Zakboek Strafvordering voor de HulpOvJ

Conceptparagrafen 5.4 en 5.5

Auteur M.G.M. Hoekendijk

Versie 18-06-18

Raadpleeg zakboekenpolitie.com voor mogelijk aangepaste versie.

 

5.4    Veiligheids- en vervoersfouillering

Wetswijziging. Per 01-07-18[1] is art. 7 Politiewet gewijzigd.

-      De veiligheidsfouillering is uitgebreid met de bevoegdheid om ook voorwerpen te onderzoeken die betrokkene bij zich heeft (zoals een tas). Deze wijziging is ook van belang voor Boa’s aan wie de bevoegdheid is toegekend om op grond van art. 7 lid 9 Politiewet een veiligheidsfouillering uit te voeren.

-      Toegevoegd is een standaardbevoegdheid tot onderzoek aan de kleding en onderzoek van voorwerpen van degene die door de politie wordt vervoerd (art. 7 lid 4 Politiewet). Meestal gaat het om een verdachte die wordt vervoerd naar het politiebureau, maar geldt voor iedere persoon die door de politie wordt vervoerd, dus ook voor personen die in het kader van de hulpverleningstaak naar het politiebureau worden overgebracht, zoals personen die onder invloed zijn. De bevoegdheid maakt fouillering ook mogelijk als er geen aantoonbare dreiging is en kan ook aan Boa’s worden toegekend.[2]

-      Het nieuwe art. 7 lid 5 Politiewet (insluitingsfouillering), vervangt de bevoegdheid tot het veiligheidsonderzoek aan het lichaam, voorheen geregeld in art. 7 lid 4 Politiewet, zie 5.5 (zie lid 5 voor een insluitingsfouillering in het lichaam).[3]

 

Art. 7 Politiewet

Nadere uitwerking veiligheidsfouillering in Ambtsinstructie

 

Art. 20 Ambtsinstructie (wijze van onderzoek; inbewaring nemen voorwerpen)

1.   Het onderzoek aan de kleding, bedoeld in art. 7, derde lid, van de Politiewet 2012 (MH: veiligheidsfouillering), en het onderzoek aan de kleding van een te vervoeren persoon, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, geschiedt door het oppervlakkig aftasten van de kleding en wordt zo veel mogelijk uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als degene die aan het onderzoek wordt onderworpen.

2.   Als de ambtenaar bij het onderzoek, bedoeld in art. 7, derde lid, van de Politiewet 2012 (MH: veiligheidsfouillering), of bij het onderzoek, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, ten behoeve van het vervoer van een persoon, voorwerpen aantreft die een gevaar kunnen vormen voor de veiligheid van de betrokkene of voor anderen, neemt hij die voorwerpen in bewaring.

 

Art. 21 Ambtsinstructie (schriftelijke melding aan meerdere)

De ambtenaar die een onderzoek aan kleding of voorwerpen heeft uitgevoerd als bedoeld in art. 7, derde lid, van de Politiewet 2012 (MH: veiligheidsfouillering) meldt dit onverwijld schriftelijk aan de meerdere, onder vermelding van de redenen die tot dit onderzoek hebben geleid.

 

Nota van toelichting Ambtsinstructie[4] (veiligheids- en vervoersfouillering)

-      ‘Het onderzoek van voorwerpen mag niet verder gaan dan wat noodzakelijk is om de veiligheid van betrokkene of derden te beschermen. De bevoegdheid mag bijv. niet worden gebruikt om een elektronische gegevensdrager (zoals een usb-stick) of een geautomatiseerd werk (zoals een smartphone) uit te lezen. Het kennisnemen van dergelijke gegevens is immers niet nodig voor het doel van de veiligheids-, respectievelijk vervoersfouillering. De aangetroffen voorwerpen kunnen eventueel wel (voor waarheidsvinding) strafvorderlijk in beslag genomen worden en in dat kader worden uitgelezen (art. 94 Sv)’.

-      ‘De registratie stelt de leidinggevende in staat, al dan niet naar aanleiding van een klacht, om te bezien of op een juiste wijze gebruik is gemaakt van deze bevoegdheid (die alleen mag worden toegepast bij onmiddellijk gevaar voor leven of veiligheid), zo nodig corrigerend op te treden en eventueel misbruik te bestraffen. Dat belang staat los van de vraag of bij het fouilleren iets bijzonders is aangetroffen’.

