22-04-08, LJN BC9637, HR 22-04-08, LJN BC8789 en HR 29-04-08, LJN BC9956.
  32. Ramsahai tegen Nederland (3.26)
    Verdachte doodgeschoten door Amsterdamse politieagent
    Onderzoek ontoereikend
    Onderzoek aanvankelijk door eigen korps, daarna onder leiding van rijksrecherche
    Positie openbare aanklager
    1. 1. Onderzoek naar schietincident ontoereikend. EHRM wijst op een reeks van onverklaarbare tekortkomingen, zoals
      a. het nalaten van onderzoek van de handen van de betreffende politieambtenaren op kruitresten
      b. het niet maken van een reconstructie van de gebeurtenissen
      c. de kennelijke afwezigheid van een onderzoek van wapens en munitie
      d. het niet gescheiden houden van de betreffende politieambtenaren
      e. het pas drie dagen later ondervragen van de betreffende politieambtenaren
      2. Het EHRM acht dit des te betreurenswaardiger nu er geen getuigen zijn die het fatale schot hebben gezien. Schending van art. 2 EVRM.
      3. Schietincident als zodanig geen schending van EVRM.
      4. Onderzoek is onvoldoende onafhankelijk verricht (door korps waartoe betreffende politieambtenaren behoorden): schending EVRM.
      5. Positie openbare aanklager geen schending EVRM (het betreffende politieonderzoek stond onder leiding van een Amsterdamse OvJ die speciaal verantwoordelijk was voor het politiewerk aan het betreffende politiebureau. Dezelfde OvJ nam de beslissing niet tot vervolging over te gaan (door hoofdOvJ gedelegeerde beslissing).
      EHRM 15-05-07, NJ 2007, 618 met noot Schalken.

      Klik hier voor volledig arrest (in Engelse taal). Ook kort gepubliceerd in NJB 2007,1398 (in Nederlandse taal).
      Klik hier voor conceptparagraaf  'Onderzoek naar geweld door politie' (3.54) editie 2009
  33. Optreden inlichtingen- veiligheidsdiensten en opsporingsdiensten (nieuwe paragraaf 3.56 in editie 2009)
    1. ‘De wetgever heeft een duidelijk juridisch en feitelijk onderscheid voor ogen gestaan tussen enerzijds het optreden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en anderzijds het optreden van de opsporingsdiensten, waarbij de onderscheiden bevoegdheidstoedeling niet in de weg staat aan informatieverstrekking door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten aan de opsporingsdiensten en andersom. Op grond van de WIV 2002 zijn wederkerige contacten tussen de verschillende diensten mogelijk, maar daarbij geldt dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten bevoegdheden uitsluitend voor de eigen taakstelling mogen aanwenden. De WIV 2002 verleent evenwel aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de discretionaire bevoegdheid tot het verstrekken van informatie aan het OM. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten zijn daarin autonoom en dienen binnen het wettelijk kader een eigen afweging te maken. De WIV 2002, noch het doel of de strekking van deze wet, verzet zich tegen informatieverstrekking op verzoek van het OM of de opsporingsdiensten. Voorts belet geen rechtsregel het OM of de opsporingsdiensten nadere informatie aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten te vragen. Daarbij verdient echter opmerking dat het met het oog op het buiten toepassing laten van strafvorderlijke waarborgen doelbewust niet aanwenden van opsporingsbevoegdheden teneinde gebruik te kunnen maken van door een inlichtingen- en veiligheidsdienst vergaarde informatie, evenals het door een inlichtingen- en veiligheidsdienst aanwenden van zijn bevoegdheden voor strafvorderlijke doeleinden, in strijd is met de wet. Het voorgaande in aanmerking genomen en gelet op de onderscheiden taakstelling, moet tevens worden geoordeeld dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat zowel een inlichtingen- en veiligheidsdienst als het OM of een opsporingsdienst elk voor zich (en daardoor mogelijk parallel) onderzoek doet naar bepaalde personen of groeperingen, indien daartoe vanuit de vervulling van hun taak aanleiding bestaat.'
      HR 13-11-07, LJN BA2553.
  34. Aanhouding buiten heterdaad zonder vereist bevel OvJ (4.7)
    1. De rechtbank stelt vast dat verdachte zonder enige betrokkenheid van een OvJ buiten heterdaad is aangehouden, terwijl uit niets blijkt dat niet op het optreden c.q. de toestemming van een OvJ kon worden gewacht. De rechtbank constateert dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Doch, aangezien de OvJ in het onderhavige geval zonder twijfel toestemming zou hebben verleend tot aanhouding buiten heterdaad, acht de rechtbank geen grond aanwezig voor enige consequentie als bedoeld in genoemd wetsartikel en zoals door de raadsvrouwe is bepleit (strafvermindering). De rechtbank zal ter compensatie van deze schending volstaan met de constatering dat daarvan sprake is geweest.
      Rechtbank 's-Hertogenbosch 18-01-08, LJN BC1798
  35. Toetsing ivs door RC (4.29)
    1. De RC dient de rechtmatigheid van de ivs (inclusief de verlenging en dus niet de dringende noodzakelijkheid van een eventuele verlenging ) te toetsen::
      - er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld;
      - er sprake is van een verdenking ter zake een strafbaar feit waarvoor vh is toegelaten;
      - de ivs in het belang is van het onderzoek;
      - de vormvoorschriften terzake ivs in acht zijn genomen;
      - de ivs niet in strijd is met het ongeschreven recht, meer in het bijzonder de beginselen van een goede procesorde.
      Aangenomen moet worden dat de RC de ivs van verdachte hieraan volledig heeft getoetst en geen onrechtmatigheden heeft geconstateerd, in welk geval hij verdachte niet in vrijheid had mogen stellen (ook niet als der RC de verlenging ivs niet dringend noodzakelijk vindt).
      Rechtbank Amsterdam 10-09-07, LJN BB3597.
    2. Toetsing door RC zich beperkt tot vormverzuimen die rechtstreeks verband houden met het dwangmiddel van de ivs. Verweren aangaande vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, die niet rechtstreeks verband houden met de ivs (MH: zoals in het betreffende geval een mogelijk onrechtmatige aanhouding) kunnen, gelet op art. 359a Sv, aan de zittingsrechter worden voorgelegd.
      Rechtbank 's-Gravenhage 09-07-08, LJN BD7002.
  36. Geschokte rechtsorde als grond voor vh (EHRM: Letelier en Smirnova gerelativeerd door Kanzi en Hendriks) (4.36)
    1. 1. Uitgebreid besproken door Borgers in Ars Aequi 2007-30 ('het Straatburgse oordeel over de ernstig geschokte rechtsorde, het slot van een trilogie'), hieronder door mij kort samengevat.

