BLAUWE PAREL 2018
Vragen en antwoorden

 

RONDE 1

STELLINGEN

 

1.     Een aangifte kan worden ingetrokken en mag dan niet meer gebruikt worden.
Fout.

Zakboek Pv en Bewijsrecht 12.5.

2.     Als een verdachte zijn bij de politie afgelegde verklaring intrekt, dan mag de rechter deze verklaring niet meer voor het bewijs gebruiken.
Fout.
Zakboek Pv en Bewijsrecht 10.9.2.

3.     De unieke bewijskracht van het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar geldt ook voor feiten die tegen de opsporingsambtenaar zelf zijn gepleegd.
Goed.
Zakboek Pv en Bewijsrecht 10.12.1.

4.     Politieambtenaren hebben de verplichting om zich bij optreden in uniform op verzoek daartoe te legitimeren.
Goed.
Zakboek Sv HulpOvJ 3.28 (art. 2 Ambtsinstructie).

5.     Als een aangehouden verdachte dronken of bewusteloos is, begint de termijn van ophouden voor onderzoek pas te lopen op het moment van ontnuchtering of bewustwording.
Fout.
Zakboek Sv HulpOvJ 4.13.

6.     Als de verdachte zich verzet tegen identiteitsvaststelling, dan kan dat strafbaar zijn op grond van art. 180 Sr.
Goed.
Zakboek Sv HulpOvJ 5.13.

7.     Het bij een verkeerscontrole selecteren op basis van kentekens uit bepaalde landen is onrechtmatig.
Fout.
Zakboek Sv HulpOvJ 11.3.

8.     Bij een veiligheidsfouillering mogen ook de voorwerpen die de betrokkene bij zich heeft onderzocht worden.
Goed.
Zakboek Sv HulpOvJ 5.4.

9.     Een opsporingsambtenaar is bevoegd tot het onderzoeken van alle gegevens die zich bevinden op een in beslag genomen smartphone, zonder dat daaraan voorwaarden worden gesteld.
Fout.
Zakboek Sv HulpOvJ 6.42.

10.  Een schriftelijke machtiging binnentreden woning is zeven dagen geldig.
Fout.
Zakboek Sv HulpOvJ 7.3.

11.  Onrechtmatig verkregen bewijs mag niet gebruikt worden voor verder opsporingsonderzoek.
Fout.
Zakboek Sv HulpOvJ 3.12.

12.  Voor het toepassen van bijzondere opsporingsbevoegdheden ter zake terroristische misdrijven volstaan aanwijzingen.
Goed.
Zakboek Sv HulpOvJ 9.20.

13.  Als een opsporingsambtenaar zich vergist heeft in de grondslag van zijn bevoegdheid, dan is er niets aan de hand, mits hij maar wel bevoegd was.
Goed.
Zakboek Sv HulpOvJ 3.1.

14.  De aangifte van iemand die geen Nederlands spreekt mag zonder tolk door de verbalisant worden opgenomen als de aangever en de verbalisant dezelfde vreemde taal in voldoende mate beheersen.

Fout.

Zakboek Pv en Bewijsrecht 10.9.6.

15.  Art. 3 Politiewet geeft de politie de bevoegdheid om aan een burger een bevel te geven en de burger is verplicht dat bevel op te volgen op straffe van overtreding van art. 184 Sr.
Fout.

Zakboek Sr HulpOvJ 7.9.

16.  Bij het vermoeden van een strafbaar feit mogen geen toezichthoudende bevoegdheden meer worden gebruikt.
Fout.
Zakboek Sv HulpOvJ 11.3.

17.  Art. 8 WVW (rijden onder invloed) beperkt zich tot het rijden onder invloed op de openbare weg.
Fout.
Zakboek Sv HulpOvJ 11.7.

18.  De bevoegdheden uit de WVW mogen alleen maar op de openbare weg uitgeoefend worden.
Fout.
Zakboek Sv HulpOvJ 11.7.

 

MEERKEUZEVRAGEN

1.              B staat conform een tevoren gemaakte afspraak met een auto klaar om A na een door die A gepleegde inbraak van de plaats delict weg te rijden.
Door omstandigheden bleef A steken in een strafbare poging (opgepakt door de politie) en heeft B dus voor niets staan wachten.
Is hier sprake van medeplichtigheid van B aan de poging inbraak gepleegd door A?

a.     Nee, omdat het hier gaat om een gedraging van B die pas ná de inbraak plaats zou vinden.

b.     Nee, omdat het bij een poging van A is gebleven.

c.     Ja, mits er sprake is van dubbel opzet bij B.

d.     Ja, tenzij er sprake is van het aanbieden van medeplichtigheid door B.