5.5    Insluitingsfouillering

Inleiding/wetswijziging

Per 01-07-18[5] is art. 7 Politiewet aangevuld met fouilleerbevoegdheden ten aanzien van degene die in een politiecel wordt ingesloten (insluitingsfouillering). Het betreft een standaardbevoegdheid tot onderzoek aan de kleding en onderzoek van voorwerpen (art. 7 lid 4) en voorwaardelijke bevoegdheden tot onderzoek aan het lichaam (art. 7 lid 5) en in het lichaam (art. 7 lid 6). Het nieuwe art. 7 lid 5, vervangt de bevoegdheid tot het veiligheidsonderzoek aan het lichaam, tot nu toe geregeld in art. 7, lid 4.[6]

 

Art. 7 Politiewet

 

Penitentiaire beginselenwet

 

Art. 29 Penitentiaire beginselenwet (onderzoek aan kleding/lichaam)

1.   De directeur is bevoegd een gedetineerde bij binnenkomst of bij het verlaten van de inrichting, voorafgaand aan of na afloop van bezoek, dan wel indien dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting, aan zijn lichaam of aan zijn kleding te onderzoeken.

2.   Het onderzoek aan het lichaam van de gedetineerde omvat mede het uitwendig schouwen van de openingen en holten van het lichaam van de gedetineerde. Het onderzoek aan de kleding van de gedetineerde omvat mede het onderzoek van de voorwerpen die de gedetineerde bij zich draagt of met zich meevoert.

3.   Het onderzoek aan het lichaam van de gedetineerde wordt op een besloten plaats en, voor zover mogelijk, door personen van hetzelfde geslacht als de gedetineerde verricht.

4.   Indien bij een onderzoek aan het lichaam of de kleding voorwerpen worden aangetroffen die niet in het bezit van de gedetineerde mogen zijn, en, voor zover het onderzoek betrekking heeft op de openingen of holten van het lichaam van de gedetineerde, deze voorwerpen zonder het gebruik van hulpmiddelen daaruit kunnen worden verwijderd, is de directeur bevoegd deze in beslag te nemen. Hij draagt zorg dat deze voorwerpen, hetzij onder afgifte van een bewijs van ontvangst ten behoeve van de gedetineerde op diens kosten worden bewaard, hetzij met toestemming van de gedetineerde worden vernietigd, hetzij aan een opsporingsambtenaar ter hand worden gesteld met het oog op de voorkoming of opsporing van strafbare feiten.

 

Art. 31 Penitentiaire beginselenwet (onderzoek in lichaam)

1.   De directeur kan bepalen dat een gedetineerde in het lichaam wordt onderzocht, indien dit noodzakelijk is ter afwending van ernstig gevaar voor de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel voor de gezondheid van de gedetineerde. Het onderzoek in het lichaam wordt verricht door een arts of, in diens opdracht, door een verpleegkundige.

2.   Een ambtenaar of medewerker van de inrichting waar de gedetineerde verblijft kan indien onverwijlde tenuitvoerlegging geboden is, een beslissing als bedoeld in het eerste lid nemen.

3.   Indien bij het onderzoek in het lichaam voorwerpen worden aangetroffen die niet in het bezit van de gedetineerde mogen zijn, en deze voorwerpen door de arts of verpleegkundige uit het lichaam kunnen worden verwijderd, is de directeur bevoegd deze in beslag te nemen. Art. 29, vierde lid, laatste volzin, is van overeenkomstige toepassing.

 

Nadere uitwerking insluitingsfouillering in Ambtsinstructie

 

Art. 1 lid 4 Ambtsinstructie (ruime definiëring ingeslotene)

In dit besluit wordt onder ingeslotene verstaan degene die rechtens van zijn vrijheid is beroofd. Onder ingeslotene wordt mede verstaan degene die ten behoeve van de hulpverlening aan hem op het politie- of brigadebureau is ondergebracht.

 

Art. 28 Ambtsinstructie (onderzoek gevaarlijke voorwerpen)

1.   De ambtenaar onderzoekt de ingeslotene direct voorafgaand aan de insluiting, door het aftasten en doorzoeken van diens kleding en van de voorwerpen die de ingeslotene bij zich draagt of met zich mee voert op de aanwezigheid van voorwerpen die tijdens de insluiting een gevaar voor de veiligheid van de betrokkene of voor anderen kunnen vormen.