      Kanzi werd verdacht van handel in drugs. Hendriks werd verdacht van verkrachting en poging tot doodslag en/of zware mishandeling.

      Ingevolge standaard jurisprudentie van het EHRM kan 'public disorder' (maatschappelijke onrust) of de dreiging daarvan vh rechtvaardigen. Al jarenlang deed zich daarbij de vraag voor hoe het in Nederland gehanteerde criterium 'geschokte rechtsorde' zich verhoudt tot die 'public disorder'. Uit recente jurisprudentie van het EHRM (Kanzi en Hendriks) blijkt dat beide criteria niet wezenlijk van inhoud verschillen.

      'Public disorder':
      1. centraal staat de bijzondere ernst van het vermoedelijk gepleegde misdrijf en niet zozeer het te verwachten gedrag van de verdachte na vrijlating;
      2. niet vereist is het reeds bestaan van 'public disorder';
      3. voldoende is ook de mogelijkheid van 'public disorder' bij vrijlating (door bekendwording van de vrijlating). Borgers merkt nog op dat het gaat om het inschatten van de maatschappelijke reactie op de vrijlating van een persoon die van een tamelijk ernstig strafbaar feit wordt verdacht;
      4. de mate van publiciteit is in principe niet beslissend (maar kan natuurlijk wel een rol spelen);
      5. met het verstrijken van de tijd dient het oordeel dat de vh moet voortduren sterker onderbouwd te worden. In de zaken Kanzi en Hendriks was de vh resp. drie tot zes maanden (en geen enkel probleem) en aldus niet te vergelijken met eerder door het EHRM beoordeelde zaken (Letelier en Smirnova). Dit betekent mijns inziens niet dat in iedere zaak er telkens sprake moet zijn van een gedurende de vh steeds sterkere onderbouwing van die vh. De ernstige bezwaren kunnen immers van een zaak afdruipen en de zaak zelf kan zo ernstig zijn (moord, doodslag, verkrachting, handel in harddrugs) dat de reeds bestaande onderbouwing voldoende sterk is voor het gehele (en ook lange) vh-traject.
      6. bij Kanzi overweegt het EHRM nog dat het begrip heeft voor de fermheid waarmee nationale autoriteiten optreden tegen personen die betrokken zijn bij drugscriminaliteit. Borgers merkt hierbij nog dat hier mogelijk impliciet de Nederlandse praktijk goedgekeurd wordt waarin koeriers van niet al te grote hoeveelheden drugs die op Schiphol worden aangehouden, een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland hebben en niet eerder met justitie in aanraking zijn geweest in vh worden genomen met de geschokte rechtsorde als enige grond (MH: zie hierover recent bijv. het hof Amsterdam 16-05-07, LJN BA6642).

      Borgers besluit zijn bespreking dan ook met de opmerkingen:
      1. dat de toepassing van het Nederlandse criterium van de geschokte rechtsorde in doorsnee strafzaken niet in strijd is met art. 5 EVRM;
      2. dat aan de motivering geen hoge eisen worden gesteld;
      3. dat dit anders zal zijn als de vh van (zeer) lange duur is (MH: (veel) langer dan 6 maanden).

      Kanzi tegen NL en Hendriks tegen NL (resp. EHRM 05-07-07, appl.no. 28831/04 appl.no. 43701/04), samengevat in Ars Aequi 2007-30. Zie ook NJ 2007, 632 en 633 met noot Schalken.
      Zie recent ook Rechtbank Groningen 05-12-07, LJN BC0666 (verlenging gevangenhouding ‘voetbalsupporter’).

  37. Vluchtgevaar als grond voor vh (bij ongewenst vreemdeling) (4.36)
    1. Voorop staat ‘dat het verzekeren van de aanwezigheid van een verdachte bij zijn berechting en/of van zijn onderwerping aan een eventueel op te leggen vrijheidsstraf algemeen aanvaard is