 

Goede antwoord: c.

Zakboek Sr HulpOvJ 3.11.

2.              Welke fouillering vereist ernstige bezwaren?

a.     Uitsluitend de vervoersfouillering.

b.     Uitsluitend de insluitingsfouillering.

c.     Uitsluitend de opsporingsfouillering.

d.     Alternatief a, b, én c

 

Goede antwoord: c.

Zakboek Sv HulpOvJ 5.3 e.v.

3.              Tijdens voetbalrellen wordt vanuit een groepje mannen een steen naar de politie gegooid waardoor een politieagent gewond raakt. Voor wie geldt bij dit gepleegde openlijk geweld het letsel als strafverzwarende omstandigheid?

a.       Uitsluitend voor de deelnemer die de steen gooide.

b.       Voor iedere deelnemer, ongeacht het letsel.

c.       Voor iedere deelnemer, mits het zwaar lichamelijk letsel betreft.

d.       Uitsluitend voor de deelnemers die opzettelijk letsel aan de politie wilden toebrengen.

 

Goede antwoord: a.
Zakboek Sr HulpOvJ 5.22.



4.              Voor welk feit mag een verdachte buiten heterdaad aangehouden worden?

a.     Vernieling (art. 350 Sr).

b.     Verlaten plaats ongeval met dodelijke afloop (art. 7 WVW).

c.     Het opgeven van valse identiteitsgegevens (art. 435 lid 4 Sr).

d.     Alternatief a én b.

 

Goede antwoord: a.

Zakboek Sr HulpOvJ 4.6 e.v.

 

5.              Twee agenten zijn naar een melding door een kind van huiselijk geweld gezonden. Ter plaatse horen zij uit de woning het geluid van een gillende vrouw die kennelijk geslagen wordt. Ook nadat de agenten aangebeld hebben, blijft het kennelijke geweld doorgaan, maar wordt er niet opengedaan. Vervolgens gaan de agenten door een openstaande achterdeur naar binnen. Is er voor dit binnentreden een schriftelijke machtiging vereist?

a.     Ja, er is immers sprake van het betreden van een woning.

b.     Nee, omdat de achterdeur van de woning open stond.

c.     Nee, omdat voor dit soort gevallen een uitzondering is opgenomen in de Algemene wet op het binnentreden.

d.     Nee, mits de agenten voorzien zijn van een mondelinge machtiging van een (hulp)OvJ.


Goede antwoord: c.

Zakboek Sv HulpOvJ 7.10.

6.              In aangewezen veiligheidsrisicogebieden is een opsporingsambtenaar in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf ook zonder bevel van de OvJ bevoegd tot onderzoek van:

a.       Voorwerpen.

b.       Vervoermiddelen.

c.       Kleding.

d.       Alternatief a, b, én c.

 

Goede antwoord: d.
Zakboek Sv HulpOvJ 9.20.

7.              Ingevolge welke wet is een opsporingsambtenaar bevoegd tot doorzoeking?

a.       De Wet op de economische delicten.

b.       De Opiumwet.

c.       De Wet wapens en munitie.

d.       Alternatief a, b én c.


Goede antwoord: c.
Zakboek Sv HulpOvJ 11.18, 11.20 en 11.23.

 

RONDE 2

CASUS 1

 

Tijdens je surveillance zie je rond twee uur ‘s nachts een personenauto rijden op de autosnelweg, die nogal slingert tussen twee rijstroken. Je haalt de auto in, werpt een blik op de bestuurder, en ziet dat deze iets aan het roken is. Bij het eerstvolgende tankstation geef je de bestuurder een volgteken. De bestuurder volgt, stopt, en je spreekt de vrouwelijke bestuurder aan.

1.   Ze verklaart dat ze net klaar is met werken, en onderweg is naar huis. Je ruikt een sterke wietlucht in de auto. Je besluit de vrouw te onderwerpen aan een speekseltest. Is dit juist?

A. Ja, want er is sprake van een redelijke verdenking van een strafbaar feit dat in de Opiumwet is opgenomen. Die verdenking geeft de bevoegdheid tot het toepassen van een speekseltest.