2.   Bij het aantreffen van voorwerpen die een gevaar kunnen vormen als bedoeld in het eerste lid, neemt de ambtenaar deze in bewaring.

3.   Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt zo veel mogelijk uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als degene die aan het onderzoek wordt onderworpen.

4.   De ambtenaar die het onderzoek heeft uitgevoerd, maakt hiervan onverwijld schriftelijk rapport op ten behoeve van de meerdere.

 

Art. 29 Ambtsinstructie (voorwaarden ontkleding)

1.   De ambtenaar kan slechts van de ingeslotene verlangen dat deze zich ontkleedt indien:

a.   met toepassing van art. 7, vijfde of zesde lid, van de Politiewet 2012 is bepaald dat betrokkene aan of in zijn lichaam wordt onderzocht,

b.   de kleding tijdens de insluiting een gevaar voor de veiligheid van betrokkene of van anderen kan vormen en een hulpOvJ daarvoor toestemming heeft gegeven, of

c.   de kleding tijdens de insluiting naar het oordeel van de arts een gevaar voor de gezondheid van betrokkene of van anderen kan vormen.

2.   Bij toepassing van het eerste lid, onder b of c, neemt de ambtenaar de kleding in bewaring en draagt hij zorg voor vervangende kleding.

 

Art. 29a Ambtsinstructie (horen ingeslotene/tolk/vertaling/klacht)

1.   Voordat de OvJ met toepassing van art. 7, zesde lid, van de Politiewet 2012 bepaalt dat de ingeslotene in het lichaam wordt onderzocht, wordt de ingeslotene gehoord, zo veel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal.

2.   Zo nodig geschiedt het horen met bijstand van een tolk. Van het horen wordt aantekening gehouden.

3.   Toepassing van het eerste lid kan achterwege blijven indien:

a.   de vereiste spoed zich daartegen verzet;

b.   de gemoedstoestand van de ingeslotene daaraan in de weg staat.

4.   De ingeslotene ontvangt van de beslissing tot toepassing van art. 7, zesde lid, van de Politiewet 2012 onverwijld schriftelijk en zo veel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling.

5.   De mededeling vermeldt bij welke functionaris een klacht kan worden ingediend.


Art. 30 Ambtsinstructie (schriftelijk rapport)

1.   De ambtenaar tekent nauwkeurig alle voorwerpen en kledingstukken die hij in bewaring heeft genomen, op. Bij voorwerpen van een geringe omvang en waarde kan worden volstaan met een globale aanduiding.

2.   Een afschrift van de aantekening, bedoeld in het eerste lid, wordt door de ingeslotene en de ambtenaar ondertekend en aan de ingeslotene overhandigd.

 

Nota van toelichting Ambtsinstructie[7]

-      ‘Iedereen die wordt ingesloten (in een «ophoudruimte» of politiecel), wordt aan zijn kleding onderzocht op de aanwezigheid van voorwerpen die tijdens de insluiting een gevaar kunnen vormen voor de veiligheid van de betrokkene of voor anderen. Uiteraard worden daarbij ook de voorwerpen onderzocht die betrokkene bij zich heeft (zoals een tas). In het eerste lid is dat verduidelijkt, in overeenstemming met het nieuwe vierde lid van art. 7 Politiewet. Net als voor veiligheids- en vervoersfouillering (zie art. 20) geldt ook voor insluitingsfouillering dat het onderzoek van voorwerpen niet verder mag gaan dan wat noodzakelijk is voor het doel van het onderzoek (in dit geval de veiligheid van de insluiting), en mag de bevoegdheid bijv. niet worden gebruikt om een smartphone of usb-stick uit te lezen. En ook hier geldt dat dergelijke voorwerpen eventueel wel (voor waarheidsvinding) strafvorderlijk in beslag genomen kunnen worden en in dat kader uitgelezen kunnen worden (art. 94 Sv)’.