B. Nee, want er zijn nu nog onvoldoende feiten of omstandigheden die leiden tot een verdenking van drugsgebruik in het verkeer.

C. Ja, want iedere bestuurder van een voertuig mag in beginsel worden onderworpen aan een speekseltest.

D. Nee, want er moet éérst een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht worden uitgevoerd, om alcoholgebruik uit te sluiten. Pas daarna mag worden overgegaan tot een speekseltest.

 

C is goed.

 

Feedback: Artikel 160 lid 5 sub c geeft [politieambtenaren] de bevoegdheid elke bestuurder van een voertuig te onderwerpen aan een onderzoek van speeksel. Dit is een controlebevoegdheid, waarvoor een verdenking niet noodzakelijk is.

 

De vrouw weigert mee te werken aan de speekseltest. Ze zegt dat ze niet als een crimineel behandeld wenst te worden, en dat ze volgens het gedoogbeleid in Nederland best één jointje mag roken zonder strafbaar te zijn. Je ziet in de asbak van de auto een aantal uitgedrukte sigaretten en iets wat lijkt op een joint. Je hebt echter niet gezien of de vrouw een joint of een sigaret aan het roken was tijdens het rijden. Naast de asbak zie je een zakje met een kleine hoeveelheid hasj liggen. Ook heeft de vrouw rode ogen. Je hebt het vermoeden dat er meer hasj in de auto aanwezig is.

2.   Je collega stelt voor om de auto te doorzoeken op aanwezigheid van verdovende middelen, en de vrouw aan te houden op verdenking van het rijden onder invloed hiervan (artikel 8 lid 5 Wegenverkeerswet). Is dit juridisch gezien juist?

A. Ja. De vrouw kan op basis van deze feiten en omstandigheden worden aangemerkt als verdachte van overtreding van artikel 8 lid 5 en daarvoor worden aangehouden. Daarnaast mag de auto worden doorzocht, omdat er een strafbaar feit is op heterdaad ontdekt is.

B. Nee. De vrouw mag wel worden aangehouden, maar er is geen sprake van een verdenking van een VH-feit, waardoor doorzoeking van het voertuig niet rechtmatig is.

C. Nee. De vrouw kan niet worden aangehouden, maar moet wel medewerking verlenen aan nader onderzoek. De auto kan wel worden doorzocht, op basis van de Opiumwet.

D. Nee, als geen speekseltest kan worden afgenomen, mag zij niet worden aangehouden voor overtreding van artikel 8 lid 5. Wél kun je haar bekeuren voor het niet verlenen van medewerking aan de speekseltest.

 

A is goed.

 

Feedback: Het weigeren van medewerking aan de speekseltest is strafbaar, en kan feitgecodeerd worden afgedaan met een bekeuring. Dat heft echter niet op dat een redelijke verdenking is ontstaan ten aanzien van het rijden onder invloed van drugs, waardoor aanhouding mogelijk is. Artikel 96b geeft de bevoegdheid om bij ontdekking op heterdaad van elk strafbaar feit een voertuig te doorzoeken. In dit geval wordt op heterdaad ontdekt dat de vrouw lijst-II middelen in de auto aanwezig heeft. De Opiumwet geeft overigens geen doorzoekingsbevoegdheid.

 

Na kort overleg met je collega, besluit je de vrouw aan te houden en naar het politiebureau te brengen. Doorzoeking van de auto levert verder niets op. Aangekomen op het bureau besluit je de vrouw in te sluiten in een ophoudkamer.

3.   Brigadier Inge wijst jullie erop dat jullie beiden man zijn, en de insluitingsfouillering zoveel mogelijk door een vrouw moet worden uitgevoerd, omdat de verdachte vrouwelijk is.

A. Inge heeft gelijk. Artikel 28 lid 3 Ambtsinstructie schrijft voor dat dit onderzoek aan de kleding zoveel mogelijk door een ambtenaar van hetzelfde geslacht moet worden uitgevoerd.

B. Inge heeft geen gelijk. Ze is in de war met artikel 7 lid 3 van de Politiewet 2012, waarin wél voorgeschreven is dat een veiligheidsfouillering moet worden uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde geslacht.

 

A is goed.

 

Feedback: De veiligheidsfouillering (7 lid 3 Pw2012) is ter afwending van direct gevaar, en is derhalve niet gebonden aan uitvoering door ambtenaren van hetzelfde geslacht. De insluitingsfouillering is minder dringend van aard, en dient daarom wél zoveel mogelijk te worden uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde geslacht.