-      Onderzoek in het lichaam.

o  Noodzakelijk ter afwending van ernstig gevaar voor de handhaving van de orde of de veiligheid in het politiebureau of het cellencomplex dan wel voor de gezondheid van de ingeslotene. ‘Het gaat om situaties waarin men (vrijwel) zeker weet dat betrokkene een voorwerp in zijn lichaam heeft verborgen (…), zoals drugs, een scheermesje of een aansteker. Zo’n situatie kan zich alleen voordoen als betrokkene al aan de kleding en aan het lichaam is onderzocht, dat laatste inclusief het uitwendig schouwen van de openingen en holten van het lichaam. Vervolgens ruikt men dan een rook- of brandlucht in de cel, of betrokkene is plotseling evident onder invloed van drugs of heeft de celdeur bekrast. De betrokkene moet dan, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, de beschikking hebben gehad over een van de genoemde voorwerpen en deze kennelijk in het lichaam hebben meegevoerd. Onderzoek in het lichaam is dus het sluitstuk op de bevoegdheden die nodig zijn om de verantwoordelijkheid te kunnen dragen voor de orde en veiligheid in het cellencomplex of het politiebureau en voor de gezondheid van de ingeslotene’.[8]

o  ‘Het eerste lid van art. 29a laat in het midden door wie de ingeslotene wordt gehoord. Dat kan de OvJ zijn, die uiteindelijk de beslissing neemt, maar het kan ook degene zijn die op dat moment feitelijk de leiding heeft over de arrestantenzorg, of een hulpOvJ. Gezien de aard van het onderzoek is vaak enige of zelfs veel spoed geboden. De OvJ zal niet altijd in staat zijn om snel ter plaatse te zijn. Als hij in zo’n geval zelf zou moeten horen, dan zou dat betekenen dat betrokkene telefonisch wordt gehoord. Een dergelijke hoorvorm is in deze situatie riskant, bijv. vanwege de gemoedstoestand van betrokkene of vanwege taalproblemen. Een goed alternatief voor zelf horen is dat de OvJ zijn beslissing niet eerder neemt dan nadat degene die de leiding heeft over de arrestantenzorg hem telefonisch de situatie heeft uitgelegd en daarbij verslag heeft gedaan van het horen, en ook de arts met betrokkene (en eventueel ook met de OvJ) heeft gesproken.

o  De noodzaak van onderzoek in het lichaam zal ‘zich naar verwachting maar zelden voordoen, namelijk als men door de concrete omstandigheden[9] (vrijwel) zeker weet dat betrokkene een voorwerp in zijn lichaam heeft verborgen (zoals drugs, een scheermesje of een aansteker) én betrokkene niet bereid of in staat is om het zelf te verwijderen.

-      Klacht (art. 29a, lid 5 Ambtsinstructie). ‘Als de klacht zich bijv. richt tegen de OvJ die de beslissing heeft genomen, dan moet de klacht worden ingediend bij de hoofdOvJ van het betrokken parket. Richt de klacht zich tegen een ambtenaar van politie, dan moet de klacht worden ingediend bij de politiechef van de eenheid waar de betrokken ambtenaar van politie is aangesteld. Een klacht over een gedraging van een militair van de KMar wordt ingediend bij de Minister van Defensie’.

 

Veiligheidsfouillering en/of permanente cameraobservatie

Denk in voorkomende gevallen overigens ook aan een veiligheidsfouillering (5.4) en/of permanente cameraobservatie (art. 31 Ambtsinstructie).

 

Aangetroffen voorwerpen / ibn

Worden bij het onderzoek voor ibn vatbare voorwerpen aangetroffen dan kunnen die inbeslaggenomen worden. Zie voor de beslagbevoegdheid 6.9(art. 96 Sv) en zie voor voortgezette toepassing van bevoegdheden 11.4.

 

--------------------------------

 



[1].     Stb 2018, 143.

[2].     Nota van toelichting wijziging Ambtsinstructie, Stb. 2018, 157.

[3].     Nota van toelichting wijziging Ambtsinstructie, Stb. 2018, 157.

[4].     Stb. 2018, 157.

[5].     Stb. 2018, 143.

[6].     Nota van toelichting wijziging Ambtsinstructie, Stb. 2018, 157.

[7].     Stb. 2018, 157.

[8].     Nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken 33112 nr. 6.

[9].     Onder verwijzing naar de Nota n.a.v. het verslag, zie hierna.