4.   Een vrouwelijke collega heeft de verdachte onderworpen aan een onderzoek aan de kleding, en heeft daarbij nog een zakje met hasj gevonden, evenals een klein busje met pepperspray. De zaken die tijdens de insluitingsfouillering zijn ontdekt:

A  Zijn wel vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, maar kunnen niet worden gebruikt voor strafrechtelijke doeleinden, omdat deze niet bij een strafvorderlijke fouillering zijn aangetroffen.

B  Kunnen worden gebruikt voor strafrechtelijke doeleinden, omdat deze rechtmatig zijn ontdekt.

C  Kunnen slechts worden gebruikt als bewijs met betrekking tot de verdenking van het strafbare feit waarvoor de verdachte is aangehouden.

D  Inbeslagneming is mogelijk, maar alleen als je achteraf verantwoordt dat je de fouillering mede op basis van de bevoegdheden uit de Opiumwet en de Wet wapens en munitie hebt uitgevoerd.

 

B is goed.

 

De verdachte heeft zich laten fouilleren en insluiten. Ze heeft meegewerkt aan de bloedafname door een arts, en tijdens de voorgeleiding bij de hovj bekend dat ze aan het blowen was terwijl ze de auto bestuurde.

5.   De verdachte wordt heengezonden, aangezien er geen onderzoek meer hoeft te worden gedaan. Terwijl de verdachte naar haar auto loopt, merkt jouw collega op: “Ho eens, ze mag nu beslist niet meer rijden!”

A. Dat klopt, als de vrouw nog onder invloed is van de verdovende middelen. Daarnaast kan de verdachte een rijverbod opgelegd krijgen, als bedoeld in artikel 162 Wegenverkeerswet.

B. Dat klopt niet. Er is immers nog niet vastgesteld dat de verdachte onder invloed is. Een rijverbod kan daarom niet worden opgelegd.

C. Dat klopt niet. Een rijverbod kan alleen worden gegeven bij een vermoeden van alcoholgebruik; bij een vermoeden van rijden onder invloed van drugs is dit niet mogelijk.

D. Dat klopt. Na een bloedonderzoek naar middelen die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden, geldt standaard een rijverbod van minimaal 24 uren.

 

A is goed.

CASUS 2

Tijdens koopavond heb je, met je collega in opleiding Bart, dienst in het drukbezochte centrum van Warmerdam, een kleine stad. Je houdt toezicht op het winkelend publiek en de bezoekers van de horecagelegenheden. Rond 19:30 uur loop je langs een drogisterij en hoor je de detectiepoortjes van de winkel af gaan. Er loopt precies op dat moment een man met een rugzak naar buiten.

1.   Het personeel van de winkel lijkt de man nog niet te hebben opgemerkt. Bart wil de man aanspreken, maar zodra de man jullie ziet, kijkt hij geschrokken en rent snel weg. Bart rent achter de man aan en geeft hem een duw, waardoor de man op de grond valt. Welk advies geef je aan je collega Bart?

A. Door de combinatie van het geactiveerde detectiepoortje en zijn reactie op de politie, kon de man als verdachte worden aangemerkt en mocht je hem aanhouden.

B. Detectiepoortjes geven vaak ‘loos’ alarm, en wegrennen voor de politie is niet strafbaar. Deze man mocht daarom niet als verdachte worden aangemerkt en de aanhouding is dan ook onrechtmatig.

C. Wegens het ontbreken van een aangifte is er geen redelijk vermoeden van een strafbaar feit. Het winkelpersoneel had hierover eerst gehoord moeten worden.

 

A is goed.

2.   Bart boeit de man, geeft hem de cautie en wijst hem op diens recht op rechtsbijstand. Vervolgens beveelt Bart de man de uitlevering van gestolen goederen.

A. Dat doet Bart goed. De man is aangehouden, op zijn rechten gewezen, waarna deze moet voldoen aan Bart’s bevel tot uitlevering van de goederen ter inbeslagneming

B. Dat doet Bart niet helemaal goed. Dit bevel kan slechts worden gegeven aan niet-aangehouden verdachten. Bart had moeten afwachten of de goederen bij een insluitingsfouillering ontdekt zouden worden.

C. Dat doet Bart goed. Nu de man is aangehouden, dient dit bevel onverwijld te worden gegeven om zo vast te kunnen stellen of hij terecht als verdachte is aangemerkt. Een fouillering is op dit moment een te ingrijpend middel.

D. Dat doet Bart niet helemaal goed. Dit bevel mag niet aan een verdachte worden gegeven. Bart had eventueel wel de verdachte aan diens kleding kunnen onderzoeken en/of de rugzak in beslag kunnen nemen en vervolgens onderzoeken.

 

D is goed.

 

CASUS 3

 

Nadat je de verdachte op het bureau hebt ingesloten, worden Bart en jij met door de meldkamer opgeroepen om met spoed naar café “De Dolle Stier” te gaan. De portier zou het daar aan de stok hebben met een dronken bezoeker.

3.   Aangekomen bij het café vertelt de portier jullie het volgende: “Zo’n anderhalf uur geleden kreeg een vaste bezoeker, Erdem, ruzie met een barman. Erdem heeft toen met zijn vuist de barman in het gezicht geslagen. De barman had wel pijn en zijn wang is iets opgezwollen, maar Erdem is een goede klant. Ik heb de ruzie kunnen sussen. Nu zoekt Erdem echter weer ruzie met andere bezoekers, en ik wil dat hij vertrekt.”Bart vraagt jou welke mogelijkheden jullie nu hebben. Je antwoordt:

A. Erdem wordt verdacht van mishandeling. Omdat er slechts anderhalf uur verstreken is, kan hij op heterdaad door de portier worden aangehouden. De portier kan Erdem daarna aan ons overdragen. Dat is beter dan dat wij het café betreden met alle commotie van dien.

B. Erdem kan niet meer worden aangehouden voor mishandeling, omdat hiervoor al bemiddeling heeft plaatsgevonden. Daarmee is de strafbaarheid opgeheven.

C. Ik bel met de (hulp)officier van justitie om Erdem buiten heterdaad te mogen aanhouden voor de mishandeling. De (hulp)officier kan vervolgens de portier machtigen om Erdem aan te houden, zodat wij het café niet hoeven te betreden.

D. Er is géén sprake meer van heterdaad en (eenvoudige) mishandeling is géén VH-feit. Erdem kan derhalve niet meer worden aangehouden voor deze mishandeling.

E. Alle bovenstaande antwoorden zijn onjuist.

 

E is goed.

4.   Terwijl jullie met de portier in gesprek zijn, komt Erdem uit eigen beweging naar buiten. Hij is overduidelijk dronken en schreeuwt luidkeels dat hij oneerlijk behandeld is en dat hij nog niet klaar is met de barman. Het is nog vroeg in de avond, en het winkelend publiek kijkt geschrokken om naar de situatie die zich voor het café afspeelt. Je kijkt Bart kort aan, en jullie besluiten Erdem aan te houden. Welk strafbaar feit omschrijft Erdem’s gedrag het beste?

A. Artikel 426 wetboek van strafrecht

B. Artikel 453 wetboek van strafrecht

C. Artikel 2.1 van de model APV (Algemene Plaatselijke Verordening)

D. Géén van deze feiten is passend bij Erdem’s gedrag

 

A is goed.

 

Feedback: Alleen artikel 426 Sr omvat zowel de staat van dronkenschap, als de ordeverstoring. De overige artikelen benoemen slechts de dronkenschap óf de ordeverstoring. Hier is duidelijk sprake van ordeverstoring in staat van dronkenschap.

 

RONDE 3 (FINALE)

 

We gaan luisteren naar een 112-melding. <afspelen geluidsfragment>

 

Jij wordt samen met een onervaren collega door de meldkamer naar deze situatie gestuurd. Tijdens de rit, die gelukkig slechts drie minuten duurt, maak je vooraf met je collega een voorlopig plan van aanpak. Je legt aan je collega uit waar jullie op moeten en willen gaan letten, welke (juridische) mogelijkheden jullie hebben maar ook welke (juridische) obstakels jullie tegen kunnen komen.

 

Verantwoord in diezelfde drie minuten aan de jury jouw voorbereiding en plan van aanpak. Denk bijvoorbeeld aan:

-                Op welke aspecten jij in deze casus gaat letten;

-                Welke bevoegdheden je denkt te gaan kunnen gebruiken;

-                Welke wetgeving kan van belang zijn;

-                Welke handelingskaders of aanwijzingen gelden en hoe je deze kunt toepassen.

Overtuig de jury dat jouw vakmanschap zal bijdragen aan een goede afhandeling van deze situatie.

 

EINDE